Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door lidstaten - Ontoereikendheid van eenvoudige administratieve praktijken
(Art. 249, derde alinea, EG)
Partijen
In zaak C-75/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en J. Adda als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door J. Faltz als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor een volledige en juiste uitvoering van de artikelen 1, 4, lid 5, 5, lid 4, 6, 7, 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, 13, leden 1, sub b, en 2, 14, 15, 16, lid 1, 22, sub b en c, en 23, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7), juncto de bijlagen I, II, IV, V en VI hierbij, de krachtens deze richtlijn alsmede krachtens artikel 249, derde alinea, EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur), V. Skouris, F. Macken en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 januari 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 14 februari 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor een volledige en juiste uitvoering van de artikelen 1, 4, lid 5, 5, lid 4, 6, 7, 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, 13, leden 1, sub b, en 2, 14, 15, 16, lid 1, 22, sub b en c, en 23, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: richtlijn"), juncto de bijlagen I, II, IV, V en VI hierbij, de krachtens deze richtlijn alsmede krachtens artikel 249, derde alinea, EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Richtlijn
2 Artikel 1 van de richtlijn omschrijft de voornaamste begrippen die hierin worden gebruikt. In het bijzonder wordt volgens artikel 1, sub m, van de richtlijn onder specimen verstaan elk dier of elke plant, levend of dood, van de in de bijlagen IV en V genoemde soorten, elk deel van een dier of plant van deze soorten of elk daaruit verkregen product, alsmede alle andere goederen, voorzover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of planten van deze soorten of daaruit verkregen producten".
3 Artikel 4 van de richtlijn voorziet in een procedure in meerdere fasen om de gebieden waarin de bij de richtlijn beschermde soorten en habitats voorkomen, aan te wijzen als speciale beschermingszones (hierna: SBZ"). Krachtens lid 1 van deze bepaling stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor met vermelding van de typen van natuurlijke habitats van bijlage I bij de richtlijn en de inheemse soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. Binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn wordt deze lijst aan de Commissie gezonden met informatie over elk gebied.
4 Krachtens artikel 4, lid 5, van de richtlijn gelden voor een gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4, zodra het op de door de Commissie vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst.
5 Artikel 5, leden 1 en 4, van de richtlijn bepaalt:
1. In uitzonderlijke gevallen, wanneer de Commissie constateert dat een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort die haar op grond van relevante en betrouwbare wetenschappelijke informatie onontbeerlijk lijkt voor het behoud van dat prioritaire type natuurlijke habitat of het voortbestaan van die prioritaire soort, ontbreekt op een nationale lijst als bedoeld in artikel 4, lid 1, wordt een procedure voor bilateraal overleg tussen deze lidstaat en de Commissie geopend om de door beide partijen gebruikte wetenschappelijke gegevens te vergelijken.
[...]
4. Gedurende de overlegperiode en in afwachting van een besluit van de Raad is het betrokken gebied onderworpen aan de bepalingen van artikel 6, lid 2."
6 Artikel 6 van de richtlijn bepaalt:
1. De lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.
2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd."
7 Krachtens artikel 7 van de richtlijn [komen] [d]e uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen [...] in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van richtlijn 79/409/EEG, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een lidstaat overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG, indien deze datum later valt".
8 Artikel 11 van de richtlijn bepaalt dat [d]e lidstaten [toe]zien [...] op de staat van instandhouding van de in artikel 2 bedoelde soorten en natuurlijke habitats, waarbij zij bijzondere aandacht schenken aan de prioritaire typen natuurlijke habitats en de prioritaire soorten".
9 Artikel 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, van de richtlijn luidt als volgt:
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a, vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
[...]
b) het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
c) het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;
[...]
2. Met betrekking tot deze soorten verbieden de lidstaten het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
[...]
4. De lidstaten stellen een systeem in van toezicht op het bij toeval vangen en doden van de diersoorten, genoemd in bijlage IV, letter a. In het licht van de verkregen gegevens verrichten de lidstaten de verdere onderzoekwerkzaamheden of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen en doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten."
10 Artikel 13, leden 1, sub b, en 2, van de richtlijn bepaalt:
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter b, vermelde plantensoorten, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
[...]
b) het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens van de genoemde soorten, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
2. De in lid 1, sub a en b, opgenomen verbodsbepalingen gelden ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin de in dit artikel bedoelde planten zich bevinden."
11 Artikel 14 van de richtlijn bepaalt:
1. Indien de lidstaten zulks op grond van het in artikel 11 genoemde toezicht nodig achten, treffen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aan de natuur onttrekken en de exploitatie van specimens van de in bijlage V genoemde wilde dier- en plantensoorten verenigbaar zijn met het behoud van die soorten in een gunstige staat van instandhouding.
2. Indien dergelijke maatregelen nodig worden geacht, moeten zij de voortzetting van het in artikel 11 genoemde toezicht omvatten. Voorts kunnen zij met name behelzen:
- voorschriften betreffende de toegang tot bepaalde terreinen;
- een tijdelijk of plaatselijk verbod op het onttrekken van specimens aan de natuur en het exploiteren van bepaalde populaties;
- voorschriften omtrent de onttrekkingsperioden en/of -wijzen;
- het bij de onttrekking toepassen van jacht- en visserijregels die beantwoorden aan de eisen van instandhouding;
- instelling van een stelsel van onttrekkingsvergunningen of quota;
- voorschriften betreffende het kopen, het verkopen, het te koop aanbieden, het in bezit hebben en het vervoeren voor verkoop van specimens;
- het in gevangenschap fokken van diersoorten alsmede de kunstmatige vermeerdering van plantensoorten onder strikt gecontroleerde omstandigheden om de onttrekking van die soorten aan de natuur te verminderen;
- de beoordeling van het effect van de getroffen maatregelen."
12 Artikel 15 van de richtlijn bepaalt:
Wat betreft het vangen of doden van in bijlage V, letter a, genoemde wilde diersoorten verbieden de lidstaten, in gevallen waarin overeenkomstig artikel 16 afwijkingen worden toegepast voor het aan de natuur onttrekken, het vangen of het doden van de in bijlage IV, letter a, genoemde soorten, alle niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van deze soorten tot gevolg kunnen hebben, en in het bijzonder:
a) het gebruik van de middelen voor het vangen en het doden die worden genoemd in bijlage VI, letter a;
b) elke vorm van vangen en doden vanuit de in bijlage VI, letter b, genoemde vervoermiddelen."
13 Artikel 16, lid 1, van de richtlijn luidt als volgt:
1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a en b:
a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
b) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
d) ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
e) teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben."
14 Artikel 22, sub b en c, van de richtlijn bepaalt:
Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten:
[...]
b) erop toe te zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een soort die op hun grondgebied niet inheems is, zodanig aan voorschriften wordt gebonden dat daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de inheemse wilde flora en fauna, en een dergelijke introductie te verbieden indien zij zulks nodig achten. De resultaten van de verrichte evaluaties worden ter informatie aan het comité gezonden;
c) zich in te zetten voor bevolkingseducatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak wilde dier- en plantensoorten te beschermen en hun habitats alsmede de natuurlijke habitats in stand te houden."
15 Artikel 23, lid 2, van de richtlijn schrijft voor dat, wanneer de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, in die bepalingen of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn wordt verwezen.
Precontentieuze procedure
16 Van mening dat de diverse maatregelen ter omzetting van de richtlijn in Luxemburgs recht die haar waren meegedeeld, ontoereikend waren om te voldoen aan de artikelen 1, 4, 5, 6, 7, 8, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 22 en 23 van de richtlijn, heeft de Commissie op 29 april 1999 het Groothertogdom Luxemburg aangemaand zijn opmerkingen dienaangaande in te dienen.
17 In de antwoordbrief van 13 juli 1999 (hierna: antwoordbrief") heeft de minister van Milieubeheer van het Groothertogdom Luxemburg de Commissie meegedeeld dat diverse nationale wettelijke en verordenende regelingen konden bijdragen tot de verwezenlijking van een aantal doelstellingen van de richtlijn en dat de loi concernant l'aménagement du territoire (wet op de ruimtelijke ordening) van 21 mei 1999 (Mémorial A 1999, blz. 1402; hierna: wet van 21 mei 1999"), het projet de règlement grand-ducal «biodiversité» (ontwerp van groothertogelijk reglement biodiversiteit") en de loi concernant la protection de la nature et des ressources naturelles (wet op de bescherming van de natuur en de natuurlijke rijkdommen) van 11 augustus 1982 (Mémorial A 1999, blz. 1486; hierna: wet van 11 augustus 1982") weldra ervoor zouden zorgen dat volledig aan de doelstellingen van deze richtlijn werd voldaan. Voorts werd de gegrondheid van bepaalde grieven van de Commissie uitdrukkelijk betwist.
18 Van oordeel dat de opmerkingen die het Groothertogdom Luxemburg in antwoord op de aanmaningsbrief had gemaakt, geen bevrediging schonken, heeft de Commissie op 21 januari 2000 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij vaststelde dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle maatregelen te treffen die nodig waren voor een volledige en juiste uitvoering van de artikelen 1, 4, lid 5, 5, lid 4, 6, 7, 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, 13, leden 1, sub b, en 2, 14, 15, 16, lid 1, 22, sub b en c, en 23, lid 2, van de richtlijn, juncto de bijlagen I, II, IV, V en VI hierbij, de krachtens deze richtlijn alsmede krachtens artikel 249, derde alinea, EG op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. In deze omstandigheden verzocht de Commissie deze lidstaat de maatregelen te treffen die vereist waren om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van het met redenen omkleed advies hieraan te voldoen.
19 Bij brief van 6 april 2000 hebben de Luxemburgse autoriteiten toegegeven dat het ter omzetting van de richtlijn in nationaal recht noodzakelijk was de bestaande wettelijke regeling aan te vullen of te verbeteren.
20 Van oordeel dat het Groothertogdom Luxemburg had verzuimd, binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de maatregelen te treffen die vereist waren om daaraan te voldoen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
21 In haar verweerschrift merkt de Luxemburgse regering enkel op dat de Conseil du gouvernement op 23 februari 2001 een wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn heeft vastgesteld en zij verzoekt het Hof dan ook het beroep af te wijzen.
De grief inzake onvolledige omzetting van artikel 1 van de richtlijn
22 De Commissie voert aan dat zij in haar aanmaningsbrief heeft vastgesteld dat het Luxemburgse recht geen bepaling bevatte die tot doel of ten gevolge had, dat de in artikel 1 van de richtlijn neergelegde omschrijvingen duidelijk, juist en volledig werden omgezet, en dat de Luxemburgse autoriteiten in hun antwoord deze grief niet hebben betwist.
23 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de omschrijvingen van artikel 1 van de richtlijn volgens de antwoordbrief zouden worden opgenomen in een sectorplan waarin de wet van 21 mei 1999 voorziet.
24 Evenwel blijkt niet dat deze maatregel is vastgesteld binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
25 Derhalve moet de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 1 van de richtlijn gegrond worden verklaard.
De grief inzake niet-omzetting van artikel 4, lid 5, van de richtlijn
26 Volgens de Commissie hebben de door de Luxemburgse regering meegedeelde omzettingsbepalingen niet tot doel of ten gevolge dat artikel 4, lid 5, van de richtlijn wordt omgezet, zodat de gebieden van communautair belang niet automatisch onder de in artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de richtlijn neergelegde beschermingsregeling worden geplaatst. In de antwoordbrief wordt deze grief enkel betwist voorzover het Groothertogdom Luxemburg wordt verweten geen stelsel te hebben ingevoerd waarin de in artikel 6, lid 2, van de richtlijn bedoelde beschermingsregeling wordt toegepast op de gebieden van communautair belang.
27 Opgemerkt zij dat de Luxemburgse administratieve praktijk die erin bestaat de vergunning te weigeren die vereist is voor bepaalde projecten die onder de wet van 11 augustus 1982 vallen, in de antwoordbrief wordt aangemerkt als een passende maatregel om in de in artikel 4, lid 5, van de richtlijn bedoelde gebieden de in artikel 6, lid 2, van de richtlijn genoemde milieuhinder te voorkomen. De Luxemburgse regering heeft de niet-nakoming evenwel toegegeven voor wat betreft de toepassing van artikel 6, leden 3 en 4, van de richtlijn op de gebieden van communautair belang.
28 Volgens de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot de bij omzetting van gemeenschapsrichtlijnen op de lidstaten rustende verplichtingen kunnen evenwel eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet worden beschouwd als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het EG-Verdrag oplegt (zie met name arresten van 17 mei 2001, Commissie/Italië, C-159/99, Jurispr. blz. I-4007, punt 32, en 17 januari 2002, Commissie/Ierland, C-394/00, Jurispr. blz. I-581, punt 11).
29 Gelet op het voorgaande moet de grief inzake niet-omzetting van artikel 4, lid 5, van de richtlijn gegrond worden verklaard.
De grief inzake niet-omzetting van artikel 5, lid 4, van de richtlijn
30 De Commissie stelt dat geen enkele bepaling van Luxemburgs recht de in artikel 5, lid 4, van de richtlijn bedoelde gebieden onder de in artikel 6, lid 2, van deze richtlijn omschreven beschermingsregeling plaatst. In de antwoordbrief wordt deze grief door de Luxemburgse autoriteiten betwist.
31 Blijkens de antwoordbrief heeft de Luxemburgse regering in wezen betoogd dat de administratieve praktijk die erin bestaat de vergunning die vereist is voor een aantal projecten die onder de wet van 11 augustus 1982 vallen, te weigeren, een passende maatregel vormt om in de in artikel 5, lid 4, van de richtlijn bedoelde gebieden de in artikel 6, lid 2, van deze richtlijn genoemde milieuhinder te voorkomen.
32 Gelet op de vaste rechtspraak van het Hof, zoals aangehaald in punt 28 van het onderhavige arrest, moet dit betoog worden afgewezen.
33 In die antwoordbrief betoogt de Luxemburgse regering eveneens dat het Groothertogdom Luxemburg hoe dan ook in de lijst die krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn aan de Commissie is gezonden, waarschijnlijk reeds alle gebieden had opgenomen die onontbeerlijk zijn voor het behoud van bepaalde habitats die op zijn grondgebied voorkomen, en dat het bijgevolg niet noodzakelijk is gebruik te maken van de procedure van artikel 5, lid 4, van de richtlijn.
34 Deze stelling kan evenmin worden aanvaard. Hoe dan ook kan niet worden uitgesloten dat de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de richtlijn vaststelt dat een gebied dat zij onontbeerlijk acht voor het behoud van een bepaald prioritair type van natuurlijk habitat of voor het voortbestaan van een bepaalde prioritaire soort, niet voorkomt op de door het Groothertogdom Luxemburg overgelegde lijst en dat bijgevolg een bilaterale overlegprocedure moet worden ingeleid waarin het betrokken gebied krachtens artikel 5, lid 4, aan de beschermingsregeling van artikel 6, lid 2, van de richtlijn moet worden onderworpen.
35 Bijgevolg moet de grief inzake niet-omzetting van artikel 5, lid 4, van de richtlijn gegrond worden verklaard.
De grief inzake onvolledige omzetting van artikel 6 van de richtlijn
Artikel 6, lid 1, van de richtlijn
36 De Commissie verwijt het Groothertogdom Luxemburg deze bepaling niet te hebben omgezet.
37 In haar antwoordbrief heeft de Luxemburgse regering de haar verweten niet-nakoming erkend.
38 Derhalve moet de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 6, lid 1, van de richtlijn worden aanvaard.
Artikel 6, lid 2, van de richtlijn
39 De Commissie stelt vast dat artikel 14 van de wet van 11 augustus 1982, behoudens uitzonderlijke ministeriële afwijkingen om redenen van algemeen belang, een verbod instelt op het beperken, vernielen of veranderen van bepaalde typen van biotopen. Een dergelijke bepaling lijkt evenwel niet te garanderen dat alle in de SBZ's voorkomende habitats de hierin omschreven bescherming genieten. De Commissie merkt eveneens op dat de bepalingen van de wet van 11 augustus 1982 slechts een aantal types van storende factoren beogen. In het bijzonder kan artikel 12 van deze wet slechts bepaalde verstoringen in het woud voorkomen. Bijgevolg ontbreekt een aan derden tegenwerpbare algemene maatregel waarmee kan worden voorkomen dat voor de soorten in de SBZ's storende factoren optreden die, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect op deze soorten kunnen hebben. Voorts wordt in de antwoordbrief uitdrukkelijk betwist dat de richtlijn op dit punt zou zijn geschonden.
40 In de antwoordbrief betoogt de Luxemburgse regering dat artikel 14 van de wet van 11 augustus 1982 alle biotopen beschermt, ook die welke deel uitmaken van de SBZ's. Voorts is het niet juist dat deze wet enkel een aantal types van storende factoren beoogt. Artikel 23 van de genoemde wet, die een algemene strekking heeft, verbiedt het verstoren van de fauna en de artikelen 21 en 22 van dezelfde wet verbieden elke niet-gerechtvaardigde exploitatie, gebruik, verminking of vernieling van wilde planten en dieren die niet door een strengere nationale regeling worden beschermd. Bovendien is met betrekking tot de wet van 11 augustus 1982 een ministeriële instructie gegeven die juist strekte tot omzetting van de richtlijn en volgens welke elke aantasting van de habitats en elke verstoring van de beschermde soorten dient te worden vermeden door een strenge toepassing van deze wet.
41 Vermeld zij dat artikel 14 van de wet van 11 augustus 1982, behoudens uitzonderlijke ministeriële afwijkingen om redenen van algemeen belang, een verbod instelt op het beperken, vernielen of veranderen van bepaalde typen van biotopen zoals vijvers, venen, moerassen, vegetaties bestaande uit riet of biezen, heggen, kreupelhout of bosjes.
42 Voorzover deze bepaling uitdrukkelijk slechts betrekking heeft op een aantal types van biotopen, kan zij niet garanderen, zoals artikel 6, lid 2, van de richtlijn vereist, dat alle natuurlijke habitats en alle habitats van soorten die deel uitmaken van een SBZ, worden beschermd tegen handelingen die deze habitats kunnen beschadigen.
43 Aangaande de bescherming tegen storende factoren, zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, van de richtlijn, moet worden vastgesteld dat een aantal in casu aangevoerde bepalingen van de wet van 11 augustus 1982, met name de artikelen 12 en 23 daarvan, weliswaar deze storende factoren mede kunnen voorkomen, maar niettemin genoemde bepaling van de richtlijn niet volledig omzetten, aangezien hieronder niet alle storende factoren vallen die, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, significant zijn voor de soorten waarvoor de SBZ's zijn aangewezen.
44 Wat de door de Luxemburgse regering aangehaalde ministeriële instructie betreft moet worden vastgesteld dat deze, gelet op de in punt 28 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, geen correcte omzetting van de betrokken bepaling garandeert.
45 Hieruit volgt dat de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 6, lid 2, van de richtlijn gegrond moet worden verklaard.
Artikel 6, leden 3 en 4, van de richtlijn
46 De Commissie stelt dat de haar meegedeelde bepalingen van Luxemburgs recht niet voorschrijven dat in alle in artikel 6, lid 3, van de richtlijn bedoelde gevallen een beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor de beschermde gebieden. Bovendien garandeert het Luxemburgse recht niet dat een plan of een project door de bevoegde autoriteit eerst zal worden goedgekeurd nadat deze de zekerheid heeft verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten. Aangaande artikel 6, lid 4, van de richtlijn is er volgens de Commissie geen nationale bepaling die ertoe verplicht alternatieve oplossingen te zoeken voordat projecten worden toegestaan waarvan de gevolgen voor de beschermde gebieden negatief zijn beoordeeld. Het Luxemburgse recht voorziet evenmin in de vaststelling van compenserende maatregelen ingeval dergelijke projecten worden toegestaan.
47 Vastgesteld zij dat deze grieven in de aanmaningsbrief reeds in dezelfde bewoordingen waren geformuleerd en dat de Luxemburgse regering in de antwoordbrief heeft erkend dat de bestaande nationale bepalingen ontoereikend waren ter uitvoering van artikel 6, leden 3 en 4, van de richtlijn.
48 In deze omstandigheden dient het beroep van de Commissie op dit punt eveneens te worden toegewezen.
De grief inzake niet-omzetting van artikel 7 van de richtlijn
49 De Commissie voert aan dat er in strijd met het vereiste van artikel 7 van de richtlijn in Luxemburgs recht geen bepaling is die de toepassing van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de richtlijn garandeert op de krachtens richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1) aangewezen speciale beschermingszones. Overigens kan uit het betoog in de antwoordbrief niet worden afgeleid dat artikel 7 van de richtlijn het voorwerp van een omzetting is geweest.
50 Opgemerkt zij dat volgens de antwoordbrief het op te stellen sectorplan een duidelijk rechtskader zou bieden, met name wat de krachtens richtlijn 79/409 ingestelde speciale beschermingszones betreft.
51 In deze omstandigheden moet, rekening houdend in het bijzonder met hetgeen in punt 24 van het onderhavige arrest is opgemerkt, worden vastgesteld dat de grief inzake niet-omzetting van artikel 7 van de richtlijn gegrond is.
De grief inzake ontoereikende omzetting van artikel 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, van de richtlijn
52 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat artikel 12, lid 1, sub b, van de richtlijn onvolledig in Luxemburgs recht is omgezet, aangezien geen van de haar meegedeelde nationale omzettingsmaatregelen het opzettelijk verstoren van de betrokken soorten tijdens de periode van trek verbiedt. In de tweede plaats heeft geen van deze bepalingen de volledige omzetting van artikel 12, lid 1, sub c, tot doel of ten gevolge. In de derde plaats verbieden deze bepalingen in strijd met het vereiste van artikel 12, lid 2, van de richtlijn niet het ruilen of in ruil aanbieden van specimens van de betrokken soorten. In de vierde plaats is er in het Luxemburgse recht geen bepaling die waarborgt dat het begrip dier in nationaal recht een even ruime betekenis krijgt als dat van specimen in de zin van de richtlijn. In de laatste plaats heeft geen van bovengenoemde bepalingen de omzetting van artikel 12, lid 4, van de richtlijn tot doel of ten gevolge. Volgens de Commissie kunnen de tegenargumenten in de antwoordbrief niet worden aanvaard.
Artikel 12, lid 1, sub b, van de richtlijn
53 Zoals de Commissie terecht heeft vastgesteld, geeft artikel 23 van de wet van 11 augustus 1982, dat volgens de Luxemburgse regering conform is met artikel 12, lid 1, sub b, van de richtlijn, geen volledige uitvoering aan genoemd artikel, aangezien de bepaling weliswaar het verstoren van de fauna verbiedt, met name tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen en overwintering, maar niet uitdrukkelijk de trekperiode beoogt.
54 Bijgevolg moet de grief inzake ontoereikende omzetting van artikel 12, lid 1, sub b, van de richtlijn gegrond worden verklaard.
Artikel 12, lid 1, sub c, van de richtlijn
55 In de antwoordbrief wordt betoogd dat artikel 12, lid 1, sub c, van de richtlijn in nationaal recht is omgezet bij artikel 17 van de wet van 11 augustus 1982 en artikel 6 van het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, ondertekend te Bern op 19 september 1979 en goedgekeurd bij wet van 26 november 1981 (Mémorial A 1981, blz. 2130), een verdrag dat namens de Gemeenschap is gesloten bij besluit 82/72/EEG van de Raad van 3 december 1981 (PB 1982, L 38, blz. 1; hierna: verdrag van Bern"). Eerstgenoemde bepaling schrijft voor dat volledig beschermde dieren niet mogen worden gestoord, gedood, bejaagd, gevangen, vastgehouden of genaturaliseerd en dit ongeacht het ontwikkelingsstadium waarin zij zich bevinden. Laatstgenoemde bepaling verbiedt het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur of het in bezit hebben daarvan, zelfs indien zij leeg zijn.
56 Dienaangaande zij vastgesteld dat artikel 17 van de wet van 11 augustus 1982 het rapen van eieren in de natuur niet uitdrukkelijk verbiedt. Wat het in deze bepaling neergelegde verbod op het in bezit hebben van volledig beschermde dieren betreft, ongeacht het ontwikkelingsstadium waarin zij zich bevinden, is het niet zeker dat dit het rapen van eieren in de natuur omvat, temeer omdat het overeenkomstig de artikelen 44 en volgende van deze wet gaat om een verbod waarvan overtreding strafbaar is.
57 Aangaande artikel 6, sub d, van het verdrag van Bern, dat het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur of het in bezit hebben daarvan verbiedt, zij opgemerkt dat het enkel van toepassing is op de in bijlage II bij dat verdrag opgesomde soorten. In deze bijlage ontbreken evenwel sommige van de soorten die bedoeld zijn in bijlage IV, sub a, bij de richtlijn, waarnaar artikel 12 van de richtlijn verwijst.
58 Hieruit volgt dat artikel 12, lid 1, sub c, van de richtlijn niet correct in Luxemburgs recht is omgezet.
Artikel 12, lid 2, van de richtlijn
59 In de antwoordbrief wordt vermeld dat artikel 17 van de wet van 11 augustus 1982, voorzover dit het bezit van integraal beschermde dieren verbiedt, zich ook tegen het ruilen van deze dieren verzet. Het is immers niet mogelijk iets te ruilen waarvan het bezit niet is toegestaan. Artikel 15 van deze wet, juncto het groothertogelijk reglement van 8 april 1986 betreffende de integrale en gedeeltelijke bescherming van bepaalde in het wild levende diersoorten (Mémorial A 1986, blz. 1174), voorziet overigens in de bescherming, met het oog op het behoud, van zeldzame wilde dieren, zonder dat deze beperkt blijft tot inheemse soorten. Bovendien verleent artikel 20 van genoemde wet het begrip dier een ruimere strekking dan die welke het in de nationale reglementering heeft.
60 De stelling van de Luxemburgse regering kan niet worden aanvaard.
61 Het in artikel 17 van de wet van 11 augustus 1982 neergelegde verbod op het in het bezit hebben van volledig beschermde dieren kan immers niet het ruilen of het in ruil aanbieden daarvan omvatten, aangezien het begrip in bezit hebben enerzijds en het begrip ruilen of in ruil aanbieden anderzijds los staan van elkaar, met name in het licht van een stelsel van strafbaarstelling als waarop in punt 56 van het onderhavige arrest is gewezen.
62 Wat de strekking van het begrip dier in nationaal recht betreft, moet worden vastgesteld dat hoe dan ook de door de Luxemburgse regering in de antwoordbrief aangehaalde reglementering niet tot dit begrip rekent elk [uit het dier] verkregen product, alsmede alle andere goederen, voorzover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om [...] [uit] dieren [...] van deze soorten [...] verkregen producten", zoals bedoeld in artikel 1, sub m, van de richtlijn, dat het begrip specimen omschrijft zoals dat in het bijzonder wordt gebruikt in artikel 12, lid 2, van de richtlijn.
63 Artikel 12, lid 2, van de richtlijn is dus niet correct omgezet in Luxemburgs recht.
Artikel 12, lid 4, van de richtlijn
64 Opgemerkt zij dat de Luxemburgse regering in de antwoordbrief heeft toegegeven dat een stelsel van toezicht zoals voorgeschreven in artikel 12, lid 4, van de richtlijn, in het Luxemburgse recht nog niet was ingevoerd.
65 Voorts is een dergelijk systeem van toezicht niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn ingevoerd.
66 Derhalve is artikel 12, lid 4, van de richtlijn niet in het nationale recht van verweerder omgezet.
67 Gelet op het voorgaande moet de grief inzake ontoereikende omzetting van artikel 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4 van de richtlijn gegrond worden geacht.
De grief inzake onvolledige omzetting van artikel 13, leden 1, sub b, en 2, van de richtlijn
Artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn
68 De Commissie stelt dat artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn in weerwil van het betoog van de Luxemburgse regering in de antwoordbrief niet volledig is omgezet in Luxemburgs recht. Dit stelt geen verbod op het in bezit hebben, het ruilen of het te koop of in ruil aanbieden van specimens van de krachtens dit communautair voorschrift beschermde plantensoorten en garandeert evenmin dat de hierin opgenomen verbodsbepalingen van toepassing zijn op de door dat voorschrift beschermde niet-inheemse soorten.
69 In de antwoordbrief wordt betoogd dat de verkoop van volledig beschermde planten verboden is ingevolge artikel 16 van de wet van 11 augustus 1982 en dat het in bezit hebben daarvan voorzover nodig verboden is ingevolge artikel 5 van het verdrag van Bern. Voorts wordt de bescherming van de niet-inheemse soort niet uitgesloten door artikel 15 van bovengenoemde wet. Het volstaat, de betrokken soorten op te nemen in het règlement grand-ducal concernant la protection intégrale et partielle de certaines espèces végétales de la flore sauvage (groothertogelijk reglement betreffende de volledige en gedeeltelijke bescherming van bepaalde in het wild levende plantensoorten) van 19 augustus 1989 (Mémorial A 1989, blz. 1102; hierna: reglement van 19 augustus 1989"). Bovendien verleent artikel 20 van bovengenoemde wet het begrip plant een ruimere strekking dan die welke het in de nationale reglementering heeft.
70 Vastgesteld zij dat artikel 16 van de wet van 11 augustus 1982 weliswaar de verkoop van volledig beschermde planten verbiedt, maar geen verbod stelt op het in het bezit hebben, het ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van deze planten. Artikel 5 van het verdrag van Bern bepaalt dat elke verdragsluitende partij voorzover nodig het bezit van de beschermde soorten verbiedt. Evenwel blijkt niet dat de Luxemburgse autoriteiten enige aanvullende maatregel hebben vastgesteld om de toepassing van het verdrag van Bern op dat punt te verduidelijken. In dat opzicht is artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn dus niet correct omgezet in Luxemburgs recht.
71 Aangaande de grief met betrekking tot de omstandigheid dat het Luxemburgse recht niet garandeert dat de verbodsbepalingen van artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn van toepassing zijn op de niet-inheemse plantensoorten die hierbij beschermd worden, zij eraan herinnerd dat de Luxemburgse regering zelf heeft erkend dat de onder deze bepaling vallende niet-inheemse soorten niet worden beschermd krachtens artikel 15 van de wet van 11 augustus 1982, gelezen in samenhang met het reglement van 19 augustus 1989. Voorts bepaalt artikel 20 van deze wet dat planten en dieren die door goedgekeurde en gepubliceerde internationale verdragen worden beschermd, slechts mogen worden gekocht, ingevoerd, te koop aangeboden, uitgevoerd of in bezit gehouden krachtens de in deze verdragen neergelegde bepalingen. Voormeld artikel 20 garandeert als zodanig hoe dan ook niet de bescherming van de niet-inheemse soorten zoals voorgeschreven in artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn. Bovendien heeft de Luxemburgse regering niet verduidelijkt, welke internationale verdragen ter zake relevant zijn.
72 Hieruit volgt dat artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn niet correct is omgezet in Luxemburgs recht.
Artikel 13, lid 2, van de richtlijn
73 Waar de Luxemburgse autoriteiten stellen dat artikel 13, lid 2, van de richtlijn is omgezet door artikel 16 van de wet van 11 augustus 1982, dat de in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen verruimt tot de delen van de betrokken planten, hebben zij volgens de Commissie niet bewezen dat het begrip plant" in het nationale recht een even ruime strekking heeft als het begrip specimen" in de zin van artikel 1, sub m, van de richtlijn, met name voorzover dit begrip mede omvat elk deel van een plant of elk daaruit verkregen product alsmede alle andere goederen, voorzover uit het begeleidend document, de verpakking of een etiket of uit enige andere omstandigheid blijkt dat het gaat om delen van planten van deze soorten of daaruit verkregen producten.
74 Opgemerkt zij dat de in artikel 13, lid 1, sub a en b, opgenomen verbodsbepalingen luidens lid 2 van dit artikel gelden ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin de betrokken planten zich bevinden.
75 Gesteld al dat het begrip plant in het nationale recht een minder ruime strekking heeft dan het in artikel 1, sub m, van de richtlijn gebruikte begrip specimen, de Commissie heeft niet aangetoond waarom deze omstandigheid strijdig zou zijn met artikel 13, lid 2, van de richtlijn, dat niet rechtstreeks verwijst naar het begrip specimen", en niet met artikel 13, lid 1, sub b, dat rechtstreeks doelt op dit begrip door verbodsbepalingen die juist van toepassing zijn op specimens van de beschermde soorten.
76 Bijgevolg moet de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 13, lid 2, van de richtlijn, zoals door de Commissie geformuleerd, worden afgewezen.
77 Gelet op het voorgaande moet de grief inzake onvolledige omzetting van artikel 13, lid 1, sub b, van de richtlijn worden aanvaard.
De grief inzake niet-omzetting van artikel 14 van de richtlijn
78 De Commissie betoogt dat artikel 14 van de richtlijn niet facultatief is, maar een onvoorwaardelijke verplichting tot toezicht op de in bijlage V bij de richtlijn genoemde soorten inhoudt, gekoppeld aan de verplichting om de maatregelen te treffen die nodig zijn teneinde de betrokken soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden ingeval de bevoegde autoriteiten dit noodzakelijk zouden achten, dat wil zeggen wanneer uit dit toezicht blijkt dat de staat van instandhouding van deze soorten zou worden bedreigd indien dergelijke maatregelen niet werden genomen.
79 In de antwoordbrief hebben de Luxemburgse autoriteiten erkend dat de verplichting tot toezicht op de volledig en gedeeltelijk beschermde soorten, gekoppeld aan de verplichting om passende maatregelen te treffen voor het behoud van deze soorten in een gunstige staat van instandhouding, inderdaad niet in de nationale regelgeving is opgenomen, en hebben zij erkend dat de regelgeving op dat punt moet worden aangepast.
80 Voor het aan de natuur onttrekken van specimens van de in bijlage V bij de richtlijn genoemde wilde dier- en plantensoorten alsmede de exploitatie daarvan, voorziet het Luxemburgse recht dus niet in de verplichting om, indien de instandhouding ervan dit rechtvaardigt, de passende maatregelen te treffen teneinde deze soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden.
81 Derhalve dient de grief inzake niet-omzetting van artikel 14 van de richtlijn gegrond te worden verklaard.
De grief inzake onjuiste omzetting van artikel 15 van de richtlijn
82 De Commissie stelt dat de haar door het Groothertogdom Luxemburg meegedeelde maatregelen niet zorgen voor een correcte omzetting van artikel 15 van de richtlijn, en zij weerlegt het betoog dat in de antwoordbrief voor het tegenovergestelde standpunt wordt aangevoerd.
83 Uit die brief blijkt dat het Groothertogdom Luxemburg de omzetting van artikel 15 van de richtlijn moest garanderen, aangezien het voornemens was gebruik te maken van de mogelijkheden tot afwijking als voorzien in artikel 16 van de richtlijn. De in artikel 15, sub a en b, van de richtlijn bedoelde middelen voor het vangen en het doden zijn letterlijk overgenomen in het verdrag van Bern en zijn daarin verboden. Deze middelen worden eveneens zonder uitzondering verboden door de jacht- en visvangstreglementering. Voorts heeft de Luxemburgse regering te kennen gegeven dat het groothertogelijk reglement van 10 maart 1959 inzake de vernietiging van kwaadaardige en schadelijke dieren, dat geen enkele beperking legt op het gebruik van vernietigingsmiddelen, is ingetrokken bij een nieuw groothertogelijk reglement, waarvan reeds een ontwerp zou bestaan.
84 Opgemerkt zij dat vallen die qua werking en gebruik niet-selectief zijn alsmede het uitroken, in bijlage VI, sub a, bij de richtlijn, waarnaar in artikel 15 van de richtlijn wordt verwezen, tot de verboden methoden en middelen voor het vangen en doden worden gerekend. Het groothertogelijk besluit van 10 maart 1959 inzake de vernietiging van kwaadaardige en schadelijke dieren is evenwel niet conform met artikel 15 van de richtlijn, voorzover dit de vernietiging van in bijlage V, sub a, bij de richtlijn vermelde soorten, zoals de marter en de bunzing, door uitroken van de holen of door middel van vallen waarvan niet is vermeld dat zij selectief moeten zijn, toestaat. Overigens blijkt niet uit het dossier dat dit groothertogelijk besluit binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is ingetrokken.
85 Hieruit volgt dat de grief inzake onjuiste omzetting van artikel 15 van de richtlijn hoe dan ook gegrond dient te worden verklaard.
De grief inzake onbevredigende omzetting van artikel 16, lid 1, van de richtlijn
86 Volgens de Commissie zijn de in de antwoordbrief vermelde omzettingsmaatregelen niet bevredigend wat artikel 16, lid 1, van de richtlijn betreft.
87 Aangaande artikel 26 van de wet van 11 augustus 1982, volgens hetwelk de bevoegde minister voor een wetenschappelijk doel of een doel van algemeen belang afwijkingen van de artikelen 13 tot en met 18 van deze wet kan toestaan, zij vermeld dat het toestaan van deze afwijkingen niet gebonden is aan de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, zoals artikel 16, lid 1, van de richtlijn vereist.
88 Gesteld al dat artikel 9 van het verdrag van Bern de mogelijkheid tot afwijking van de in dit verdrag neergelegde beschermingsregelingen afhankelijk stelt van dezelfde voorwaarden als die voorzien in artikel 16, lid 1, van de richtlijn, in het bijzonder de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, is de omstandigheid dat deze afwijkingsregeling en die welke bij artikel 26 van de wet van 11 augustus 1982 is ingevoerd, in het interne recht naast elkaar bestaan, strijdig met genoemde bepaling van de richtlijn. In het onderhavige geval leidt dat immers tot een dubbelzinnige situatie die de naleving van artikel 16, lid 1, van de richtlijn in gevaar brengt.
89 Bijgevolg moet de grief inzake ontoereikende omzetting van artikel 16, lid 1, van de richtlijn gegrond worden verklaard.
De grief inzake onjuiste omzetting van artikel 22, sub b en c, van de richtlijn
Artikel 22, sub b, van de richtlijn
90 Met betrekking tot de grief inzake onjuiste omzetting van artikel 22, sub b, van de richtlijn, zoals geformuleerd in de aanmaningsbrief, hebben de Luxemburgse autoriteiten geantwoord dat deze omzetting wordt gegarandeerd door artikel 25 van de wet van 11 augustus 1982, dat een verbod stelt op de introductie in de natuur van niet-inheemse soorten, behoudens vergunning van de bevoegde minister, die hieraan passende voorwaarden kan verbinden.
91 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat genoemd artikel 25 de afgifte van de hierin voorziene ministeriële vergunning niet afhankelijk stelt van de naleving van de in artikel 22, sub b, van de richtlijn gestelde voorwaarden, met name niet van de voorwaarde dat geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats.
92 Bijgevolg vormt artikel 25 van de wet van 11 augustus 1982 geen correcte omzetting van artikel 22, sub b, van de richtlijn. De grief van de Commissie moet op dit punt dus gegrond worden verklaard.
Artikel 22, sub c, van de richtlijn
93 In de antwoordbrief wordt betoogd dat de omzetting van artikel 22, sub c, van de richtlijn, dat ertoe strekt de bevolkingseducatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak van de bescherming van wilde dier- en plantensoorten en de habitats daarvan te bevorderen, wordt gegarandeerd door artikel 3, lid 3, van het verdrag van Bern en artikel 13 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, ondertekend te Rio de Janeiro (Brazilië) op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij de wet van 4 maart 1994 (Mémorial A 1994, blz. 429), een verdrag dat namens de Europese Gemeenschap is gesloten bij besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 (PB L 309, blz. 1; hierna: verdrag van Rio de Janeiro"), alsmede door de loi concernant la liberté d'accès à l'information en matière d'environnement et le droit d'agir en justice des associations de protection de la nature et de l'environnement (wet op de vrije toegang tot milieu-informatie en het recht om in rechte op te treden van organisaties voor natuur- en milieubescherming) van 10 augustus 1992 (Mémorial A 1992, blz. 2204).
94 De Commissie betoogt dat de wet van 10 augustus 1992 geen bepaling bevat die voor een actieve voorlichting van het publiek zorgt, maar zij geeft toe dat artikel 3, lid 3, van het verdrag van Bern en artikel 13 van het verdrag van Rio de Janeiro de richtlijn in beginsel op bevredigende wijze omzetten. Zij voert evenwel aan dat het Groothertogdom Luxemburg niet heeft bewezen dat zijn rechtsorde het beginsel van rechtstreekse toepassing van zogenaamde self-executing" bepalingen van regelmatig goedgekeurde en gepubliceerde internationale verdragen kent.
95 Aangezien niet wordt betwist dat bovengenoemde bepalingen van de verdragen van Bern en Rio de Janeiro voor een bevredigende omzetting van artikel 22, sub c, van de richtlijn kunnen zorgen, dient alleen te worden onderzocht of deze bepalingen in de Luxemburgse rechtsorde zijn opgenomen.
96 Het lijdt evenwel geen twijfel dat dit in casu zo is. Genoemde verdragen zijn immers bij Luxemburgse wetten goedgekeurd en vereisen geen andere maatregelen om in de rechtsorde van deze lidstaat volledig effect te sorteren.
97 In deze omstandigheden moet de grief inzake onjuiste omzetting van artikel 22, sub c, worden afgewezen.
98 Gelet op een en ander, dient de grief inzake onjuiste omzetting van artikel 22, sub b, van de richtlijn gegrond te worden verklaard.
De grief inzake schending van artikel 23, lid 2, van de richtlijn
99 Volgens de Commissie heeft het Groothertogdom Luxemburg artikel 23, lid 2, van de richtlijn geschonden, aangezien de omzettingsmaatregelen die deze lidstaat na de inwerkingtreding van de richtlijn heeft vastgesteld en aan de Commissie heeft meegedeeld, niet naar de richtlijn verwijzen of bij de officiële bekendmaking geen verwijzing daarnaar bevatten.
100 In de antwoordbrief wordt opgemerkt dat het toekomstige sectorplan waarin de wet van 21 mei 1999 voorziet, hoofdzakelijk zal strekken tot uitvoering van richtlijn 79/409 alsmede van richtlijn 92/43 en dat een lijst van alle nationale maatregelen tot omzetting van laatstgenoemde richtlijn in de Mémorial zal worden bekendgemaakt.
101 Evenwel blijkt niet, dat die bekendmaking heeft plaatsgevonden binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
102 Hieruit volgt dat de grief inzake schending van artikel 23, lid 2, van de richtlijn gegrond is.
103 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor een volledige en juiste uitvoering van de artikelen 1, 4, lid 5, 5, lid 4, 6, 7, 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, 13, lid 1, sub b, 14, 15, 16, lid 1, 22, sub b, en 23, lid 2, van de richtlijn juncto de bijlagen I, II, IV, V en VI hierbij, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
104 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg op de meeste punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor een volledige en juiste uitvoering van de artikelen 1, 4, lid 5, 5, lid 4, 6, 7, 12, leden 1, sub b en c, 2 en 4, 13, lid 1, sub b, 14, 15, 16, lid 1, 22, sub b, en 23, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna juncto de bijlagen I, II, IV, V en VI hierbij, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy