Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 226 EG om een concieze vaststelling die mijns inziens beter aldus kan worden opgevat dat daarmee twee afzonderlijke, doch met elkaar verwante vraagstukken aan de orde worden gesteld.
2. Met haar eerste grief is de Commissie aanvankelijk opgekomen tegen een vereiste in de Luxemburgse wetgeving, volgens hetwelk octrooigemachtigden woonplaats in Luxemburg moeten hebben wanneer zij diensten verrichten of, bij gebreke daarvan, woonplaats moeten kiezen bij een aldaar erkend gemachtigde. Volgens de Commissie was dit vereiste in strijd met artikel 49 EG.
3. Volgens de tweede grief heeft Luxemburg verzuimd informatie te verstrekken over de precieze voorwaarden voor toepassing van enkele wetsbepalingen, namelijk artikel 85, lid 2, van de octrooiwet van 20 juli 1992 en de artikelen 19 en 20 van de wet van 28 december 1988 tot regeling van de toegang tot bepaalde beroepen. Dit verzuim is volgens de Commissie in strijd met artikel 10 EG.
4. Wat de eerste grief betreft, heeft de Luxemburgse regering zich in haar verweerschrift beroepen op enkele recente wetswijzigingen, zodat de Commissie in repliek de draagwijdte van de door haar gevorderde vaststelling heeft beperkt. Thans verzoekt zij het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door de verplichting te handhaven dat octrooigemachtigden woonplaats kiezen bij een erkend gemachtigde wanneer zij diensten verrichten, de krachtens artikel 49 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
5. Luxemburg heeft inderdaad toegegeven dat de Commissie terecht om die vaststelling heeft verzocht. In zijn verweerschrift verklaart het, dat de relevante bepaling van de wetswijziging nog steeds het vereiste van feitelijke woonplaats in het Groothertogdom (avec domicile réel au Grand-Duché de Luxembourg") bevatte, en dat deze vergissing" zal worden gecorrigeerd in twee wetsontwerpen die thans in voorbereiding zijn.
6. Derhalve moet het Hof de door de Commissie gevorderde vaststelling toewijzen met betrekking tot de eerste grief, zoals gewijzigd in repliek.
7. Wat het tweede middel van het beroep van de Commissie betreft, is Luxemburg niet specifiek ingegaan op de grief van de Commissie, dat de toepasselijke bepaling van de Luxemburgse wettelijke regeling van 1992, gelezen in samenhang met de bepalingen van 1988, onduidelijk is en dat Luxemburg niet de vereiste nadere informatie heeft verstrekt.
8. Blijkens de rechtspraak moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 10 EG loyaal meewerken aan ieder door de Commissie krachtens artikel 226 EG verricht onderzoek en haar daartoe alle gevraagde informatie verstrekken. Luxemburg heeft echter noch op de aan het met redenen omkleed advies voorafgaande aanvullende brief van de Commissie noch op het met redenen omkleed advies zelf geantwoord. Evenmin heeft het tijdens onderhavige procedure uitleg gegeven over de wetgeving.
9. Bijgevolg moet ook de tweede grief van de Commissie worden toegewezen.
Conclusie
10. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door de verplichting te handhaven dat octrooigemachtigden woonplaats kiezen bij een erkend gemachtigde in Luxemburg wanneer zij diensten verrichten, de krachtens artikel 49 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door geen informatie te verstrekken over de precieze voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 2, van de wet van 20 juli 1992 en van de artikelen 19 en 20 van de wet van 28 december 1988, de krachtens artikel 10 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
3) het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy