CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 11 september 2003 (1)
Gevoegde zaken C-482/01 en C-493/01
Georgios Orfanopoulos e.a. (C-482/01)
tegen
Land Baden-Württemberg
en
Raffaele Oliveri (C-493/01)
tegen
Land Baden-Württemberg
[verzoek van het Verwaltungsgericht Stuttgart (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Uitlegging van artikel 39 EG – Beperkingen van vrij verkeer van werknemers op grond van openbare orde – Besluit tot verwijdering op grond van drugsgerelateerde strafbare feiten en gevaar van recidive – Verblijfsduur van werknemer – Belangen van zijn echtgenote en kinderen – Uitlegging van artikelen 3 en 9, lid 1, van richtlijn 64/221/EEG – Geen doelmatigheidstoetsing”
Inhoud
Inleiding
I – Juridisch kader
A – Gemeenschapsrecht
B – Nationaal recht
II – Feiten en hoofdgeding
A – Zaak C‑482/01
B – Zaak C‑493/01
III – De prejudiciële vragen
A – Zaak C-482/01
B – Zaak C‑493/01
IV – De eerste vraag in zaak C‑482/01
A – Belangrijkste argumenten
B – Beoordeling
1. De in richtlijn 64/221 opgenomen beperkingen
2. De eerbiediging van het privé-leven en van het familie‑ en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM
V – De tweede vraag in zaak C‑482/01
A – Belangrijkste argumenten
B – Beoordeling
1. Het vereiste advies van een onafhankelijke instantie
2. Is het besluit van het Verwaltungsgericht een besluit van een onafhankelijke instantie?
VI – De eerste vraag in zaak C‑493/01
A – Belangrijkste argumenten
B – Beoordeling
1. Ontvankelijkheid van de eerste vraag
2. Gegrondheid van de eerste vraag
VII – De tweede vraag in zaak C-493/01
A – Belangrijkste argumenten
B – Beoordeling
VIII – Conclusie
A – In zaak C‑482/01
B – In zaak C‑493/01
Inleiding
1. De twee verzoeken om een prejudiciële beslissing waar het in deze conclusie om gaat, hebben betrekking op de bevoegdheid van de lidstaten om het vrije verkeer van werknemers te beperken op grond van de openbare orde en in het bijzonder om gemeenschapsonderdanen op grond van bepaalde strafbare feiten naar een andere lidstaat uit te zetten. Hierbij gaat het om de uitlegging van artikel 39 EG en van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid(2) (hierna: „richtlijn 64/221”).
I – Juridisch kader
A – Gemeenschapsrecht
2. De verwijzende rechter verzoekt om te beginnen om de uitlegging van artikel 39 EG, dat wil zeggen de belangrijkste bepaling van primair recht met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers. Hierbij gaat het in het bijzonder om het in lid 3 opgenomen voorbehoud van uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen. Voorts verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van richtlijn 64/221.
3. Artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 64/221 luidt:
„1. De maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid moeten uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene.
2. Het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen.”
4. Artikel 9 van richtlijn 64/221 luidt:
„1. Bij ontstentenis van mogelijkheden van gerechtelijk beroep of indien dit beroep slechts betrekking heeft op de wettigheid van het besluit of indien dit beroep geen opschortende werking heeft, wordt het besluit tot weigering van verlenging van de verblijfsvergunning of het besluit tot verwijdering van het grondgebied van een houder van een verblijfsvergunning, behoudens in dringende gevallen, slechts door de overheidsinstantie genomen na advies door een bevoegde instantie van het ontvangende land ten overstaan waarvan de betrokkene gebruik moet kunnen maken van zijn middelen tot verweer en zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen volgens de procedure van de nationale wetgeving.
Deze instantie moet een andere zijn dan die welke gerechtigd is om het besluit tot weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning of het besluit tot verwijdering te nemen.
2. Besluiten tot weigering van afgifte van de eerste verblijfsvergunning, alsmede het besluit tot verwijdering van het grondgebied vóór de afgifte van een dergelijk document worden, op verzoek van de betrokkene, ter behandeling voorgelegd aan de instantie waarvan het voorafgaand advies wordt voorgeschreven in lid 1. De betrokkene is dan gemachtigd in persoon zijn middelen tot verweer voor te dragen, tenzij redenen van staatsveiligheid zich hier tegen verzetten.”
B – Nationaal recht
5. De relevante Duitse bepalingen met betrekking tot de toegang en het verblijf zijn het Gesetz zur Neuregelung des Ausländerrechts(3) (de Duitse Vreemdelingenwet; hierna: „Ausländergesetz”) en het Gesetz über die Einreise und Aufenthalt von Staatsangehörigen der Mitgliedstaaten der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft(4) (wet inzake de toegang en het verblijf van onderdanen van lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap; hierna: „Aufenthaltsgesetz/EWG”). Het Ausländergesetz is ingevolge § 2, lid 2, ervan slechts van toepassing op buitenlanders die krachtens het gemeenschapsrecht vrij binnen de Gemeenschap kunnen bewegen, voorzover het gemeenschapsrecht en het Aufenthaltsgesetz/EWG geen andersluidende voorschriften bevatten. Dienovereenkomstig bepaalt § 15 van het Aufenthaltsgesetz/EWG dat het Ausländergesetz en de op basis daarvan vastgestelde regelingen van toepassing zijn, voorzover het Aufenthaltsgesetz/EWG geen andersluidende voorschriften bevat.
6. § 12, leden 1 en 3, van het Aufenthaltsgesetz/EWG luidt:
„(1) Voorzover deze wet het vrije verkeer garandeert en niet reeds in voorgaande bepalingen beperkende maatregelen bevat, zijn de weigering van toegang en van afgifte of verlenging van een EG-verblijfsvergunning, beperkende maatregelen in de zin van de §§ 3, lid 5, 12, lid 1, tweede volzin, en 14 van het Ausländergesetz, alsmede uitzetting of verwijdering van het grondgebied van de in § 1 genoemde personen slechts geoorloofd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid (artikel 48, lid 3, artikel 56, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap). Vreemdelingen die een EG-verblijfsvergunning van onbeperkte duur bezitten, kunnen slechts worden uitgezet om zeer ernstige, met de openbare veiligheid of de openbare orde verband houdende redenen.
[…]
(3) De in lid 1 bedoelde besluiten of maatregelen mogen slechts worden getroffen wanneer een vreemdeling door zijn persoonlijke gedrag daartoe aanleiding geeft. Dit geldt niet voor besluiten of maatregelen die ter bescherming van de volksgezondheid worden getroffen.”
7. Het Ausländergesetz kent drie vormen van uitzetting: de facultatieve of discretionaire uitzetting, de reguliere uitzetting en de verplichte uitzetting.
8. De discretionaire uitzetting in de zin van § 45 van het Ausländergesetz heeft betrekking op de verstoring van de openbare veiligheid en de openbare orde of andere fundamentele belangen van de Bondsrepubliek Duitsland.
9. § 47, lid 2, van het Ausländergesetz regelt de reguliere uitzetting, dat wil zeggen geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin een buitenlandse onderdaan „in de regel wordt uitgezet”.
10. § 47, lid 1, van het Ausländergesetz regelt de verplichte uitzetting, dat wil zeggen voorziet in bepaalde gevallen waarin de uitzetting verplicht is. Deze bepaling luidt:
„(1) Een buitenlandse onderdaan wordt uitgezet wanneer hij
1. wegens een of meer opzettelijk gepleegde strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenis- of jeugdstraf van ten minste drie jaar of wegens opzettelijk gepleegde strafbare feiten binnen een periode van vijf jaar onherroepelijk tot meerdere gevangenis- of jeugdstraffen van in totaal ten minste drie jaar is veroordeeld, dan wel wanneer hem bij de laatste onherroepelijke veroordeling terbeschikkingstelling is opgelegd of
2. wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz [Duitse wet inzake verdovende middelen], wegens verstoring van de openbare veiligheid in een van de in § 125a, tweede volzin, van het Strafgesetzbuch [Duitse Wetboek van Strafrecht] genoemde omstandigheden of in het kader van een openbare samenscholing of een verboden betoging in de zin van § 125 van het Strafgesetzbuch onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenis- of jeugdstraf van ten minste twee jaar, en deze straf niet voorwaardelijk is opgelegd.”
11. § 48 van het Ausländergesetz biedt voor bepaalde buitenlandse onderdanen een speciale bescherming tegen uitzetting. Hieronder vallen onder andere buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning (punt 1), alsmede buitenlandse onderdanen die in gezinsverband met een Duitse onderdaan leven (punt 4). Deze categorie buitenlandse onderdanen mag „slechts om zeer ernstige, met de openbare veiligheid en de openbare orde verband houdende redenen worden uitgezet. Van dergelijke redenen is in de regel sprake in de in § 47, lid 1, van deze wet genoemde gevallen.” Ingevolge § 47, lid 3, van het Ausländergesetz verandert de verplichte uitzetting in een reguliere uitzetting en de reguliere uitzetting in een discretionaire uitzetting.
12. EU‑onderdanen met een verblijfsvergunning van onbepaalde duur worden ingevolge nr. 48.1.0. van de Allgemeine Verwaltungsvorschrift zum Ausländergesetz(5) (algemene administratieve uitvoeringsregeling inzake het Ausländergesetz) gelijkgesteld met de in § 48, lid 1, genoemde personen. Voor personen die recht hebben op vrij verkeer gelden de voorwaarden van § 12 van het Aufenthaltsgesetz/EWG.
13. In elk individueel geval dient er een evenredigheidstoetsing plaats te vinden, waarbij ook de onder andere in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) geregelde eerbiediging van het familie‑ en gezinsleven in aanmerking moet worden genomen.
14. § 8 van het Ausländergesetz regelt de specifieke gronden van weigering van een verblijfsvergunning. In lid 2 daarvan wordt onder andere de tijdsduur van de uitzetting geregeld.
15. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens gold in Baden‑Württemberg tot en met 30 juni 1999 het beginsel dat vóór het instellen van beroep de rechtmatigheid en de doelmatigheid van een besluit tot uitzetting in een voorafgaande procedure moesten worden getoetst. Met ingang van 1 juli 1999(6) is een voorafgaande procedure echter niet langer vereist wanneer de bestuurshandeling uitgaat van een Regierungspräsidium.
16. Aldus is § 6a, eerste volzin, van het Ausführungsgesetz zur Verwaltungsgerichtsordnung (hierna: „AGVwGO”) voortaan als volgt geformuleerd: „Een voorprocedure is niet vereist wanneer het Regierungspräsidium de bestuurshandeling heeft vastgesteld of geweigerd”.
17. Een toetsing van de doelmatigheid van een besluit in een appelprocedure is dus niet meer aan de orde wanneer het Regierungspräsidium absoluut bevoegd is voor het geven van een uitzettingsbesluit. Volgens § 7, lid 1, eerste volzin, van de Ausländer- und Asylverfahrenzuständigkeitsverordnung (regeling inzake de rechterlijke bevoegdheid in geschillen betreffende vreemdelingen en asielprocedures) zijn de Regierungspräsidien bevoegd om vreemdelingen die strafbare feiten hebben gepleegd, uit te zetten wanneer zij op last van de rechter in hechtenis of langer dan een week in voorlopige hechtenis zijn gesteld.
II – Feiten en hoofdgeding
A – Zaak C‑482/01
18. G. Orfanopoulos is in 1959 geboren en heeft de Griekse nationaliteit. In 1972 is hij in het kader van een gezinshereniging naar Duitsland gekomen. Vervolgens bezat hij verblijfsvergunningen van bepaalde duur. In 1978 keerde Orfanopoulos terug naar Griekenland om er zijn militaire dienstplicht te vervullen. In september/oktober 1980 kwam hij terug naar Duitsland. In 1981 huwde hij een Duits onderdaan. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, de andere verzoekers in het hoofdgeding. In de daaropvolgende tijd verkreeg Orfanopoulos meerdere malen een EG‑verblijfsvergunning, waarvan de meest recente tot en met 12 oktober 1999 geldig was. Op 9 november 1999 heeft hij een verzoek om verlenging van zijn EG‑verblijfsvergunning ingediend. Orfanopoulos heeft geen beroepsopleiding voltooid. Sinds 1981 heeft hij verschillende activiteiten in loondienst verricht. Hij is door het Amtsgericht Stuttgart herhaaldelijk strafrechtelijk veroordeeld.
19. Orfanopoulos bevond zich van 3 februari 1999 tot 5 augustus 1999 in hechtenis. Daarna werd hij verscheidene malen in de drugsscène aangetroffen. Van 7 januari 2000 tot 25 januari 2000 verbleef hij met het oog op een desintoxicatie in het Bürgerhospital te Stuttgart, waarna hij in een ontwenningskliniek ter behandeling werd opgenomen. Daaruit werd hij op 15 april 2000 ontslagen omdat er alcohol in zijn bloed was gevonden. Op 31 mei 2000 werd hij opnieuw in deze ontwenningskliniek opgenomen, waaruit hij op 29 juni 2000 disciplinair werd ontslagen omdat hij positief was bevonden op benzodiazepine. Sinds 11 september 2000 zit hij de gevangenisstraffen uit die hem in 1994 en 1998 door het Amtsgericht Stuttgart zijn opgelegd.
20. In 1992, 1997 en 1998 kreeg Orfanopoulos van de Ausländerbehörde (vreemdelingendienst) een waarschuwing op grond van het vreemdelingenrecht.
21. Met betrekking tot de feiten van de zaak zet de verwijzende rechter verder uiteen, dat Orfanopoulos sinds meer dan 15 jaar aan drugs verslaafd is. Eind 1994 is hij slechts circa anderhalf jaar vrij van drugs geweest. Begin 2000 heeft hij een desintoxicatie ondergaan, waarna hij tweemaal heeft getracht een klinische drugstherapie te volgen. Beide pogingen hebben tot niets geleid, omdat betrokkene telkens vroegtijdig op disciplinaire gronden uit de ontwenningskliniek is ontslagen. Volgens het rapport van het ontwenningscentrum is Orfanopoulos zich inmiddels bewust van zijn drugsverslaving. Niets duidt er evenwel op, dat dit inzicht hem ertoe zal brengen in het geheel geen drugs meer te gebruiken. Uit de gepleegde strafbare feiten blijkt voorts duidelijk, dat hij onder de invloed van veel drank tot gewelddadigheid neigt. Hij heeft tot nu toe geen stappen ondernomen om van deze ernstige alcoholverslaving af te geraken. Volgens het therapieverslag van de ontwenningskliniek is hij zich geenszins bewust van zijn alcoholverslaving. Hij wil noch kan een therapie tegen zijn alcoholverslaving beginnen. Wegens de voortdurende alcohol‑ en drugsverslaving bestaat een concreet risico van recidive. Strafrechtelijke noch vreemdelingenrechtelijke sancties hebben hem tot lering gestrekt. Orfanopoulos en zijn dochters hebben in de gehele procedure nimmer ter discussie gesteld, dat er een concreet risico van recidive bestaat.
22. Bij besluit van 28 februari 2001 gelastte het Regierungspräsidium Stuttgart de uitzetting van Orfanopoulos uit Duitsland, wees het zijn aanvraag om verlenging van de EG‑verblijfsvergunning en afgifte van een Duitse verblijfsvergunning af en dreigde het met onverwijlde verwijdering naar Griekenland. Tegelijkertijd werd hem aangezegd dat hij bij zijn vrijlating uit de gevangenis zou worden verwijderd van het grondgebied. Op 21 maart 2001 hebben Orfanopoulos en zijn dochters beroep ingesteld. In maart 2002 werd de resterende straf voorwaardelijk opgeschort. Volgens het Landgericht, dat de opschorting gelastte, had Orfanopoulos tijdens zijn hechtenis blijk gegeven van goed gedrag. Bovendien had hij besloten om therapie te volgen.
23. De verwijzende rechter heeft twijfels ten aanzien van de verenigbaarheid van de uitzetting met het gemeenschapsrecht, meer bepaald met artikel 39, leden 1 en 3, EG. Het besluit van het Regierungspräsidium stemt weliswaar overeen met de rechtspraak van het Hof, maar de evenredigheid van de uitzetting is, gelet op het langdurige verblijf van Orfanopoulos in Duitsland, twijfelachtig. Bovendien zou zijn uitzetting de mogelijkheid om met zijn vrouw in gezinsverband te leven zonder meer bemoeilijken; ook zou van zijn echtgenote geen verhuizing naar Griekenland kunnen worden gevergd. Bijgevolg rijst de vraag naar de verenigbaarheid met artikel 8 EVRM. Voorts kan er sprake zijn van schending van de procedurele waarborgen van artikel 9 van richtlijn 64/221.
B – Zaak C‑493/01
24. R. Oliveri is in 1977 in Duitsland geboren en heeft de Italiaanse nationaliteit. Hij heeft sinds zijn geboorte ononderbroken in Duitsland verbleven. Hij heeft geen opleiding voltooid. Oliveri is al vele jaren aan drugs verslaafd. Hij is onder andere meerdere malen strafrechtelijk veroordeeld.
25. Bij brief van 14 mei 1999 ontving Oliveri een waarschuwing op grond van het vreemdelingenrecht. Vanaf 18 november 1999 zat hij de bij twee vonnissen van dat jaar opgelegde vrijheidsstraffen alsmede meerdere vervangende straffen uit. Bij besluit van 7 maart 2000 schortte de Staatsanwaltschaft (het openbaar ministerie) te Stuttgart de tenuitvoerlegging van de twee vonnissen van 1999 per 9 maart 2000 op voor de duur van de behandeling in een therapie‑instelling. Deze therapie werd door Oliveri na ongeveer een week afgebroken. Daarop werd de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf ongedaan gemaakt. Op 24 april 2000 is hij opnieuw gearresteerd en sindsdien bevindt hij zich in hechtenis.
26. Bij beschikking van 29 augustus 2000 gelastte het Regierungspräsidium de uitzetting van Oliveri uit de Bondsrepubliek Duitsland en dreigde het met verwijdering naar Italië, zonder een termijn voor een vrijwillig vertrek te stellen. Op 25 september 2000 heeft hij hiertegen beroep ingesteld.
27. De geneeskundige dienst van de bevoegde penitentiaire inrichting deelde bij brief van 20 juni 2001 mee dat Oliveri sinds december 1998 met het HIV-virus besmet is. Sinds maart 2001 heeft hij aids. Hij ondergaat weliswaar sinds mei 2001 een krachtige antiretrovirale behandeling, maar tot dusver zonder het gewenste resultaat. Aangenomen moet worden dat hij in Italië niet de nodige medische zorg kan ontvangen en dat de verzorging van de ernstig zieke Oliveri, die vermoedelijk spoedig komt te overlijden, er niet gewaarborgd is.
28. De verwijzende rechter heeft twijfels ten aanzien van de verenigbaarheid van de uitzetting met artikel 39, leden 1 en 3, EG, alsmede met artikel 3 van richtlijn 64/221. Volgens de verwijzende rechter voorziet § 47, lid 1, van het Ausländergesetz niet in een toetsing van elk individueel geval. Ten slotte rijst de vraag of het verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel dat Oliveri zich ingevolge de vaste rechtspraak van het Bundesverwaltungsgericht niet meer kan beroepen op belangrijke aspecten betreffende zijn gezondheidstoestand die met betrekking tot zijn uitzetting doorslaggevend kunnen zijn.
III – De prejudiciële vragen
29. Het Verwaltungsgericht Stuttgart heeft besloten de behandeling van beide zaken te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
A – Zaak C-482/01
„1) Is de beperking van het vrije verkeer van een buitenlandse burger van de Europese Unie die reeds langdurig in het gastland verblijft, uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid in de zin van artikel 39, lid 3, EG wegens overtreding van het Betäubungsmittelgesetz, in overeenstemming met het Europees recht wanneer op grond van het persoonlijke gedrag van de betrokkene de verwachting gerechtvaardigd is dat hij zal recidiveren en wanneer van zijn echtgenote en kinderen niet kan worden verlangd dat zij in de staat van herkomst van de betrokkene gaan wonen?
2) Verzet artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 zich tegen een nationale regeling die niet voorziet in een bezwaarschriftprocedure waarin ook een doelmatigheidstoetsing plaatsvindt, tegen een besluit van een overheidsinstantie tot verwijdering van het grondgebied van een houder van een verblijfsvergunning, wanneer er geen instantie bestaat die onafhankelijk is van de overheidsinstantie die het besluit heeft genomen?”
B – Zaak C‑493/01
„1) Verzetten artikel 39 EG en artikel 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 zich tegen een nationale regeling die de overheid dwingend voorschrijft onderdanen van andere lidstaten uit te zetten, wanneer die wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis tot een jeugdstraf van minstens twee jaar of tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld en voorzover de straf niet voorwaardelijk is opgelegd?
2) Moet artikel 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 aldus worden uitgelegd, dat de nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van burgers van de Unie ook rekening dienen te houden met feitelijke gegevens en een gunstige ontwikkeling van de betrokkene van na het laatste besluit van de bevoegde instantie?”
IV – De eerste vraag in zaak C‑482/01
A – Belangrijkste argumenten
30. Orfanopoulos gaat ervan uit dat het gemeenschapsrecht een ruime bescherming tegen uitzetting biedt. Dienaangaande verwijst hij naar de juridische situatie in de andere lidstaten. Uitzetting kan enkel op grond van het persoonlijke gedrag van de betrokkene en niet op grond van overwegingen van algemene preventie plaatsvinden. Het is onaanvaardbaar dat de betrokkene dient te bewijzen dat hij geen gevaar voor de samenleving vormt. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat ook de ontwikkeling van de betrokkene na het strafbare feit in aanmerking wordt genomen. Bovendien moet de uitzetting aan de schuld gerelateerd zijn.
31. Verder moet rekening worden gehouden met de grenzen van artikel 8 EVRM, dat wil zeggen met het hierin verankerde recht op eerbiediging van het gezinsleven, waarbij het vermogen om zich in het land van herkomst verstaanbaar te maken geen criterium voor uitzetting dient te zijn. Uitzetting kan bovendien ertoe leiden dat uitgezette EU‑onderdanen later dan de onderdanen van het betrokken land een blanco strafblad verkrijgen. Verder moet het in richtlijn 64/221 opgenomen begrip openbare orde beperkt worden uitgelegd.
32. Samenvattend geeft Orfanopoulos in overweging de gestelde vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 39 EG uitzetting van een reeds vele jaren in een lidstaat gevestigde EU-onderdaan verbiedt en dat moet worden nagegaan in welke lidstaat de resocialisatie het meeste kans op succes heeft.
33. Voor het Regierungspräsidium Stuttgart hangt de toelaatbaarheid van de uitzetting uitsluitend af van de vraag of er een reëel en voldoende ernstig gevaar in de zin het Aufenthaltsgesetz/EWG bestaat. De concrete toetsing dient in het licht van het evenredigheidsbeginsel plaats te vinden. Daarbij is niet elke uitzetting op grond van een strafbaar feit in strijd met het gemeenschapsrecht, ook al woont de betrokkene reeds vele jaren in de lidstaat en kan geen verhuizing van diens gezin worden verlangd. Ten slotte merkt het Regierungspräsidium Stuttgart op dat een schending van het EVRM geen voorwerp van een prejudiciële procedure kan vormen.
34. De Duitse regering is van mening dat het Duitse recht de gemeenschapsrechtelijke voorschriften op de juiste wijze omzet. Volgens haar volgt uit de rechtspraak van het Hof dat er sprake dient te zijn van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Alle in het geding zijnde strafrechtelijke vergrijpen moeten worden aangemerkt als een bedreiging van de openbare orde en de openbare veiligheid. Het toepasselijke nationale recht, in het bijzonder § 12 van het Aufenthaltsgesetz/EWG, houdt afdoende rekening met het evenredigheidsbeginsel en het fundamentele recht op bescherming van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, artikel 6 EG alsmede het Handvest van de grondrechten, aangezien het voorziet in een toetsing van elk individueel geval.
35. Volgens de Italiaanse regering dient het begrip openbare orde op gemeenschapsniveau autonoom en eenvormig te worden uitgelegd. Voorts verwijst zij naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: „EHRM”) met betrekking tot artikel 8 EVRM. Uit artikel 3 van richtlijn 64/221 blijkt dat automatische uitzetting onwettig is, aangezien uitzonderingen op het beginsel van het vrije verkeer strikt moeten worden uitgelegd. Beperkingen van het vrije verkeer kunnen enkel om bijzondere preventieve redenen plaatsvinden en dienen evenredig te zijn. De Italiaanse regering komt bijgevolg tot de slotsom dat een nationale bepaling die voorziet in de automatische uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat louter op grond van een strafrechtelijke veroordeling, onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
36. De Commissie is van mening dat artikel 39 EG en artikel 3 van richtlijn 64/221 zich verzetten tegen een regeling die de autoriteiten dwingend voorschrijft om onderdanen van andere lidstaten die op grond van bepaalde strafbare feiten tot bepaalde straffen zijn veroordeeld, het land uit te zetten zonder dat in elk individueel geval de omstandigheden die aan het persoonlijke gedrag van de betrokkene ten grondslag liggen in aanmerking behoeven te worden genomen.
37. Met betrekking tot de evenredigheid van de uitzetting staat de Commissie stil bij artikel 8 EVRM. Volgens haar is de uitzetting ontoelaatbaar in die gevallen waarin zij weliswaar op grond van het persoonlijke gedrag van de betrokkene gerechtvaardigd is, maar van de huwelijkspartner en de kinderen van de betrokken gemeenschapsonderdaan niet kan worden gevergd dat zij in diens land van herkomst gaan leven. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM en het voor EU‑onderdanen geldende recht van vrij verkeer komt de Commissie tot de conclusie dat uitzetting onevenredig zou zijn.
B – Beoordeling
38. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in het kader van de door de prejudiciële procedure tot stand gebrachte samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof, eerstgenoemde de feiten van de zaak dient vast te stellen en te beoordelen en het Hof de verwijzende rechter de uitleggingselementen dient te verschaffen die hij nodig heeft om het concrete geschil te kunnen beslechten.(7)
39. In de onderhavige zaak gaat het om een vrijheidsbeperkende maatregel tegen een EU‑onderdaan, namelijk om uitzetting. Bijgevolg gaat het in essentie om de vraag over welke beoordelingsmarge de lidstaten op het gebied van de openbare orde beschikken.
40. Louter principieel kan men zich afvragen, welke voordelen voor de Europese Unie verbonden zijn aan de uitzetting van de ene naar de andere lidstaat. Een dergelijk uitzettingsbeleid zou immers neerkomen op „risico-export”.
1. De in richtlijn 64/221 opgenomen beperkingen
41. Volgens de rechtspraak van het Hof(8) moet het begrip openbare orde als rechtvaardiging van een uitzondering op het grondbeginsel van het vrije verkeer in communautair verband strikt en autonoom worden opgevat en is het onderworpen aan toetsing door het Hof van Justitie.
42. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat beperkingen van het vrije verkeer op grond van de openbare orde en veiligheid aan vier voorwaarden moeten voldoen.
43. In de eerste plaats moet sprake zijn van „storing van de sociale orde”. Verder dient er een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging te bestaan. In de derde plaats dient deze bedreiging een fundamenteel belang van de samenleving aan te tasten.(9) Ten slotte moet de door de betrokken lidstaat genomen maatregel evenredig zijn.
44. In de onderhavige zaak wordt niet betwist dat de eerste voorwaarde is vervuld, en de derde voorwaarde kan eveneens vervuld worden geacht, aangezien het in casu gaat om drugsgerelateerde delicten, die in de regel een fundamenteel belang van de samenleving aantasten.
45. De vraag rijst of de tweede en de vierde voorwaarde vervuld zijn. Aangezien het in het hoofdgeding gaat om een maatregel met betrekking tot de openbare orde en de openbare veiligheid in de zin van richtlijn 64/221, moeten de bepalingen van deze richtlijn in aanmerking worden genomen. De tweede voorwaarde, betreffende de bedreiging van de openbare orde, moet bijgevolg in samenhang met artikel 3 van richtlijn 64/221 worden onderzocht.
46. Er moet worden uitgegaan van het vereiste van artikel 3, lid 1, van richtlijn 64/221, dat „[d]e maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid […] uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene”. Volgens de rechtspraak van het Hof moet „het gevaar dat de betrokken persoon voor de openbare orde oplevert” in aanmerking worden genomen.(10) Vereist is een actueel en concreet gevaar, dat wil zeggen er moet sprake zijn van een concreet risico. Over het geheel genomen kan uit de rechtspraak van het Hof(11) bijgevolg een verbod van „globale beoordelingen” worden afgeleid. Daarmee is het evenwel ook verboden om overwegingen van algemene preventie in aanmerking te nemen, dat wil zeggen om een persoon op dergelijke gronden uit te zetten.
47. Uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 64/221 volgt nog een andere voorwaarde, namelijk dat „[h]et bestaan van strafrechtelijke veroordelingen […] op zichzelf geen motivering [vormt] van deze maatregelen”.
48. Deze bepaling wordt door het Hof aldus uitgelegd dat de beoordeling op grond van het vreemdelingenrecht „niet noodzakelijkerwijze samenvalt met de beoordeling die ten grondslag lag aan de strafrechtelijke veroordeling” en dat „hieruit volgt dat het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling slechts ter zake doet voorzover uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt”.(12)
49. Met betrekking tot drugsgerelateerde delicten heeft het Hof uitdrukkelijk deze rechtspraak bevestigd.(13) Daarbij kan mijns inziens zonder meer een onderscheid worden gemaakt naar gelang van de verschillende soorten delicten op het gebied van verdovende middelen en kan aan het verhandelen van met name gevaarlijke drugs, zoals heroïne, meer gewicht worden verleend.
50. Uit de rechtspraak kan bijgevolg worden afgeleid dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissing op een prognose met betrekking tot het toekomstige gedrag van de betrokkene dienen te baseren. Bij deze beoordeling dient bijzonder belang te worden gehecht aan het aantal reeds uitgesproken veroordelingen en hun aard, waarbij met name de ernst van de gepleegde feiten in aanmerking moet worden genomen. Voorts is het recidivegevaar van doorslaggevend belang, waarbij de vage mogelijkheid van een nieuwe verstoring van de openbare orde niet volstaat. Zo zal er eerder een verhoogd risico van recidive bestaan in het geval van drugsverslaving, die het gevaar in zich bergt van nieuwe delicten ter bekostiging van de verslaving.
51. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de straf is opgeschort, zoals in de onderhavige zaak het geval is, vormt ook een belangrijk aspect bij de inschatting van het te verwachten risico. Daaruit blijkt immers dat van de betrokkene geen concreet gevaar meer uitgaat. Voorts dient rekening te worden gehouden met mogelijke ziekten, zoals besmetting met het HIV-virus of aids, die in het uiterste geval aan uitzetting in de weg staan.
52. Als vierde voorwaarde voor de rechtmatigheid van beperkingen van het vrije verkeer op grond van de openbare orde en de openbare veiligheid stelt de rechtspraak eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel. „In dit verband moet een dergelijke maatregel geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken, en mag hij niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel.”(14)
2. De eerbiediging van het privé-leven en van het familie‑ en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM
53. Behalve de bepalingen van richtlijn 64/221 dienen de nationale autoriteiten ook de bepalingen van het EVRM na te leven. In het kader van de eerbiediging van de grondrechten laat het Hof zich immers leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale volkenrechtelijke verdragen tot bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Het EVRM maakt deel uit van de fundamentele rechten die ingevolge de door artikel 6, lid 2, EU bevestigde vaste rechtspraak van het Hof in de communautaire rechtsorde worden beschermd.(15)
54. In de onderhavige zaak gaat het om de eerbiediging van het privé-leven en van het familie‑ en gezinsleven krachtens artikel 8 EVRM, zoals ook door de verwijzende rechter, Orfanopoulos, de Duitse en Italiaanse regering en de Commissie is opgemerkt.
55. Om te beginnen moet evenwel worden stilgestaan bij de tegenwerping dat een uitzettingsbesluit naar Duits recht nog geen inmenging in de beschermingssfeer van artikel 8 EVRM vormt, aangezien een dergelijk besluit de betrokken persoon niet rechtstreeks raakt. In tegenstelling tot de door het EHRM beslechte zaken die uitzettingen naar Frans recht betroffen, zou een uitzetting naar Duits recht immers op zich niet tot een daadwerkelijke scheiding van de betrokkene van zijn huwelijkspartner en/of zijn kinderen leiden. Het zou bijvoorbeeld mogelijk zijn dat de naar Duits recht uitgezette persoon middels een verzoek om gedoogd te worden, toch in Duitsland blijft. Bovendien zou de betrokkene na verloop van tijd zelfs een verblijfsvergunning kunnen krijgen die kan worden verlengd en tot een permanent verblijfsrecht kan leiden.(16)
56. Zonder dat op de op het Franse vreemdelingenrecht gebaseerde uitspraken van het EHRM hoeft te worden ingegaan, volstaat in dit verband een verwijzing naar de uitlegging van het Hof zelf over het begrip inmenging in de zin van artikel 8 EVRM. Volgens het arrest Carpenter(17) kan namelijk van inmenging reeds sprake zijn door de loutere beslissing een uitzettingsbesluit te nemen („decision to make a deportation order”). Immers, zelfs al spreekt het Hof uitdrukkelijk enkel van een „decision to deport”, toch ging het in het hoofdgeding om een „decision to make a deportation order”. Bijgevolg kan reeds dan sprake zijn van inmenging, wanneer het uitzettingsbesluit nog niet genomen, laat staan uitgevoerd is.
57. Volgens de rechtspraak van zowel het Hof van Justitie als het EHRM is een inmenging echter pas in strijd met artikel 8 EVRM „indien zij niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 2, ervan, namelijk indien zij niet bij de wet is voorzien, is ingegeven door een of meer met betrekking tot dat lid legitieme doelstellingen, en in een democratische samenleving nodig is, dat wil zeggen gerechtvaardigd door een dwingende maatschappelijke behoefte en met name evenredig aan het nagestreefde legitieme doel”.(18)
58. Vervolgens moeten de bij de evenredigheidstoetsing toe te passen criteria worden gepreciseerd. Deze toetsing bestaat uit een afweging per individueel geval van de belangen van de staat die de maatregel ter beëindiging van het verblijf neemt, en die van de betrokkene.
59. Volgens de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechter staat het evenwel niet aan het Hof om in het kader van een prejudiciële procedure definitief over concrete feiten te oordelen. Het staat veeleer „aan de nationale rechter […] om te onderzoeken of de in casu vastgestelde maatregelen daadwerkelijk betrekking hebben op individueel gedrag dat een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt, en of deze maatregelen het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen”.(19) De verwijzende rechter dient bijgevolg na te gaan of de uitzetting in het hoofdgeding evenredig is, rekening houdend met de hier aangegeven uitleggingselementen.
60. Met betrekking tot Orfanopoulos moet dus eerst bij diens persoonlijke situatie worden stilgestaan. Daarbij moet worden bepaald in welke mate hij op het vlak van zijn gezins- en beroepsleven, alsmede op sociaal vlak in Duitsland is geïntegreerd. In dat verband moet eveneens rekening worden gehouden met de duur van zijn verblijf in Duitsland, de leeftijd waarop hij naar Duitsland is gekomen en de beheersing van de taal van zijn land van herkomst.(20)
61. In een zaak als die van het hoofdgeding moet in de tweede plaats worden onderzocht of van de gezinsleden, dus de huwelijkspartner en de kinderen, een leven in het land van herkomst kan worden gevergd. Wat dit aspect van de afweging betreft, is de verwijzende rechter evenwel reeds blijkens de formulering van de prejudiciële vraag tot de slotsom gekomen dat dit niet van de huwelijkspartner en de kinderen kan worden verlangd. Bijgevolg hoeft niet meer te worden ingegaan op de criteria die in dit opzicht bepalend zijn.
62. In de derde plaats is het in een zaak als de onderhavige van belang om rekening te houden met de ernst en het aantal van de door de betrokkene gepleegde delicten. In dat verband moet in zijn algemeenheid worden benadrukt dat drugsgerelateerde delicten zeer ernstig zijn en bovendien voldoen aan de door het Hof gestelde voorwaarde dat een fundamenteel belang van de samenleving in het geding is.
63. Met betrekking tot de in casu uitgesproken veroordelingen moet erop worden gewezen dat in zes vonnissen telkens een vrijheidsstraf is opgelegd. Deze waren in de meeste gevallen echter tamelijk kort. Maar zelfs de totale strafmaat van bijna vijf jaar is volgens de rechtspraak van het EHRM nog geen rechtvaardiging voor uitzetting.(21) Bovendien moet juist in het onderhavige geval mede in aanmerking worden genomen dat Orfanopoulos voorwaardelijk is vrijgelaten.
64. De herhaalde recidive zou daarentegen vóór uitzetting kunnen pleiten, hoewel hiermee eerder kleine criminaliteit gemoeid lijkt te zijn. Ten slotte zou de verwijzende rechter moeten onderzoeken in welk land de resocialisering het beste kan plaatsvinden.
65. Uit de noodzaak om met al deze factoren rekening te houden volgt dat de autoriteiten van de lidstaten ook bij een reguliere uitzetting per geval een afweging moeten kunnen maken. Het gemeenschapsrecht legt weliswaar geen absoluut uitzettingverbod op, maar aan een geval als dat van het hoofdgeding mag het nationale recht geen automatische uitzetting verbinden.
66. In de onderhavige prejudiciële procedure hoeft niet te worden stilgestaan bij de vraag of de geldende Duitse bepalingen in strijd zijn met richtlijn 64/221, zoals uitgelegd door het Hof, aangezien een abstracte conformiteitstoetsing buiten het kader van de onderhavige procedure valt.
67. Hoe dan ook zijn de Duitse autoriteiten gehouden tot een gemeenschapsconforme uitlegging van het Duitse recht, inclusief de administratieve bepalingen.
68. Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3 van richtlijn 64/221 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een beperking van het vrije verkeer die, wegens een door het Betäubungsmittelgesetz strafbaar gesteld feit, op grond van de openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid is opgelegd aan een EU‑onderdaan die reeds vele jaren in de lidstaat van ontvangst heeft verbleven, indien deze maatregel in het licht van artikel 8 EVRM evenredig is, in het bijzonder wanneer op grond van het persoonlijke gedrag van de gemeenschapsonderdaan het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij ook in de toekomst strafbare feiten zal begaan en wanneer van zijn huwelijkspartner en kinderen kan worden gevergd dat zij in de staat van herkomst van de betrokkene gaan leven.
V – De tweede vraag in zaak C‑482/01
A – Belangrijkste argumenten
69. Orfanopoulos is van mening dat de procedure verschillende gebreken vertoont. In de eerste plaats vindt de rechterlijke toetsing niet vóór maar pas na de vaststelling van de maatregel plaats en gaat zij gepaard met bijkomende kosten. Bovendien is het Verwaltungsgericht geen onafhankelijke instantie, want het treedt pas op wanneer het hierom wordt verzocht. In de tweede plaats kan het Verwaltungsgericht de doelmatigheid van de maatregel slechts beperkt toetsen. In de derde plaats is uitzetting volgens Orfanopoulos tevens in strijd met artikel 10 EG, aangezien de staat van ontvangst hiermee de maatschappelijke last afschuift op de staat van herkomst.
70. Voor het Regierungspräsidium is het voldoende wanneer de betrokkene de last tot onmiddellijke uitvoering van het uitzettingsbesluit door de rechter kan laten toetsen. Het Verwaltungsgericht is als rechter in eerste aanleg een onafhankelijke instantie in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221.
71. De Duitse regering is van mening dat een contradictoire procedure niet nodig is wanneer in het kader van een procedure voor het Verwaltungsgericht een tijdige en grondige rechterlijke toetsing plaatsvindt. Vóór overeenstemming met het gemeenschapsrecht pleit ook het feit dat de rechter zich uitspreekt voordat het uitzettingsbesluit wordt uitgevoerd.
72. De Italiaanse regering benadrukt dat in de administratieve procedure de minimumbescherming van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 dient te zijn gewaarborgd.
73. De Commissie is van mening dat in Baden‑Württemberg het Verwaltungsgericht uitsluitend de rechtmatigheid van een uitzettingsbesluit kan toetsen en dat bijgevolg de voorwaarden voor toepassing van artikel 9, lid 1, richtlijn 64/221 zijn vervuld. Een ingevolge deze bepaling vereiste onafhankelijke instantie die vóór de vaststelling van het besluit advies geeft, kent dit Bundesland evenwel niet. Bovendien is het twijfelachtig of artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 voldoet aan de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde vereisten inzake doeltreffende rechtsbescherming.
B – Beoordeling
74. Om te beginnen moet worden gewezen op het door het Hof geformuleerde beginsel dat de artikelen 8 en 9 van richtlijn 64/221 de minimale procedurele waarborgen vastleggen waarover gemeenschapsonderdanen die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer naar gelang van hun situatie beschikken. Artikel 9, dat een aanvulling op artikel 8 is, „beoogt een minimale procedurele waarborg te bieden aan degenen die zijn getroffen door een van de maatregelen bedoeld in de drie in artikel 9, lid 1, genoemde gevallen, te weten bij ontstentenis van mogelijkheden van beroep in rechte, of indien dit beroep slechts betrekking heeft op de regelmatigheid van het besluit dan wel geen opschortende werking heeft”.(22)
1. Het vereiste advies van een onafhankelijke instantie
75. Allereerst moet worden nagegaan of sprake is van een van de drie gevallen waarin artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 toepassing vindt. In de onderhavige zaak komt enkel het geval in aanmerking dat het beroep tegen het uitzettingsbesluit slechts betrekking heeft op de wettigheid van het besluit.
76. Volgens vaste rechtspraak van het Hof „dient de tussenkomst van de in artikel 9, lid 1, genoemde ‚bevoegde instantie’ een uitputtend onderzoek mogelijk te maken van alle feiten en omstandigheden, met inbegrip van de opportuniteit van de beoogde maatregel, voordat het besluit definitief wordt vastgesteld”.(23)
77. Bijgevolg moet worden nagegaan of de toetsing door de bestuursrechter in het kader van een beroepsprocedure voldoet aan de zojuist genoemde voorwaarden.
78. Uit § 86, lid 1, van de Verwaltungsgerichtsordnung blijkt dat de bestuursrechter in de eerste plaats gehouden is om ambtshalve de feiten op te helderen. Dit onderzoek van de feitelijke situatie kan zelfs tot vernietiging van bestuurshandelingen leiden indien de autoriteiten van onjuiste feiten zijn uitgegaan.
79. Er kan dus van worden uitgegaan dat de bestuursrechter het door de rechtspraak van het Hof voorgeschreven „uitputtend onderzoek […] van alle feiten en omstandigheden” dient uit te voeren. Maar zelfs al voldoet het nationale recht aan deze gemeenschapsrechtelijke voorwaarde, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat de bestuursrechtelijke instanties dit beginsel in de praktijk ook in elk individueel geval op een met het gemeenschapsrecht overeenstemmende wijze toepassen. In de onderhavige zaak gaat het evenwel, anders dan in een op de vervolging van concrete schendingen gerichte niet‑nakomingsprocedure, niet om de beoordeling van concrete individuele gevallen.
80. In de tweede plaats dient de bestuursrechter de formele en materiële rechtmatigheid van het uitzettingsbesluit te onderzoeken. Zoals reeds blijkt uit de formulering, is deze verplichting beperkt tot de toetsing van de rechtmatigheid van het besluit.
81. Op dit punt zou men kunnen stilstaan bij de vraag hoe diepgravend en verreikend de bestuursrechtelijke toetsing naar Duits recht is of zou moeten zijn. In het bijzonder zou men zich de vraag kunnen stellen hoe gebonden besluiten enerzijds en discretionaire besluiten anderzijds naar Duits recht moeten worden getoetst.
82. Aan een dergelijk onderzoek dient evenwel een uitlegging van het Duitse recht vooraf te gaan. Volgens de rechtspraak is het Hof niet bevoegd om zich in het kader van een prejudiciële procedure uit te spreken over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen.(24)
2. Is het besluit van het Verwaltungsgericht een besluit van een onafhankelijke instantie?
83. In de onderhavige zaak is betoogd dat het Verwaltungsgericht als rechter in eerste aanleg een onafhankelijke instantie is in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221. In dit verband moet worden nagegaan of de beslissing van het Verwaltungsgericht in een zaak als de onderhavige als een „advies door een bevoegde instantie” in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 kan worden gekwalificeerd.
84. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de richtlijn noch het begrip „bevoegde instantie”, noch het begrip „advies” definieert. De richtlijn voorziet in een „instantie die onafhankelijk van de administratie moet zijn, doch de lidstaten wordt een beoordelingsvrijheid gelaten met betrekking tot de aard van de instantie”.(25)
85. Deze beoordelingsvrijheid is uiteraard niet onbegrensd. Het beginsel van de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en dat van gelijke behandeling vereisen „dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling”.(26)
86. Dienaangaande moet worden uitgegaan van de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke „het optreden van de in artikel 9, lid 1, genoemde ‚bevoegde instantie’ een uitputtend onderzoek mogelijk [dient] te maken van alle feiten en omstandigheden, met inbegrip van de opportuniteit van de beoogde maatregel, voordat het besluit definitief wordt vastgesteld”. „De overheidsinstantie mag haar besluit, behoudens dringende gevallen, slechts nemen na advies van de bevoegde instantie.”(27) Hieruit volgt dat de autoriteit die de vrijheidsbeperkende maatregel, bijvoorbeeld een uitzettingsbesluit, gehouden is de uitspraak van de onafhankelijke instantie af te wachten.
87. Dienaangaande moet worden benadrukt dat het er niet om gaat te onderzoeken, of het Verwaltungsgericht alle kenmerken heeft van een onafhankelijke instantie in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221.(28) Zoals namelijk uit het arrest Santillo blijkt, kan een rechterlijke instantie een onafhankelijke instantie in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 zijn. Het doorslaggevende kenmerk van de in die zaak in het geding zijnde Britse voorschriften was evenwel dat de rechter vóór de vaststelling van het besluit door de overheidsinstantie, namelijk de bevoegde Secretary of State, uitspraak deed.
88. Het bepalende criterium in de onderhavige zaak is bijgevolg dat het advies vóór het besluit moet worden gegeven. Ingevolge de in Baden‑Württemberg geldende bepalingen spreekt het Verwaltungsgericht zich daarentegen uit na de vaststelling van het besluit door de overheidsinstantie, dat wil zeggen het Regierungspräsidium.
89. Het argument, dat de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 zijn vervuld wanneer het advies pas vóór de uitvoering van het besluit wordt gegeven, moet uitdrukkelijk van de hand worden gewezen. Met betrekking tot het tijdstip waarop het advies moet worden gegeven, dient volgens vaste rechtspraak van het Hof(29) te worden uitgegaan van het tijdstip van de vaststelling van de vrijheidsbeperkende maatregel en niet van de uitvoering ervan.
90. Gelet op het voorgaande stel ik vast dat de bepalingen die sinds de vaststelling van § 6a van het Ausführungsgesetz zur Verwaltungsgerichtsordnung in het hoofdgeding in het Land Baden‑Württemberg van toepassing zijn, niet voorzien in een onafhankelijke instantie in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 die op een door het gemeenschapsrecht voorgeschreven tijdstip een advies geeft in gevallen waarin het Regierungspräsidium ratione materiae bevoegd is voor het nemen van een uitzettingsbesluit.
91. Ten slotte dient erop te worden gewezen dat artikel 9 van richtlijn 64/221 door het Hof(30) als voldoende bepaald en concreet is aangemerkt en dat individuele betrokkenen zich dus daarop kunnen beroepen, zonder op een aanpassing van de wetgeving op federaal of deelstaatniveau te hoeven wachten.
92. Op de tweede vraag moet bijgevolg worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling die niet voorziet in een bezwaarschriftprocedure – waarin ook de doelmatigheid wordt onderzocht – tegen een besluit van een overheidsinstantie tot verwijdering van het grondgebied van een houder van een verblijfsvergunning, indien er niet een van deze overheidsinstantie onafhankelijke instantie is ingesteld, wanneer een rechtsmiddel bestaat dat een uitputtende toetsing van alle feiten en omstandigheden, inclusief de doelmatigheid van de beoogde maatregel, mogelijk maakt.
VI – De eerste vraag in zaak C‑493/01
A – Belangrijkste argumenten
93. Volgens het Regierungspräsidium Stuttgart verzetten artikel 39 EG en artikel 3 van richtlijn 64/221 zich niet tegen de regeling van § 45 van het Ausländergesetz en § 12 van het Aufenthaltsgesetz/EWG. De omstandigheid dat de voorwaarden van § 47, lid 1, van het Ausländergesetz zijn vervuld, betekent niet dat de autoriteiten verplicht zijn tot uitzetting. Daarenboven vindt een individuele toetsing plaats, waarbij mede wordt nagegaan of een dergelijke maatregel verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Aangezien de besluiten in het hoofdgeding bovendien gebaseerd waren op overwegingen van bijzondere preventie, is de eerste vraag in het geheel niet relevant voor de beslissing.
94. De Duitse en de Italiaanse regering merken met betrekking tot deze vraag hetzelfde op als met betrekking tot de eerste vraag in zaak C-482/01.
95. De Commissie is van mening dat richtlijn 64/221 de uitzonderingsregeling van artikel 39, lid 3, EG met betrekking tot de openbare orde implementeert en wijst op de twee fundamentele beginselen van artikel 3 van die richtlijn. In de eerste plaats moeten maatregelen van openbare orde uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene. In de tweede plaats vormt het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf geen motivering van deze maatregelen.
96. De Commissie komt op basis van de rechtspraak van het Hof tot de conclusie dat artikel 39, lid 3, EG en artikel 3 van richtlijn 64/221 zich verzetten tegen een nationale regeling die de autoriteiten verplicht onderdanen van andere lidstaten uit te zetten, wanneer die wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz tot een jeugdstraf van minstens twee jaar of tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, voorzover de straf niet voorwaardelijk is opgelegd.
B – Beoordeling
1. Ontvankelijkheid van de eerste vraag
97. Aangezien het Regierungspräsidium Stuttgart van mening is dat de eerste vraag in het geheel niet relevant voor de beslissing is, moet om te beginnen bij de ontvankelijkheid van deze vraag worden stilgestaan.
98. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(31)
99. Daarentegen staat het niet aan het Hof om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren.(32) Het Hof kan eveneens weigeren een prejudiciële vraag van een nationale rechter te beantwoorden, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(33) Voorts is het Hof enkel in staat een nuttige uitlegging te geven van het gemeenschapsrecht, wanneer de verwijzende rechter uiteenzet waarom hij van mening is dat een antwoord op zijn vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil.(34)
100. In de onderhavige zaak lijken geen van deze gronden van niet‑ontvankelijkheid gegeven. Zelfs al zou blijken dat de besluiten in het hoofdgeding mede zijn gebaseerd op overwegingen van bijzondere preventie, zou dit de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag niet in de weg staan.
101. Bijgevolg is de eerste vraag ontvankelijk.
2. Gegrondheid van de eerste vraag
102. De eerste vraag is zodanig geformuleerd dat zij specifiek en uitsluitend betrekking heeft op een nationale regeling die de autoriteiten in bepaalde gevallen verplicht tot uitzetting. Uit het aan het hoofdgeding ten gronde liggende besluit blijkt dat de bevoegde autoriteit zelf ervan uitgaat dat § 47, lid 1, punt 2, van het Ausländergesetz de uitzetting dwingend voorschrijft.
103. Overigens staat het ook niet aan het Hof om in het kader van een prejudiciële procedure bepalingen van nationaal recht uit te leggen en aldus bijvoorbeeld na te gaan of en in welke mate de bepalingen inzake reguliere uitzetting aan de autoriteiten een beoordelingsmarge laten.(35)
104. De prejudiciële vraag heeft voorts niet uitdrukkelijk betrekking op een bepaald voorschrift van het Ausländergesetz, zodat ook niet bij het omstreden verband tussen § 12 van het Aufenthaltsgesetz/EWG en § 45 van het Ausländergesetz hoeft te worden stilgestaan.(36)
105. Evenmin hoeft in het kader van deze prejudiciële procedure een onderzoek plaats te vinden naar de overeenstemming van de nationale omzettingsmaatregelen met het gemeenschapsrecht of te worden nagegaan of en in hoeverre een met het gemeenschapsrecht overeenstemmende uitlegging van de nationale regeling mogelijk is en of deze daadwerkelijk door de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties wordt toegepast. Volgens de rechtspraak is het Hof immers niet bevoegd om zich in het kader van een prejudiciële procedure uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale voorschriften met het gemeenschapsrecht.(37)
106. De prejudiciële vraag gaat over vier punten: een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, een strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz, een onherroepelijke veroordeling en het feit dat de straf onvoorwaardelijk is.
107. Artikel 3 van richtlijn 64/221, dat in casu dient te worden uitgelegd, legt de lidstaat die de vreemdelingenrechtelijke maatregel neemt, twee beperkingen op.
108. In de eerste plaats schrijft artikel 3 van richtlijn 64/221 voor dat „[d]e maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid [uitsluitend] […] berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene”.
109. Het lijkt erop dat de Duitse regeling aan dit criterium voldoet. Zij houdt immers rekening met het persoonlijke gedrag van de betrokkene in die zin dat de aard van het strafbare feit, de overtreding van een bepaalde wet, de aard en de hoogte van de straf, alsmede de vraag of de straf al dan niet voorwaardelijk is, doorslaggevend zijn.
110. In de tweede plaats bepaalt artikel 3 van richtlijn 64/221 in lid 2 dat „[h]et bestaan van strafrechtelijke veroordelingen [...] op zichzelf geen motivering [vormt] van deze maatregelen”.
111. Volgens de rechtspraak van het Hof dient in het kader van de prognose met betrekking tot het toekomstige gedrag van de betrokkene op grond van het vreemdelingenrecht te worden nagegaan of sprake is van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.(38) Uit de rechtspraak van het Hof(39) kan een verbod van „globale overwegingen” worden afgeleid. Hiervan is ook sprake wanneer het nationale recht in bepaalde gevallen een algemene en abstracte verplichting tot uitzetting inhoudt. Dergelijke juridische constructies staan immers in de weg aan een – materiële – toetsing van het individuele geval.
112. De toepassing van een algemene en abstracte bepaling op individuele gevallen is hoe dan ook in strijd met dit verbod van „globale overwegingen”. Dit komt juist duidelijk tot uiting bij een regeling als die van het hoofdgeding(40), die voorziet in standaardcriteria op basis waarvan een bepaald risico wordt vastgesteld. Zelfs wanneer dus in dergelijke gevallen een individuele risicoprognose zou plaatsvinden, zou deze gezien het dwingende karakter van de uitzetting geen gewicht in de schaal werpen en zou hieraan niet het door het gemeenschapsrecht toegekende belang toekomen.
113. Dienaangaande moet worden gewezen op de door de Commissie terecht gemaakte vergelijking tussen de regeling in de onderhavige zaak en de nationale regeling die in de zaak Calfa in het geding was. In laatstgenoemde zaak dienden de autoriteiten eveneens een uitzettingsbesluit te nemen.(41) Het feit dat het in die zaak ging om een levenslange uitzetting maakt geen enkel verschil, aangezien de schending van het gemeenschapsrecht gelegen was in het automatisme van de nationale bepaling, zoals blijkt uit de uitlegging van het arrest Calfa in de zaak Nazli.(42)
114. Bijgevolg moet de eerste vraag in die zin worden beantwoord dat artikel 39, lid 3, EG en artikel 3 van richtlijn 64/221 zich verzetten tegen een nationale regeling die de nationale autoriteiten verplicht tot het uitzetten van onderdanen van andere lidstaten die wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz onherroepelijk tot een jeugdstraf van minstens twee jaar of tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, voorzover de straf niet voorwaardelijk is opgelegd.
VII – De tweede vraag in zaak C-493/01
A – Belangrijkste argumenten
115. Volgens het Regierungspräsidium Stuttgart is de tweede vraag in de onderhavige zaak niet relevant, omdat de na het uitzettingsbesluit opgelopen ziekte een belemmering voor de uitzetting vormt en bijgevolg de toelaatbaarheid van de uitvoering van het uitzettingsbesluit en niet haar rechtmatigheid raakt. Bovendien verzet het gemeenschapsrecht zich niet ertegen dat het tijdstip van de vaststelling van een maatregel als het doorslaggevende tijdstip wordt beschouwd. Ten slotte hangt de beperking in de tijd niet noodzakelijkerwijs ervan af of de betrokkene reeds het land heeft verlaten.
116. De Duitse regering is van mening dat uit artikel 3 van richtlijn 64/221 niet blijkt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting rekening moet worden gehouden met feitelijke gegevens en een positieve ontwikkeling van de betrokkene na de datum van het laatste overheidsbesluit. De autoriteiten kunnen geen rekening houden met reële toekomstige ontwikkelingen, zodat de datum van de vaststelling van een besluit doorslaggevend is. Aangezien artikel 3 enkel de materiële voorwaarden voor maatregelen op het gebied van het vreemdelingenrecht regelt, kan ook uit deze bepaling niets anders blijken.
117. Met de ontwikkeling na het laatste overheidsbesluit moet rekening worden gehouden in het kader van het besluit op een verzoek tot beperking van de uitzetting in de tijd. Dit kan leiden tot de opheffing van het verbod om opnieuw het land binnen te komen en tot de afgifte van een nieuwe verblijfstitel. Bovendien moet bij de uitvoering van het uitzettingsbesluit rekening worden gehouden met nieuwe feiten.
118. De Italiaanse regering staat niet afzonderlijk stil bij de tweede vraag, maar brengt dezelfde argumenten als in zaak C‑482/01 naar voren.
119. Volgens de Commissie volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de autoriteiten dienen na te gaan of sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde. Artikel 3 van richtlijn 64/221 verzet zich ertegen dat beperkingen worden gesteld aan de mate waarin rekening kan worden gehouden met feitelijke gegevens of een persoonlijke ontwikkeling van de betrokkene in de tijdsspanne tussen het besluit van de overheid en de uitspraak van de rechter.
B – Beoordeling
120. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationale rechter gehouden is rekening te houden met bepaalde ontwikkelingen van de betrokkene na het laatste overheidsbesluit. In het hoofdgeding gaat het er in wezen om dat de betrokkene na de instelling van het beroep aids heeft gekregen en ondanks behandeling vermoedelijk spoedig zal overlijden.
121. Deze vraag heeft betrekking op een ander in het nationale recht omstreden punt, namelijk de vraag welk tijdstip voor de nationale rechter doorslaggevend is. Dienaangaande kunnen met betrekking tot de uitlegging van het relevante nationale procedurevoorschrift, dat wil zeggen van § 113 van de Verwaltungsgerichtsordnung, drie verschillende standpunten worden ingenomen. In de eerste plaats kan het einde van de administratieve procedure als doorslaggevend worden aangemerkt. In de tweede plaats kan de datum van het verzoek tot nietigverklaring als bepalend worden beschouwd. In de derde plaats kan de situatie, feitelijk en rechtens, op het tijdstip van de laatste mondelinge behandeling gedurende de procedure beslissend worden geacht. In de onderhavige zaak gaat het om een administratieve procedure die door een vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld.
122. Naar nationaal recht is reeds de vraag gerezen of het antwoord eigenlijk wel uitsluitend in het formele en niet veeleer in het materiële recht te vinden is. Toepassing hiervan op het hoofdgeding zou inhouden dat het antwoord in het nationale vreemdelingenrecht moet worden gezocht.
123. Gelet op de taak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure dient in de onderhavige zaak evenwel niet van nationaal maar van communautair recht te worden uitgegaan.
124. Hierbij moet om te beginnen worden uitgegaan van artikel 3 van richtlijn 64/221, dat uitdrukkelijk in de prejudiciële vraag wordt aangehaald.
125. Volgens de rechtspraak van het Hof moet dit artikel in die zin worden uitgelegd dat „uit de omstandigheden die [tot de veroordeling] hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt”.(43)
126. Doorslaggevend is bijgevolg de actuele bedreiging, waarbij echter een voorspelling voor de toekomst zeer wel noodzakelijk kan zijn. Noch de bewoordingen van artikel 3 van richtlijn 64/221, noch de hierop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof bevatten nadere aanwijzingen over wat precies als „actueel” moet worden beschouwd.
127. De door de Commissie aangehaalde zaak Santillo(44) heeft weliswaar ook betrekking op een temporeel aspect, maar dit betreft de tijdsspanne tussen het advies van de onafhankelijke instantie en het uitzettingsbesluit.
128. Met betrekking tot de in de onderhavige zaak relevante tijdsspanne tussen het uitzettingsbesluit en de toetsing door de administratieve rechter geldt evenwel het aan het arrest Santillo ten gronde liggende beginsel, dat „de in aanmerking te nemen factoren, met name die betreffende het gedrag van de betrokkene, in de loop van de tijd verandering kunnen ondergaan”.
129. Ook het Duitse vreemdelingenrecht, waartoe – uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht – ook het op dit gebied toepasselijke administratieve procesrecht behoort, moet aan dit beginsel voldoen.
130. Bij gebreke van nadere gemeenschapsrechtelijke regels op het gebied van het procesrecht is in beginsel weliswaar het nationale procesrecht van toepassing, maar hierbij moet worden uitgegaan van de rechtspraak van het Hof volgens welke „het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat [is] om [...] de procesregels te geven voor rechtsvorderingen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel)”.(45)
131. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de uitoefening van de door richtlijn 64/221 verleende rechten door de persoon die door een uitzettingsbesluit wordt geraakt, bovenmatig wordt bemoeilijkt wanneer hij hangende een administratieve procedure, daaronder begrepen een geding voor de administratieve rechter, geen nieuwe feiten kan aanvoeren, maar een afzonderlijk verzoek tot beperking van de uitzetting in de tijd moet indienen en de inmiddels opgetreden ontwikkelingen pas in de beslissing over dat verzoek in aanmerking kunnen worden genomen.
132. Uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht is evenwel niet alleen de vraag relevant of de betrokkene gebruik kan maken van zijn rechten. Het gemeenschapsrecht eist eveneens dat de naar nationaal recht bevoegde instanties, bijgevolg ook de administratieve rechter, in staat zijn om de uitoefening van de rechten te waarborgen en dat zij hierin niet door procedurele regelingen worden gehinderd.
133. Van een dergelijke belemmering zou sprake zijn, wanneer de administratieve rechter nieuwe ontwikkelingen niet ambtshalve, maar enkel op verzoek kan beoordelen.
134. Hieruit volgt dat het nationale procesrecht, bijgevolg ook § 8 van het Ausländergesetz of de Verwaltungsgerichtsordnung, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht in die zin moet worden uitgelegd dat een beperking in de tijd ook ambtshalve moet kunnen worden toegestaan.(46)
135. Maar zelfs indien men tot de conclusie komt dat een beperking in de tijd in elk geval ook ambtshalve moet kunnen worden toegestaan, rijst – nog steeds – de vraag of hiermee voldaan is aan de vereisten van het gemeenschapsrecht.
136. Immers, de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen bij het nemen van de beslissing over de beperking in de tijd kan weliswaar leiden tot de opheffing van het verbod om het land opnieuw binnen te komen en de verlening van een nieuwe verblijfsvergunning, maar vormt naar gemeenschapsrechtelijke maatstaven geen toereikend instrument.
137. Zo kan het probleem van de inaanmerkingneming van nieuwe ontwikkelingen zich ook bij het uitzettingsbesluit zelf voordoen. Daarbij gaat het weliswaar niet om een administratieve handeling met duurzame gevolgen, maar ten minste zolang het uitzettingsbesluit nog niet is uitgevoerd, kunnen nieuwe ontwikkelingen in aanmerking worden genomen. Aangezien een uitzettingsbesluit op een uitzettingsprognose is gebaseerd, dat wil zeggen op een prognose zonder beperking in de tijd,(47) zijn nieuwe ontwikkelingen juist in verband met de uitzetting van grote praktische betekenis.
138. De tweede vraag moet derhalve aldus worden beantwoord dat artikel 3 van richtlijn 64/221 in die zin moet worden uitgelegd dat ook feiten en een positieve ontwikkeling van de betrokkene waarvan na het laatste overheidsbesluit is gebleken, door de nationale rechter bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van de gemeenschapsonderdaan in aanmerking moeten worden genomen.
VIII – Conclusie
139. Gelet op het voorafgaande, geef ik het Hof in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
A – In zaak C‑482/01
„1) Artikel 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een beperking van het vrije verkeer die, wegens een door het Betäubungsmittelgesetz strafbaar gesteld feit, op grond van de openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid is opgelegd aan een EU‑onderdaan die reeds vele jaren in de lidstaat van ontvangst heeft verbleven, indien deze maatregel in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden evenredig is, in het bijzonder wanneer op grond van het persoonlijke gedrag van de gemeenschapsonderdaan het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij ook in de toekomst strafbare feiten zal begaan en wanneer van zijn huwelijkspartner en kinderen kan worden gevergd dat zij in de staat van herkomst van de betrokkene gaan leven.
2) Artikel 9, lid 1, van richtlijn 64/221 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling die niet voorziet in een bezwaarschriftprocedure – waarin ook de doelmatigheid wordt onderzocht – tegen een besluit van een overheidsinstantie tot verwijdering van het grondgebied van een houder van een verblijfsvergunning, indien er niet een van deze overheidsinstantie onafhankelijke instantie is ingesteld, wanneer een rechtsmiddel bestaat dat een uitputtende toetsing van alle feiten en omstandigheden, inclusief de doelmatigheid van de beoogde maatregel, mogelijk maakt.”
B – In zaak C‑493/01
„1) Artikel 39, lid 3, EG en artikel 3 van richtlijn 64/221 verzetten zich tegen een nationale regeling die de nationale autoriteiten verplicht tot het uitzetten van onderdanen van andere lidstaten die wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van het Betäubungsmittelgesetz onherroepelijk tot een jeugdstraf van minstens twee jaar of tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, voorzover de straf niet voorwaardelijk is opgelegd.
2) Artikel 3 van richtlijn 64/221 moet in die zin worden uitgelegd dat ook feiten en een positieve ontwikkeling van de betrokkene waarvan na het laatste overheidsbesluit is gebleken, door de nationale rechter bij de rechtmatigheidstoetsing van de uitzetting van de gemeenschapsonderdaan in aanmerking moeten worden genomen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB 1964, 56, blz. 850.
3 – BGBl. 1990 I, blz. 1354, in de versie van de wet van 16 februari 2001 (BGBl. 2001 I, blz. 266).
4 – Zoals gepubliceerd op 31 januari 1980 (BGBl. 1980 I, blz. 116), in de versie van de wet van 27 december 2000 (BGBl. 2000 I, blz. 2042).
5 – Bundesanzeiger nr. 188a van 6 oktober 2000.
6 – Wet van 10 mei 1999, GBl. blz. 173.
7 – Zie met name arresten van 3 juni 1986, Kempf (139/85, Jurispr. blz. 1741, punt 12); 22 mei 1990, Alimenta (C-332/88, Jurispr. blz. I-2077, punt 9), en 11 april 2000, Deliège (C‑51/96 en C‑191/97, Jurispr. blz. I-2549, punt 50).
8 – Arresten van 28 oktober 1975, Rutili (36/75, Jurispr. blz. 1219, punten 26-28), en 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, Jurispr. blz. 1999, punten 33-35); zie ook arrest van 26 november 2002, Oteiza Olazabal (C-100/01, Jurispr. blz. I-10981, punten 30 e.v.).
9 – Arresten Bouchereau (aangehaald in voetnoot 8), en 10 februari 2000, Nazli (C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957, punt 57).
10 – Arresten van 26 februari 1975, Bonsignore (67/74, Jurispr. blz. 297, punt 6); 19 januari 1999, Calfa (C‑348/96, Jurispr. blz. I-11, punt 27), en Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punt 59).
11 – Arresten Bonsignore (aangehaald in voetnoot 10, punt 7); Rutili (aangehaald in voetnoot 8, punten 29-31); 8 april 1976, Royer (48/75, Jurispr. blz. 497, punten 45-49); 18 mei 1982, Adoui en Cornuaille (115/81 en 116/81, Jurispr. blz. 1665, punt 11); Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punten 59 en 63), en Oteiza Olazabal (aangehaald in voetnoot 8, punten 30 e.v.).
12 – Arrest Bouchereau (aangehaald in voetnoot 8, punten 27 en 28).
13 – Arresten Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punt 58), en Calfa (aangehaald in voetnoot 10, punten 22-24).
14 – Arresten Oteiza Olazabal (aangehaald in voetnoot 8, punt 43), en 30 november 1995, Gebhard (C‑55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 37).
15 – Zie arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C-274/99 P, Jurispr. blz. I‑6111, punten 37 e.v.), en 11 juli 2002, Carpenter (C-60/00, Jurispr. blz. I-6279, punt 41).
16 – Sennekamp, „Ist-Ausweisung menschenswidrig?” Zeitschrift für Ausländerrecht und Ausländer politik 2002, blz. 136 (met name blz. 141 e.v.).
17 – Aangehaald in voetnoot 15, punt 41. In dit punt is slechts sprake van een „decision to deport”, terwijl het in het hoofdgeding om een „decision to make a deportation order” ging.
18 – Arrest Carpenter (aangehaald in voetnoot 15, punt 42); zie EHRM, arrest Boultif/Zwitserland van 2 augustus 2001, Recueil des arrêts et décisions 2001-IX, artikelen 39, 41 en 46.
19 – Arresten Oteiza Olazabal (aangehaald in voetnoot 8, punt 44), en Bouchereau (aangehaald in voetnoot 8, punt 30).
20 – Zie EHRM, arresten Berrehab/Nederland van 21 juni 1988, serie A n° 138, § 7 en 29; Mehemi/Frankrijk van 26 september 1997, Recueil des arrêts et décisions 1977‑VI; Boultif/Zwitserland (aangehaald in voetnoot 18); Sen/Nederland van 21 december 2001, nog niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, § 40; Yildiz/Oostenrijk van 31 oktober 2002, nog niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, § 43, en Jakupovic/Oostenrijk van 6 februari 2003, nog niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, § 29.
21 – Zie EHRM, arrest Beldjoudi/Frankrijk van 26 maart 1992, serie A n° 234, waarin zelfs bij een veroordeling tot acht jaar nog een schending werd aangenomen; in het arrest Amrohalli/Denemarkten van 11 juli 2002, nog niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, wordt daarentegen niet naar de strafmaat verwezen.
22 – Arrest van 9 november 2000, Yiadom (C-357/98, Jurispr. blz. I-9265, punten 27 en 29). Zie ook arrest van 22 mei 1980, Santillo (131/79, Jurispr. blz. 1585, punt 12); arrest Adoni en Cornuailles (aangehaald in voetnoot 11, punt 15); arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi (C‑297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punt 62), en 17 juni 1997, Shingara en Radiom (C‑65/95 en C-111/95, Jurispr. blz. I-3343, punt 34).
23 – Arresten Adoni en Cornuaille (aangehaald in voetnoot 11, punt 15); Santillo (aangehaald in voetnoot 22, punt 12), en arrest van 30 november 1995, Gallagher (C‑175/94, Jurispr. blz. I‑4253, punt 17).
24 – Arresten van 30 april 1986, Asjes e.a. (209/84 tot en met 213/84, Jurispr. blz. 1425, punt 12); 25 juni 1997, Tombesi e.a. (C-304/94, C-330/94, C-342/94 en C-224/95, Jurispr. blz. I‑3561, punt 36), en 3 mei 2001, Verdonck e.a. (C-28/99, Jurispr. blz. I-3399, punt 28).
25 – Arrest Santillo (aangehaald in voetnoot 22, punt 15).
26 – Arrest Yiadom (aangehaald in voetnoot 22, punt 26); zie verder arresten van 18 januari 1984, Ekro (327/82, Jurispr. blz. 107, punt 11), en 19 september 2000, Linster (C-287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43).
27 – Cursivering van mij.
Arrest Royer (aangehaald in voetnoot 11, punt 59); arrest van 5 maart 1980, Pecastaing (98/79, Jurispr. blz. 691, punt 17); arresten Santillo (aangehaald in voetnoot 22, punt 12); Adoni en Cornuailles (aangehaald in voetnoot 11, punt 15); Dzodzi (aangehaald in voetnoot 22, punt 62); Gallagher (aangehaald in voetnoot 23, punt 17); Shingara en Radiom (aangehaald in voetnoot 22, punt 34), en Yiadom (aangehaald in voetnoot 22, punt 31).
28 – Zie hierover bijvoorbeeld arrest Dzodzi (aangehaald in voetnoot 22, punt 65).
29 – Zie arrest Dzodzi (aangehaald in voetnoot 22, punten 61 en 66), waarin enkel van de uitvoering van het besluit werd uitgegaan omdat de prejudiciële vraag juist daarop betrekking had.
30 – Arrest Santillo (aangehaald in voetnoot 22, punt 13).
31 – Arresten van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59); 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 38); 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C-390/99, Jurispr. blz. I-607, punt 18), en 10 december 2002, Der Weduwe (C‑153/00, Jurispr. blz. I‑11319, punt 31).
32 – Arresten Bosman (aangehaald in voetnoot 31, punt 60); 21 maart 2002, Cura Anlagen (C‑415/99, Jurispr. blz. I‑3193, punt 26), en Der Weduwe (aangehaald in voetnoot 31, punt 32).
33 – Arresten PreussenElektra (aangehaald in voetnoot 31, punt 39); Canal Satélite Digital (aangehaald in voetnoot 31, punt 19), en Der Weduwe (aangehaald in voetnoot 31, punt 33).
34 – Arresten van 12 juni 1986, Bertini e.a , (98/85, 162/85 en 258/85, Jurispr. blz. 1885, punt 6); 16 juli 1992, Lourenço Dias (C-343/90, Jurispr. blz. I-4673, punt 19), en Der Weduwe (aangehaald in voetnoot 31, punt 34).
35 – Zo huldigen bepaalde Duitse juridische kringen de opvatting dat de reguliere uitzetting valt onder de verplichte uitzetting, dat de autoriteiten slechts subsidiair hun discretionaire bevoegdheid kunnen uitoefenen, dat zij slechts in geval van een atypisch verloop van een zaak over een discretionaire bevoegdheid beschikken en dat de afbakening tussen regel en uitzondering niet aan hun discretionaire bevoegdheid is onderworpen.
36 – Zie dienaangaande Harms, „Ausländerrecht”, in: Deutsches Verwaltungsrecht unter europäischem Einfluss, 2002, punt 9.
37 – Arresten Asjes e.a. (aangehaald in voetnoot 24, punt 12) en Tombesi e.a. (aangehaald in voetnoot 24, punt 28).
38 – Arresten Bouchereau (aangehaald in voetnoot 8, punt 35), en Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punt 57).
39 – Arresten Bonsignore (aangehaald in voetnoot 10, punt 7); Rutili (aangehaald in voetnoot 8, punten 29-31); Royer (aangehaald in voetnoot 11, punten 45-49); Adoni en Cornuaille (aangehaald in voetnoot 11, punt 11); Calfa (aangehaald in voetnoot 10, punten 22-24); Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punt 63), en Oteiza Olazabal (aangehaald in voetnoot 8, punten 30 e.v.).
40 – Zie, voor een kritische beschouwing van de toepasselijke Duitse wetgeving, Beichel, „Das deutsche Ausweisungsrecht auf dem Prüfstand”, Informationsbrief Ausländerrecht 2002, blz. 457 e.v.; Brinkmann, in: Barwig (uitg.), „Ausweisung im demokratischen Rechtstaat”, 1996, blz. 172 e.v.; Renner, „Ausländerrecht in Deutschland“, 1998, blz. 564.
41 – Aangehaald in voetnoot 10, punten 5 e.v.
42 – Aangehaald in voetnoot 9, punten 58 en 59.
43 – Arresten Bouchereau (aangehaald in voetnoot 8, punt 28), Calfa (aangehaald in voetnoot 10, punt 24) en Nazli (aangehaald in voetnoot 9, punt 58).
44 – Aangehaald in voetnoot 22.
45 – Het volstaat in dit verband te verwijzen naar het arrest van 24 september 2002, Grundig Italiana, C‑255/00 (Jurispr. blz. I‑8003, punt 33).
46 – Renner (aangehaald in voetnoot 40) komt reeds op basis van het nationale recht tot dezelfde conclusie, blz. 304 e.v.
47 – Beichel (aangehaald in voetnoot 40), blz. 460.
Full & Egal Universal Law Academy