Zaak C-103/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
«Niet-nakoming – Richtlijn 89/686/EEG – Werkingssfeer – Uitzonderingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor strijdkrachten of ordehandhavers»
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 10 december 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 22 mei 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Harmonisatie van wetgevingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Richtlijn 89/686 – Nationale regeling die nadere eisen stelt aan beschermingsmiddelen voor brandweer ofschoon deze voldoen aan vereisten van richtlijn – Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 89/686 van de Raad, art. 1 en 4, en bijlage I, punt 1)
2.. Gemeenschapsrecht – Begrippen – Uitlegging – Verwijzing naar nationaal recht – Ontoelaatbaarheid
3.. Harmonisatie van wetgevingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Richtlijn 89/686 – Maatregelen tot harmonisatie van beschermingsmiddelen die brandweer bij uitoefening van haar gebruikelijke taken dienen te beschermen – Schending van evenredigheidsbeginsel – Schending van subsidiariteitsbeginsel – Geen
(Richtlijn 89/686 van de Raad)
1. Voldoet niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 1 en 4 van richtlijn 89/686 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, een lidstaat die persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer aan nadere eisen onderwerpt, ofschoon deze aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen en voorzien zijn van de CE-markering. Uit artikel 1, lid 4, van bovengenoemde richtlijn vloeit namelijk voort, dat persoonlijke beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden gebruikt door brandweerkorpsen, slechts buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen indien kan worden aangenomen dat zij speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de ordehandhaving in de zin van bijlage I, punt 1, bij de richtlijn. Aangezien de taken van de brandweer gewoonlijk uit de redding van personen en goederen in geval van brand, verkeersongevallen, explosies, overstromingen en andere rampen bestaan, verschillen zij van de taken van de diensten wier voornaamste opdracht uit de handhaving van de openbare orde bestaat. Voorzover brandweerkorpsen echter in bepaalde omstandigheden dienen bij te dragen aan de handhaving van de openbare orde en daartoe worden uitgerust met persoonlijke beschermingsmiddelen die speciaal voor die taak zijn ontworpen en vervaardigd, vallen deze beschermingsmiddelen onder de uitzondering in bijlage I, punt 1, van de richtlijn. Ofschoon bovengenoemde richtlijn zich er niet tegen verzet, dat een lidstaat voorschrijft dat brandweerkorpsen worden uitgerust met reddingsmaterialen die alle aan dezelfde fabricage- en veiligheidsnormen voldoen, zodat zij onderling overeenstemmen, zulks om het doel van verzekering van het vrije verkeer van persoonlijke beschermingsmiddelen tussen de lidstaten te verwezenlijken, dient deze richtlijn de lidstaten te beletten het in de handel brengen van beschermingsmiddelen die aan de bepalingen ervan voldoen en die voorzien zijn van de CE-markering, te verbieden, te beperken of te belemmeren. cf. punten 30-31, 36, 39, 43, 50 en dictum
2. De communautaire rechtsorde wil voor de omschrijving van haar begrippen in beginsel niet aanknopen bij een of meer nationale rechtsstelsels, tenzij zulks uitdrukkelijk zou zijn bepaald. cf. punt 33
3. Richtlijn 89/686 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, druist met de door haar beoogde harmonisatie van de nationale bepalingen betreffende beschermingsmiddelen die de brandweer bij de uitoefening van haar gebruikelijke taken dienen te beschermen, niet in tegen het subsidiariteits- of het evenredigheidsbeginsel. Wat namelijk het subsidiariteitsbeginsel betreft, kunnen de betrokken nationale bepalingen, die van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen, zoals in de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn is geconstateerd, een handelsbelemmering vormen die rechtstreekse gevolgen heeft voor de totstandbrenging en de werking van de gemeenschappelijke markt. De harmonisatie van deze uiteenlopende bepalingen kan wegens de omvang en de gevolgen ervan slechts worden verwezenlijkt door de gemeenschapswetgever. Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, is het onder de werkingssfeer van de richtlijn brengen van persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer een geschikt middel om het vrije verkeer van die beschermingsmiddelen tussen de lidstaten te verzekeren, dat niet verder gaat dan voor het bereiken van dit doel noodzakelijk is. De bevoegdheid van de lidstaten om de taken en bevoegdheden van de brandweer te omschrijven en hun persoonlijke bescherming te verzekeren, wordt hierdoor niet aangetast. Evenmin wordt hierdoor ingegrepen in de organisatie van de strijdkrachten of van de ordehandhavers. cf. punten 46-48
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
22 mei 2003 (1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 89/686/EEG – Werkingssfeer – Uitzonderingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de strijdkrachten of de ordehandhaving”
In zaak C-103/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Schieferer als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing, B. Muttelsee-Schön en H.-W. Rengeling als gemachtigden,
verweerster, ondersteund door Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en D. Colas als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in de regelgeving van sommige deelstaten nadere eisen te stellen aan persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer ofschoon deze voldoen aan de voorschriften van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (PB L 399, blz. 18) en voorzien zijn van de CE-markering, de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn heeft geschonden,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 oktober 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 december 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 maart 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in de regelgeving van sommige deelstaten nadere eisen te stellen aan persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer ofschoon deze voldoen aan de vereisten van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (PB L 399, blz. 18; hierna: beschermingsmiddelenrichtlijn) en voorzien zijn van de CE-markering, de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn heeft geschonden.
Juridisch kader
2 De beschermingsmiddelenrichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PB L 220, blz. 1), bepaalt in artikel 1 onder meer:
1. Deze richtlijn is van toepassing op persoonlijke beschermingsmiddelen, hierna te noemen beschermingsmiddelen.
Zij bevat de voor het in de handel brengen en het vrij verkeer binnen de Gemeenschap geldende voorwaarden, alsmede de fundamentele veiligheidsvoorschriften waaraan beschermingsmiddelen moeten voldoen om de gezondheid van de gebruiker te beschermen en zijn veiligheid te waarborgen.
2. In deze richtlijn wordt onder beschermingsmiddel een uitrustingsstuk of -middel verstaan dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen één of meer gevaren die een bedreiging voor zijn gezondheid en zijn veiligheid kunnen vormen.
Als beschermingsmiddel wordt ook beschouwd:
a) een geheel dat is samengesteld uit verscheidene uitrustingsstukken of -middelen die door de fabrikant onderling zijn verbonden om een persoon te beschermen tegen één of meer, mogelijk gelijktijdig optredende gevaren;
b) een uitrustingsstuk of beschermingsmiddel dat al of niet onlosmakelijk verbonden is met een niet-beschermende persoonlijke uitrusting die door een persoon wordt gedragen of vastgehouden voor het bedrijven van een bepaalde activiteit;
c) verwisselbare onderdelen van een beschermingsmiddel die voor de goede werking ervan onontbeerlijk zijn, en die uitsluitend voor dat beschermingsmiddel worden gebruikt.
[...]
4. Van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten:
─ beschermingsmiddelen die vallen onder een andere richtlijn met dezelfde doelstellingen ten aanzien van het in de handel brengen, het vrije verkeer en de veiligheid als de onderhavige richtlijn;
─ ongeacht de bovengenoemde reden van uitsluiting van het toepassingsgebied, de in de lijst met uitzonderingen van bijlage I genoemde soorten beschermingsmiddelen.
3 Artikel 4, lid 1, van de beschermingsmiddelenrichtlijn bepaalt: De lidstaten mogen het in de handel brengen van beschermingsmiddelen of onderdelen van beschermingsmiddelen niet verbieden, beperken of belemmeren, indien deze voldoen aan deze richtlijn en voorzien zijn van de CE-markering, waarbij verklaard wordt dat zij voldoen aan alle bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
4 Bijlage I bij de beschermingsmiddelenrichtlijn bevat een limitatieve lijst van soorten beschermingsmiddelen die niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Volgens punt 1 van deze bijlage is dat het geval voor beschermingsmiddelen die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de strijdkrachten of de ordehandhaving (helmen, schilden, enz.).
De feiten en de precontentieuze procedure
5 De Commissie is ter ore gekomen dat de wettelijke bepalingen van sommige Duitse deelstaten de brandweeruitrusting onderwierpen aan eisen die niet voorkwamen in de beschermingsmiddelenrichtlijn. Zo moesten veiligheidsgordels in de deelstaat Niedersachsen aan de specificaties van een nationale technische norm voldoen, terwijl in de deelstaat Nordrhein-Westfalen de certificering van helmen door een in deze deelstaat gevestigde instelling werd voorgeschreven.
6 Van oordeel dat deze bepalingen niet verenigbaar waren met de artikelen 1 en 4 van de beschermingsmiddelenrichtlijn, heeft de Commissie de Duitse regering op 19 maart 1998 een aanmaningsbrief gezonden.
7 In haar antwoord van 25 mei 1998 betoogde de Duitse regering, dat de organisatie van de brandweerkorpsen onderworpen is aan de wetgeving van de deelstaten. In deze wetgeving wordt aangegeven of deze korpsen instellingen zijn die zijn belast met het waarborgen van de openbare veiligheid of de openbare orde. Indien zulks het geval is, zijn de beschermingsmiddelen die exclusief voor dit soort instellingen zijn ontworpen en vervaardigd, uitgesloten van de werkingssfeer van de beschermingsmiddelenrichtlijn. Volgens de Duitse regering kan dus niet in zijn algemeenheid worden gesteld, dat de Duitse brandweerkorpsen strijdkrachten noch handhavers van de openbare orde zijn. In het bijzonder zijn de brandweerkorpsen van de deelstaat Niedersachsen instellingen belast met het waarborgen van de openbare veiligheid of de openbare orde en is de veiligheidsgordel in kwestie een specifiek onderdeel van hun uitrusting.
8 Aangezien de Commissie dit antwoord niet bevredigend achtte, heeft zij de Bondsrepubliek Duitsland op 21 oktober 1998 een met redenen omkleed advies doen toekomen waarin zij haar verzocht binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan aan dit advies te voldoen.
9 In een mededeling van 18 december 1998 liet de Duitse regering de Commissie weten, dat zij de ministeries van Binnenlandse Zaken van de deelstaten een brief had gezonden met het verzoek om hun regelgeving betreffende de aanschaf van beschermingsmiddelen in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht. In een andere mededeling van 8 december 2000 zette zij uiteen, dat zij nog steeds op een reactie van de deelstaten wachtte.
10 In deze omstandigheden heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Bij het Hof ingediende opmerkingen
11 De Commissie betoogt dat de toepasselijkheid van de beschermingsmiddelenrichtlijn uitsluitend afhangt van de gemeenschapsrechtelijke definitie van het begrip strijdkrachten of [...] ordehandhaving, waar de brandweer niet onder valt. De administratieve organisatie van de brandweer is in dit verband niet van belang. Haar specifieke taak onderscheidt zich van de taken van de strijdkrachten of van degenen die zich bezig houden met de ordehandhaving. Laatstgenoemd begrip betreft de kern van de uitoefening van het overheidsgezag.
12 Met de termen strijdkrachten of [...] ordehandhaving wordt gedoeld op het leger en de gewapende ordehandhaving. De in de lijst van bijlage I bij de beschermingsmiddelenrichtlijn genoemde voorbeelden van helmen en schilden maken duidelijk dat het om interventie-eenheden gaat die zich moeten verdedigen tegen aanvallen van andere personen. Beschermingsmiddelen die speciaal voor deze eenheden zijn vervaardigd, moeten voldoen aan specifieke veiligheidsvoorschriften voor gewelddadige confrontaties en zijn dus geen gewone goederen die vrijelijk op de markt circuleren. Dit geldt niet voor de uitrusting van de brandweer, want deze is niet speciaal vervaardigd voor de openbare brandweer, maar voor alle brandweerkorpsen, waaronder die van bedrijven en fabrieken.
13 Aangezien openbare en particuliere brandweerkorpsen vergelijkbare taken vervullen bij de bestrijding van branden, explosies, ongevallen en natuurrampen, behoren hun bevoegdheden op het gebied van de handhaving van de orde niet tot de kern van hun taken. Evenmin bestaat er een verband tussen deze bevoegdheden en hun beschermingsmiddelen, die zijn ontworpen met het oog op de brandbestrijding en de overige taken van de brandweer.
14 De Duitse regering tracht allereerst aan te tonen, dat de aan deze niet-nakomingsprocedure ten grondslag liggende veiligheidsgordel speciaal is ontworpen en vervaardigd ter bescherming tegen de gevaren die brandweerlieden lopen tijdens de opleiding, oefeningen en interventies. Zij voert aan, dat de technische circulaire inzake die veiligheidsgordel zijn afmetingen, de eraan gestelde eisen en de controlevoorschriften ervan regelt en voorziet in de verplichting de gordel van een markering te voorzien. Dat alle brandweerlieden tijdens oefeningen en interventies een identieke gordel dragen, is van essentieel belang voor de redding van de brandweerman zelf, van derden en vooral van collega's in nood. Door de gordel kan de brandweerman zich met behulp van de veiligheidslijn op ladders en andere onbeveiligde plaatsen beschermen tegen het gevaar van vallen. Overeenkomstig DIN-norm 14924 is de gordel voorzien van een bijl met beschermingshoes. Gedetailleerde voorschriften voor de gordel zijn bovendien noodzakelijk, omdat zich bijvoorbeeld de situatie kan voordoen dat reddingswerkzaamheden slechts mogelijk zijn met behulp van nauwkeurig omschreven reddingslijnen en -materiaal. Om deze reden is het gebruik van en de omgang met beschermingsmiddelen van de brandweer geregeld door uniforme bepalingen op federaal niveau. Een geslaagde interventie waarbij verschillende eenheden samenwerken, is slechts mogelijk indien al deze eenheden over reddingsmateriaal beschikken dat aan dezelfde fabricage- en veiligheidsnormen voldoet.
15 Wat de uitlegging van het begrip ordehandhaving aangaat, stelt de Duitse regering dat de taken en bevoegdheden van de openbare brandweer in de deelstaten tot de kern van de uitoefening van het overheidsgezag behoren. Volgens de wetgeving van de deelstaten dienen openbare brandweerkorpsen namelijk de noodzakelijke maatregelen te treffen om de samenleving en de burgers te beschermen tegen de gevaren van brand, explosies, ongevallen of andere noodsituaties, zoals natuurrampen, die hun leven, hun gezondheid of hun goederen bedreigen. Interventies van de openbare brandweer kunnen bovendien beperkingen van de fundamentele rechten met zich brengen. Om hun taak te verrichten, beschikken de brandweerkorpsen over uitvoerende bevoegdheden en kunnen zij in voorkomend geval geweld gebruiken tegen goederen of personen.
16 Met betrekking tot de systematische uitlegging van de bepalingen van de beschermingsmiddelenrichtlijn verwijst de Duitse regering naar de richtlijnen 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1) en 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers (derde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 393, blz. 18). Deze twee richtlijnen bevatten minimumvoorschriften. Dat het ingevolge deze richtlijnen is toegestaan om aan de uitrusting aanvullende of afwijkende eisen te stellen, kan volgens de Duitse regering niet zonder gevolgen zijn voor de beschermingsmiddelenrichtlijn. Een consistente uitlegging van deze drie richtlijnen moet op het gebied van het vrije goederenverkeer rekening houden met de bepalingen inzake de bescherming van werknemers die gebruikmaken van persoonlijke beschermingsmiddelen.
17 De Duitse regering maakt verder een vergelijking met de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van werknemers. Overeenkomstig artikel 48, lid 4, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39, lid 4, EG) vallen buiten het toepassingsgebied van de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers alle betrekkingen die een rechtstreekse of indirecte deelname aan de uitoefening van het overheidsgezag inhouden en die werkzaamheden omvatten die strekken tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere publieke lichamen. Volgens de Duitse regering moeten zo ook de taken en de werkzaamheden van de brandweer beslissend worden geacht voor de uitlegging van de in de beschermingsmiddelenrichtlijn opgenomen uitzonderingen.
18 De Duitse regering betoogt bovendien dat zij met betrekking tot de uitlegging van de uitzonderingsbepaling van de beschermingsmiddelenrichtlijn over een beoordelingsmarge beschikt om de aan de handhavers van de openbare orde opgedragen taken van overheidsgezag en de beschermingsgraad van de voor hen vervaardigde beschermingsmiddelen te bepalen.
19 Verder moet de uitlegging van artikel 1, lid 4, van de beschermingsmiddelenrichtlijn in samenhang met bijlage I, punt 1, bij deze richtlijn, de beginselen inzake de uitoefening van bevoegdheden eerbiedigen, namelijk het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3 B, tweede en derde alinea, EG-Verdrag (thans artikel 5, tweede en derde alinea, EG).
20 De Commissie betwist de door de Duitse regering voorgestane systematische uitlegging en betoogt dat de bepalingen van de beschermingsmiddelenrichtlijn vooral moeten worden onderzocht vanuit de invalshoek van de interne markt, aangezien het om een richtlijn gaat die de wetgevingen van de lidstaten onderling beoogt aan te passen. Ter bevordering van het vrije verkeer van goederen behelst deze richtlijn fundamentele voorschriften waaraan beschermingsmiddelen moeten voldoen.
21 De door de Duitse regering aangevoerde richtlijnen 89/391 en 89/656 strekken daarentegen tot verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk en bevatten minimumvoorschriften inzake veiligheid en bescherming van de gezondheid bij het gebruik van beschermingsmiddelen door werknemers. De beschermingsmiddelen van de brandweer zijn uitgesloten van de toepassing van deze richtlijnen, zoals blijkt uit artikel 2, lid 2, daarvan.
22 De Franse regering betoogt dat de uitlegging van het begrip beschermingsmiddelen die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de strijdkrachten of de ordehandhaving (helmen, schilden, enz.) niet neerkomt op de vraag of de gebruikers van de betrokken uitrusting al dan niet kunnen worden aangemerkt als strijdkrachten of ordehandhavers, maar op de vraag of het betrokken materiaal specifiek voor militaire of politiedoeleinden is bestemd. Ter weerlegging van het argument van de Duitse regering moet derhalve worden aangetoond, dat de betrokken uitrusting niet uitsluitend voor militaire of politiedoeleinden kan worden gebruikt.
23 De redenering van de Commissie kan daarentegen leiden tot een ingreep in de organisatie van de strijdkrachten, die tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten behoort. Een dergelijke benadering zou indruisen tegen de rechtspraak van het Hof en het Verdrag betreffende de Europese Unie, in het kader waarvan de elementen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid tot de tweede pijler behoren.
Beoordeling door het Hof
24 Om te beginnen moet worden onderstreept dat de beschermingsmiddelenrichtlijn blijkens de zesde overweging van haar considerans door middel van de harmonisatie van de nationale bepalingen betreffende de beschermingsmiddelen het vrije verkeer van deze producten wil waarborgen, zonder dat het bestaande beschermingsniveau in de lidstaten, wanneer dit gerechtvaardigd is, erdoor wordt verlaagd.
25 De zevende overweging van de considerans van de beschermingsmiddelenrichtlijn preciseert, dat de in deze richtlijn gegeven voorschriften voor het ontwerp en de seriefabricage van persoonlijke beschermingsmiddelen met name van fundamenteel belang zijn bij het streven naar een veiliger werkomgeving.
26 Met het oog op de doelstellingen van gezondheid, veiligheid op het werk en bescherming van de gebruikers bepaalt artikel 3 van de beschermingsmiddelenrichtlijn, dat beschermingsmiddelen moeten voldoen aan de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van bijlage II bij deze richtlijn.
27 Punt 3.1.2.2 van deze bijlage bevat specifieke voorschriften met betrekking tot de preventie van vallen van een hoogte, punt 3.6 is gewijd aan de bescherming tegen hitte en/of vuur en punt 3.10.1 aan de bescherming van de luchtwegen.
28 Hieruit blijkt dat de beschermingsmiddelenrichtlijn onder meer rekening houdt met de specifieke risico's waaraan brandweerlieden worden blootgesteld, door fundamentele veiligheidsvoorschriften uit te vaardigen waaraan beschermingsmiddelen voor brandweerlieden moeten voldoen.
29 Overwegingen in verband met de gevaren waaraan brandweerlieden tijdens hun opleiding en bij oefeningen en interventies worden blootgesteld, kunnen als zodanig dan ook geen afwijking van de bepalingen van de beschermingsmiddelenrichtlijn rechtvaardigen.
30 Voor het overige verzet de beschermingsmiddelenrichtlijn zich er niet tegen, dat een lidstaat voorschrijft dat brandweerkorpsen worden uitgerust met reddingsmaterialen die alle aan dezelfde fabricage- en veiligheidsnormen voldoen, zodat zij onderling overeenstemmen.
31 Daarnaast vloeit uit artikel 1, lid 4, van de beschermingsmiddelenrichtlijn voort, dat beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden gebruikt door brandweerkorpsen, slechts buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen indien kan worden aangenomen dat zij speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de ordehandhaving in de zin van bijlage I, punt 1, bij de richtlijn.
32 Aangezien deze bepaling een uitzondering vormt op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, dat is neergelegd in artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en voor beschermingsmiddelen ten uitvoer is gelegd in artikel 4, lid 1, van de beschermingsmiddelenrichtlijn, moet zij restrictief worden uitgelegd [zie met betrekking tot de uitzonderingen in artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG), arrest van 25 januari 1977, Bauhuis, 46/76, Jurispr. blz. 5, punt 12, en, in het algemeen, arrest van 7 oktober 1985, Migliorini en Fischl, 199/84, Jurispr. blz. 3317, punt 14].
33 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof, dat de communautaire rechtsorde voor de omschrijving van haar begrippen in beginsel niet wil aanknopen bij een of meer nationale rechtsstelsels, tenzij zulks uitdrukkelijk zou zijn bepaald (arresten van 14 januari 1982, Corman, 64/81, Jurispr. blz. 13, punt 8, en 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C-296/95, Jurispr. blz. I-1605, punt 30).
34 Bijlage I, punt 1, bij de beschermingsmiddelenrichtlijn verwijst evenwel niet uitdrukkelijk naar de nationale rechtsstelsels.
35 Bovendien wordt in dat punt de uitzondering van het toepassingsgebied van de beschermingsmiddelenrichtlijn omschreven aan de hand van een verwijzing naar de concrete taak van handhaving van de openbare orde. Beschermingsmiddelen die aldus buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, moeten specifiek ter vervulling van deze taak zijn ontworpen en vervaardigd.
36 De taken van de brandweer bestaan gewoonlijk uit de redding van personen en goederen in geval van brand, verkeersongevallen, explosies, overstromingen en andere rampen. Deze taken verschillen van die van de diensten wier voornaamste opdracht uit de handhaving van de openbare orde bestaat.
37 Bijgevolg kunnen beschermingsmiddelen die bestemd zijn om brandweerlieden te beschermen tegen de gevaren waaraan zij bij de uitoefening van hun aldus omschreven gebruikelijke taken worden blootgesteld, niet worden geacht speciaal te zijn ontworpen en vervaardigd voor de handhaving van de openbare orde.
38 De behoefte aan bescherming van de openbare brandweerkorpsen bij de uitoefening van hun gebruikelijke taken onderscheidt zich niet van die van brandweerkorpsen met een privaatrechtelijk statuut, ook al hebben laatstgenoemden geen bevoegdheden van overheidsgezag.
39 Voorzover brandweerkorpsen echter in bepaalde omstandigheden dienen bij te dragen aan de handhaving van de openbare orde en daartoe worden uitgerust met beschermingsmiddelen die speciaal voor die taak zijn ontworpen en vervaardigd, vallen deze beschermingsmiddelen onder de uitzondering in bijlage I, punt 1, van de beschermingsmiddelenrichtlijn.
40 Dit is echter niet het geval met de beschermingsmiddelen in kwestie, daar de Bondsrepubliek Duitsland niet stelt dat de betrokken veiligheidsgordels en helmen dienden ter bescherming van brandweerlieden bij de uitoefening van andere dan hun gebruikelijke taken.
41 Hieruit volgt dat beschermingsmiddelen die zijn ontworpen en vervaardigd om door de brandweer te worden gebruikt bij de uitoefening van de in punt 36 van dit arrest omschreven taken, niet onder punt 1 van de lijst van uitzonderingen in bijlage I bij de beschermingsmiddelenrichtlijn vallen.
42 De argumenten die verweerster ontleent aan de richtlijnen 89/391 en 89/656 laten deze conclusie onverlet. Deze richtlijnen, die zijn vastgesteld op basis van artikel 118 A EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), strekken namelijk tot verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers. Het strookt met dit doel dat deze richtlijnen minimumvoorschriften bevatten en bepalingen toestaan die gunstiger zijn voor de bescherming van werknemers.
43 De beschermingsmiddelenrichtlijn is daarentegen vastgesteld op basis van artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG). Om het doel van verzekering van het vrije verkeer van beschermingsmiddelen tussen de lidstaten te verwezenlijken, dient deze richtlijn de lidstaten te beletten het in de handel brengen van beschermingsmiddelen die aan de bepalingen ervan voldoen en die voorzien zijn van de CE-markering, te verbieden, te beperken of te belemmeren.
44 De Bondsrepubliek Duitsland kan zich evenmin beroepen op artikel 48, lid 4, van het Verdrag. Weliswaar sluit deze bepaling betrekkingen in overheidsdienst die een rechtstreekse of indirecte deelname aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten die strekken tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere publieke lichamen, uit van het toepassingsgebied van het vrije werknemersverkeer (zie arresten van 17 december 1980, Commissie/België, 149/79, Jurispr. blz. 3881, punt 10, en 2 juli 1996, Commissie/Griekenland, C-290/94, Jurispr. blz. I-3285, punt 2), maar zij bevat geen enkele aanwijzing omtrent de reikwijdte van een uitzondering in een richtlijn die het vrije verkeer van goederen wil bevorderen en die slechts beschermingsmiddelen uitsluit die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de strijdkrachten of de ordehandhaving. Het is duidelijk dat deze uitzondering niet alle beschermingsmiddelen omvat die worden gebruikt door personen die met overheidsgezag zijn bekleed of die zijn belast met de bescherming van de algemene belangen van de staat.
45 Aangaande de beoordelingsmarge waarop verweerster zich beroept, moet worden geconstateerd dat deze binnen de door de uitzonderingsbepaling getrokken grenzen dient te blijven. Het staat de lidstaten weliswaar vrij om de taken en bevoegdheden van de handhavers van de openbare orde te omschrijven en te bepalen in hoeverre deze bescherming dienen te genieten, maar dit betekent nog niet dat zij voor de toepassing van de betrokken uitzondering hun eigen definities van beschermingsmiddelen mogen hanteren.
46 Verder druist de met de beschermingsmiddelenrichtlijn beoogde harmonisatie van de nationale bepalingen betreffende beschermingsmiddelen die de brandweer bij de uitoefening van haar gebruikelijke taken dienen te beschermen, niet in tegen het subsidiariteits- of het evenredigheidsbeginsel.
47 Wat het subsidiariteitsbeginsel betreft, kunnen de betrokken nationale bepalingen, die van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen, zoals in de vijfde overweging van de considerans van de beschermingsmiddelenrichtlijn is geconstateerd, een handelsbelemmering vormen die rechtstreekse gevolgen heeft voor de totstandbrenging en de werking van de gemeenschappelijke markt. De harmonisatie van deze uiteenlopende bepalingen kan wegens de omvang en de gevolgen ervan slechts worden verwezenlijkt door de gemeenschapswetgever [zie in die zin arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C-491/01, Jurispr. blz. I-11453, punten 180-182].
48 Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, is het onder het toepassingsgebied van de beschermingsmiddelenrichtlijn brengen van beschermingsmiddelen voor de brandweer een geschikt middel om het vrije verkeer van die beschermingsmiddelen tussen de lidstaten te verzekeren, dat niet verder gaat dan voor het bereiken van dit doel noodzakelijk is. De bevoegdheid van de lidstaten om de taken en bevoegdheden van de brandweer te omschrijven en hun persoonlijke bescherming te verzekeren, wordt hierdoor niet aangetast. Anders dan de Franse regering stelt, wordt hierdoor evenmin ingegrepen in de organisatie van de strijdkrachten of van de ordehandhaving.
49 Aangezien de uitzondering in bijlage I, punt 1, bij de beschermingsmiddelenrichtlijn in casu niet van toepassing is, waren de deelstaten op grond van artikel 4, lid 1, ervan niet bevoegd nadere eisen te stellen aan beschermingsmiddelen die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen en voorzien zijn van de CE-markering.
50 Uit het voorgaande volgt dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in de regelgeving van sommige deelstaten nadere eisen te stellen aan persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer ofschoon deze voldoen aan de voorschriften van de beschermingsmiddelenrichtlijn en voorzien zijn van de CE-markering, de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn heeft geschonden.
Kosten
51 Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Daar de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van dit Reglement draagt de Franse Republiek haar eigen kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door in de regelgeving van sommige deelstaten nadere eisen te stellen aan persoonlijke beschermingsmiddelen voor de brandweer ofschoon deze voldoen aan de voorschriften van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, en voorzien zijn van de CE-markering, heeft de Bondsrepubliek Duitsland de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn geschonden.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen.
3) De Franse Republiek draagt haar eigen kosten.
Wathelet
Edward
La Pergola
Jann
Rosas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 mei 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy