CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 13 juli 2004(1)
Zaken C-460/01 en C-104/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden (C-460/01)
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland (C-104/02)
Interveniënt: Koninkrijk België
„Gemeenschappelijke niet-nakomingsprocedure – Douanewetboek – Communautair douanevervoer – Overtredingen en onregelmatigheden – Inning van douaneschuld – Termijn – Eigen middelen van Gemeenschappen – Vaststelling – Vertragingsrente”
Inhoud I – Inleiding II – De relevante wetsbepalingen A – De voorschriften voor het communautair douanevervoer B – De inning van de douaneschuld C – Terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap III – De precontentieuze en de gerechtelijke procedure IV – Schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 en artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening A – Middelen en argumenten van partijen B – Beoordeling 1. De niet-ontvankelijkheid van de beroepen 2. De vraag, welke te late gedraging van de lidstaten een schending van het Verdrag betekent 3. De vraag of artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening slechts een proceduretermijn is i) De rechtspraak van het Hof tot nu toe ii) De praktische problemen bij de naleving van de termijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening – Het ontstaan van de douaneschuld – De vaststelling van de schuldenaar in geval van onregelmatigheden in het douanevervoer – De vaststelling van het bedrag van de rechten – De vaststelling van de bevoegdheid iii) De onnodige belasting van de aangever indien naderhand blijkt dat het douanevervoer volgens de regels is verlopen V – Schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 A – Belangrijkste argumenten van partijen B – Beoordeling 1. De niet-ontvankelijkheid van het tweede middel van het verzoekschrift in zaak C-104/02 2. De gegrondheid van het beroep in zaak C-460/01 VI – Conclusie
I – Inleiding
1. In niet-nakomingszaak C-460/01 verwijt de Commissie Nederland dat het van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995 eigen middelen van de Gemeenschap niet tijdig ter beschikking heeft gesteld en de daardoor verschuldigd geworden vertragingsrente niet heeft betaald. In zaak C-104/02 verwijt zij Duitsland ditzelfde voor de jaren 1993 en 1994. Het gaat om de inning van douaneschulden wegens onregelmatigheden in het communautair douanevervoer.
II – De relevante wetsbepalingen
A – De voorschriften voor het communautair douanevervoer
2. De voorschriften voor het communautair douanevervoer waren in de relevante periode 1991-1992 neergelegd in verordening (EEG) nr. 222/77 (2) en (uitvoerings)verordening (EEG) nr. 1062/87 (3) , voor 1993 in verordening (EEG) nr. 2726/90 (4) en (uitvoerings)verordening (EEG) nr. 1214/92 (5) , en voor 1994 en 1995 in het douanewetboek (6) en de verordening tot uitvoering van het douanewetboek (7) (hierna: „uitvoeringsverordening”). De bepalingen hebben in wezen dezelfde inhoud. Hierna worden daarom alleen de meest recente bepalingen aangehaald, die van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening. Indien bepaalde afwijkende bepalingen in de eerdere verordeningen van belang zijn voor deze niet-nakomingsprocedures, wordt dit te bestemder plaatse vermeld.
3. Samengevat kunnen de procedures van communautair douanevervoer als volgt worden beschreven.
Goederen die het douanegebied van de Gemeenschappen binnenkomen en van de ene naar de andere lidstaat worden vervoerd, kunnen tijdens het vervoer vrij blijven van invoerrechten en heffingen, wanneer dit vervoer plaatsvindt in zogeheten extern communautair douanevervoer. Daarnaast bestaat ook het intern communautair douanevervoer, waarop echter niet behoeft te worden ingegaan, daar de in casu relevante bepalingen voor beide vormen gelijkelijk toepasselijk zijn. Hierna wordt dan ook alleen gesproken van „het” douanevervoer; aangehaald worden de bepalingen betreffende het extern communautair douanevervoer.
Doel van de douanevervoerprocedure is het toezicht door de douaneautoriteiten op dit goederenvervoer. De procedure bestaat uit het controleren van de begeleidende documenten en nagaan of de vervoerde goederen identiek en in dezelfde hoeveelheden aankomen op de plaats van bestemming.
Voor elk douanevervoer moet een „aangever” worden aangewezen, in de regel is dit de expediteur. Deze meldt het douanevervoer aan bij het bevoegde kantoor van vertrek van de lidstaat waar de goederen uit een derde land zijn binnengekomen. Daarbij wordt aan het kantoor van bestemming een uit verschillende formulieren bestaande aangifte T-1 (hierna: „T-1”) overgelegd, die verschillende gegevens moet bevatten (soort en hoeveelheid goederen, ontvanger, expediteur, kantoor van bestemming, enz.). Exemplaar 1 van T-1 blijft bij het kantoor van vertrek, de rest begeleidt de goederen tijdens het vervoer.
De goederen moeten binnen een door het kantoor van vertrek vast te stellen termijn (aangiftetermijn) bij het kantoor van bestemming worden aangegeven. Deze termijn bedraagt in de praktijk enkele dagen tot enkele weken. Het kantoor van bestemming controleert of de goederen overeenstemmen met de gegevens van T-1. Indien het douanevervoer volgens de regels is verlopen, tekent het kantoor van bestemming dit aan op exemplaar 5 van T-1 en stuurt dit terug aan het kantoor van vertrek.
Onregelmatigheden in het douanevervoer
4. De aangever is verantwoordelijk voor het douanevervoer en is verplicht de bij binnenkomst in het douanegebied niet geheven invoerrechten en heffingen te voldoen, wanneer het douanevervoer niet volgens de regels is verlopen. In de regel moet hij daarvoor bij de aanmelding voor het douanevervoer een zekerheid stellen. De regeling voor het geval van onregelmatigheden in het douanevervoer was voor de in geding zijnde periode 1991-1992 neergelegd in artikel 11 bis van verordening nr. 1062/87 (8) , voor 1993 in artikel 49 van verordening nr. 1214/92 (9) en voor 1994 en 1995 in de uitvoeringsverordening. (10)
Artikel 378 van de uitvoeringsverordening luidt, voorzover te dezen van belang:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 (11) van het wetboek, geacht te zijn begaan:
– in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert,
[…]
2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat van vertrek […] worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.
3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte, kan worden vastgesteld in welke lidstaat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en heffingen op de betrokken goederen […] De aanvankelijk geïnde rechten en heffingen worden terugbetaald […] zodra het bewijs van deze inning is geleverd.”
Artikel 379 van de uitvoeringsverordening luidt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”
B – De inning van de douaneschuld
5. Voor de inning van de douaneschuld gold in de relevante periode 1991 tot en met 1993 verordening (EEG) nr. 1854/89 (12) en in 1994 en 1995 het douanewetboek. (13)
Artikel 217, lid 1, eerste volzin, van het douanewetboek luidt:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”
Artikel 218, lid 3, van het douanewetboek luidt:
„Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan die bedoeld in lid 1, dient het overeenkomstige bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn:
a) het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen, en
b) de schuldenaar aan te wijzen.”
Artikel 219 van het douanewetboek luidt:
„1. De in artikel 218 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd:
a) hetzij om redenen die met de administratieve organisatie van de lidstaten verband houden, met name in geval van een gecentraliseerde comptabiliteit;
b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven.
De aldus verlengde termijnen mogen niet meer dan veertien dagen bedragen.
2. De in lid 1 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.”
Artikel 221 luidt, voorzover hier van belang:
„1) Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[…]
3) De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. […]” (14)
C – Terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap
6. Krachtens besluit 88/376/EEG, Euratom (15) zijn de geïnde douaneschulden eigen middelen van de Gemeenschappen, die op het desbetreffende tijdstip overeenkomstig verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 (16) aan de Commissie ter beschikking moeten worden gesteld, en wel als volgt.
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 luidt:
„Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.”
Overeenkomstig de artikelen 6, 9 en 10 van verordening nr. 1552/89 voert de lidstaat over de vastgestelde rechten bij de schatkist een boekhouding en boekt hij deze rechten op het credit van een bijzondere rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist is geopend. De rechten worden uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen en op hetzelfde moment op het credit van de bijzondere rekening geboekt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geïnde en nog niet geïnde rechten. Rechten die zijn vastgesteld maar nog niet geïnd en waarvoor ook geen zekerheid is gesteld, worden afzonderlijk geboekt. De boeking op het credit van de afzonderlijke rekening vindt in dat geval plaats uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de rechten zijn geïnd. De op de bijzondere rekening geboekte bedragen worden door de Commissie in haar boekhouding opgenomen.
Artikel 11 van verordening nr. 1552/89 luidt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
III – De precontentieuze en de gerechtelijke procedure
7. In 1994 en 1995 zijn in het kader van de in verordening nr. 1552/89 voorgeschreven procedure voor de controle van de lidstaten op de inning van de eigen middelen van de Gemeenschap in Nederland en in Duitsland onderzoeken uitgevoerd naar de toepassing van de voorschriften voor communautair douanevervoer. In de controleverslagen stelde de Commissie dat de douanekantoren van vertrek van deze twee lidstaten een groot aantal douaneschulden in geval van niet volgens de regels uitgevoerd douanevervoer te laat, dat wil zeggen meerdere maanden na het verstrijken van de driemaandentermijn, hadden geïnd. Daardoor had de boeking op het credit van de eigen middelen van de Gemeenschap eveneens te laat plaatsgevonden, zodat overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89 vertragingsrente verschuldigd was.
8. Nederland en Duitsland hebben de tijdstippen van inning en boeking niet betwist. Zij zijn echter van mening dat inning en boeking niet te laat hebben plaatsgevonden.
9. Wat Nederland betreft (C-460/01), heeft de Commissie daarop de vertragingsrente berekend, deze aan de Nederlandse autoriteiten meegedeeld en hen aangemaand, de rente ter hoogte van 5 323 395,06 NLG te betalen vóór 23 februari 1997. Dit is door Nederland geweigerd.
10. Op 2 februari 2000 heeft de Commissie Nederland een met redenen omkleed advies gestuurd, dat bij brief van 28 maart 2000 is beantwoord. Daarbij heeft Nederland opnieuw betwist dat het in strijd met het gemeenschapsrecht had gehandeld, en geweigerd om de gevraagde rente te betalen.
11. Daar de Commissie hier anders over denkt, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld. De Commissie vordert:
vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995:
– wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na het verzenden van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer, niet uiterlijk op de derde op die termijn volgende dag over te gaan tot het boeken en innen van de betrokken douaneschuld en andere heffingen, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels, die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen (17) ,
– de hiermee verband houdende eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie te stellen, en
– te weigeren de daarmee verband houdende vertragingsrente te betalen,
heeft verzuimd de verplichtingen na te komen die op hem rusten krachtens artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer en artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92, alsmede de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen.
12. Wat Duitsland betreft (C-104/02), heeft de Commissie de Duitse autoriteiten verzocht de voor een berekening van de vertragingsrente benodigde gegevens over te leggen. Dit is geweigerd op grond dat er gemeenschapsrechtelijk geen vertragingen waren geweest.
13. Daarop heeft de Commissie Duitsland op 19 juli 2000 een met redenen omkleed advies gestuurd. In zijn antwoord van 14 september 2000 heeft Duitsland opnieuw betwist dat het in strijd met het gemeenschapsrecht had gehandeld.
14. Daar de Commissie hier anders over denkt, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld. De Commissie vordert dat het Hof zal beslissen als volgt:
1) De Bondsrepubliek Duitsland heeft verzuimd de verplichtingen na te komen die op haar rusten krachtens artikel 49 van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie met uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen voor het communautair douanevervoer, alsook krachtens artikel 379 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 met bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, door eigen middelen van de Gemeenschap te laat aan de Gemeenschap af te dragen.
2) Overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89 voor de periode tot en met 31 mei 2000, en artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 voor de periode na 31 mei 2000, is de Bondsrepubliek Duitsland verplicht de wegens te late boeking verschuldigde rente aan de Gemeenschap te voldoen.
3) De Bondsrepubliek Duitsland betaalt de kosten van het geding.
15. Bij brief van 5 juli 2002 heeft het Koninkrijk België in zaak C-104/02 verzocht om aan de zijde van de Bondsrepubliek Duitsland te mogen interveniëren. Dit verzoek is bij beschikking van 9 september 2002 ingewilligd.
IV – Schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 en artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening
A – Middelen en argumenten van partijen
16. De Commissie , de Nederlandse en de Duitse regering zijn het erover eens dat de uit onregelmatigheden in het douanevervoer resulterende douaneschulden van de aangevers (hierna: „douaneschulden”) in de relevante periode (in zaak C‑460/01: 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995, in zaak C-104/02: volgens het verzoekschrift „de jaren 1993 en 1994”) niet uiterlijk direct na afloop van de driemaandentermijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening (hierna: „driemaandentermijn”) zijn geïnd, maar in veel gevallen pas meerdere maanden later. Partijen verschillen echter van mening of deze lidstaten daardoor het Verdrag hebben geschonden.
17. De Duitse regering is allereerst van mening dat van het tegen haar ingestelde beroep (C-104/02) het eerste middel niet-ontvankelijk is. In een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 228 EG kan alleen een met het Verdrag strijdige gedraging worden vastgesteld die ten tijde van het verstrijken van de termijn voor beantwoording van het met redenen omkleed advies nog voortduurt. Op dat tijdstip hadden de Duitse douanekantoren de douaneschulden echter reeds lang geïnd en de desbetreffende administratieve praktijk in de door de Commissie gewenste zin gewijzigd.
18. De Commissie is van mening dat artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening is geschonden. Volgens haar verplicht de driemaandentermijn de lidstaat van het vertrekkantoor, de douaneschulden onverwijld te innen. Zij brengt ter ondersteuning daarvan samengevat (18) het volgende naar voren:
De driemaandentermijn is niet alleen bindend voor de aangever ten opzichte van het douanekantoor van vertrek, maar ook voor de lidstaat van het vertrekkantoor ten opzichte van de Gemeenschap, daar het gaat om rechten die als eigen middelen aan de Gemeenschap moeten worden overgedragen.
Volgens artikel 218, lid 3, van het douanewetboek moet de boeking van de desbetreffende douaneschulden – afgezien van bijzondere termijnberekeningen van het algemene gemeenschapsrecht19 –Verordening nr. 1182/71 (zie voetnoot 17). – dan ook plaatsvinden binnen twee dagen (te verlengen tot ten hoogste veertien dagen). De douaneschulden zijn op dat moment reeds ontstaan, de bevoegdheid van de lidstaat staat vast en de douaneautoriteiten zijn in staat het bedrag van de heffing te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.
19. De Nederlandse , de Duitse en de Belgische regering betwisten dat het feit dat in veel gevallen de driemaandentermijn niet in acht is genomen, een schending van het Verdrag betekent. Als motivering stellen zij samengevat (20) het volgende:
Uit artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening volgt niet dat de lidstaten verplicht zijn, douaneschulden onmiddellijk na de driemaandentermijn te innen. Deze termijn bindt namelijk alleen de aangever en niet de lidstaat.
De lidstaten beroepen zich voorts op het arrest van het Hof in de zaak SPKR21 –Arrest van 14 november 2002 (C-112/01, Jurispr. blz. I-10655)., waarin wordt vastgesteld dat de driemaandentermijn voor de invordering van douaneschulden voor het kantoor van vertrek slechts een proceduretermijn is en geen uitsluitingstermijn.
Verder beroepen zij zich op de formulering van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening en artikel 221 van het douanewetboek, waaruit volgens hen blijkt dat het kantoor van vertrek pas na deze termijn behoeft te beginnen met de inning van de douaneschulden.
Daarnaast brengen de lidstaten praktische bezwaren naar voren. Het kantoor van vertrek is aan het einde van de driemaandentermijn nauwelijks in staat de douaneschuld onmiddellijk te innen, daar het op dat tijdstip nog niet beschikt over alle „nodige gegevens” in de zin van artikel 217, lid 1, eerste volzin, van het douanewetboek. Inning van de douaneschuld vereist een beoordeling van alle door de aangever tot het verstrijken van de driemaandentermijn overgelegde gegevens. Pas daarna kan vaststaan of de douaneschuld ontstaan is, wie de schuldenaar is en of het kantoor van vertrek bevoegd is. Aangezien het om een navordering gaat, wordt pas daarna de hoogte van de douaneschuld bepaald. Ten slotte moet de betalingsbeschikking aan de schuldenaar worden gestuurd en de douaneschuld, eventueel door uitwinning van de gestelde zekerheden, ook werkelijk worden voldaan. Pas dan kan de douaneschuld worden geboekt.
20. Ten slotte zou een verplichte inning van douaneschulden direct na het verstrijken van de driemaandentermijn een onnodige belasting van de aangever betekenen, daar naderhand dikwijls blijkt dat het douanevervoer weliswaar na de termijn maar verder volgens de regels is verlopen.
B – Beoordeling
1. De niet-ontvankelijkheid van de beroepen
21. Ten aanzien van het middel van de Duitse regering dat het beroep niet-ontvankelijk is, moet in beginsel worden vastgesteld dat er een te beschermen belang bij de vaststelling van schending van het Verdrag is, wanneer deze schending ten tijde van de laatste mondelinge behandeling nog bestaat of niet volledig is opgelost. (22)
22. In casu heeft Duitsland nog voor het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn zijn douanekantoren opgedragen, de eigen middelen van de Gemeenschap, zoals door de Commissie werd verlangd, in alle gevallen eerder over te maken. De vraag is of daarin een opheffing van de verdragsschending en dus een oplossing van het probleem kan worden gezien.
23. Tegen de gedachte dat het probleem is opgelost, spreekt dat Duitsland zijn verplichtingen niet volledig is nagekomen, aangezien het nog altijd weigert om de door de Commissie gevorderde vertragingsrente aan de Gemeenschap te betalen. (23) Indien het recht van de Gemeenschap op rente vaststaat, dan is niet-voldoening daarvan een schending van het Verdrag, die zich reeds voordeed op het moment dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn verstreek.
24. Het Hof heeft in een vergelijkbaar geval dan ook vastgesteld dat er een „onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting om de betrokken vordering vast te stellen […] en ten slotte de verplichting om de […] vertragingsrente te betalen [en dat het] voor de toetsing van de gegrondheid van de grief, gebaseerd op de niet-betaling van de vertragingsrente, […] dus in elk geval absoluut noodzakelijk [is] te beslissen over de grieven dat de Bondsrepubliek Duitsland de betrokken rechten te laat heeft vastgesteld en het bedrag te laat op de rekening van de Commissie heeft geboekt”. (24)
25. Derhalve moet worden vastgesteld dat de beroepen wegens schending van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 ontvankelijk zijn.
2. De vraag, welke te late gedraging van de lidstaten een schending van het Verdrag betekent
26. In beide zaken acht de Commissie in de gestelde vertragingen een schending van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening (25) en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 aanwezig. De verzoekschriften zijn in beide zaken gericht tegen de te late afdracht van eigen middelen (eerste middel in zaak C-104/02 en tweede middel in zaak C-460/01) en in een zaak bovendien tegen de te late boeking en inning van de douaneschulden (eerste middel in zaak C-460/01). De Commissie en de lidstaten gaan nu kennelijk uit van een verschillende voorstelling van de concrete maatregelen die de lidstaten na het verstrijken van de driemaandentermijn binnen twee tot hoogstens veertien dagen (artikel 218, lid 3, douanewetboek) hadden moeten nemen.
27. De Commissie is van mening dat het voor de inachtneming van de termijn voldoende is dat met de inning van de douaneschulden wordt begonnen, dus de toezending van de betalingsbeschikking aan de aangever. De lidstaten gaan er daarentegen van uit dat de douanekantoren na de driemaandentermijn over moeten gaan tot de daadwerkelijke invordering bij de aangever of de uitwinning van de gestelde zekerheden. Daaruit trekken de lidstaten weer de conclusie dat artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening geen bindende termijn kan zijn, maar slechts een proceduretermijn is, daar een volledige afsluiting van de invordering van de douaneschulden binnen in principe twee dagen na het verstrijken van de driemaandentermijn in de praktijk onmogelijk is.
28. Het lijkt mij daarom dat om te beginnen de vraag moet worden gesteld, om welke handelingen op het gebied van de inning van douaneschulden het in de onderhavige gevallen gaat.
29. Allereerst moet worden vastgesteld dat het antwoord niet uitsluitend kan worden afgeleid uit de formulering van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening. De bepaling luidt namelijk in de verschillende taalversies verschillend – het kantoor van vertrek „erhebt” (26) de douaneschulden of het „beginnt, die Zollschulden zu erheben”. (27) Bovendien komt in de bepaling noch de door de Commissie als „te laat” aangemerkte „boeking”, noch de „afdracht van de eigen middelen” ter sprake. Wat nu eigenlijk in de niet-nakomingsberoepen wordt gevorderd, valt dus alleen vast te stellen door een blik op het algehele stelsel van de inning van eigen middelen in de vorm van douaneschulden van de aangever bij onregelmatigheden in het douanevervoer.
30. De voor de tijdige afdracht van eigen middelen beslissende stap is namelijk niet de afsluiting van de heffingsregeling (28) , maar slechts een onderdeel daarvan, en wel de „mededeling van het bedrag van de rechten” aan de schuldenaar. Deze mededeling is namelijk tegelijkertijd de „vaststelling” van het recht van de Gemeenschappen op de bedragen (artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89), welke weer de opname in de bijzondere boekhouding (artikel 6 van verordening nr. 1552/89) en daarmee de termijn voor de boeking van de eigen middelen op de bijzondere voor de Commissie gevoerde rekening, waar het de Commissie uiteindelijk om gaat (artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1552/89), in werking stelt.
31. Aldus blijkt dat de beslissende administratieve handeling voor de door de Commissie uiteindelijk gestelde vertraagde afdracht van eigen middelen, de mededeling van de door onregelmatigheden in het douanevervoer ontstane douaneschuld aan de aangever is. Daarmee wordt het in casu op te lossen probleem gereduceerd tot de vraag of artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening de lidstaten verplicht, onmiddellijk na het verstrijken van de termijn de betalingsbeschikking inzake de douaneschulden tegenover de aangever vast te stellen.
32. Voor de onderhavige procedures betekent dit in de eerste plaats dat de verzoekschriften van de Commissie weliswaar zonder noodzaak verschillend zijn geformuleerd en zeker geen toonbeeld van duidelijkheid zijn, maar dat de verzoeken duidelijk zijn gericht op de vaststelling dat de schending van het Verdrag gelegen is in de te late afdracht van eigen middelen (artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89) door een te late vaststelling van de betalingsbeschikking tegen de aangevers (artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening).
33. Bovendien lijkt daarmee vast te staan dat de lidstaten in elk geval niet verplicht zijn, douaneschulden in principe binnen twee dagen (artikel 218, lid 3, douanewetboek) na de driemaandentermijn ook werkelijk af te dragen . Dit laatste is van belang voor de door de betrokken lidstaten aangevoerde praktische problemen, omdat daarmee duidelijk wordt dat de lidstaten zich er voor het argument dat de driemaandentermijn slechts een proceduretermijn is, bezwaarlijk op kunnen beroepen dat de aansprakelijkstelling van de aangever of de uitwinning van de gestelde zekerheid binnen twee dagen na afloop van de driemaandentermijn in de praktijk nauwelijks doenlijk is.
3. De vraag of artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening slechts een proceduretermijn is
34. In de onderhavige niet-nakomingsprocedures gaat het dus om de vraag of Nederland en Duitsland op grond van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening verplicht waren, in principe binnen twee dagen na de driemaandentermijn tegenover de aangever een betalingsbeschikking vast te stellen.
35. De lidstaten en de Commissie verschillen van mening over de vraag of artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening slechts een proceduretermijn is, waaruit bij niet-inachtneming geen schending van het Verdrag kan worden afgeleid, dan wel of deze bepaling de lidstaten bindend verplicht tot onmiddellijke vaststelling van de betalingsbeschikking.
36. Naar mijn mening is deze termijn een voor de lidstaten bindende termijn, waarvan niet-inachtneming schending van het Verdrag betekent. Hiermee zijn noch de rechtspraak van het Hof tot nu toe, noch praktische overwegingen in tegenspraak en het brengt ook geen onnodige belasting van de aangever mee.
i) De rechtspraak van het Hof tot nu toe
37. De lidstaten beroepen zich mijns inziens ten onrechte op het arrest van het Hof in de zaak SPKR. (29) In deze zaak had het Hof namelijk te oordelen over een andere rechtsvraag dan in casu aan de orde is.
38. Het Hof heeft zich in dat arrest in de eerste plaats niet uitgesproken over de driemaandentermijn, maar over de termijn voor mededeling aan de aangever overeenkomstig artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening (elfmaandentermijn). In de tweede plaats zou de motivering zelfs niet op de termijn van artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening (driemaandentermijn) kunnen worden toegepast, wanneer men deze termijnen – zoals de lidstaten hebben betoogd – als één geheel („veertienmaandentermijn”) zou bezien.
39. Het Hof heeft in die zaak namelijk weliswaar vastgesteld dat de aldaar in geding zijnde termijn geen uitsluitingstermijn maar een proceduretermijn is, maar het ging in dat geval om de rechtsgevolgen van de niet-inachtneming van deze termijn tegenover de aangever, preciezer gezegd om de vraag of het kantoor van vertrek ook na die termijn nog gerechtigd is, de douaneschulden in te vorderen, hetgeen door het Hof bevestigend werd beantwoord.
40. Bovendien heeft het Hof zich ter motivering dat sprake was van een proceduretermijn erop beroepen dat de niet-inachtneming van deze termijn niet ten laste van de gemeenschapsbegroting kon komen, daar dit in strijd zou zijn met het belang van de Gemeenschappen bij de inning van douaneschulden, die immers als eigen middelen aan de Gemeenschap worden afgedragen.
41. In de onderhavige zaak gaat het echter om de verhouding tussen de lidstaten en de Gemeenschap, meer in het bijzonder om de vraag of de lidstaten tegenover de Gemeenschap verplicht zijn zich te houden aan de (in casu) driemaandentermijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening. Aangezien het Hof in het aangehaalde arrest juist het belang van de Gemeenschap bij het innen van douaneschulden als eigen middelen van de Gemeenschap benadrukt, zou dit er echter eerder voor spreken, de driemaandentermijn ten aanzien van de lidstaten niet als een proceduretermijn maar als een voor de lidstaten bindende termijn te beschouwen.
ii) De praktische problemen bij de naleving van de termijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening
42. De lidstaten voeren vooral praktische problemen aan als reden waarom de termijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening naar hun mening een proceduretermijn is. Het kantoor van vertrek beschikt bij het verstrijken van de driemaandentermijn in veel gevallen namelijk niet over de voor vaststelling van de betalingsbeschikking noodzakelijke inlichtingen of het moet de door de aangever verstrekte informatie eerst natrekken. De hoofdschuldenaar kan eventueel tot de laatste dag van de driemaandentermijn nog bewijzen overleggen dat de goederen wel degelijk volgens de regels zijn aangegeven. Hetzelfde geldt voor bewijzen wie, indien dit niet is gebeurd, daarvoor verantwoordelijk is en op welke plaats de overtredingen zijn begaan. Pas wanneer vaststaat dat de douaneschuld werkelijk is ontstaan en dat de aangever schuldenaar is, wordt tot tarifering overgegaan en het bedrag van de douaneschulden berekend.
43. De door partijen aangevoerde problemen bij de praktische uitvoering zijn volgens vaste rechtspraak van het Hof in beginsel geen rechtvaardiging voor schending van het Verdrag. (30) Zij zijn echter wel van belang wanneer het gaat om objectieve, dat wil zeggen aan het systeem van het douanevervoer zelf inherente problemen, die het de lidstaten objectief onmogelijk maken hun verplichtingen na te komen. Dit is kennelijk wat de betrokken lidstaten willen aantonen.
44. Ik acht hun argumenten niet overtuigend. De praktische problemen zouden namelijk alleen aan het systeem inherent zijn, wanneer de door de aangever mogelijkerwijs nog overgelegde bewijzen een noodzakelijke voorwaarde voor de vaststelling van de betalingsbeschikking waren. Dit is naar mijn mening niet het geval, zoals volgt uit de navolgende overwegingen.
45. Overeenkomstig artikel 218, lid 3, van het douanewetboek begint de voor douaneschulden van de hier aan de orde zijnde soort de termijn van twee dagen voor de boeking in de lidstaat (en daarmee voor de vaststelling van de betalingsbeschikking (31) ) normaalgesproken op de dag dat de douaneautoriteiten „in staat zijn”, het bedrag van de rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen. De bepaling zegt weliswaar niet dat moet worden vastgesteld of de beslissende autoriteit bevoegd is, maar bij administratief handelen moet altijd worden nagegaan of aan deze voorwaarde is voldaan, zodat zij als ongeschreven voorwaarde in artikel 218, lid 3, van het douanewetboek kan worden gelezen.
46. De vraag is dus wanneer het kantoor van vertrek in het algemeen kan uitgaan van het ontstaan van de douaneschuld en in staat is, de schuldenaar aan te wijzen, het bedrag van de rechten te berekenen en zijn eigen bevoegdheid te constateren.
– Het ontstaan van de douaneschuld
47. Het douanevervoer is een „schorsingsregeling”. (32) Bij de invoer van de goederen bestaat er aanvankelijk dus nog geen douaneschuld. Een douaneschuld ontstaat echter wanneer de aangever niet voldoet aan zijn verplichtingen (33) , in beginsel dus – zoals de Commissie terecht betoogt – bij het verstrijken van de aangiftetermijn. (34) De aangiftetermijn loopt in de praktijk reeds enkele weken na het begin van het douanevervoer af. Reeds op dit zeer vroege tijdstip bestaat dus een wettelijk vermoeden dat de aangever schuldenaar van de douaneschulden is.
48. Alvorens de douaneschuld geldend wordt gemaakt, moet echter eerst een ambtelijk onderzoek worden verricht, en wanneer dit niets oplevert moet de aangever daarvan in kennis worden gesteld en moet hem worden verzocht, aan te tonen dat het vervoer volgens de regels is verlopen. Deze mededeling moet volgens artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening „zo spoedig mogelijk […], doch uiterlijk binnen” elf maanden na het begin van het douanevervoer worden gedaan, maar kan dus zeker ook eerder plaatsvinden.
49. De aan de mededeling aan de aangever aansluitende driemaandentermijn staat zo beschouwd alleen ten dienste van de laatste van meerdere mogelijkheden om de regelmatige afsluiting van het douanevervoer achteraf te bewijzen en het wettelijk vermoeden van een tot de douaneschuld leidende onrechtmatig handelen van de aangever definitief (35) te weerleggen.
50. De regelmatige afsluiting wordt in beginsel alleen bewezen door overlegging van exemplaar 5 van T-1. Als alternatief noemt artikel 380 van de uitvoeringsverordening nog de overlegging van andere douanedocumenten waaruit blijkt dat de goederen naar behoren zijn afgeleverd. Indien de aangever of het kantoor van vertrek zelf erin slaagt, binnen de driemaandentermijn een van deze documenten over te leggen, dan zal het onderzoek daarvan, daar het door de douane zelf uitgegeven documenten (36) betreft, in de regel waarschijnlijk niet zulke grote problemen opleveren dat daardoor de vertraging van de betalingsbeschikking tot na de termijnen van de artikelen 217 en volgende van het douanewetboek, kan worden gerechtvaardigd.
51. Het kantoor van vertrek kan er dan ook naar mijn mening uiterlijk bij het verstrijken van de driemaandentermijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening van uitgaan dat de douaneschuld van de aangever wegens onrechtmatig handelen in het douanevervoer is ontstaan.
52. Het betoog van de lidstaten betreffende de praktische problemen rond het ontstaan van de douaneschuld is dus weinig overtuigend.
– De vaststelling van de schuldenaar in geval van onregelmatigheden in het douanevervoer
53. Zoals hiervóór (37) reeds is uiteengezet, volgt uit artikel 378, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening een wettelijk vermoeden van het ontstaan van de douaneschuld en daarmee ook van het feit dat de aangever de schuldenaar is. Dit betekent dat het wettelijk vermoeden dat de aangever de schuldenaar is, reeds op een heel vroeg tijdstip ontstaat. Wanneer de driemaandentermijn verstrijkt zonder dat er iets is gebeurd, betekent dit slechts dat de schuldenaar voor het kantoor van vertrek definitief vaststaat.
54. Voorzover de lidstaten zich met betrekking tot de praktische problemen hoofdzakelijk baseren op het geval dat de aangever bewijzen overlegt dat hij niet aansprakelijk is en deze moeten worden nagetrokken, moet worden vastgesteld dat luidens artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening, een wettelijk vermoeden bestaat van het ontstaan van een douaneschuld, dat uitsluitend ontstaat doordat niet is aangetoond dat het douanevervoer volgens de regels is afgesloten; voor dit vermoeden is dus geen schuld vereist. Het is derhalve niet voldoende wanneer de aangever bewijst dat het douanevervoer weliswaar niet volgens de regels is verlopen, maar dat een ander daarvoor verantwoordelijk is. (38) Afgezien daarvan hebben de lidstaten niet aangetoond dat een dergelijke welhaast speurwerk vergende bewijslevering door de aangever vaak of geregeld voorkomt dan wel dat daartoe zelfs maar pogingen worden gedaan.
55. Het kantoor van vertrek is derhalve volgens mij lang voor het verstrijken van de driemaandentermijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening in staat, de aangever als waarschijnlijke schuldenaar van de douaneschulden aan te merken. Het verstrijken van de driemaandentermijn betekent enkel dat dit definitief vast komt te staan.
56. Derhalve is het argument van de lidstaten betreffende de praktische problemen met betrekking tot de vaststelling wie de douaneschuldenaar is, eveneens weinig overtuigend.
– De vaststelling van het bedrag van de rechten
57. De hoogte van de douaneschulden bij onregelmatigheden in het douanevervoer wordt bepaald aan de hand van de douaneschuld bij invoer die zou moeten worden voldaan, wanneer de goederen niet in douanevervoer door het douanegebied van de Gemeenschap waren getransporteerd maar in het vrije verkeer waren gebracht. (39) Het gaat dus om de hoogte van de verschuldigde (voorlopig niet geïnde) invoerrechten. Deze wordt bepaald aan de hand van de douanewaarde van de goederen, die met behulp van een tarifering aan de hand van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen (40) wordt vastgesteld. (41) De voor de tarifering en de vaststelling van de douanewaarde noodzakelijke gegevens (bijvoorbeeld hoeveelheid en soort goederen) moeten reeds bij de invoer in het douanegebied van de Gemeenschap in de aangifte voor het douanevervoer worden verstrekt. Daarmee kan het kantoor van vertrek het mogelijke bedrag van de rechten in principe reeds bij het begin van het douanevervoer berekenen.
58. Dat volgens de Duitse regering de aangifte T-1 in de praktijk dikwijls niet volledig wordt ingevuld, betekent niet dat de hoogte van de douaneschuld bij het verstrijken van de driemaandentermijn niet kan worden berekend. De controle of de aangifte volledig is ingevuld is namelijk een verplichting van de lidstaten, zodat zij wanneer dit niet is gebeurd zich daarop niet kunnen beroepen. Ook het argument van de Duitse regering dat het in het douanevervoer niet verplicht is om de waarde van de goederen op de aangifte te vermelden (42) , doet hieraan niet af. Dit betekent namelijk alleen dat de kantoren van vertrek de noodzakelijke waarde van de goederen op andere wijze moeten vaststellen, wanneer dit voor later verschuldigde rechten noodzakelijk mocht worden. Niet valt echter in te zien waarom deze (mogelijkerwijs zeker complexe) berekening eerst na de driemaandentermijn zou kunnen plaatsvinden. (43)
59. De lidstaten hebben voorts – door de Commissie onweersproken – gesteld dat de berekening van het bedrag van de rechten bij de aangifte van de goederen uit efficiency-overwegingen uitsluitend plaatsvindt indien en voorzover dit voor de berekening van de zekerheidstelling (44) noodzakelijk is. Zekerheden worden naar hun zeggen echter vaak in de vorm van een forfaitair bedrag of als zekerheid per aangifte berekend, zonder preciezere berekening van de potentiële douaneschuld bij invoer. (45)
60. Naar mijn mening kan niet doorslaggevend zijn, zoals de lidstaten menen, of de hoogte van de rechten in het individuele geval naar aanleiding van de berekening van een te stellen zekerheid reeds is vastgesteld of niet. Anderzijds zal ook niet kunnen worden verlangd dat de kantoren van vertrek het bedrag van de rechten bij invoer bij elk aangevangen douanevervoer als het ware uit voorzorg berekenen: het regelmatig verloop van het douanevervoer moet namelijk de regel zijn en dit zou dus over het algemeen tot onnodige administratieve rompslomp leiden.
61. Doorslaggevend voor het mogelijke tijdstip voor de berekening van de hoogte van het recht moet naar mijn opvatting ook hier de overweging zijn dat – zoals hiervóór reeds uiteengezet (46) – het wettelijk vermoeden van het bestaan van een douaneschuld van de aangever reeds heel vroeg bestaat, namelijk bij het verstrijken van de aanbrengingstermijn zonder dat aanbrenging plaatsvindt. De driemaandentermijn staat uitsluitend ten dienste van de laatste van meerdere mogelijkheden om uiteindelijk toch nog aan te tonen dat het douanevervoer volgens de regels is afgesloten.
62. Het kantoor van vertrek moet dan ook uiterlijk na afloop van het ambtelijk onderzoek (elfmaandentermijn (47) ), dus reeds bij het begin van de driemaandentermijn, verplicht zijn om bij wijze van voorzorg de hoogte van de rechten te berekenen, waartoe het zoals de Commissie terecht vaststelt, op basis van de daartoe in de aangifte T-1 te vermelden gegevens ook in staat zou moeten zijn.
63. Ook het betoog van de lidstaten met betrekking tot de praktische problemen bij de berekening van de hoogte van de rechten is dus naar mijn mening niet overtuigend.
– De vaststelling van de bevoegdheid
64. Het kantoor van vertrek kan in de periode gelegen tussen het verstrijken van de termijn voor aanbrenging en het einde van de elfde maand na het begin van het douanevervoer (48) door eigen onderzoek vaststellen of zijn eigen lidstaat bevoegd is dan wel een andere. Wanneer dit niets oplevert, is – zoals het Hof (49) reeds inzake een eerdere bepaling dienaangaande heeft vastgesteld – in artikel 378, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening eveneens een wettelijk vermoeden van bevoegdheid neergelegd, namelijk die van de lidstaat waartoe het kantoor van vertrek behoort.
65. Dit vermoeden wordt pas weerlegd, wanneer wordt aangetoond dat een andere lidstaat bevoegd is omdat de overtreding elders is begaan. (50) Daartoe kan de aangever weliswaar binnen de driemaandentermijn aanwijzingen verschaffen, maar het lijkt meer dan twijfelachtig of dit zo frequent zal gebeuren dat dit als een aan het stelsel inherent beletsel voor de tijdige vaststelling van een betalingsbeschikking kan worden aangemerkt. Het „op het nippertje” overleggen van gegevens is namelijk geen voor het communautair douanevervoer specifiek probleem. Dit probleem doet zich bij elke termijn voor de bewijslevering ter weerlegging van een wettelijk vermoeden voor.
66. De lidstaten hebben op dit punt slechts gesteld dat zij voor de in geding zijnde periode geen gegevens kunnen overleggen waaruit blijkt hoe vaak aangevers hebben getracht in de driemaandentermijn nog bewijzen tegen de bevoegdheid van het kantoor van vertrek aan te leveren. (51) Daarvoor zou in sommige gevallen diepgaand onderzoek noodzakelijk kunnen zijn. Vooral voor het in de praktijk belangrijkste geval van bevoegdheidswijziging, namelijk onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht in een andere lidstaat, zal het bewijs vaak (zo niet uitsluitend) alleen door ambtelijke stukken kunnen worden geleverd, bijvoorbeeld door processen-verbaal van de politie. De Commissie wijst er echter terecht op dat het natrekken daarvan in de regel geen grote moeilijkheden zal veroorzaken. Bovendien kan ingevolge artikel 219 van het douanewetboek in individuele gevallen waarin gegevens van welke aard dan ook op het laatste ogenblik worden overgelegd, de termijn voor de vaststelling van de betalingsbeschikking tot maximaal veertien dagen worden verlengd.
67. In het onderhavige geval kan derhalve uit het enkele feit dat gegevens ter weerlegging van het wettelijk bevoegdheidsvermoeden op het laatste ogenblik kunnen worden overgelegd, stellig niet worden geconcludeerd dat de termijn voor de vaststelling van de betalingsbeschikking voor de lidstaten ten opzichte van de Gemeenschap slechts een proceduretermijn is.
68. Het kantoor van vertrek is dan ook naar mijn mening uiterlijk bij het verstrijken van de driemaandentermijn van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening in staat, de bevoegdheid vast te stellen.
69. Derhalve is de argumentatie van de lidstaten ook vanuit het oogpunt van de praktische problemen rond de bevoegdheid weinig overtuigend.
iii) De onnodige belasting van de aangever indien naderhand blijkt dat het douanevervoer volgens de regels is verlopen
70. De Nederlandse regering heeft gesteld dat de verplichting om de betalingsbeschikking inzake de douaneschulden tegen de aangever direct na het verstrijken van de driemaandentermijn vast te stellen, hem onevenredig zou belasten, wanneer bij latere toezending van exemplaar 5 van T-1 blijkt dat het douanevervoer weliswaar met vertraging maar verder volgens de regels is beëindigd. Overigens is de aangever in de meeste gevallen niet verantwoordelijk voor onregelmatigheden in het douanevervoer.
71. Ik deel deze opvatting niet, daar voor de aangevoerde gevallen, zoals de Commissie onweersproken door de lidstaten heeft vastgesteld, het systeem van teruggave van ten onrechte geheven rechten geldt.
Indien namelijk na de betaling van de douaneschuld wordt aangetoond dat het douanevervoer tijdig en volgens de regels heeft plaatsgehad, of dat het na het verstrijken van alle termijnen weliswaar met vertraging maar verder volgens de regels is verlopen, dan is er aanleiding voor teruggave van de douaneschulden, daar het wettelijk vermoeden van het ontstaan van de douaneschuld van de aangever52 –Zie hiervóór, punt 49. daardoor definitief wordt weerlegd.
In dat geval wordt namelijk volgens artikel 204, lid 1, van het douanewetboek, in samenhang met artikel 859 van de uitvoeringsverordening, vermoed dat het verzuim „geen werkelijk gevolg heeft [gehad] voor de werking van […] de douaneregeling”.53 –Artikel 859 van de uitvoeringsverordening geldt weliswaar eerst vanaf 1 januari 1994, maar volgens de door de lidstaten onweersproken opvatting van de Commissie ter terechtzitting bestond het recht op teruggave in de voor de onderhavige zaak relevante periode ook al op grond van de voorlopers van artikel 204, lid 1, douanewetboek. Daarmee staat achteraf vast dat de niet-nakoming van de douanerechtelijke verplichting (niet-inachtneming van de aanbrengtermijn) geen douaneschuld heeft doen ontstaan. In dat geval komt de aangever voor teruggave van de douaneschuld in aanmerking op grond van artikel 236, lid 1, van het douanewetboek.
72. De aangever wordt derhalve door de onverwijlde vaststelling van een betalingsbeschikking na de driemaandentermijn niet onevenredig belast, daar hij ook daarna nog de mogelijkheid heeft om aan te tonen dat de goederen volgens de regels bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht en om aldus de eventueel reeds betaalde douaneschulden terugbetaald te krijgen.
73. Het betoog van de lidstaten is derhalve ook op het punt van de onevenredige belasting van de aangever niet overtuigend.
V – Schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89
A – Belangrijkste argumenten van partijen
74. De Duitse regering is van mening dat het tweede middel van het tegen haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk is, omdat een lidstaat in een niet-nakomingsprocedure ingevolge artikel 228 EG niet tot een bepaalde gedraging verplicht kan worden.
75. De Commissie betoogt dat de te late inning van de in geding zijnde douaneschulden automatisch ook heeft geleid tot het niet tijdig ter beschikking stellen van eigen middelen van de Gemeenschappen, daar de overeenkomstige rechten daardoor te laat zijn vastgesteld en geboekt, hetgeen een schending van de artikelen 2 en 9 en volgende van verordening nr. 1552/89 betekent. In geval van vertraging moet krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89 vertragingsrente worden betaald. De weigering om deze te voldoen is dus een schending van de genoemde bepaling.
76. De Nederlandse , de Duitse en de Belgische regering zijn van mening dat er geen sprake is van schending van de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89, daar de douaneschulden niet te laat zijn geïnd en er dus ook geen te late boeking van de desbetreffende eigen middelen heeft plaatsgevonden.
77. De Duitse regering heeft in haar memorie van antwoord gesteld dat artikel 11 van verordening nr. 1552/89 nietig is en ter motivering slechts verwezen naar haar nog in te dienen opmerkingen in een andere bij het Hof tegen Duitsland aanhangige zaak. (54)
B – Beoordeling
1. De niet-ontvankelijkheid van het tweede middel van het verzoekschrift in zaak C-104/02
78. Het beroep tot vaststelling van niet-nakoming krachtens de artikelen 226 EG en 228 EG is een declaratoire vordering. Dit volgt uit de bewoordingen van artikel 228 EG, volgens welke het Hof de mogelijkheid heeft de niet-nakoming van verplichtingen krachtens het Verdrag vast te stellen, en aan deze vaststelling de verplichting van de lidstaat tot handelen wordt verbonden. Dit laatste zou niet nodig zijn wanneer het Hof uit hoofde van zijn eigen bevoegdheid de lidstaat zou kunnen verplichten tot de opheffing van een onrechtmatige situatie.
79. Een recht op de betaling van vertragingsrente wegens te late afdracht van eigen middelen kan als zodanig in een niet-nakomingsprocedure derhalve niet worden gesteld. In een dergelijke procedure kan slechts worden gevorderd dat wordt vastgesteld dat de weigering om overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89 vertragingsrente te betalen, een schending van het Verdrag oplevert.
80. Het tweede middel van de vordering van de Commissie in zaak C-104/02, Duitsland te verplichten tot betaling van de wegens te late boeking verschuldigde rente aan de Gemeenschap, moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
81. Op de stelling dat artikel 11 van de uitvoeringsverordening nietig is, behoeft derhalve niet te worden ingegaan. (55)
2. De gegrondheid van het beroep in zaak C-460/01
82. De met artikel 218, lid 3, van het douanewetboek strijdige te late mededeling van het verschuldigde bedrag (vaststelling van de betalingsbeschikking), is tegelijkertijd de te late vaststelling van het recht volgens artikel 2 van verordening nr. 1552/89. Daardoor worden de eigen middelen automatisch te laat op de bij de lidstaten gevoerde rekeningen van de Commissie geboekt, hetgeen in strijd is met de artikelen 9 en volgende van verordening nr. 1552/89.
83. Door deze vertragingen is overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89 het recht op vertragingsrente ontstaan, welke door de Nederlandse regering noch in omvang noch in hoogte zijn betwist. De weigering van Nederland om deze te voldoen is dus een schending van de genoemde bepaling.
VI – Conclusie
84. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
in zaak C-460/01
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995:
– wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na het verzenden van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer, niet uiterlijk op de derde op die termijn volgende dag, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels, die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen, de beschikking inzake de betrokken douaneschuld vast te stellen en andere heffingen te boeken en daardoor eigen middelen van de Gemeenschap te laat af te dragen,
– en te weigeren de daarmee verband houdende vertragingsrente te betalen,
in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer en artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92, alsmede de artikelen 2, lid 1, en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen;
2) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten;
in zaak C-104/02
1) vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in de jaren 1993 en 1994:
– wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na het verzenden van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer, niet uiterlijk op de derde op die termijn volgende dag, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels, die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltermijnen, de beschikking inzake de betrokken douaneschuld vast te stellen en andere heffingen te boeken en daardoor eigen middelen van de Gemeenschap te laat af te dragen,
in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, alsook artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, alsmede artikel 2, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen;
2) het tweede middel niet-ontvankelijk te verklaren;
3) de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 474/90 van de Raad van 22 februari 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 222/77 betreffende communautair douanevervoer met het oog op de afschaffing van het inleveren van een kennisgeving van doorgang bij het overschrijden van een binnengrens van de Gemeenschap (PB L 51, blz. 1).
3 – Verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 107, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1429/90 van de Commissie van 29 mei 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1062/87 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 137, blz. 1).
4 – Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (PB L 262, blz. 1).
5 – Verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 132, blz. 1).
6 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
7 – Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
8 – Zie voetnoot 3.
9 – Zie voetnoot 5.
10 – Zie voetnoot 7.
11 – Voetnoot niet in het origineel: Artikel 215 douanewetboek luidt: „De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.”
12 – Verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1).
13 – Zie voetnoot 6.
14 – In verordening nr. 1854/89 stond een dergelijke bepaling niet.
15 – 88/376/EEG, Euratom: Besluit van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24).
16 – Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1). Sinds 31 mei 2000 geldt verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
17 – PB L 124, blz. 1.
18 – Op de details van de motivering wordt – voorzover daar aanleiding toe is – ingegaan in het kader van de beoordeling.
19 – Verordening nr. 1182/71 (zie voetnoot 17).
20 – Op de details van de motivering wordt – voorzover daar aanleiding toe is – ingegaan in het kader van de beoordeling.
21 – Arrest van 14 november 2002 (C-112/01, Jurispr. blz. I-10655).
22 – Arresten van 7 februari 1973 (Commissie/Italië, 39/72, Jurispr. blz. 101), en 21 september 1978 (Commissie/Italië, 69/77, Jurispr. blz. 1749).
23 – Arrest in zaak 39/72 (zie voetnoot 22) inzake een geval van een oplossing na het verstrijken van de termijn.
24 – Arresten van 20 maart 1986 (Commissie/Duitsland, 303/84, Jurispr. blz. 1171, punt 11), en 21 september 1989 (Commissie/Griekenland, 68/88, Jurispr. blz. 2965, punt 17).
25 – Of de overeenkomstige, eerdere bepalingen.
26 – Procestaal in zaak C-104/02: Duits.
27 – „Gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning” (procestaal in zaak C-460/01: Nederlands); „the competent Member State shall take steps to recover” (Engels); „el Estado miembro competente procederá a la recaudación” (Spaans); „lo Stato membro competente procede alla riscossione” (Italiaans); „skall den behöriga medlemsstaten vidta åtgärder för att driva in” (Zweeds); en „l’État membre compétent procède au recouvrement” (Frans).
28 – De heffing bestaat achtereenvolgens uit de „boeking” in de lidstaat, de „mededeling aan de schuldenaar”, de voldoening van de douaneschulden of de uitwinning van de gestelde zekerheden en ten slotte eventueel de executie van de douaneschulden (artikelen 217 e.v. douanewetboek). Daar de mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar echter volgens artikel 221 douanewetboek moet worden gedaan „onmiddellijk na de boeking” ingevolge de artikelen 217 e.v. douanewetboek, kan ervan worden uitgegaan dat deze handelingen in tijd volledig samenvallen.
29 – Zie voetnoot 21.
30 – Zie bijvoorbeeld arresten van 15 januari 1986 (Commissie/België, 52/84, Jurispr. blz. 89), en 26 juni 2003 (Commissie/Spanje, C-404/00, Jurispr. blz. I-6695).
31 – Artikel 221, lid 1, douanewetboek.
32 – Artikel 84, lid 1, douanewetboek.
33 – Artikel 204, leden 1, sub a, en 3, en artikel 96, lid 1, douanewetboek.
34 – Artikel 356 van de uitvoeringsverordening.
35 – Artikel 378, leden 1 en 2, alsook artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening. Voor het uitzonderlijke geval van aanbrenging nadat de douaneschulden zijn betaald, zie hierna, punten 71 e.v.
36 – Artikel 380 van de uitvoeringsverordening bevat weliswaar geen uitputtende opsomming van de mogelijke bewijzen („onder meer”), maar uit de aard van de overgelegde bewijzen kan worden afgeleid dat niet elk soort bewijs geschikt is om het wettelijk vermoeden van artikel 378 van de uitvoeringsverordening te weerleggen.
37 – Punten 49 en 53.
38 – Wanneer de aanbrenging van de goederen bij het douanekantoor van bestemming uitblijft omdat zij tijdens het douanevervoer „aan het douanetoezicht [zijn] onttrokken”, dan wordt ook de onttrekker (dus bijvoorbeeld de dief) douaneschuldenaar (artikel 203, leden 1 en 3, douanewetboek). Uit het douanewetboek volgt echter niet dat de douaneschuld van de aangever in dit geval komt te vervallen of hij alleen subsidiair aansprakelijk is.
39 – Artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening spreekt van „gaat […] over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten”.
40 – Verordeningen van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, die regelmatig nieuw worden vastgesteld.
41 – Artikelen 28 e.v. douanewetboek.
42 – Bijlage 37, titel 1 B, nr. 2, sub c, van de uitvoeringsverordening.
43 – Te meer daar de vaststelling van de hoogte van de rechten aan de hand van de waarde van de goederen op dit tijdstip – wanneer zij bijvoorbeeld aan het douanetoezicht onttrokken zijn – wellicht in het geheel niet meer mogelijk is.
44 – Artikel 94 douanewetboek en artikel 359 e.v. van de uitvoeringsverordening.
45 – Artikelen 367 e.v. en 373 van de uitvoeringsverordening.
46 – Zie punten 49 en 53.
47 – Artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
48 – Artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
49 – Arrest van 21 oktober 1999, C-233/98 (Lensing & Brockhausen, Jurispr. blz. I-7349, punt 33).
50 – De bevoegdheid volgt ook reeds uit artikel 215, lid 3, douanewetboek.
51 – De Duitse regering acht dit in 20 % tot 30 % van alle gevallen mogelijk; de Nederlandse regering in rond 1 % van de gevallen.
52 – Zie hiervóór, punt 49.
53 – Artikel 859 van de uitvoeringsverordening geldt weliswaar eerst vanaf 1 januari 1994, maar volgens de door de lidstaten onweersproken opvatting van de Commissie ter terechtzitting bestond het recht op teruggave in de voor de onderhavige zaak relevante periode ook al op grond van de voorlopers van artikel 204, lid 1, douanewetboek.
54 – (Commissie/Duitsland, C-105/02).
55 – Dit verweer moet overigens ook ingevolge artikel 42, lid 2, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden geacht te laat te zijn ingediend, daar de Duitse regering geen gronden heeft aangevoerd maar slechts heeft verwezen naar haar verweerschrift in een andere zaak, dat bovendien pas na de termijn voor de indiening van het verweerschrift in de onderhavige zaak bij het Hof is binnengekomen.
Full & Egal Universal Law Academy