CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 20 januari 2004 (1)
Zaak C-486/01 P
Front national
tegen
Europees Parlement
„Hogere voorziening – Verklaring van oprichting van fractie in zin van artikel 29, lid 1, reglement van Europees Parlement – Geen politieke verwantschap – Ontbinding met terugwerkende kracht van fractie – Incidentele hogere voorziening – Ontvankelijkheid van beroep tot nietigverklaring dat door nationale politieke partij in eerste instantie is ingesteld – Uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG – Begrip rechtstreeks geraakte justitiabele”
1. Het Front national, een Franse politieke partij, heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 2 oktober 2001 van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, Martinez e.a./Parlement (T-222/99, T-327/99 en T-329/99, Jurispr. blz. II-2823; hierna: „bestreden arrest”), waarbij zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 14 september 1999 houdende ontbinding met terugwerkende kracht van de „Groupe technique des députés indépendants (TDI) – Groupe mixte” [Technische fractie van onafhankelijke leden (TDI) – Gemengde fractie] als ongegrond is verworpen.
2. In haar memorie van antwoord stelt de communautaire instelling incidenteel hogere voorziening in. Zij verzoekt het Hof dat deel van het bestreden arrest te vernietigen waarin het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is verklaard. Indien het Europees Parlement in het gelijk wordt gesteld, moet het beroep van het Front national niet-ontvankelijk worden verklaard.
I – Beroep tot nietigverklaring
A – Rechtskader
3. Artikel 29 van het reglement van het Europees Parlement bepaalt in de versie die sinds 1 mei 1992(2) van kracht is, onder het opschrift „Oprichting van fracties”, het volgende:
„1. De leden kunnen fracties oprichten naar politieke gezindheid.
2. Een fractie moet uit leden uit meer dan één lidstaat bestaan. Het voor de oprichting van een fractie vereiste aantal leden bedraagt ten minste drieëntwintig leden uit twee lidstaten, achttien uit drie en veertien uit vier of meer lidstaten.
3. Een lid kan slechts tot één fractie behoren.
4. De oprichting van een fractie moet in een verklaring aan de voorzitter worden meegedeeld. In deze verklaring moeten de naam van de fractie, de namen van haar leden en de samenstelling van haar bureau worden vermeld.
5. De verklaring van de oprichting van een fractie wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.”
4. Artikel 30 van het reglement, betreffende de niet-ingeschreven leden, bepaalt:
„1. Leden die niet tot een fractie behoren, staat een secretariaat ter beschikking. Nadere bijzonderheden worden door het Bureau, op voorstel van de secretaris-generaal, geregeld.
2. Rechtspositie en parlementaire rechten van deze leden worden door het Bureau geregeld.”
5. Krachtens artikel 23 van het reglement bestaat de Conferentie van voorzitters uit de voorzitter van het Parlement en de fractievoorzitters, die stemrecht hebben, en twee afgevaardigden van de niet-ingeschrevenen, die aan haar vergaderingen deelnemen zonder stemrecht te hebben. Bovendien kunnen de fracties tot besluit van het debat over de verkiezing van de Commissie een ontwerpresolutie indienen (artikel 33) en kunnen zij deelnemen aan de delegatie van het Parlement in het bemiddelingscomité (artikel 82). Voorts hebben de fracties krachtens artikel 137 van het reglement het recht een stemverklaring van ten hoogste twee minuten af te leggen.
6. Het reglement voorziet eveneens in een reeks initiatieven die door een fractie of ten minste tweeëndertig leden kunnen worden genomen betreffende:
– de voordracht van kandidaten voor de functies van voorzitter, ondervoorzitters en quaestoren (artikel 13);
– de mogelijkheid mondelinge vragen te stellen aan de Raad of de Commissie met het verzoek deze op de „agenda van het Parlement” in te schrijven (artikel 42);
– de indiening van een ontwerpaanbeveling aan de Raad met betrekking tot de Titels V en VI van het EU-Verdrag of ingeval het Parlement niet is geraadpleegd over een onder artikel 97 of 98 van het reglement vallende internationale overeenkomst (artikel 49);
– de indiening van amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (artikel 80);
– de indiening van een verzoek beraadslagingen urgent te verklaren (artikel 112).
7. Artikel 180 van het reglement bepaalt:
„1. Bij twijfel over de toepassing of de interpretatie van het reglement kan de voorzitter, ongeacht reeds hierover genomen besluiten, de zaak voor onderzoek naar de bevoegde commissie verwijzen.
[…]
4. Indien de interpretatie van de bevoegde commissie door een fractie of ten minste tweeëndertig leden wordt betwist, wordt de zaak ter beslissing aan het Parlement voorgelegd. Goedkeuring van de tekst geschiedt bij gewone meerderheid, indien ten minste een derde van de leden van het Parlement aanwezig is. Bij verwerping wordt de zaak terugverwezen naar de commissie.
5. Niet-betwiste interpretaties, alsmede door het Parlement goedgekeurde interpretaties worden, samen met de besluiten over de toepassing van het reglement ter zake, cursief gedrukt als toelichting bij het (de) betrokken artikel(en) van het reglement opgenomen.
6. Deze toelichting geldt als precedent bij de latere toepassing en interpretatie van de betrokken artikelen.
[…]”
B – De aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten
8. Bij brief van 19 juli 1999 hebben verschillende leden van het Parlement, behorende tot diverse politieke partijen, de voorzitter van het Parlement overeenkomstig artikel 29, lid 4, van het reglement in kennis gesteld van de oprichting van de „Groupe technique des députés indépendants (TDI) – Groupe mixte” (hierna: „TDI-fractie”), die zich uitdrukkelijk tot doel stelde iedere afgevaardigde de volledige uitoefening van zijn parlementair mandaat te waarborgen.
9. De „oprichtingsakte” van de TDI-fractie hield de volgende verklaringen in:
„De individuele ondertekenende leden bevestigen jegens elkaar hun volledige politieke onafhankelijkheid. Hieruit volgt:
– stemvrijheid, zowel in commissies als in de plenaire vergadering;
– elke deelnemer onthoudt zich ervan, uit naam van alle leden van de fractie te spreken;
– de vergaderingen van de fractie hebben uitsluitend tot doel, spreektijden te verdelen en administratieve en financiële kwesties betreffende de fractie te regelen;
– het bureau van de fractie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de diverse deelnemende groepen.”
10. Uit het verslag van de plenaire vergadering van het Parlement van 20 juli 1993(3) blijkt dat de voorzitster van het Parlement heeft meegedeeld, „dat zij van 29 leden een verklaring van de oprichting van een nieuwe fractie had ontvangen, genaamd ‚Groupe technique des députés indépendents (TDI) – Groupe mixte’”.
De voorzitters van de andere fracties, van oordeel dat in casu niet was voldaan aan de in artikel 29, lid 1, van het reglement gestelde voorwaarde betreffende de politieke gezindheid, hebben gevraagd dat de commissie constitutionele zaken van het Parlement om een uitlegging van deze bepaling werd verzocht, en voorgesteld de betrokken afgevaardigden als niet-ingeschreven leden te beschouwen totdat bedoelde commissie uitspraak zou hebben gedaan.
11. Bij brief van 28 juli 1999 informeerde de voorzitter van de commissie constitutionele zaken de voorzitter van het Parlement als volgt:
„Tijdens de vergadering van 27 en 28 juli 1999 heeft de commissie constitutionele zaken het verzoek behandeld om uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement, voorgelegd door de Conferentie van voorzitters in hun vergadering van 21 juli 1999.
Na uitgebreide discussie en met 15 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 1 onthouding is de commissie constitutionele zaken gekomen tot de volgende uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement:
De oprichtingsverklaring van de [TDI]-fractie is niet overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het reglement van het Europees Parlement.
De verklaring van oprichting van deze fractie, met name bijlage 2 bij de aan de voorzitter van het Europees Parlement gerichte oprichtingsbrief, sluit immers iedere politieke richting uit. Zij geeft aan de verschillende ondertekenende leden een volledige politieke vrijheid.
Ik stel u voor, als interpretatieve toelichting bij artikel 29, [lid 1], van het reglement de volgende tekst in te voegen:
‚In de zin van dit artikel kan de oprichting van een fractie niet worden toegestaan als deze ieder politiek karakter en iedere politieke verwantschap tussen de delen waaruit zij is samengesteld, openlijk ontkent.’
[…]”
12. Op grond van artikel 180, lid 4, van het reglement heeft de TDI-fractie de door de commissie constitutionele zaken voorgestelde interpretatieve toelichting betwist, waarna deze tijdens de plenaire vergadering van 14 september 1999 ter beslissing aan het Parlement is voorgelegd, dat de toelichting met meerderheid van stemmen heeft goedgekeurd.(4)
C – Conclusies en middelen van het beroep tot nietigverklaring
13. Op 19 november 1999 heeft het Front national bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement tot ontbinding van de TDI-fractie, met veroordeling van de verwerende instelling in de kosten (zaak T-327/99).
De volgende middelen werden aangevoerd: 1) onjuiste lezing van artikel 29, lid 1, van het reglement; 2) schending van het beginsel van gelijke behandeling en van bepalingen van het reglement, alsmede ontbreken van rechtsgrondslag, omdat het Parlement ten onrechte zou hebben gecontroleerd of de TDI-fractie in overeenstemming is met artikel 29, lid 1, van het reglement en op grond daarvan heeft geoordeeld dat de deelnemers in die fractie geen politieke gezindheid delen; 3) schending van het beginsel van gelijke behandeling jegens de leden van de TDI-fractie; 4) miskenning van de parlementaire tradities die de lidstaten gemeen hebben; 5) schending van wezenlijke vormvoorschriften, en 6) vermoeden van misbruik van procedureregels.
14. Op 5 oktober 1999 hadden Martinez en De Gaulle al beroep ingesteld tegen het besluit van het Parlement van 14 september 1999, houdende goedkeuring van het standpunt van de commissie constitutionele zaken betreffende de verenigbaarheid van de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie met artikel 29 van het reglement (zaak T-222/99); op 22 november hebben Bonino, Pannella, Cappato, Dell’Alba, Della Vedova, Dupuis, Turco en de Lista Emma Bonino beroep ingesteld tegen het genoemde besluit (zaak T-329/99). Het Gerecht van eerste aanleg heeft overeenkomstig artikel 50 van zijn Reglement voor de procesvoering de drie zaken ter gelijktijdige berechting gevoegd.
II – Het bestreden arrest
15. In zaak T-327/99 heeft het Parlement niet formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht opgeworpen. Het heeft evenwel aangevoerd dat het beroep tot nietigverklaring niet‑ontvankelijk was, omdat de handeling van 14 september 1999, als declaratoire uitlegging van een algemene bepaling, verzoeker niet rechtstreeks raakte in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
16. In de punten 66 en 67 van het bestreden arrest wordt dit middel onderzocht:
„In zaak T-327/99 is van belang, dat het Front national, een Franse politieke partij, een rechtspersoon is met als statutair doel, via zijn leden binnen het bestel van nationale en Europese instellingen politieke gedachten en doelstellingen uit te dragen. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van juni 1999 heeft het een kandidatenlijst ingediend. Degenen van die lijst die tot lid van het Parlement zijn gekozen, behoren allen tot de leden die de oprichting van de TDI-fractie hebben aangekondigd. Als gevolg van de handeling van 14 september 1999 bevinden zij zich allen in de positie die hierboven in punt 59 is beschreven, hetgeen rechtstreeks van invloed is op de omstandigheden waaronder zij het gedachtegoed van de partij die zij in het Parlement vertegenwoordigen, uitdragen en daarmee ook op de omstandigheden waaronder die politieke partij haar statutair doel op Europees niveau verwezenlijkt.
De handeling van 14 september 1999 moet dus worden geacht, het Front national rechtstreeks te raken.”
Het reeds aangehaalde punt 59 luidt:
„Opgemerkt zij dat de handeling van 14 september 1999 de leden die de oprichting van de TDI-fractie hebben aangekondigd, de mogelijkheid ontneemt om zich als zodanig te verenigen als fractie in de zin van artikel 29 van het reglement, zodat die leden overeenkomstig artikel 30 van het reglement als niet-ingeschrevenen worden aangemerkt. [Daardoor] moeten zij [...] hun mandaat onder andere voorwaarden uitoefenen dan wanneer zij lid zijn van een fractie, hetgeen zij zouden zijn geweest indien de handeling van 14 september 1999 niet was goedgekeurd.”
17. In punt 75 van zijn arrest heeft het Gerecht de drie beroepen tot nietigverklaring ontvankelijk verklaard; vervolgens heeft het de zaak ten gronde beoordeeld, waarna het de beroepen als ongegrond heeft verworpen.
III – De hogere voorziening tegen het bestreden arrest
18. Martinez (zaak C-488/01 P) en het Front national (zaak C‑486/01 P) hebben hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. Bovendien hebben zij verzocht de tenuitvoerlegging van het arrest op te schorten. De zaken zijn gevoegd voor de door de president van het Hof op 21 februari 2002 gegeven beschikking, waarbij de voorlopige bescherming is afgewezen en de beslissing over de kosten uitdrukkelijk is aangehouden.
19. Op de door Martinez ingediende hogere voorziening is beslist bij beschikking van het Hof in voltallige zitting van 11 november 2003. Het Hof heeft de hogere voorziening afgewezen op grond van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering, aangezien het van oordeel was dat deze gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond was.
20. In zijn memorie van 17 december 2001 concludeert het Front national dat het het Hof behage(5):
– de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
– de schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht van eerste aanleg vast te stellen;
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de zaak af te doen, het bestreden arrest te vernietigen of anders de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen, en
– het Parlement in de kosten te verwijzen.
21. Het Parlement heeft geen hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ingesteld binnen de in artikel 56, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut bepaalde termijn van twee maanden.(6) Het heeft evenwel gebruikgemaakt van zijn op 14 februari 2002 ter griffie gedeponeerde memorie van antwoord om een incidentele hogere voorziening in te stellen, waarin het concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarin is geoordeeld dat het beroep van het Front national ontvankelijk is;
– het beroep van het Front national in zaak T-327/99 niet‑ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren, en
– het Front national in de kosten te verwijzen.
22. In de principale hogere voorziening heeft de president van het Hof het nemen van re‑ en dupliek geweigerd. Hij heeft echter aanvaard dat het Front national in repliek zijn standpunt uiteenzette betreffende de door het Parlement in de punten 15 tot en met 29 van zijn memorie van antwoord aangevoerde argumenten tot staving van zijn incidentele hogere voorziening; dit heeft het Front national op 15 april 2002 gedaan.
Aangezien het Parlement geen aanvullende memorie heeft ingediend, heeft de griffie van het Hof de op 27 mei 2002 door het Front national ingediende memorie geretourneerd.
23. De terechtzitting in zaak C-486/01 P, ter gelegenheid waarvan partijen pleidooi hebben gehouden, vond plaats op 9 december 2003.
IV – Onderzoek van de hogere voorziening
24. Omdat het Parlement aanvoert dat het beroep tot nietigverklaring van het Front national wegens het ontbreken van procesbevoegdheid niet-ontvankelijk is, rijst de vraag naar de volgorde waarin deze zaak moet worden opgelost: moet in de eerste plaats de principale hogere voorziening worden onderzocht en vervolgens de incidentele, of vice versa?(7) Ofschoon ik mij bewust ben van de zeer verschillende consequenties voor de keuze van de ene of de andere aanpak, meen ik dat het Hof de tweede mogelijkheid moet volgen en eerst de incidentele hogere voorziening moet onderzoeken.
25. Voor deze keuze bestaan verschillende gronden. Enerzijds zou het Hof, indien het onderzoek eerst betrekking had op de principale hogere voorziening, wellicht toch verplicht zijn om zich vervolgens alsnog over de incidentele hogere voorziening uit te spreken, zelfs in geval van een niet-ontvankelijkverklaring.(8) Hetzelfde zou gelden indien het Hof de principale hogere voorziening ongegrond verklaarde.(9) Indien het Hof besliste dat het Gerecht artikel 230, vierde alinea, EG correct heeft toegepast, zou voorts de volgorde van onderzoek niet van belang zijn. Maar indien het oordeelde dat de erkenning van de procesbevoegdheid van rekwirant om een beroep tot nietigverklaring in te stellen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zou de principale hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn; bijgevolg zou het onderzoek ten gronde nutteloos zijn geweest en het beginsel van proceseconomie als gevolg daarvan zijn geschonden.
Zoals ik anderzijds al in punt 31 van mijn conclusie in de zaak Raad/Boehringer(10) heb uiteengezet, vormt de procesbevoegdheid van rekwirant een procedurele voorwaarde die, wanneer zij niet is vervuld, tot gevolg heeft dat de rechterlijke instantie onbevoegd is het geding ten gronde te beoordelen.(11)
A – De incidentele hogere voorziening van het Parlement
1. Argumenten van partijen
26. Het Parlement is van mening dat het beroep tot nietigverklaring van het Front national (zaak T-327/99) niet-ontvankelijk was, omdat laatstgenoemde niet rechtstreeks was geraakt en derhalve geen procesbevoegdheid bezat. De ontvankelijkheidsverklaring door het Gerecht berust op een onjuiste uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG en vormt een schending van het gemeenschapsrecht in de zin van artikel 58 van ’s Hofs Statuut.
27. In de eerste plaats vestigt het Parlement de aandacht op een tegenstrijdigheid tussen punt 67 en andere passages van het bestreden arrest, op grond waarvan de justitiabele de indruk zou kunnen krijgen dat het oordeel van het Gerecht zou uitkomen op het tegendeel van hetgeen ten slotte is beslist, zonder dat deze koerswijziging ook maar enigszins is gemotiveerd. Het Parlement beroept zich op het feit dat in het arrest wordt aangenomen dat de tot de TDI-fractie behorende leden door het bestreden besluit rechtstreeks geraakt konden worden, aangezien dit hun de mogelijkheid ontnam zich als politieke fractie in de zin van artikel 29, lid 1, van het reglement te verenigen. Het Parlement acht het ondenkbaar dat afgevaardigden die een bijzonder statuut genieten en nationale politieke partijen die dit niet doen, op dezelfde wijze door de handelingen van het Parlement worden geraakt. Het voegt hieraan toe dat indien de ontvankelijkheid van een beroep afhing van de tekst van de respectieve statuten van de rechtspersonen, hun procesbevoegdheid uiteindelijk zou afhangen van hun eigen wil, zodat de beroepen van sommigen van hen ontvankelijk zouden zijn en die van anderen niet.
28. In de tweede plaats is het Parlement van mening dat – ofschoon de situatie van enige afgevaardigden door het bestreden besluit beïnvloed zou kunnen zijn, omdat hun mogelijkheden om het gedachtegoed van hun partij uit te dragen wellicht verslechterd zijn – het niettemin een feit blijft dat alleen de afgevaardigden van het Front national de mogelijkheid hebben aan te tonen dat zij rechtstreeks zijn geraakt, omdat dit ten aanzien van deze Franse politieke partij zelf slechts indirect het geval is.
29. In de derde plaats betoogt het Parlement dat een van de op het gebied van zijn interne organisatie vastgestelde handeling geen rechtsgevolgen jegens derden kan hebben. Ofschoon het Front national heeft deelgenomen aan de verkiezingen van juni 1999, bestaan er na de verkiezingen geen rechtsbetrekkingen meer tussen de partijen die aan de verkiezingscampagne hebben deelgenomen en het gekozen Parlement, zoals volgt uit artikel 4, lid 1, van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, en uit artikel 2 van het reglement(12), krachtens hetwelk de afgevaardigden hun mandaat vrij uitoefenen en niet gebonden mogen zijn door instructies noch een bindend mandaat mogen aanvaarden. Indien in die omstandigheden werd erkend dat de litigieuze handeling het Front national raakt, zou dit betekenen dat de leden van het Parlement met loutere tussenpersonen tussen het Parlement en hun partij kunnen worden gelijkgesteld, zonder autonomie of eigen verantwoordelijkheden en met miskenning van hun werkelijke statuut. Het Parlement voegt hieraan toe dat artikel 191 EG, dat benadrukt dat politieke partijen op internationaal vlak een belangrijke factor voor integratie binnen de Unie zijn en bijdragen tot de vorming van een Europees bewustzijn alsmede tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie(13), in casu niet relevant is, aangezien de Europese politieke partijen enerzijds nog steeds geen constitutioneel statuut hebben waarin hun rechten en verplichtingen in communautair verband worden gedefinieerd(14), en anderzijds naar hun aard uit deelnemers uit verschillende lidstaten moeten bestaan, hetgeen bij het Front national niet het geval is, omdat dit een organisatie is die uitsluitend in Frankrijk is geworteld.
30. In de vierde plaats wijst het Parlement op de nadelige gevolgen die uit de erkenning van de ontvankelijkheid van het beroep zouden voortvloeien. Indien het Hof de uitlegging van het Gerecht aanvaardde, zou het gevaar bestaan van een toevloed van beroepen van personen die slechts indirect worden geraakt door maatregelen van interne organisatie van het Parlement. Als voorbeeld noemt het Parlement stichtingen van politieke partijen wanneer zij geen subsidies meer ontvangen uit de aan de fracties betaalde kredieten, en andere partijen die zich afhankelijk van hun eigen statutaire bepalingen aangesproken zouden kunnen voelen door specifieke bepalingen van het reglement, inzonderheid artikel 152, inzake de samenstelling van de commissies van het Parlement, of artikel 168, betreffende de instelling en de taken van interparlementaire delegaties, waarbij rekening wordt gehouden met een rechtvaardige vertegenwoordiging van de lidstaten en van de politieke richtingen.
31. Het Front national is van mening dat de communautaire rechterlijke instanties de bevoegdheid behoren te hebben om de handelingen van het Parlement doeltreffend te controleren, gezien de aanzienlijke vergroting van diens bevoegdheden, beslissingsbevoegdheid en actiemogelijkheden.
Het betoogt dat het door het bestreden besluit rechtstreeks is geraakt, omdat de ontbinding van de TDI-fractie niet alleen repercussies heeft gehad voor haar leden, die een reeks van politieke rechten, voorbehouden aan leden van de fracties, niet meer konden uitoefenen, doch eveneens voor de politieke partijen waartoe zij behoorden. Het stelt dat het er belang bij heeft – op grond van de door hem georganiseerde campagne, waarvoor belangrijke uitgaven zijn gedaan – dat de op zijn lijsten gekozen leden dezelfde faciliteiten genieten als andere parlementariërs, en wijst erop dat alle leden van de ontbonden fractie die de Franse nationaliteit hebben, tot zijn partij behoorden. Wat de geleden economische verliezen betreft, noemt het de onder post 3707 vallende kredieten, in concreto administratieve en secretariaatskosten (3707/1), alsmede kosten verbonden aan de politieke activiteiten van de fracties (3707/2): terwijl de jaarlijkse uitkering voor een afgevaardigde van een fractie 36 698,28 EUR beloopt, is die van een niet-ingeschreven afgevaardigde slechts 9 909,19 EUR.
32. Ten slotte voegt het Front National hieraan toe dat, wanneer het Hof een beroep van een politieke partij tegen een besluit van het Parlement dat in strijd is met het beginsel van gelijkheid van de partijen gedurende een verkiezingscampagne ontvankelijk verklaart(15), het niet de procesbevoegdheid kan loochenen van een andere partij die zich na de verkiezingen op het beginsel van gelijke behandeling beroept. Degenen die op het Front national hebben gestemd, hebben het recht onder gelijke omstandigheden te worden vertegenwoordigd als de parlementariërs van andere fracties.
2. Wordt het Front national door het bestreden besluit geraakt?
33. Krachtens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon „beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.(16)
Overeenkomstig de door het Gerecht in de punten 28 tot en met 34 van zijn arrest gemaakte analyse, waarmee ik mij kan verenigen, bestaat het bestreden besluit van het Parlement in de verklaring dat de TDI-fractie wegens strijd met het bepaalde in artikel 29, lid 1, van het reglement met terugwerkende kracht non-existent is. Deze handeling heeft onbetwistbaar rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor de leden die, tot dat moment, meenden deel uit te maken van een politieke fractie. Zoals aangegeven in punt 65 van het bestreden arrest, heeft de bestreden handeling, zonder dat daartoe nadere maatregelen nodig waren, hen verhinderd zich tot een fractie in de zin van artikel 29 van het reglement te verenigen, hetgeen van invloed is geweest op de omstandigheden waaronder zij hun functie uitoefenden; daarom moet die handeling worden geacht hen rechtstreeks te raken.
34. Vervolgens dient te worden nagegaan of het Front national, waartoe meerdere leden van de TDI-fractie behoren(17), kan stellen dat het eveneens rechtstreeks door het bestreden besluit is geraakt.
35. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen moet hebben voor de rechtspositie van een justitiabele, zonder enige beoordelingsbevoegdheid over te laten aan degenen die met de uitvoering ervan zijn belast, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld.(18)
36. Op grond van deze rechtspraak lijkt het Front national op het eerste gezicht niet te voldoen aan de bij artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden.
37. De redenering van het Gerecht, die in punt 67 van het bestreden arrest tot het oordeel leidt dat het bestreden besluit het Front national rechtstreeks raakte, is buitengewoon beknopt en geënt op de gevolgen die de verklaring dat de fractie non-existent is, voor elke afzonderlijke afgevaardigde, en niet voor de partij, heeft veroorzaakt.
Volgens punt 59 van het bestreden arrest is aan de gekozen kandidaten van deze Franse politieke partij de mogelijkheid ontnomen om zich via de TDI-fractie als politieke fractie te verenigen en zijn zij als niet-ingeschreven afgevaardigden aangemerkt, als gevolg waarvan zij bij de uitoefening van hun functies privileges hebben verloren. In punt 66 wordt uit deze constatering afgeleid dat de gecreëerde situatie rechtstreeks van invloed is op de omstandigheden waaronder zij het gedachtegoed van de partij die zij in het Parlement vertegenwoordigen kunnen uitdragen, en daarmee ook op de omstandigheden waaronder die politieke partij haar statutair doel op Europees niveau kan verwezenlijken.
38. Ik deel de mening van de bij dit beroep betrokken instelling dat de eventuele repercussies van het bestreden besluit voor het Front national slechts indirect zijn geweest; degenen die rechtstreeks zijn geraakt zijn immers de afgevaardigden, aan wie de mogelijkheid om het gedachtegoed van de partij in het kader van een politieke organisatie te verdedigen, is ontnomen en die dit vanaf dat moment op individuele wijze hebben moeten doen.
39. Ik heb de argumenten van het Front national in de onderhavige procedure onderzocht, maar zij hebben mij evenmin kunnen overtuigen.
40. Ik stel voorop dat, ofschoon een politieke partij die deelneemt aan de Europese verkiezingen er belang bij heeft dat haar kandidaten, wanneer zij gekozen zijn, hun mandaat in gelijkwaardige omstandigheden uitoefenen als de andere parlementsleden(19), dit belang haar niet het recht verleent om haar vertegenwoordigers een eigen fractie te laten vormen, noch om deze lid te laten worden van een van de al opgerichte fracties. Dit wordt bevestigd in het reglement zelf, omdat, enerzijds, volgens artikel 29, lid 2, iedere politieke fractie moet zijn samengesteld uit afgevaardigden uit verschillende lidstaten (het Front national is een louter Franse partij); anderzijds kunnen afgevaardigden volgens artikel 29, lid 1, fracties naar politieke gezindheid oprichten (gedurende de verkiezingscampagne is de samenstelling van de nieuwe kamer niet bekend en weet men dus niet of er voldoende vertegenwoordigers van andere lidstaten zijn, die de ideologie van een nationale partij delen).
41. In de tweede plaats schendt het besluit van 14 september 1999 niet het beginsel van gelijke behandeling van parlementariërs bij de uitoefening van hun mandaat. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is sprake van „discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties”.(20) Het Europees Hof voor de rechten van de mens is, op grond van de beginselen die zich aftekenen uit de rechtspraktijk in een groot aantal democratische staten, van mening dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer het verschil in behandeling bij de uitoefening van een in de conventie genoemd recht een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert.(21)
42. In zijn reglement heeft het Parlement bij de regeling van zijn werkzaamheden besloten de organisatie van afgevaardigden in politieke fracties te bevorderen, door te verlangen dat de afgevaardigden van een fractie uit meer dan een lidstaat komen. Hoe groter het aantal staten waaruit de parlementariërs afkomstig zijn, des te gemakkelijker is het om een politieke fractie te vormen, zodat wanneer de afgevaardigden uit vier of meer lidstaten afkomstig zijn, veertien afgevaardigden volstaan. De enige voorwaarde die aan hen wordt gesteld, is dat zij zich naar politieke gezindheid groeperen.
Het spreekt voor zich dat de afgevaardigden van een lidstaat die een andere politieke gezindheid hebben dan de andere leden van de Kamer, zich niet in dezelfde situatie bevinden als degenen die lid worden van een fractie omdat zij die politieke gezindheid wél delen; in dit geval kan er derhalve geen aanspraak op worden gemaakt dat beide categorieën op gelijke wijze worden behandeld.
43. In de derde plaats treffen de door het Front national aangevoerde economische verliezen in werkelijkheid de afgevaardigden, omdat de in deze begrotingsposten opgevoerde kredieten niet zijn bestemd voor de partijen waartoe de afgevaardigden behoren.
44. Ten slotte voorziet het reglement van het Europees Parlement niet in deelname van nationale politieke partijen aan zijn organisatie of werkzaamheden. Wanneer de volksvertegenwoordigers eenmaal zijn gekozen, oefenen zij hun taken op onafhankelijke wijze uit en kunnen zij niet gebonden zijn aan instructies of een bindend mandaat hebben. Zij stemmen op individuele en persoonlijke wijze. Zij kunnen lid worden van een politieke fractie, van fractie veranderen of als niet-ingeschrevene optreden. Ik ben het met het Parlement eens, dat onder deze omstandigheden het bestreden besluit het Front national slechts op indirecte wijze heeft geraakt, via de repercussies die het onbetwistbaar voor de gekozen kandidaten heeft gehad.
45. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het Front national niet voldoet aan de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarden voor de procesbevoegdheid omdat het niet rechtstreeks door het bestreden besluit is geraakt.
Derhalve heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 67 van het bestreden arrest te beslissen dat het bestreden besluit rekwirant rechtstreeks heeft geraakt.
46. Bijgevolg dient de incidentele hogere voorziening van het Parlement gegrond te worden verklaard en het bestreden arrest te worden vernietigd, voorzover daarin het beroep tot nietigverklaring van het Front national tegen het besluit van 14 september 1999 ontvankelijk is verklaard.
47. Volgens artikel 61, eerste alinea, tweede zin, van ’s Hofs Statuut kan het Hof, wanneer het een arrest van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht. Eén van de gevallen waarop de eerste van de twee in deze bepaling genoemde mogelijkheden van toepassing kan zijn is die van een „error in iudicando”, mits de feiten volledig zijn weergegeven en voor de beslissing voldoende zijn en geen behoefte aan bewijslevering bestaat. Dit lijkt de gebruikelijke praktijk van het Hof te zijn, ofschoon het doorgaans niet de redenen vermeldt waarom het van mening is dat het geding in staat van wijzen is.(22)
Het komt doelmatig voor dat het Hof de zaak afdoet wanneer uit de stukken van het dossier blijkt dat het geding in staat van wijzen is(23), zulks overeenkomstig de wil van de communautaire wetgever om van het Hof een moderne cassatierechter te maken, die over een vérgaande vrijheid beschikt om de vernietiging van een arrest uit te spreken wanneer het dit opportuun acht.(24)
48. In het onderhavige geval is de aan het Hof in hogere voorziening voorgelegde kwestie stellig van strikt juridische aard. Het volstaat daarom dit voorschrift toe te passen en de hogere voorziening van het Front national niet-ontvankelijk te verklaren, op grond dat deze partij geen procesbevoegdheid bezit.
B – De principale hogere voorziening
49. Omdat het Front national niet bevoegd was beroep in te stellen bij het Gerecht, is het evenmin bevoegd om hogere voorziening tegen het bestreden arrest in te stellen. Bijgevolg dient de door deze partij bij het Hof ingestelde hogere voorziening niet-ontvankelijk te worden verklaard.
V – Kosten
50. Overeenkomstig artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering, beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer het, bij gegrondheid van de hogere voorziening, de zaak zelf afdoet.
51. Volgens artikel 69, lid 2, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd.
Aangezien het Front national niet in zijn vordering kan worden ontvangen, dient het overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in de kosten van het geding. In de kortgedingprocedure, waarin de president van het Hof, met aanhouding van de kostenbeslissing, bij beschikking van 21 februari 2002 uitspraak heeft gedaan in afwachting van de uitkomst van het hoofdgeding, moet het Front national zijn eigen kosten dragen en de helft van de kosten van het Parlement.
VI – Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) vernietigt op grond van de incidentele hogere voorziening van het Europees Parlement het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 april 2001, Martinez e.a./Parlement (T-222/99, T‑327/99 en T-329/99), voorzover daarbij ontvankelijk is verklaard het beroep van het Front national tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 14 september 1999 houdende ontbinding met terugwerkende kracht van de „Groupe technique des députés indépendents (TDI) – Groupe mixte”;
2) verklaart het beroep van het Front national tot nietigverklaring niet-ontvankelijk;
3) verklaart de principale hogere voorziening van het Front national niet-ontvankelijk;
4) verwijst het Front national in de kosten van de onderhavige procedure en voor de helft in de kosten van het Europees Parlement in de procedure in kortgeding.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – PB L 202; blz. 1, hierna: „reglement”.
3 – PB C 301, blz. 1.
4 – Het is te hopen dat een dergelijke situatie zich niet herhaalt, gezien de nieuwe uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement in de vijftiende druk daarvan van februari 2003 (PB L 61, blz. 1).
5 – De meeste middelen die door het Front national ter staving van zijn hogere voorziening zijn aangevoerd, stemmen grotendeels overeen met de door Martinez aangevoerde gronden. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de politieke partij meegedeeld, op de hoogte te zijn van de inhoud van de aangehaalde beschikking en ervan af te zien zich over de desbetreffende middelen uit te laten.
6 – Op de vraag die ik hem dienaangaande ter terechtzitting heb gesteld, heeft de gemachtigde van het Parlement geantwoord dat zijn juridische dienst niet zeker wist of, ter zake van de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel, hogere voorziening kon worden ingesteld tegen het arrest van het Gerecht waarbij het beroep was verworpen; er is derhalve besloten gebruik te maken van de actie van het Front national om een incidentele hogere voorziening in te stellen. Er bestaan evenwel zaken waarin het Hof werd verzocht een arrest waarin uitdrukkelijk of stilzwijgend de procesbevoegdheid van een van de partijen in eerste aanleg was erkend, gedeeltelijk te vernietigen, ook wanneer de rekwirant in hogere voorziening niet aan het geding had deelgenomen of wanneer hij in het dictum van het arrest in het gelijk was gesteld. Ik kan als voorbeelden noemen de arresten van 21 januari 1999, Frankrijk/Comafrica e.a. (C-73/97 P, Jurispr. blz. I-185), en 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C-23/00 P, Jurispr. blz. I-1873).
7 – Het beeld in de lidstaten is zeer verschillend, omdat aan de procespartijen niet overal de in artikel 117, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering genoemde mogelijkheid wordt verleend. Zo kan in Oostenrijk degene die niet tijdig opkomt tegen een arrest, geen incidenteel rechtsmiddel instellen, terwijl in Griekenland het incidenteel hoger beroep, het enige dat is toegestaan, geen vorderingen mag bevatten die afwijken van de vorderingen van appellant. In België, Spanje, Finland en Zweden is alleen het incidenteel hoger beroep geregeld. Op strafrechtelijk gebied accepteert Duitsland geen enkel incidenteel rechtsmiddel, terwijl in Frankrijk het incidenteel beroep in cassatie is uitgesloten.
8 – De mate van zelfstandigheid van het incidentele beroep ten opzichte van de principale handeling varieert in de rechtsstelsels van de verschillende lidstaten. In Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken wordt de incidentele handeling in alle gevallen door de rechterlijke instantie onderzocht, ongeacht het lot van het principale beroep. Ditzelfde geldt in Spanje ten aanzien van incidentele hogere beroepen in civiel‑ en bestuursrechtelijke zaken. In België en Nederland leidt alleen de niet-ontvankelijkheid van het principale beroep wegens nietigheid of tardieve indiening tot niet-ontvankelijkheid van het incidentele beroep. In Italië en Frankrijk wordt onderscheid gemaakt tussen het incidentele beroep, ingesteld binnen de voor het principale beroep geldende termijn, dat als principaal beroep kan worden beschouwd wanneer het principale beroep niet-ontvankelijk is, en het incidentele beroep, ingesteld na verloop van de voor het principale beroep geldende termijn, waarvan het lot onvermijdelijk is verbonden aan dat van het principale beroep. In Duitsland, Finland, Portugal en Zweden heeft het incidentele beroep geen enkel zelfstandig karakter en kan de rechter, indien het principale beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, niet over het incidentele beroep oordelen.
9 – In bijna alle rechtsstelsels van de lidstaten wordt, zelfs indien het principale beroep ongegrond wordt verklaard, het incidentele beroep door de rechter onderzocht. Sommige stelsels maken nochtans een onderscheid binnen de gevallen waarin sprake is van kennelijke ongegrondheid. Zo ontvalt in Duitsland de grondslag aan het incidentele beroep wanneer het hoger beroep in een civiele zaak bij beschikking kennelijk ongegrond wordt verklaard, behoudens wanneer de zaak fundamentele betekenis heeft of de ontwikkeling van het recht, dan wel de eenheid van de rechtspraak een uitspraak ten gronde vereist. In Finland geldt hetzelfde voor het incidentele beroep wanneer de rechter het principale beroep niet uitputtend ten gronde onderzoekt. Portugal past een soortgelijke regeling toe in civiele zaken, waar de rechter het incidentele beroep niet onderzoekt indien hij na een beknopt preliminair onderzoek van oordeel is dat het principale beroep kennelijk ongegrond is.
10 – Arrest Raad/Boehringer, reeds aangehaald.
11 – De juistheid van deze stelling wordt aangetoond door het feit dat de bevoegdheid om bij de communautaire rechterlijke instanties te procederen wordt geregeld in het Verdrag (artikelen 226 EG – 228 EG voor het beroep wegens niet-nakoming; artikel 230 EG voor het beroep tot nietigverklaring; artikel 232 EG voor het beroep wegens nalaten of artikel 236 EG voor de beroepen van personeelsleden) en in het Statuut (artikel 40 voor de tussenkomst; artikelen 56 en 57 voor de hogere voorziening) maar niet in het Reglement voor de procesvoering.
12 – Reeds aangehaald, thans geldende vijftiende druk.
13 – Zie artikel 45, vierde alinea, van het ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, waarin de betekenis van politieke partijen op Europees niveau niet wordt genoemd doch wél hun bijdrage aan de vorming van een Europees politiek bewustzijn en aan het tot uitdrukking brengen van de wil van de burgers.
14 – Deze stelling is niet meer juist sinds de publicatie van verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 297, blz. 1).
15 – Arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339).
16 – Ik wil de aandacht vestigen op de lofwaardige poging van advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie van 21 maart 2002 in de zaak Unión de Pequeños Agricultores/Raad (arrest van 25 juli 2002, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677) om het Hof ertoe te brengen het begrip ‚rechtstreeks geraakte personen’ opnieuw te definiëren. Hij heeft op zeer overtuigende wijze verdedigd dat artikel 230, vierde alinea, EG aldus moet worden uitgelegd dat het strookt met het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming. Volgens hem valt er geen enkel dwingend argument aan te voeren voor de stelling dat het begrip ‚individueel geraakte persoon’ inhoudt dat een particulier die tegen een maatregel van algemene strekking wenst op te komen, op soortgelijke wijze als een adressaat moet worden geïndividualiseerd, en hij heeft voorgesteld ervan uit te gaan dat een persoon door een handeling individueel wordt geraakt wanneer wegens de situatie waarin deze zich bevindt, die handeling zijn belangen aanzienlijk kan schaden. De reactie van het Hof liet niet op zich wachten. In het arrest dat het nauwelijks vier maanden later heeft gewezen, heeft het geoordeeld – hoewel het erkende dat deze voorwaarde moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden die een verzoeker kunnen individualiseren – dat een dergelijke uitlegging niet kan voorbijgaan aan de in het Verdrag gestelde voorwaarde zonder de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter te buiten te gaan, en dat het aan de lidstaten staat om overeenkomstig artikel 48 EU het thans van kracht zijnde stelsel te hervormen. Het Gerecht heeft zich bij deze poging aangesloten in het arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T-177/01, Jurispr. blz. II-2365). Het erkende de ontvankelijkheid van een verzoeker om in beroep te gaan tegen een verordening van algemene strekking van de Commissie – ofschoon het toegaf dat deze volgens de in de rechtspraak gestelde criteria niet individueel was geraakt – teneinde hem niet het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming te ontzeggen, zulks in navolging van de door de advocaat-generaal voorgestelde definitie. De Commissie heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld en de zaak is thans nog hangende.
17 – Van de tien Franse afgevaardigden die thans niet zijn ingeschreven, behoren vijf tot het Front national. Zie .
18 – Zie arresten van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie (41/70–44/70, Jurispr. blz. 411, punten 23-29); 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie (92/78, Jurispr. blz. 777, punten 25 en 26); 29 maart 1979, NTN Toyo Bearing e.a./Raad (113/77, Jurispr. blz. 1185, punten 11 en 12); ISO/Raad (118/77, Jurispr. blz. 1277, punt 26); Nippon Seiko e.a./Raad en Commissie (119/77, Jurispr. blz. 1303, punt 14); Koyo Seiko e.a./Raad en Commissie (120/77, Jurispr. blz. 1337, punt 25); Nachi Fujikoshi e.a./Raad (121/77, Jurispr. blz. 1363, punt 11); 11 juli 1985, Salerno e.a./Commissie en Raad (87/77, 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Jurispr. blz. 2523, punt 31); 17 maart 1987, Mannesmann-Röhren-Werke/Raad (333/895, Jurispr. blz. 1381, punten 13 en 14); 14 januari 1988, Arposol/Raad (55/86, Jurispr. blz. 13, punten 11‑13); 26 april 1988, Apesco/Commissie (207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 12); 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie (C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punt 9), en 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie (C‑404/96 P, Jurispr. blz. I-2435, punt 41).
19 – Het Parlement heeft enige consequenties getrokken uit punt 157 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht hem heeft gemaand, na te gaan of de verschillen in de wijze waarop afgevaardigden die lid zijn van een fractie en niet-ingeschreven afgevaardigden worden behandeld, allemaal noodzakelijk en derhalve objectief gerechtvaardigd zijn, en de verschillen op te heffen die niet aan deze voorwaarden voldoen. Zo is bijvoorbeeld bij besluit van het Bureau van het Parlement van 2 juli 2003 de interne regeling gewijzigd betreffende het gebruik van de kredieten van begrotingspost 3701, bestemd voor de financiering van de administratieve en huishoudelijke uitgaven van de fracties en de secretariaatskosten van niet-ingeschreven leden, alsmede de kosten verbonden aan politieke activiteiten en het verstrekken van inlichtingen van de fracties en de niet-ingeschreven leden. Tegen deze beschikking is beroep ingesteld in de zaak T‑357/03, Gollnisch e.a./Parlement.
20 – Arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, Jurispr. blz. I-225, punt 30); 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, Jurispr. blz. I-3089, punt 40); 22 oktober 1998, Jokela en Pitkäranta (C-9/97 en C-118/97, Jurispr. blz. I-6267, punt 45), en 14 september 1999, Gschwind (C‑391/97, Jurispr. blz. I-5451, punt 21).
21 – Zie Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaak betreffende bepaalde aspecten van de taalregeling bij het onderwijs in België van 23 juli 1968, serie A nr. 6, deel I, sub B, § 10.
22 – Het volstaat in het algemeen met de zeer laconieke bevestiging dat dit in casu het geval is. Zie arresten van 5 oktober 2000, Raad/Chvatal e.a. (C-432/98 P en C‑433/98 P, Jurispr. blz. I-8535, punt 37), en 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad (C-76/00 P, Jurispr. blz. I-79, punt 93).
23 – Zie J. Héron, Droit judiciaire privé, uitg. Montchrétien, Parijs, 1991, blz. 517; J. Vincent en S. Guinchard, Procédure civile, uitg. Dalloz, Parijs, 1994, blz. 922.
24 – J. Nieva Fenoll, El recurso de casación ante el Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, uitg. Bosch, Barcelona, 1998, blz. 430.
Full & Egal Universal Law Academy