CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 16 januari 2003 (1)
Zaak C-441/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden
„Niet-nakoming – Richtlijn 89/391/EEG – Maatregelen ter bevordering van verbetering van veiligheid en gezondheid op werk – Rangorde bij keuze tussen organisatie van activiteiten van bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's in bedrijf en uitbesteding van dienst”
1. De Commissie verzoekt het Hof krachtens artikel 226 EG vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 89/391/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. (2) Krachtens deze bepaling moet het bedrijf een beroep doen op externe diensten indien het onvoldoende bekwaam is om de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's te organiseren. De Nederlandse wetgeving blijkt de werkgever de keuze te laten om voor die taken een of meer werknemers aan te wijzen dan wel om deze dienst uit te besteden.
I. Richtlijn 89/391
2. Richtlijn 89/391 is door de Raad vastgesteld op basis van artikel 118 A EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG). In de tiende en de elfde overweging van de considerans van deze richtlijn wordt gesteld dat, gelet op het feit dat er te veel arbeidsongevallen en beroepsziekten zijn, onverwijld preventieve maatregelen moeten worden genomen of verbeterd om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen teneinde een hoger beschermingsniveau te bereiken. Ter waarborging van dit beschermingsniveau is het nodig dat de werknemers en hun vertegenwoordigers op de hoogte worden gesteld van de risico's voor hun veiligheid en gezondheid en van de maatregelen die moeten worden genomen om deze risico's te verminderen of weg te nemen.
3. Artikel 7, waarvan lid 3 niet zou zijn nagekomen, luidt:
1. Onverminderd de in de artikelen 5 en 6 bedoelde verplichtingen wijst de werkgever een of meer werknemers aan die zich met de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's in het bedrijf en/of de inrichting zullen bezighouden.
2. De aangewezen werknemers mogen geen nadeel ondervinden van hun activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's.De aangewezen werknemers moeten, teneinde de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kunnen nakomen, over voldoende tijd beschikken.
3. Indien de mogelijkheden in het bedrijf en/of de inrichting onvoldoende zijn om deze beschermings- en preventieactiviteiten te organiseren, moet de werkgever een beroep doen op deskundigen (personen of diensten) van buiten het bedrijf en/of de inrichting.
4. Indien de werkgever een beroep doet op dergelijke deskundigen, moeten de betrokken personen of diensten door de werkgever worden ingelicht over de factoren waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij van invloed zijn op de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en toegang hebben tot de in artikel 10, lid 2, bedoelde informatie.
5. In alle gevallen:
─ moeten de aangewezen werknemers over de nodige capaciteiten en middelen beschikken,
─ moeten de geraadpleegde personen of diensten van buitenaf de nodige bekwaamheden hebben en over de nodige personele en professionele middelen beschikken, en
─ moeten de aangewezen werknemers en de geraadpleegde personen of diensten van buitenaf voldoende in aantal zijn,
om de beschermings- en preventieactiviteiten op zich te nemen, afhankelijk van de grootte van het bedrijf en/of de inrichting en/of de risico's waaraan de werknemers zijn blootgesteld, alsmede de verdeling ervan over het gehele bedrijf en/of de gehele inrichting.
6. Voor de bescherming tegen en de preventie van risico's voor veiligheid en gezondheid waarvan sprake is in dit artikel, wordt gezorgd door een of meer werknemers, door een enkele dienst of door verschillende diensten, ongeacht of hij (zij) al dan niet deel uitmaakt (uitmaken) van het bedrijf en/of de inrichting.De werknemer(s) en/of dienst(en) moeten voorzover nodig samenwerken.
7. De lidstaten kunnen, rekening houdend met de aard der activiteiten en de grootte van het bedrijf, de categorieën van bedrijven bepalen waarin de werkgever ─ mits hij de nodige capaciteiten bezit ─ zelf de in lid 1 bedoelde taak op zich kan nemen.
8. De lidstaten bepalen welke capaciteiten en welke bekwaamheden als bedoeld in lid 5 nodig zijn.Zij kunnen bepalen welk aantal als bedoeld in lid 5 voldoende is.
4. De lidstaten moesten deze richtlijn uiterlijk op 31 december 1992 omzetten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Zij moeten haar eveneens de tekst meedelen van de bepalingen van nationaal recht die op dit gebied reeds zijn vastgesteld of die zij op dat gebied vaststellen.
II. De Nederlandse wetgeving
5. Artikel 17, lid 1, van de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet, dat ertoe strekt de bepalingen van artikel 7, leden 1 en 3, van richtlijn 89/391 om te zetten, bepaalt:
1. De werkgever laat zich ten aanzien van zijn verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door:
a) een of meer deskundige werknemers, al dan niet georganiseerd in een dienst;
b) een of meer andere deskundige personen;
c) een of meer diensten bestaande uit andere deskundige personen, dan wel
d) een combinatie van deskundige werknemers, andere deskundige personen of diensten als bedoeld in de onderdelen a, b en c.
6. In haar verweerschrift merkt de Nederlandse regering op dat deze bepaling is vervangen door artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet van 1998. Hoewel de formulering van de geldende bepaling verschilt van die van artikel 17, op grond waarvan de Commissie haar beroep heeft ingesteld, bevatten beide teksten hetzelfde uitgangspunt, wat de mogelijkheid voor de ondernemer betreft om zonder onderscheid interne of externe diensten in te schakelen voor de organisatie van de beschermings- en preventieactiviteiten.
III. De administratieve procedure
7. De Nederlandse autoriteiten hebben in februari 1994 de tekst van de wetten tot omzetting van richtlijn 89/391 meegedeeld. In juli 1997 heeft de Commissie hun een aanmaningsbrief gezonden waarin de aandacht erop wordt gevestigd dat richtlijn 89/391 de werkgever voor het verrichten van de beschermings- en preventieactiviteiten niet de keuze biedt tussen inschakeling van eigen personeel of van een extern bedrijf, maar tussen deze keuzemogelijkheden een rangorde instelt, naargelang hij zelf over werknemers met de nodige deskundigheid beschikt.
8. Aangezien de Commissie niet overtuigd was door de verklaringen van de Nederlandse regering van november 1997, heeft zij eind december 1998 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij de Nederlandse regering heeft verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden de richtlijn op de juiste wijze uit te voeren. In haar antwoord van eind maart 1999 heeft de Nederlandse regering haar standpunt gehandhaafd, waarom de Commissie de procedure thans voor de rechter voortzet.
IV. De contentieuze procedure
9. De Commissie heeft het verzoekschrift op 15 november 2001 ter griffie van het Hof neergelegd. De in deze niet-nakomingsprocedure verwerende regering heeft bij verweerschrift van 5 februari 2002 geantwoord. Deze processtukken zijn aangevuld met een repliek van 27 maart 2002 en een dupliek van 13 mei daaraanvolgend.
10. Ter terechtzitting, die op 28 november 2002 plaatsvond, zijn de gemachtigden van de Commissie en van de Nederlandse regering verschenen om hun mondelinge opmerkingen in te dienen.
V. Onderzoek van het beroep
11. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat Nederland zijn verplichtingen niet is nagekomen door artikel 7, lid 3, van richtlijn 89/391 niet correct in de nationale wetgeving te hebben omgezet, en deze lidstaat te verwijzen in de kosten.Zij stelt dat de werkgever volgens de richtlijn verplicht is een of meer werknemers voor beschermings- en preventieactiviteiten aan te duiden en dat hij enkel extern personeel mag inschakelen indien de mogelijkheden binnen het bedrijf onvoldoende zijn.
12. Nederland meent daarentegen dat richtlijn 89/391 de lidstaten geen rangorde in de twee keuzemogelijkheden oplegt, en voert daartoe vijf gronden aan.
a) De strekking van artikel 7, lid 3
13. Volgens de verwerende regering vindt de interpretatie van de Commissie geen steun in de bewoordingen van deze bepaling, omdat, indien zij gelijk heeft, een werkgever met deskundig personeel voor preventie van beroepsrisico's deze dienst onmogelijk zou kunnen uitbesteden, tenzij hij zou besluiten zijn personeel te ontslaan. Indien hij daarna ter zake deskundige werknemers in dienst zou nemen, zou hij de overeenkomst met de externe dienst moeten opzeggen. Ook zou artikel 7, lid 6, zijn betekenis verliezen. Zelfs indien artikel 7, lid 3, in de door de Commissie voorgestelde zin dient te worden begrepen, hoeven de lidstaten de bewoordingen daarvan niet letterlijk over te nemen, aangezien zij vrij de vorm en de middelen kunnen kiezen om het door de richtlijn gestelde resultaat te bereiken. Volgens de Nederlandse regering verdient het de voorkeur de activiteiten van bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's uit te besteden aangezien de diensten van buiten het bedrijf een grotere kennis op dit gebied hebben.
14. Ik kan geen van deze argumenten aanvaarden.
15. In artikel 7 van richtlijn 89/391 wordt de organisatie van activiteiten op het gebied van bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's in het bedrijf geregeld, waarbij de werkgever een dermate beslissende rol krijgt toebedeeld dat, indien hij zelf de nodige bekwaamheid bezit, hij deze taak zelf op zich kan nemen. Als uitgangspunt vereist lid 1 dat de werkgever een of meer werknemers voor deze activiteiten aanwijst, met dien verstande dat zij overeenkomstig lid 5 over de nodige capaciteiten en middelen moeten beschikken en dat de beschermings- en preventieactiviteiten die de werknemers verrichten, kunnen worden aangevuld met de activiteiten van externe bedrijven. Vervolgens wordt in lid 3 voorgeschreven dat indien de mogelijkheden in het bedrijf of de inrichting om deze activiteiten te organiseren onvoldoende zijn, de werkgever een beroep moet doen op personen of diensten van buiten het bedrijf. Dit is een bijkomende mogelijkheid, waarvoor als voorwaarde geldt dat het bedrijf niet over voldoende middelen beschikt.Het Hof heeft deze twee bepalingen ook aldus uitgelegd in het arrest van 15 november 2001, Commissie/Italië (3) , waarin het verklaarde dat artikel 7, leden 1 en 3, van de richtlijn een verplichting voor de werkgever bevat om binnen het bedrijf een dienst voor de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's te organiseren of, indien de interne mogelijkheden onvoldoende zijn, een beroep te doen op deskundigen van buitenaf. In deze zaak had de werkgever volgens de Italiaanse wet de mogelijkheid, maar niet de verplichting om, indien de capaciteiten van de werknemers onvoldoende waren, een beroep te doen op personen of diensten van buiten het bedrijf.
16. Zowel lid 1 als lid 3 van artikel 7 is in duidelijke en precieze bewoordingen gesteld. De werkgever beoordeelt of voldoende deskundig personeel voorhanden is, en wanneer dat niet het geval is, moet lid 3 worden toegepast, rekening houdend met de benodigde capaciteiten en bekwaamheden van de werknemers, die de lidstaten overeenkomstig het bepaalde in lid 8 moeten bepalen. Het gaat dus niet, zoals Nederland lijkt te vrezen, om een persoonlijk en subjectief waardeoordeel van de werkgever maar om een beslissing op basis van bij de nationale wet vastgestelde algemene, objectieve en eenvormige criteria. Indien een werkgever die bij gebrek aan beschikbaar personeel de dienst van bescherming en preventie aan een extern bedrijf had uitbesteed, later geschikte werknemers heeft, is dat omdat hij bewust en niet bij toeval heeft besloten deze activiteiten binnen zijn bedrijf te laten verrichten. In dat geval lijkt het mij logisch dat hij de overeenkomst met het externe bedrijf opzegt, aangezien hij die diensten niet meer nodig heeft.
17. Het Hof heeft verklaard dat voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht niet noodzakelijkerwijs vereist is dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk worden overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke of verordenende bepaling wanneer gelet op de inhoud een algemene juridische context kan volstaan, maar het heeft daaraan toegevoegd dat deze context de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze daadwerkelijk moet verzekeren. (4) De verwerende regering geeft toe dat de uit de richtlijn blijkende voorkeur dat de beschermings- en preventieactiviteiten door de eigen werknemers worden verricht, niet is overgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet. Aangezien de in de richtlijn tussen de twee keuzemogelijkheden vastgestelde rangorde ontbreekt, moet worden vastgesteld dat de leden 1 en 3 van artikel 7 niet getrouw in de nationale wetgeving zijn omgezet.
18. Ik ben het eens met de Commissie dat er gewichtige argumenten zijn voor de voorrang die artikel 7 toekent aan het verrichten van de beschermings- en preventietaken door de eigen werknemers, wanneer dit mogelijk is. In de eerste plaats kennen zij het bedrijf van binnenuit, passen zij de arbeidsmethoden van het bedrijf toe, begrijpen zij de gevaren die aan de concrete bedrijfsactiviteit verbonden zijn, zijn zij op de hoogte van vroegere voorvallen, kunnen zij potentiële risico's onderkennen en zijn zij permanent in het bedrijf aanwezig. In de tweede plaats hebben de werknemers het meeste belang bij een efficiënte uitvoering van deze taken, aangezien de fysieke integriteit van henzelf en hun collega's op het spel staat. Wanneer deze activiteiten binnen het bedrijf worden georganiseerd, vergroot dit bovendien de mogelijkheden om het gehele personeel bewust te maken van het belang van deze taken, zodat de eventuele ongemakken daarvan niet als het gevolg van een van buitenaf opgelegde maatregel worden ervaren.
b) De structuur van artikel 7
19. Volgens de Nederlandse regering biedt het alternatief om een externe dienst in te schakelen een aantal voordelen. De vrijheid om de ene of de andere oplossing te kiezen hangt af van factoren als het voorhanden zijn van geschoold personeel, de samenstelling van het personeelsbestand, de continuïteit van de dienstverlening en de ongemakken in de bedrijfsvoering ten gevolge van het inschakelen van eigen personeel. Anders dan de Commissie stelt, blijkt volgens deze regering uit artikel 7 van richtlijn 89/391 niet dat er een rangorde bestaat tussen de twee voorgestelde keuzemogelijkheden.
20. Die benadering kan ik evenmin aanvaarden. Lid 3 van artikel 7 dient te worden uitgelegd met inachtneming van de plaats die het binnen de structuur van het artikel inneemt. Overeenkomstig lid 1 moet de werkgever een of meer werknemers aanwijzen voor activiteiten op het gebied van bescherming en preventie, zonder dat zij, aldus lid 2, van deze activiteiten nadeel mogen ondervinden en mits zij daartoe over de nodige tijd beschikken. Volgens lid 3 moet de werkgever, ingeval hij bij gebrek aan geschoold personeel geen werknemers kan aanwijzen, een beroep doen op de dienstverlening van een extern bedrijf, en overeenkomstig lid 4 moet hij dit bedrijf de nodige inlichtingen daarvoor verstrekken. Lid 5 is, aangevuld door de nationale wetgeving overeenkomstig lid 8, van toepassing zowel wanneer de activiteiten binnen het bedrijf worden verricht als wanneer een beroep op externe diensten wordt gedaan. Lid 6 voorziet in de mogelijkheid dat voor de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's in het bedrijf deels wordt gezorgd door de eigen werknemers en deels door een externe dienst, in welk geval de werknemers voorzover nodig met deze dienst moeten samenwerken. De omstandigheid dat lid 3 volgt op twee leden die enerzijds als regel stellen dat voor het verrichten van de activiteiten werknemers moeten worden aangewezen, en anderzijds dat daarvoor hun rechten gewaarborgd zijn en zij over voldoende tijd beschikken, toont duidelijk aan dat de werkgever enkel bij gebrek aan geschoold personeel binnen zijn bedrijf een beroep moet doen op de diensten van een extern bedrijf.Indien de richtlijn geen enkele rangorde tussen beide keuzemogelijkheden zou bepalen, zou de inleidende zinsnede van lid 3, waarin het gebruik van externe diensten afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de deskundigheid binnen het bedrijf onvoldoende is, hoe dan ook overbodig zijn.
c) Het doel van de richtlijn
21. Volgens de verwerende regering beoogt richtlijn 89/391 een systematische en preventieve aandacht voor arbeidsomstandigheden en beroepsrisico's in het bedrijf te waarborgen. Een evenwichtige deelneming van de werknemers aan deze activiteiten kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd en niet alleen door voorrang toe te kennen aan de uitvoering ervan door de eigen werknemers. In Nederland wordt die doelstelling verwezenlijkt door de implementatie van artikel 9 van de richtlijn, dat de verplichtingen van de werkgever regelt, en van artikel 10, dat zijn verplichting tot voorlichting van de werknemers specificeert. Ook ingeval een externe dienst met de beschermings- en preventieactiviteiten wordt belast, zorgt de Nederlandse wet voor een nauwe betrokkenheid van het eigen personeel. De Nederlandse regering is het niet eens met de Commissie dat de richtlijn een zo ruim mogelijke deelneming van de werknemers tot doel heeft, want volgens haar blijkt deze doelstelling niet uit artikel 1 van de richtlijn, uit de considerans van de richtlijn of uit de toelichting bij het oorspronkelijke voorstel van richtlijn. Volgens haar is voor het standpunt van de Commissie evenmin steun te vinden in de structuur van de richtlijn of in de beginselen die blijkens artikel 1, lid 2, daaraan ten grondslag liggen.
22. Volgens artikel 1, lid 1, heeft richtlijn 89/391 tot doel de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk te bevorderen. In de considerans wordt evenwel verklaard dat het noodzakelijk is dat de werknemers of hun vertegenwoordigers ertoe bijdragen dat de nodige beschermingsmaatregelen worden genomen, en dat voorlichting, dialoog en evenwichtige deelneming inzake veiligheid en gezondheid op het werk tussen werkgevers en werknemers of hun vertegenwoordigers moeten worden ontwikkeld. (5) Deze overwegingen zijn als algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid overgenomen in lid 2 van dit artikel. Deze beginselen waren bepalend om de beschermings- en preventieactiviteiten bij voorrang binnen het bedrijf te organiseren. Zoals de Commissie in repliek terecht opmerkt, geldt de richtlijn voor alle particuliere en openbare economische sectoren, waarvan enkel de sectoren worden uitgesloten die bijzondere aspecten vertonen die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten, de politie en de diensten van de bevolkingsbescherming. Bij een dermate ruime werkingssfeer is te verwachten dat een aantal ondernemingen niet in staat zullen zijn deze dienst door hun eigen werknemers te laten verrichten, hetgeen niet betekent dat zij niet verplicht zijn dit te doen, wanneer zij daartoe de mogelijkheid hebben, geheel of gedeeltelijk tezamen met externe diensten, zoals artikel 7, lid 6, toestaat.Aangezien de evenwichtige deelneming van de werkgevers en de werknemers aan de preventie van beroepsrisico's in de richtlijn als een algemeen beginsel wordt gekwalificeerd, lijkt het dus logisch dat artikel 7 ervan voorrang heeft gegeven aan de interne organisatie van deze activiteiten alvorens de werkgever de mogelijkheid te bieden de diensten van een externe onderneming in te schakelen.
d) Minimumharmonisatie
23. Volgens de verwerende regering brengt richtlijn 89/391 om twee redenen slechts een minimumharmonisatie tot stand: ten eerste is de rechtsgrondslag ervan artikel 118 A EG-Verdrag; ten tweede stelt artikel 1, lid 3, als beginsel dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de nationale en communautaire bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. De Nederlandse wetgever heeft van deze mogelijkheid om een verder gaande bescherming te bieden gebruikgemaakt, in het bijzonder door een hoogwaardig landelijk dekkend stelsel van diensten in te voeren met meer preventietaken dan waartoe de richtlijn verplicht. Om te voldoen aan de verplichtingen die op het gebied van de arbeidsomstandigheden aan de bevoegde diensten worden opgelegd, zijn een aantal werkgevers genoodzaakt gebruik te maken van externe diensten en personen. De richtlijn staat de lidstaten toe een verder gaande bescherming te bieden en laat de werkgever de vrije keuze voor de dienst die hem het hoogste beschermingsniveau verschaft.
24. Krachtens artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/391 kunnen de lidstaten inderdaad zowel bestaande bepalingen handhaven die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, als verder gaande maatregelen nemen. Niettemin hoeft niet te worden beoordeeld of de bescherming die de Nederlandse wetgeving biedt, verder gaat dan die van richtlijn 89/391, maar moet worden vastgesteld of de voorrang tussen de twee bij artikel 7 ingestelde keuzemogelijkheden juist is overgenomen in de nationale wetgeving.
e) Nuttig effect van de richtlijn
25. Nederland betoogt dat zijn wetgeving om verschillende redenen geschikt is om een preventief en systematisch veiligheids- en gezondheidsbeleid in het bedrijf te garanderen: in de eerste plaats wordt van degenen die zich bezighouden met de meest cruciale beschermings- en preventieactiviteiten, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen werknemers en extern personeel, deskundigheid vereist op het terrein van de arbeidsgeneeskunde en -hygiëne, veiligheidskunde, en arbeids- en organisatiekunde. De omvang van het bedrijf is dan ook bepalend voor de vraag of gebruik moet worden gemaakt van externe diensten, die het voordeel bieden dat zij de activiteiten objectiever verrichten dan de eigen werknemers, aangezien zij niet afhankelijk zijn van de werkgever. In de tweede plaats wordt de betrokkenheid van de werknemers bij het beleid inzake arbeidsomstandigheden gegarandeerd omdat zowel de werkgever als de interne of externe deskundigen de vertegenwoordigers van de werknemers moeten voorlichten en de ondernemingsraad moeten raadplegen. Ten slotte is een flexibel systeem, waarin hoge eisen worden gesteld aan de deskundige ondersteuning en vèrgaande rechten worden toegekend aan de vertegenwoordigers van de werknemers, de beste waarborg voor de naleving van de doelstellingen van de richtlijn.
26. Met dit argument kan ik in het kader van deze niet-nakomingsprocedure evenmin instemmen. De omstandigheid dat Nederland bij de vaststelling van de bekwaamheden van de werknemers en de externe diensten hogere eisen heeft gesteld dan andere lidstaten, ontslaat deze lidstaat niet van de verplichting de bij artikel 7, leden 1 en 3, van de richtlijn vastgestelde rangorde te eerbiedigen. Ik ga ermee akkoord dat de omvang van het bedrijf normalerwijze een rol speelt bij de vraag of er werknemers zijn die taken op het gebied van bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's kunnen verrichten, maar ik wil toch opmerken dat dit niet altijd het geval is. De lidstaten moeten er in elk geval voor zorgen dat de werkgever verplicht is deze taken bij voorrang binnen de onderneming te organiseren. Door zowel de voorlichting van het personeel als de betrokkenheid en de raadpleging van de werknemers of hun vertegenwoordigers te waarborgen, heeft Nederland anderzijds een aantal andere bepalingen van de richtlijn in nationaal recht omgezet.
27. Om de hierboven uiteengezette redenen ben ik van mening dat de Commissie heeft aangetoond dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 89/391 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door in zijn nationale wetgeving de werkgever toe te staan vrij te kiezen om de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's binnen het bedrijf te organiseren dan wel voor deze dienst een externe organisatie in te schakelen.Derhalve is het verzoek van de Commissie gegrond en moet worden vastgesteld dat de verwerende staat de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
VI. Kosten
28. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien ik in overweging geef het verzoek van de Commissie toe te wijzen en deze de veroordeling van de andere partij in de kosten heeft gevorderd, dient het Koninkrijk der Nederlanden te worden verwezen in de kosten van de procedure.
VII. Conclusie
29. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, door in zijn nationale wetgeving de werkgever toe te staan vrij te kiezen om de activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's binnen het bedrijf te organiseren dan wel voor deze dienst een externe organisatie in te schakelen;
2) de verwerende lidstaat te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Richtlijn van de Raad van 12 juni 1989 (PB L 183, blz. 1).
3 – C-49/00, Jurispr. blz. I-8575, punt 23.
4 – Arresten van 16 november 2000, Commissie/Griekenland (C-214/98, Jurispr. blz. I-9601, punt 49), en 7 december 2000, Commissie/Frankrijk (C-38/99, Jurispr. blz. I-10941, punt 53), en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 21.
5 – Elfde en twaalfde overweging van de considerans.
Full & Egal Universal Law Academy