CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 2 december 2003 (1)
Zaak C‑502/01
Silke Gaumain-Cerri
tegen
Kaufmännische Krankenkasse - Pflegekasse
[verzoek van het Socialgericht Hannover (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van werknemers – Sociale zekerheid – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Pflegeversicherung – Begrip werknemer – Derden die hulpbehoevenden verzorgen – Pensioenverzekeringsbijdragen – Discriminatie op grond van woonplaats”
Zaak C‑31/02
Maria Barth
tegen
Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz
[verzoek van het Socialgericht Aachen (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van werknemers – Sociale zekerheid – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Pflegeversicherung – Begrip werknemer – Derden die hulpbehoevenden verzorgen – Pensioenverzekeringsbijdragen – Discriminatie op grond van woonplaats”
I – Inleiding
1. In de onderhavige zaken dient het Hof te beslissen op enkele vragen van vergelijkbare strekking van het Sozialgericht Hannover (Duitsland) (hierna: „Sozialgericht Hannover”) en van het Sozialgericht Aachen (Duitsland) (hierna: „Sozialgericht Aachen”).
2. De verwijzende rechters vragen het Hof in wezen of de communautaire bepalingen op het gebied van het vrije verkeer van personen en de sociale zekerheid van migrerende werknemers zich ertegen verzetten dat enkele Duitse socialezekerheidsinstellingen weigeren bepaalde socialezekerheidsbijdragen te betalen voor derden die in een andere lidstaat dan Duitsland wonen en niet niet-beroepsmatig zorgen voor hulpbehoevenden die in Duitsland wonen of in elk geval bij de Duitse Pflegeversicherung zijn aangesloten.
II – Rechtskader
A – Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3. Zoals bekend, is krachtens artikel 39 EG „[h]et verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap […] vrij. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden”.
4. Om het vrije verkeer en het verbod van discriminatie tussen werknemers uit de lidstaten concreet ten uitvoer te leggen, is verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (hierna: „verordening nr. 1612/68”)(2), vastgesteld.
5. Artikel 7 van die verordening luidt als volgt:
„1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”
6. Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: „verordening nr. 1408/71”)(3), stelt normen vast ter coördinatie van de nationale bepalingen over sociale zekerheid.
7. Artikel 1 bepaalt dat, voor de toepassing van deze verordening,
„a) […] onder ‚werknemer’ en onder ‚zelfstandige’ respectievelijk [wordt] verstaan:
i) ieder die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor de werknemers of zelfstandigen of tot een bijzonder stelsel voor ambtenaren;
[…]
b) […] onder ‚grensarbeider’ [wordt] verstaan iedere werknemer of zelfstandige die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent op het grondgebied van een lidstaat en woont op het grondgebied van een andere lidstaat, waarheen hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert; […]
[…]
j) […] ten aanzien van elke lidstaat onder ‚wetgeving’ of ‚wettelijke regeling’ [worden] verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid […].
Onder deze term vallen niet de bestaande of toekomstige contractuele bepalingen, ongeacht of deze al dan niet bij een besluit van de overheid algemeen verbindend zijn verklaard, dan wel een ruimere werkingssfeer hebben verkregen. Ten aanzien van contractuele bepalingen:
i) welke de verplichte deelneming aan een verzekering voortvloeiende uit de in de vorige alinea bedoelde wetten of regelingen, beogen […]
ii) […]
kan deze beperking te allen tijde worden opgeheven door een verklaring van de betrokken lidstaat waarin dergelijke regelingen waarop deze verordening wel van toepassing is, worden vermeld […].
[…]
t) […] onder ‚prestaties’, ‚uitkeringen’, ‚verstrekkingen’, ‚pensioenen’ en ‚renten’ [worden] verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen;
[…]”
8. Artikel 2, lid 1, bepaalt dat de verordening ratione personae van toepassing is „op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten […] zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”
9. De materiële werkingssfeer van de verordening is volgens artikel 4, voorzover hier van belang:
„1. […] alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
a) prestaties bij ziekte en moederschap;
[…]
c) uitkeringen bij ouderdom;
[…]
2. […] de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie- of bijdragebetaling berusten, alsmede [...] de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in lid 1 bedoelde prestaties […]”.
10. Artikel 3, lid 1, van de verordening bevestigt het beginsel van gelijkheid van behandeling en bepaalt:
„Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
11. Artikel 13 van de verordening legt vervolgens de criteria neer voor de vaststelling van de wetgeving die van toepassing is op de takken van sociale zekerheid die binnen de werkingssfeer van de verordening vallen. Voorzover hier van belang, bepaalt artikel 13:
„1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater en septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;
b) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont;
[…]”
12. De derde titel van de verordening legt enkele „bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties” vast.
13. Met name behelzen de artikelen 18 en volgende bepalingen over de prestaties bij ziekte en moederschap.
14. Met het oog op de onderhavige zaak moet hier artikel 19 genoemd worden, dat bepaalt:
„1. De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, […] heeft in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op:
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat wonen, voorzover zij krachtens de wettelijke regeling van de staat, op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht op deze prestaties hebben.
[…]”
15. Tot slot geeft artikel 20 van de verordening bijzondere regels die van toepassing zijn op grensarbeiders en hun gezinsleden:
„De grensarbeider kan de prestaties op het grondgebied van de bevoegde staat eveneens verkrijgen. Deze prestaties worden verleend door het bevoegde orgaan, volgens de wettelijke regeling van deze staat, alsof de betrokkene op het grondgebied daarvan woonde. Zijn gezinsleden kunnen op dezelfde wijze de prestaties genieten; zij komen hiervoor, behoudens in spoedgevallen, evenwel slechts in aanmerking wanneer tussen de betrokken lidstaten of tussen de bevoegde autoriteiten van die lidstaten ter zake een overeenkomst bestaat, of, bij het ontbreken van een zodanige overeenkomst, na voorafgaande toestemming van het bevoegde orgaan.”
B – Bepalingen van nationaal recht
16. De Soziale Pflegeversicherung (verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid; hierna: „Pflegeversicherung”) is geregeld in boek XI van het Sozialgesetzbuch (hierna: „SGB XI”).
17. Volgens deze regeling moet eenieder die aangesloten is bij de wettelijke ziektekostenverzekering bijdragen betalen aan de Pflegeversicherung (§ 20 SGB XI).
18. Krachtens § 23 SGB XI dienen degenen die niet bij de wettelijke ziektekostenverzekering zijn aangesloten, maar particulier verzekerd zijn of onder de bijzondere regeling voor ambtenaren vallen, hun verzekering te integreren met een verplichte aanvullende verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid bij een instelling naar keuze. De aanvullende verzekering is, wat aansluiting en prestaties betreft, bij de wet aan analoge voorwaarden gebonden als de Pflegeversicherung (§ 110 SGB XI).
19. De Pflegeversicherung betaalt de verzekerde, diens echtgenoot en kinderen in geval van „Pflegebedürftigkeit(4), een maandelijkse toelage ter dekking van de kosten die de thuiszorg door derden meebrengt (Pflegegeld), maar garandeert daarnaast andere prestaties.
20. Om een van deze andere prestaties gaat het in de onderhavige zaak, namelijk de betaling van pensioenverzekeringsbijdragen voor de derde die voor de verzekerde zorgt krachtens § 44, lid 1, SGB XI. Deze bepaalt:
„Ter verbetering van de sociale zekerheid van personen die zorg verstrekken in de zin van § 19 [SGB XI], betalen de Pflegekassen en de particuliere verzekeraars waarbij een verplichte verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid is afgesloten […] bijdragen aan de bevoegde organen van de wettelijke pensioenverzekering […]. § 3 […] van het Zesde boek [bevat] nadere bepalingen.”
21. Zoals blijkt uit deze bepaling en is verduidelijkt door de verwijzingsbeschikkingen, worden de bijdragen uitsluitend gestort als aan twee voorwaarden is voldaan. Enerzijds moet de activiteit van de zorgverstrekker voldoen aan de voorwaarden in § 19 SGB XI, anderzijds moet het gaan om een activiteit waarvoor krachtens § 3 van boek VI van het SGB („Gesetzliche Rentenversicherung”(5)) (hierna: „SGB VI”) de aansluiting bij een pensioenregeling verplicht is.
22. Ter zake van de eerste voorwaarde moet worden gepreciseerd dat iemand die niet-beroepsmatig, maar ten minste 14 uur per week een hulpbehoevende in diens eigen woonomgeving verzorgt, een „zorgverstrekker” in de zin van § 19 SGB XI is.
23. Wat de tweede voorwaarde betreft, voorziet § 3, eerste volzin, sub 1a, SGB VI in een verplichting om bijdragen voor een pensioen wegens ouderdom, invaliditeit of overlijden te storten voor personen die niet-beroepsmatig, ten minste 14 uur per week, een hulpbehoevende in diens eigen woonomgeving verzorgen, indien de hulpbehoevende recht heeft op de prestaties krachtens de Pflegeversicherung.
24. In verband met de tweede voorwaarde moet voorts worden vermeld dat § 3 van het vierde boek van het SGB („Gemeinsame Vorschriften für die Sozialversicherung”(6)) (hierna: „SGB IV”) bepaalt:
„De bepalingen over de verzekeringsplicht en het recht op verzekering zijn van kracht:
1. voorzover zij een betrekking in loondienst of een zelfstandige activiteit vereisen, voor alle personen die binnen de werkingssfeer van dit wetboek in loondienst of zelfstandig werkzaam zijn,
2. voorzover zij geen activiteit in loondienst of een zelfstandige activiteit vereisen, voor alle personen die hun woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats binnen de werkingssfeer van dit wetboek hebben.”
III – De feiten en de procedure
A – De procedure voor de nationale rechters
1. Zaak C‑502/01, Gaumain‑Cerri
25. Gaumain‑Cerri, van Duitse nationaliteit, en haar echtgenoot, van Franse nationaliteit, wonen in Frankrijk. Beide echtgenoten werken in deeltijd bij een onderneming in Duitsland, zodat zij zich de rest van de dag kunnen wijden aan de verzorging van hun minderjarige gehandicapte zoon. Uit hoofde van hun werkzaamheden in loondienst in Duitsland zijn zij aangesloten bij het Duitse stelsel van ziektekostenverzekering en Pflegeversicherung via de Kaufmännische Krankenkasse‑Pflegekasse – KKH (hierna: „KKH”). Sinds 1997 ontvangt de zoon van de KKH een maandelijkse toelage, het „Pflegegeld”.
26. In 2000 hebben de echtgenoten de KKH verzocht, voor hen krachtens § 44 SGB XI de verplichte pensioenverzekeringsbijdragen voor personen die onbezoldigd zorg verstrekken te betalen aan de bevoegde socialezekerheidsinstelling. Bij beschikking van 16 mei 2000 heeft de KKH het verzoek afgewezen, op grond dat de echtgenoten Gaumain-Cerri in het buitenland wonen en derhalve niet verzekeringsplichtig zijn in de zin van § 3, sub 2, SGB IV. Het bezwaar van verzoekers is door de KKH, bij beschikking van 17 juli 2000, eveneens afgewezen.
27. Gaumain-Cerri was van mening dat zij en haar echtgenoot als grensarbeiders door het litigieuze besluit werden gediscrimineerd en heeft op 26 juli 2000 beroep ingesteld bij het Sozialgericht Hannover. Zij vorderde vernietiging van de beschikking van de KKH en veroordeling van verweerster tot betaling van de pensioenverzekeringsbijdragen.
28. Het Sozialgericht Hannover heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Kunnen – en, zo ja, onder welke omstandigheden – de begrippen ‚prestaties bij ziekte’, en ‚uitkeringen bij ouderdom’ in de zin van artikel 1 van verordening nr. 1408/71 uitkeringen van een orgaan aan een ander orgaan omvatten, indien de verzekerde daarvan enkel een abstract, indirect voordeel heeft (betaling van pensioenverzekeringsbijdragen door de Pflegekasse voor een persoon die de verzekerde onbezoldigd verzorgt)?
2) Volgt uit een discriminatieverbod van primair of afgeleid recht, dat een prestatie als bedoeld sub [1] verschuldigd is, ongeacht of de werkzaamheid die recht geeft op de prestatie, in Duitsland dan wel in een lidstaat van de EU wordt verricht, en ongeacht waar de verzekerde of de direct begunstigde woont?”
2. Zaak C‑31/02, Barth
29. Zaak C‑31/02 betreft de weigering van enkele Duitse instellingen om pensioenverzekeringsbijdragen te betalen voor de verzorgingsactiviteit in Duitsland van een Duits staatsburger die in een andere lidstaat, namelijk België woont.
30. In casu staat ter discussie of Barth – die voor in totaal 18 uur per week een gepensioneerde Duitse ambtenaar verzorgt tegen een maandelijkse beloning van ongeveer 400 euro – recht heeft op storting van de verplichte pensioenverzekeringsbijdragen door de socialezekerheidsinstellingen waarmee de hulpbehoevende een Pflegeversicherung heeft gesloten.
31. Het betreft het Landesamt für Besoldung und Versorgung Nordrhein‑Westfalen (hierna: „Landesamt”), de bevoegde socialezekerheidsinstelling voor ambtenaren van de Duitse overheid, en een particuliere verzekeringsinstelling (PAX Familienfürsorge Krankenversicherung; hierna: „PAX”), als verzekeringsorgaan waarmee de hulpbehoevende de krachtens § 23 SGB XI juncto. § 110 SGB XI (supra, punt 18) verplichte aanvullende Pflegeversicherung had gesloten.
32. De betrokken instellingen hadden aanvankelijk voor Barth de in § 44 SGB XI voorgeschreven pensioenverzekeringsbijdragen betaald aan de Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz (hierna: „LVR”), de instelling waarbij zij was aangesloten. Vervolgens werd bij een beschikking van de LVR vastgesteld dat Barth, omdat zij niet in Duitsland woonde, niet verzekeringsplichtig was, waarop zowel het Landesamt als de PAX de betaling van de bijdragen staakten.
33. Barth is bij het Sozialgericht Aachen opgekomen tegen de beschikking van de LVR. Het Landesamt en de PAX werden in het geding betrokken.
34. Het Sozialgericht Aachen, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Zijn de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, ook van toepassing op de Duitse Pflegeversicherung, wanneer de dekking van het risico van hulpbehoevendheid overeenkomstig § 23 juncto § 110 Sozialgesetzbuch – soziale Pflegeversicherung – (SGB XI) (eventueel gedeeltelijk) op de afsluiting van een particuliere overeenkomst inzake Pflegeversicherung berust?
2) Zijn de bijdragen aan de wettelijke pensioenverzekering die overeenkomstig § 44 SGB XI junctis §§ 3, eerste volzin, sub 1a, en 166, lid 2, Sozialgesetzbuch – Gesetzliche Rentenversicherung – (SGB VI) door de verzekeraars van de Pflegeversicherung moeten worden betaald voor niet-beroepsmatige zorgverstrekkers, een ‚prestatie bij ziekte’ in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening […] nr. 1408/71? Zo ja, kan een soortgelijke prestatie ook worden betaald voor personen die iemand in het land van het bevoegde orgaan verzorgen, maar die in een andere lidstaat wonen?
3) Zijn personen die iemand verzorgen in de zin van § 19 SGB XI werknemers in de zin van artikel 39 EG? Zo ja, is het derhalve verboden hun de prestatie ‚betaling van bijdragen in de pensioenverzekering’ te weigeren omdat zij niet op het grondgebied van de bevoegde staat wonen of er niet hun gewoonlijke verblijfplaats hebben?”
B – De procedure voor het Hof
35. Bij beschikking van de president van het Hof van 21 juli 2003 zijn de twee zaken vanwege hun samenhang gevoegd.
36. In zaak C‑502/01 hebben de KKH en de Commissie opmerkingen ingediend; in zaak C‑31/02 hebben bovendien de Duitse en de Griekse regering opmerkingen ingediend.
37. In de loop van de procedure heeft het Hof aan de Duitse regering een schriftelijke vraag voorgelegd om te informeren naar het bestaan van eventuele overeenkomsten ex artikel 20 van verordening nr. 1408/71(7) tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek. De Duitse regering heeft geantwoord dat dergelijke overeenkomsten niet zijn gesloten, noch in de tak van de verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid, noch in de tak van de ziektekostenverzekering.
IV – Juridische analyse
A – Inleidende opmerkingen
38. In beide hoofdgedingen voor de nationale rechters gaat het er in wezen om, vast te stellen of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat een lidstaat een regeling toepast waarbij de betaling van pensioenverzekeringsbijdragen ten gunste van personen die niet-beroepsmatig een hulpbehoevende verzorgen die is aangesloten bij de nationale verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid, afhankelijk wordt gesteld van de vraag of de zorgverstrekker ingezetene van de lidstaat is.
39. Ik moet wel opmerken dat de vragen die door de verwijzende rechters aan het Hof zijn voorgelegd, niet eensluidend zijn geformuleerd en ook niet in dezelfde volgorde zijn gesteld. Door de voeging van deze zaken wordt het noodzakelijk de vragen opnieuw te ordenen en in zekere zin opnieuw te formuleren, zodat zij zoveel mogelijk samen kunnen worden behandeld.
40. Volgens mij moet dus in de eerste plaats worden nagegaan of de betaling van de betrokken pensioenverzekeringsbijdragen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt. Daarvoor moeten wij ons afvragen of verzoeksters in de hoofdgedingen „werknemers of zelfstandigen” in de zin van de verordening zijn, en vervolgens of de betaling van bijdragen ten gunste van iemand die zorg verstrekt, in het licht van de omstandigheden van de onderhavige zaken kan worden aangemerkt als een „uitkering bij ouderdom” of een „prestatie bij ziekte”, eveneens in de zin van deze verordening (eerste vraag in zaak C‑502/01 en eerste onderdeel van de tweede vraag in zaak C‑31/02).
41. Is aldus de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vastgesteld, dan moet vervolgens worden onderzocht of de bepalingen van de verordening zich verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling als degene die in de hoofdgedingen ter discussie staat, waarbij de betaling van genoemde pensioenverzekeringsbijdragen afhankelijk is gesteld van de woonplaats (deel van de tweede vraag in zaak C‑502/01 en tweede onderdeel van de tweede vraag in zaak C‑31/02).
42. Pas dan kan de eerste vraag in zaak C‑31/02 met vrucht worden behandeld en kan worden beoordeeld of de bepalingen van de verordening ook van toepassing zijn indien de Pflegeversicherung slechts ten dele wordt gegarandeerd door een openbaar lichaam in het kader van de sociale zekerheid, terwijl het resterende deel wordt gedekt door een aanvullende verplichte verzekering bij een particuliere instelling onder voorwaarden die in wezen overeenkomen met die welke voor de sociale zekerheid gelden.
43. Tot slot zal ik nagaan of artikel 39 EG of andere bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer van personen en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zich verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling als degene die in de hoofdgedingen aan de orde is (deel van de tweede vraag in zaak C‑502/01 en derde vraag in zaak C‑31/02).
B – De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Barth, C‑31/02
44. Alvorens te beginnen met het onderzoek van de opnieuw geformuleerde vragen, moet ik ingaan op het bezwaar van de Duitse regering, die in wezen stelt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑31/02 als geheel niet-ontvankelijk is.
45. Volgens deze regering zijn de prejudiciële vragen van het Sozialgericht Aachen niet noodzakelijk voor de oplossing van het geschil; anders dan deze rechter schijnbaar meent, zou een juiste toepassing van de relevante bepalingen van het Sozialgesetzbuch volstaan om het beroep van Barth toe te wijzen en haar recht op betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen te erkennen.
46. Het is goed mogelijk dat de interpretatie van het nationale recht die de Duitse regering voorstelt, de meest correcte is; de verwijzende rechter kwam in het onderhavige geval echter tot een ander oordeel, op basis waarvan hij het noodzakelijk heeft geacht het Hof deze prejudiciële vragen voor te leggen.
47. Volgens bekende en vaste rechtspraak staat „het niet aan het Hof […] om zich uit te spreken over de uitlegging van nationale bepalingen. Het Hof moet in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale rechterlijke instanties acht slaan op de in de verwijzingsbeschikking omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vraag moet worden geplaatst”.(8)
48. Het komt mij dus voor, dat er geen enkele reden is om gevolg te geven aan de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Duitse regering heeft opgeworpen.
C – De werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
49. Dan kom ik nu tot de vragen van de verwijzende rechters. Volgens het schema dat ik hierboven heb uiteengezet, zal ik nu eerst ingaan op de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. Het gaat er met name om, enerzijds vast te stellen of de verordening ratione personae van toepassing is op personen in de situatie van verzoeksters, en anderzijds of de litigieuze socialezekerheidsprestaties ratione materiae onder de werkingssfeer ervan vallen (eerste vraag in zaak C‑502/01 en eerste onderdeel van de tweede vraag in zaak C‑31/02).
50. Omwille van de duidelijkheid van dit betoog zal ik deze punten afzonderlijk, in de aangegeven volgorde, onderzoeken.
1. De personele werkingssfeer
51. In de eerste plaats is verordening nr. 1408/71 krachtens artikel 2 „van toepassing op werknemers of zelfstandigen”. De vraag is dus of iemand die zorg verstrekt in de zin van § 19 SGB XI, een „werknemer of zelfstandige” in de zin van de verordening is.
52. De Griekse regering en de KKH geven in overweging deze vraag ontkennend te beantwoorden, zij het in nogal apodictische bewoordingen. Als enig argument ter onderbouwing van deze conclusie voert de KKH namelijk aan, dat de in § 19 SGB XI bedoelde zorgverstrekking naar Duits recht niet als werk in loondienst of als werk als zelfstandige kan worden aangemerkt.
53. De Commissie onderstreept daarentegen dat de begrippen „werknemer” en „zelfstandige” in artikel 1, sub a, van de verordening duidelijk worden omschreven. Zij omvatten ieder die verzekerd is bij een van de in de verordening bedoelde stelsels van sociale zekerheid. Aan dat vereiste wordt zonder meer voldaan door personen die zorg verstrekken in de zin van § 19 SGB XI, zodat geconcludeerd moet worden dat verzoeksters werknemers of zelfstandigen in de zin van verordening nr. 1408/71 zijn.
54. Wat mij betreft, ik sta zonder meer achter het standpunt van de Commissie.
55. De gemeenschapsrechtspraak heeft al geruime tijd geleden verduidelijkt dat het in verordening nr. 1408/71 bedoelde begrip „werknemer of zelfstandige” een communautair begrip is(9), en „ieder [omvat] die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 1, sub a, verzekerd is tegen de gebeurtenissen en onder de voorwaarden die aldaar worden genoemd”.(10)
56. Het Hof heeft in het verleden al opgemerkt dat de Pflegeversicherung inderdaad onder een van deze bovengenoemde stelsels valt(11), omdat zij „er dus met name op gericht [is], een aanvulling te vormen op de prestaties krachtens de ziekteverzekering”.(12)
57. Er kan dus zonder meer worden gesteld dat een persoon die bij de Pflegeversicherung is verzekerd, zoals Gaumain‑Cerri en haar zoon in zaak C‑502/01, een „werknemer of zelfstandige” in de zin van verordening nr. 1408/71 is, omdat hij verzekerd is in het kader van een van de in artikel 1, sub a, genoemde stelsels van sociale zekerheid.
58. Afgezien daarvan impliceert het begrip „werknemer of zelfstandige”, zoals dat met het oog op de onderhavige zaken aan de aangehaalde rechtspraak (supra, punt 55) is ontleend, noodzakelijkerwijs dat ook degene die de verzekerde verzorgt, zoals Barth in zaak C‑31/02, eronder valt, ongeacht of de verzorging bezoldigd of onbezoldigd wordt verstrekt en ongeacht de hoogte van de eventuele vergoeding.
59. In het Duitse stelsel van sociale zekerheid zijn personen die een hulpbehoevende niet-beroepsmatig ten minste veertien uur per week verzorgen – afgezien van het vereiste van de woonplaats op Duits grondgebied – verplicht zich aan te sluiten bij een pensioenregeling voor ouderdom, invaliditeit en overlijden, krachtens § 3, eerste volzin, sub 1a, SGB VI.
60. Zoals bekend, is verordening nr. 1408/71 volgens artikel 4 van toepassing op verzekeringen tegen het risico van ouderdom, invaliditeit en overlijden.
61. Derhalve zijn ook personen die zorg verstrekken onder omstandigheden als in de onderhavige gevallen, „werknemers of zelfstandigen” in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, want zij zijn verzekerd in het kader van een van de in de verordening bedoelde stelsels.
62. Ik geef het Hof daarom in overweging de verwijzende rechters te antwoorden dat een persoon die is aangesloten bij de in boek XI SGB bedoelde Pflegeversicherung, onder het begrip „werknemer of zelfstandige” in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 valt; iemand die zorg verstrekt in de zin van § 19 SGB XI en om die reden verzekerd is in het kader van een van de in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 genoemde stelsels van sociale zekerheid, valt eveneens onder dat begrip.
2. De materiële werkingssfeer
63. Dan moet nu worden vastgesteld of de betaling van pensioenverzekeringsbijdragen voor de persoon die zorg verstrekt, door de Pflegeversicherung krachtens § 44 SGB XI, binnen de materiële werkingssfeer als gedefinieerd in artikel 4 van de verordening valt (supra, punt 9).
64. Volgens de KKH moet deze vraag ontkennend worden beantwoord, omdat de betaling van de omstreden bijdragen geen prestatie bij ziekte of uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 4 van de verordening vormt.
65. Het zou namelijk niet gaan om „prestaties”, maar om bijdragen die de persoon die zorg verstrekt, gehouden is te betalen aan een stelsel voor ziekte of ouderdom om een recht op de prestaties krachtens die stelsels van sociale zekerheid te verwerven.
66. Het feit dat de verzekering van de hulpbehoevende de bijdragen voor haar rekening neemt, maakt deze bijdragen nog niet tot pensioenprestaties ten gunste van deze andere persoon. Het voordeel dat de hulpbehoevende van die betaling heeft, zou te indirect zijn.
67. Tot staving van de tegengestelde opvatting kan de rechtspraak van het Hof inzake de Pflegeversicherung ook niet worden ingeroepen, aldus de KKH.
68. In het arrest Molenaar(13) zou het Hof het Pflegegeld weliswaar als prestatie bij ziekte hebben erkend, maar zulks uitsluitend omdat het rechtstreeks aan de hulpbehoevende wordt betaald, als aanvulling op de prestaties uit hoofde van de ziektekostenverzekering.
69. In het onderhavige geval worden de bijdragen daarentegen niet betaald aan de hulpbehoevende, maar aan de socialezekerheidsinstelling waarbij de zorgverstrekker is aangesloten. Deze betaling vult dus in geen enkel opzicht de prestaties uit hoofde van de ziektekostenverzekering aan en kan dus niet worden aangemerkt als een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4 van de verordening.
70. Ik moet zeggen dat ik dit standpunt niet deel.
71. In de eerste plaats kan volgens vaste rechtspraak een uitkering als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd „wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten”.(14)
72. De KKH ontkent niet dat de prestaties van de Pflegeversicherung – waaronder begrepen de betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde bijdragen – aan de begunstigden worden toegekend zonder discretionaire beoordeling, op grond van een objectieve en wettelijk omschreven positie.
73. Niemand bestrijdt overigens dat, zoals het Hof in het arrest Molenaar heeft verduidelijkt(15), de prestaties van de Pflegeversicherung als geheel als „prestaties bij ziekte” (en met name uitkeringen bij ziekte) in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 kunnen worden gekwalificeerd.
74. Het controversiële punt is in werkelijkheid, of de betaling van de bijdragen waar het in deze zaak om gaat, zodanige bijzondere kenmerken heeft dat een kwalificatie die afwijkt van die van de andere prestaties van de Pflegeversicherung gerechtvaardigd is.
75. Evenals de Griekse regering en de Commissie ben ik van mening dat er geen reden is om de betaling van de bijdragen waar het in deze zaak om gaat, uit te sluiten van de „prestaties bij ziekte” ten gunste van de verzekerde, als bedoeld in het aangehaalde arrest Molenaar.
76. Ik ben het met name met de Commissie eens, wanneer zij aanvoert dat het Hof in dat arrest weliswaar alleen het Pflegegeld uitdrukkelijk noemt, maar in werkelijkheid een algemeen beginsel heeft geformuleerd, namelijk dat, in het kader van een stelsel als dat van de Pflegeversicherung, alle prestaties die „een financiële ondersteuning [vormen], die het levenspeil van hulpbehoevende personen over het geheel genomen kan verbeteren doordat de extra kosten die hun situatie met zich brengt, worden gecompenseerd”, „uitkeringen bij ziekte” zijn.(16)
77. De betaling van de litigieuze bijdragen dient in de eerste plaats om het levenspeil van de hulpbehoevende te verbeteren, want het stelt hem – zoals blijkt uit de feiten van zaak C‑502/01 – in de gelegenheid, in zijn eigen woonomgeving te blijven en verzorgd te worden door een onbezoldigd gezinslid. Dit gezinslid ziet weliswaar af van een deel van zijn externe werkzaamheden en het gezinsinkomen, maar kan toch een pensioen opbouwen.
78. Daarnaast vormt de betaling van deze bijdragen in feite, zoals het Sozialgericht Aachen ook opmerkt, welbeschouwd een financiële subsidie voor de hulpbehoevende, want door deze bijdragen kan hij gebruikmaken van de zorg van een niet-beroepsmatige zorgverstrekker, zonder dat de betaling van de verplichte pensioenverzekeringsbijdragen (direct of indirect) te zijnen laste komt.
79. Voor zover hier van belang, kan de betaling van verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen van de zorgverstrekker, in het licht van de criteria die het Hof in het aangehaalde arrest Molenaar heeft aangelegd, worden aangemerkt als een uitkering bij ziekte ten gunste van de hulpbehoevende.
80. Evenmin kan daartegen worden ingebracht dat de betrokken bijdragen niet worden betaald aan de hulpbehoevende noch aan de derde die zorg verstrekt, maar rechtstreeks aan de socialezekerheidsinstelling waarbij de pensioenverzekering van de derde is ondergebracht.
81. Zoals de Griekse regering en de Commissie terecht onderstrepen, kan de rechtstreekse betaling, door een instelling die handelt in het kader van een bepaald stelsel van sociale zekerheid, van bijdragen die een werknemer of zelfstandige aan een andere instelling in het kader van een ander stelsel van sociale zekerheid verschuldigd is, volgens de rechtspraak van het Hof worden beschouwd als prestaties van de eerste instelling aan de werknemer of zelfstandige in de zin van verordening nr. 1408/71(17), ook al worden de bijdragen rechtstreeks door de eerste aan de tweede socialezekerheidsinstelling betaald.
82. Ik concludeer daaruit dat de betaling van de pensioenverzekeringsbijdragen voor de zorgverstrekker door de Pflegeversicherung krachtens § 44 SGB XI, voor degene die bij de Pflegeversicherung is aangesloten, een uitkering bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vormt.
D – De tweede vraag in zaak C‑502/01 en het tweede onderdeel van de tweede vraag in zaak C‑31/02
83. Met de tweede vraag in zaak C‑502/01 en het tweede onderdeel van de tweede vraag in zaak C‑31/02 willen de verwijzende rechters in wezen vernemen of verordening nr. 1408/71 zich verzet tegen de toepassing van een regeling als § 3, sub 2, SGB IV, die personen die in het buitenland wonen van de betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen uitsluit.
1. Argumenten van partijen
84. Met betrekking tot zaak C‑502/01 voert de KKH aan, dat zowel de persoon die zorg verstrekt (verzoekster) als de hulpbehoevende (haar zoon) in Frankrijk woonachtig zijn, dus in een andere lidstaat dan die van de instelling die bevoegd is om de litigieuze prestaties te verlenen (Duitsland). Volgens verweerster in het hoofdgeding worden verzoekster en haar zoon op dezelfde manier behandeld als willekeurig welke andere persoon die in Frankrijk onbezoldigd zorg verstrekt of ontvangt en in dit land woont.
85. Het feit dat hun recht op de litigieuze prestaties in Duitsland niet wordt erkend omdat zij buiten Duitsland wonen, is dus geen geval van discriminatie en is ook anderszins niet in strijd met het door verordening nr. 1408/71 ingevoerde geharmoniseerde stelsel.
86. Daartegen kan niet worden ingebracht dat verzoekster in het hoofdgeding zowel zorgverstrekker is als verzekerde werknemer of zelfstandige die recht heeft op betaling van prestaties van de Pflegeversicherung in de staat van de bevoegde instelling. Een dergelijke samenloop zou namelijk niet meer dan toeval zijn en kan dus geen invloed hebben op de rechtspositie van verzoekster in haar hoedanigheid van zorgverstrekker.
87. Naar de mening van de KKH moeten de twee onderscheiden rechtsposities van verzekerde werknemer of zelfstandige en zorgverstrekker in het licht van verordening nr. 1408/71 afzonderlijk worden beoordeeld. Daarom kan een persoon die als verzekerde werknemer of zelfstandige uit hoofde van de verordening recht heeft op uitkeringen bij ziekte, los van ieder woonplaatsvereiste, geen beroep doen op deze hoedanigheid om andere prestaties te verkrijgen waarop hij eventueel recht heeft in zijn andere hoedanigheid van zorgverstrekker.
88. De Commissie merkt van haar kant vooraf op, dat krachtens artikel 13, lid 2, sub a en b, van de verordening degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst uitoefent, onderworpen is aan de wetgeving van die lidstaat, tenzij in de verordening anders wordt bepaald. Zowel in zaak C‑502/01 als in zaak C‑31/02 is dus het Duitse recht van toepassing, als recht van de lidstaat op welks grondgebied de persoon die bij de verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid is aangesloten, werkzaamheden verricht.
89. Vervolgens herinnert de Commissie eraan, dat de verordening naast de bepalingen ter coördinatie van het toepasselijke recht ook bijzondere regels voor de harmonisatie van het materiele recht bevat.
90. Onder deze bepalingen noemt zij met name artikel 19, dat bepaalt dat de werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde staat woont, recht heeft op uitkeringen bij ziekte, die door de instellingen van deze laatste staat worden verleend volgens de door deze instellingen toegepaste wettelijke regeling.
91. Zoals het Hof al in het arrest Molenaar heeft verduidelijkt, is een bepaling die de betaling van uitkeringen krachtens de Pflegeversicherung in de woonstaat van de migrerende werknemer verhindert, in strijd met de vereisten van artikel 19 van de verordening.(18)
92. Aangezien de betaling van de bijdragen in casu eveneens een uitkering krachtens de Pflegeversicherung is, moeten wij concluderen dat artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich verzet tegen de toepassing van een bepaling als § 3, sub 2, SGB IV, die personen die in het buitenland wonen van de betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen uitsluit.
93. Dat geldt volgens de Commissie zeker voor zaak C‑502/01, maar een analoge redenering gaat op in zaak C‑31/02, zonder dat de bijzondere omstandigheden van dat geval een andere oplossing kunnen rechtvaardigen.
94. Het is waar, dat de prestatie die in deze zaak aan de orde is, als prestatie ten gunste van de hulpbehoevende binnen de werkingssfeer van de verordening valt, terwijl artikel 19 wordt ingeroepen om op te komen tegen discriminatie ten nadele van de zorgverstrekker.
95. De Commissie voert echter aan, dat sprake is van een „persoonsverwisseling” die in dit kader volkomen aanvaardbaar is: het Hof heeft namelijk al in een andere zaak verordening nr. 1408/71 toegepast op een casus waarin de werknemer of zelfstandige en de begunstigde van de prestatie niet samenvielen.(19)
96. Ook in zaak C‑31/02 kan dus gesteld worden dat artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich verzet tegen de toepassing van het woonplaatsvereiste in omstandigheden als die in de betrokken zaak.
97. Maar dat is nog niet alles. Volgens de Commissie is de toepassing van een dergelijk vereiste bovendien in strijd met het beginsel van gelijkheid van behandeling dat in artikel 3, lid 1, van de verordening is neergelegd.
98. Het Hof heeft namelijk gepreciseerd dat „de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde regel van gelijkheid van behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van onder de socialezekerheidsregelingen vallende personen verbiedt, doch ook iedere verkapte vorm van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leidt”.(20)
99. Om alle mogelijke vormen van discriminatie te voorkomen en de door artikel 3 vereiste volledige gelijkheid van behandeling te garanderen, zijn de lidstaten volgens de Commissie gehouden bepaalde feiten die zich in een andere lidstaat hebben voorgedaan „gelijk te stellen” met de overeenkomstige feiten op het nationale grondgebied. In casu vereist artikel 3 van verordening nr. 1408/71 dat de daadwerkelijke woonplaats van de zorgverstrekker in het buitenland „gelijk wordt gesteld” met een fictieve woonplaats in Duitsland, en het woonplaatsvereiste van § 3 SGB IV als vervuld wordt beschouwd.
E – Beoordeling
100. Ik meen dat deze vraag voor de beide hoofdgedingen niet op dezelfde wijze kan worden opgelost. Volgens mij zijn de twee zaken wezenlijk verschillend, waardoor een afzonderlijke beoordeling noodzakelijk is.
1. - Zaak C‑502/01
101. Om te beginnen vallen de litigieuze prestaties in zaak C‑502/01 binnen de materiële werkingssfeer van de verordening, als zijnde prestaties bij ziekte ten gunste van de werknemer of zelfstandige die bij de verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid is aangesloten (zie supra, punt 79).
102. Dientengevolge kan verzoekster in deze zaak, juist in haar hoedanigheid van werknemer of zelfstandige die bij de Pflegeversicherung is aangesloten, de bepalingen van de verordening inroepen om op te komen tegen de weigering van verweerster de litigieuze bijdragen te betalen.
103. In dat licht ben ik het eens met de opmerking van de Commissie, dat de onderhavige vraag in wezen al door het Hof is onderzocht en beantwoord in het arrest Molenaar.
104. Bij die gelegenheid heeft het Hof namelijk verduidelijkt dat een nationale bepaling die „de betaling van uitkeringen krachtens de Pflegeversicherung in de woonstaat van de migrerende werknemer verhindert”, in strijd is met de vereisten van artikel 19 van de verordening.
105. Aangezien de betaling van de litigieuze bijdragen een uitkering krachtens de Pflegeversicherung ten gunste van verzoekster in het hoofdgeding is, is de toepassing van het woonplaatsvereiste van § 3 SGB IV in de omstandigheden van dit geval in strijd met de vereisten van artikel 19 van de verordening.
106. Ik concludeer dus dat artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich in de omstandigheden van zaak C‑502/01 ertegen verzet dat een prestatie als bedoeld in § 44 SGB XI door de bevoegde socialezekerheidsinstelling wordt geweigerd op grond dat de verzoekster in het buitenland woont.
2. - Zaak C‑31/01
107. Zaak C‑31/02 moet mijns inziens anders worden beoordeeld.
108. Anders dan de Commissie stelt, meen ik namelijk dat de verordening zich in casu niet verzet tegen de toepassing van de betrokken nationale regeling, omdat ik niet geloof dat de storting van de litigieuze bijdragen kan worden aangemerkt als een „prestatie bij ziekte” ten gunste van verzoekster, in de zin van de verordening en met name van artikel 19.
109. Zoals het Hof in het verleden heeft gepreciseerd, moet immers onderscheid worden gemaakt tussen de bijdrage in de betaling van verzekeringspremies enerzijds en de eigenlijke socialezekerheidsprestaties anderzijds. Dit omdat de premiebijdrage niet wordt toegekend na intreden van het verzekerd voorval, maar integendeel voorwaarde is voor het ontstaan van het recht op prestaties indien dit voorval zich voordoet.(21)
110. Het lijdt geen twijfel dat de litigieuze bijdragen ten gunste van Barth niet worden gestort na intreden van een van de door de ziektekosten- of pensioenverzekering van verzoekster verzekerde voorvallen. Zij dienen uitsluitend om een toekomstig recht op betaling van socialezekerheidsprestaties te doen ontstaan, maar kunnen niet worden aangemerkt als een „uitkering bij ziekte” of een „uitkering bij ouderdom” ten gunste van verzoekster, waarop zij ex artikel 19 recht zou hebben.
111. Ik geloof ook niet dat uit artikel 3 van de verordening een andere oplossing kan worden afgeleid, zoals de Commissie stelt.
112. In dit verband wijs ik erop, dat personen „op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn”, krachtens dit artikel de rechten en verplichtingen hebben die voortvloeien „uit de wetgeving van elke lidstaat”(22) onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
113. Zoals bekend, betekent de term „wetgeving” voor de toepassing van deze verordening, voor elke lidstaat, de bepalingen van de nationale rechtsorde „welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid”(23), dus, voorzover hier van belang, op „de volgende takken van sociale zekerheid: prestaties bij ziekte [of] uitkeringen bij ouderdom”.
114. Dat wil zeggen dat verzoekster in casu artikel 3 van de verordening slechts kan inroepen om op te komen tegen een discriminerende behandeling die haar „prestaties bij ziekte” of „uitkeringen bij ouderdom” ontzegt, waarop zij anders recht zou hebben.
115. De betaling van de litigieuze pensioenverzekeringsbijdragen kan echter om de hierboven (punten 109 en 110) aangegeven redenen mijns inziens niet worden aangemerkt als een „prestatie bij ziekte” of „uitkering bij ouderdom” ten gunste van de zorgverstrekker. Deze kan naar mijn mening niet met vrucht een beroep doen op artikel 3 van de verordening om haar verzoek te onderbouwen.
116. Ik moet daarom concluderen dat noch artikel 3, noch artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich in de omstandigheden van zaak C‑31/02 ertegen verzet dat een prestatie als bedoeld in § 44 SGB XI door de bevoegde socialezekerheidsinstelling wordt geweigerd op grond dat de verzoekster in het buitenland woont.
F – De eerste vraag in zaak C‑31/02
117. Met de eerste vraag in zaak C‑31/02 wenst het Sozialgericht Aachen in wezen te vernemen of verordening nr. 1408/71 ook van toepassing is voor het deel van de verzekering tegen het risico van hulpbehoevendheid dat niet wordt gedekt door het publieke stelsel van de Pflegeversicherung ex § 20 SGB XI, maar door de prestaties van een particuliere verzekeringsinstelling krachtens het bepaalde in de §§ 23 en 110 SGB XII.
118. Dienaangaande hebben alleen de Griekse regering en de Commissie opmerkingen bij het Hof ingediend.
119. De Griekse regering stelt dat de verordening niet van toepassing is op een privaatrechtelijke overeenkomst. Zij meent dat deze conclusie voortvloeit uit artikel 1, sub j, waarin „de bestaande of toekomstige contractuele bepalingen” worden uitgesloten van het begrip „nationale wetgeving” in de zin van de verordening.
120. Volgens de Commissie daarentegen moet, aangezien de wettelijke regeling van de aanvullende verzekeringsovereenkomst geheel en al overeenstemt met de regeling die van toepassing is op de Pflegeversicherung, worden geconcludeerd dat de verordening volledig van toepassing is op de prestaties van de „particuliere” aanvullende regeling.
121. Persoonlijk meen ik dat het Hof deze vraag niet hoeft te onderzoeken, nu ik in verband met zaak C‑31/02 al heb geconcludeerd dat verordening nr. 1408/71 zich in de omstandigheden van deze zaak niet ertegen verzet dat een prestatie als bedoeld in § 44 SGB XI door de bevoegde socialezekerheidsinstelling wordt geweigerd op grond dat de verzoekster in het buitenland woont.
G – Het bestaan van een door het Verdrag verboden discriminatie
1. Inleidende opmerkingen
122. Met de tweede vraag in zaak C‑502/01 en de derde vraag in zaak C‑31/02 willen de verwijzende rechters in wezen van het Hof vernemen of artikel 39 EG of andere bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer van personen en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zich verzetten tegen de toepassing van een bepaling als § 3 SGB IV, die de betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen afhankelijk stelt van een woonplaatsvereiste.
123. In het licht van de antwoorden die ik op de voorgaande vragen heb gegeven, ligt het voor de hand deze vraag uitsluitend voor zaak C‑31/02 (Barth) te onderzoeken.
2. Argumenten van partijen
124. Volgens de Griekse regering zou de toepassing van het woonplaatsvereiste in casu strijdig zijn met artikel 39 EG. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is iemand die gedurende een beperkt aantal uren per week tegen een beperkte vergoeding werkzaamheden verricht, niettemin een „werknemer of zelfstandige” in de zin van artikel 39 EG, mits zijn werkzaamheden van „reële en daadwerkelijke” aard zijn.(24)
125. De Commissie van haar kant merkt op, dat de toepassing van § 3 SGB IV meebrengt dat verzoekster in het hoofdgeding het recht op storting van de pensioenverzekeringsbijdragen ontzegd wordt. Dit nadeel zou uitsluitend te wijten zijn aan het feit dat verzoekster, die oorspronkelijk in Duitsland woonde, vervolgens naar een andere lidstaat is verhuisd, terwijl iemand die zijn woonplaats in Duitsland zou hebben aangehouden, wel recht op deze bijdragen zou hebben.
126. Ook naar het oordeel van de Commissie zou de toepassing van een dergelijke bepaling er dus toe leiden dat personen die gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer worden gediscrimineerd, hetgeen onverenigbaar is met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG.
3. Beoordeling
127. Omwille van de duidelijkheid zal ik het antwoord op deze vraag in twee punten onderverdelen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of een persoon die zich in de situatie van verzoekster in zaak C‑31/02 bevindt, een „werknemer” in de zin van artikel 39 EG is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet vervolgens worden onderzocht of de toepassing van het woonplaatsvereiste in de omstandigheden van de zaak een door artikel 39, lid 2, EG verboden geval van discriminatie vormt.
a) Het begrip werknemer in de zin van artikel 39 EG
128. Daar „het vrije verkeer van werknemers een van de grondbeginselen van de Gemeenschap is, heeft het begrip werknemer in de zin van artikel 48 [thans, na wijziging, artikel 39 EG] [volgens vaste rechtspraak van het Hof] een communautaire inhoud”(25) en moet het ruim worden uitgelegd.(26) Het begrip omvat dus ieder die „gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt”.(27)
129. Met name heeft het Hof verduidelijkt dat ook wie niet voltijds werkzaam is en geen vergoeding ontvangt die op zich voldoende is om een bestaansminimum te garanderen, onder het begrip werknemer valt(28), mits hij „reële en daadwerkelijke” arbeid verricht; uitgesloten zijn slechts „werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken”.(29)
130. Arbeid in de zorg, zoals die in het onderhavige geval, gedurende 18 uur per week tegen een maandelijkse vergoeding van 400 euro, is zonder twijfel „reële en daadwerkelijke” arbeid in de zin van de hier aangehaalde rechtspraak.
131. We kunnen dus stellen dat een persoon die voor een ander en onder diens gezag reële en daadwerkelijke zorg verstrekt, zoals verzoekster in zaak C‑31/02, een werknemer in de zin van artikel 39 EG is.
4. Het bestaan van een verboden discriminatie in de zin van artikel 39, lid 2, EG
132. Voorts moet ik opmerken dat de toepassing van een bepaling als § 3 SGB IV in de omstandigheden van dit geval in potentie het vrije verkeer van werknemers kan belemmeren en minder „aantrekkelijk” maken uit economisch oogpunt, omdat zij grensarbeiders een voordeel ontzegt dat in het algemeen aan nationale werknemers wel wordt toegekend.
133. Het is daarom nuttig te onderzoeken of een dergelijk voordeel valt onder de categorie „sociale voordelen” die door artikel 7 van verordening nr. 1612/68, ter uitvoering van het in artikel 39 EG afgekondigde vrije verkeer, worden gegarandeerd. Artikel 7, lid 1, sluit immers uit dat „[e]en werknemer die onderdaan is van een lidstaat […] op het grondgebied van andere lidstaten […] op grond van zijn nationaliteit anders [wordt] behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid”. Lid 2 bepaalt vervolgens dat deze werknemer dezelfde sociale voordelen geniet als de nationale werknemers.
134. Volgens vaste rechtspraak omvat „[h]et begrip sociaal voordeel van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 […] alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”.(30)
135. De betaling van pensioenverzekeringsbijdragen door de Pflegeversicherung is inderdaad een recht dat in het algemeen aan nationale werknemers wordt toegekend „op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer”, in casu op grond van de objectieve hoedanigheid van personen die ten minste 14 uur per week zorg verstrekken aan een hulpbehoevende. Het lijdt overigens geen twijfel dat de uitbreiding van een dergelijk recht tot de onderdanen van andere lidstaten „geschikt [is] om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”.
136. We kunnen daarom stellen dat hier sprake is van een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, waarvoor dus het verbod van discriminatie ex artikel 7, lid 1, van deze verordening geldt, ter uitvoering van artikel 39, lid 2, EG.
137. In dat geval geldt het vaste beginsel, dat „de regels inzake gelijke behandeling niet alleen zichtbare discriminaties op grond van nationaliteit [verbieden], maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die, door toepassing van andere onderscheidingscriteria, in feite tot hetzelfde resultaat leiden”.(31) Dat is het geval met „de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk of in de meeste gevallen migrerende werknemers treffen, alsook de zonder onderscheid van toepassing zijnde voorwaarden waaraan nationale werknemers gemakkelijker kunnen voldoen dan migrerende werknemers, of die in het bijzonder voor migrerende werknemers nadelig kunnen uitvallen”(32), zonder dat voor een dergelijke ongelijke behandeling een objectieve rechtvaardiging bestaat.(33)
138. Het is evident dat het woonplaatsvereiste voor de verwerving van het recht op betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen, hoewel het zonder onderscheid van toepassing is, in het bijzonder voor een bepaalde categorie migrerende werknemers, namelijk grensarbeiders, nadelig uitvalt.
139. Daarnaast is uit het dossier van geen enkel objectief element gebleken dat de ongelijke behandeling van inwoners en niet-inwoners bij het recht op betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen kan rechtvaardigen.
140. Een dergelijke maatregel is dus indirect discriminerend en als zodanig strijdig met artikel 39, lid 2, EG en artikel 7 van verordening nr. 1612/68.
141. Ik concludeer daaruit, dat artikel 39, lid 2, EG en artikel 7 van verordening nr. 1612/68 zich in de omstandigheden van zaak C‑31/02 verzetten tegen de toepassing van een bepaling als § 3 SGB IV, die de betaling van de in § 44 SGB XI bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de begunstigde op Duits grondgebied woont.
V – Conclusie
142. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Sozialgericht Hannover in zaak C‑502/01 en van het Sozialgericht Aachen in zaak C‑31/02 aldus te beantwoorden:
„1) Een persoon die is aangesloten bij de in boek XI van het Sozialgesetzbuch bedoelde Pflegeversicherung, valt onder het begrip „werknemer of zelfstandige” in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996; iemand die zorg verstrekt in de zin van § 19 van boek XI van het Sozialgesetzbuch en om die reden verzekerd is in het kader van een van de in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 genoemde stelsels van sociale zekerheid, valt eveneens onder dat begrip.
2) De betaling van de pensioenverzekeringsbijdragen voor de zorgverstrekker door de Pflegeversicherung krachtens § 44 van boek XI van het Sozialgesetzbuch, vormt voor degene die bij de Pflegeversicherung is aangesloten, een uitkering bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
3) In de omstandigheden van zaak C‑502/01 verzet artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich ertegen, dat een prestatie als bedoeld in § 44 van boek XI van het Sozialgesetzbuch door de bevoegde socialezekerheidsinstelling wordt geweigerd op grond dat de verzoekster in het buitenland woont.
4) In de omstandigheden van zaak C‑31/02 verzet noch artikel 3, noch artikel 19 van verordening nr. 1408/71 zich ertegen, dat een prestatie als bedoeld in § 44 van boek XI van het Sozialgesetzbuch door de bevoegde socialezekerheidsinstelling wordt geweigerd op grond dat de verzoekster in het buitenland woont.
5) Een persoon die voor een ander en onder diens gezag reële en daadwerkelijke zorg verstrekt, zoals verzoekster in zaak C‑31/02, is een werknemer in de zin van artikel 39 EG.
6) In de omstandigheden van zaak C‑31/02 verzetten artikel 39, lid 2, EG en artikel 7 van verordening nr. 1612/68 zich tegen de toepassing van een bepaling als § 3 van boek IV van het Sozialgesetzbuch, die de betaling van de in § 44 van boek XI van het Sozialgesetzbuch bedoelde pensioenverzekeringsbijdragen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de begunstigde op Duits grondgebied woont.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 257, blz. 2.
3 – PB L 149, blz. 2; de meest recente geconsolideerde versie is gepubliceerd in PB 1997, L 28, blz. 1.
4 – Als gedefinieerd in § 14 SGB XI.
5 – Wettelijke pensioenverzekering.
6 – Gemeenschappelijke bepalingen voor de sociale verzekering.
7 – Zie supra, punt 15.
8 – Zie onder meer arrest van 25 oktober 2001, Ambulanz Glöckner (C‑475/99, Jurispr. blz. I‑8089, punt 10) en laatstelijk arrest van 23 mei 2003, Connect Austria (C‑462/99, Jurispr. blz. I‑5197, punt 71). Cursivering van mij.
9 – Zie arresten van 3 mei 1990, Kits van Heijningen (C‑2/89, Jurispr. blz. I‑1755, punten 8‑10), en 12 juni 1997, Merino Garcia (C‑266/95, Jurispr. blz. I‑3279, punt 22); zie, in dezelfde zin, onder de vigeur van verordening nr. 3/64/EEG van de Raad inzake de sociale zekerheid van grensarbeiders, arrest van 21 maart 1964, Unger (75/63, Jurispr. blz. 351, punt 1).
10 – Arrest Kits van Heijningen, aangehaald in voetnoot 9, punt 9. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in dezelfde zaak, punten 15 en 16.
11 – Arrest van 5 maart 1998, Molenaar (C‑160/96, Jurispr. 1998 blz. I‑843, punten 20‑25).
12 – Arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, punt 24.
13 – Arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, punten 20‑25.
14 – Arresten van 16 juli 1992, Hughes (C‑78/91, Jurispr. blz. I‑4839, punt 15), en arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, punt 20. Zie ook eerder, in soortgelijke bewoordingen, de arresten van 27 maart 1985, Hoeckx (249/83, Jurispr. blz. 973, punten 12‑14), en 27 maart 1985, Scrivner (122/84, Jurispr. blz. 1027, punten 19‑21).
15 – Arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, punt 35.
16 – Arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, ibidem.
17 – Arrest van 6 juli 2000, Movrin (C‑73/99, Jurispr. blz. I‑5625).
18 – Arrest Molenaar, aangehaald in voetnoot 11, punt 39.
19 – Arrest van 5 februari 2002, Humer (C‑255/99, Jurispr. blz. I‑1205).
20 – Arresten van 12 juli 1979, Toia (237/78, Jurispr. blz. 2645, punt 12), en 25 juni 1997, Mora Romero (C‑131/96, Jurispr. blz. I‑3659, punt 32).
21 – Arrest van 26 mei 1976, Aulich (103/75, Jurispr. blz. 697, punt 7); zie in dezelfde zin arrest van 6 juli 2000, Movrin (C‑73/99, Jurispr. blz. I‑5625, punt 41).
22 – Cursivering van mij.
23 – Artikel 1, sub j, van de verordening.
24 – Arrest van 23 maart 1982, Levin (53/81, Jurispr. blz. 1035, punt 17).
25 – Zie onder meer het arrest van 3 juli 1986, Lawrie‑Blum (66/85, Jurispr. blz. 2121, punt 16).
26 – Ibidem. Zie ook het arrest van 3 juni 1986, Kempf (139/85, Jurispr. blz. 1741, punt 13).
27 – Arrest Lawrie‑Blum, aangehaald in voetnoot 25, punt 17.
28 – Arrest Kempf, aangehaald in voetnoot 26, punt 14.
29 – Arrest Levin, aangehaald in voetnoot 24, punt 17; zie in dezelfde zin arrest Kempf, aangehaald in voetnoot 26, punten 13‑16.
30 – Arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C‑85/96, Jurispr. blz. I‑2691, punt 25); zie in dezelfde zin arrest van 27 maart 1985, Hoeckx (249/83, Jurispr. blz. 973, punt 20).
31 – Zie onder meer arresten van 12 februari 1974, Sotgiu (152/73, Jurispr. blz. 153, punt 11); 15 januari 1986, Pinna (41/84, Jurispr. blz. 1, punt 23); 21 november 1991, Le Manoir (C‑27/91, Jurispr. blz. I‑5531, punt 10); 23 februari 1994, Scholz (C‑419/92, Jurispr. blz. I‑505, punt 7); 26 oktober 1995, Commissie/Luxemburg (C‑151/94, Jurispr. blz. I‑3685, punt 14); 23 mei 1996, O' Flynn (C‑237/94, Jurispr. blz. I‑2617, punt 17); 12 september 1996, Commissie/België (C‑278/94, Jurispr. blz. I‑4307, punt 27); 12 juni 1997, Merino García (C‑266/95, Jurispr. blz. I‑3279, punt 33), en 3 oktober 2000, Ferlini (C‑411/98, Jurispr. blz. I‑8081, punt 57).
32 – Arrest O’Flynn, aangehaald in voetnoot 31, punt 18. Zie in dezelfde zin arresten van 15 januari 1986, Pinna (41/84, Jurispr. blz. 1, punt 23), en 12 juni 1997, Merino García (C‑266/95, Jurispr. blz. I‑3279, punt 33).
33 – Arrest Ferlini, aangehaald in voetnoot 31, punt 59.
Full & Egal Universal Law Academy