Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Extern communautair douanevervoer - Overtredingen of onregelmatigheden - Niet-inachtneming van termijn voor kennisgeving aan aangever - Invloed op opeisbaarheid van douaneschuld - Geen
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 379, lid 1)
Samenvatting
$$Artikel 379, lid 1, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, gelezen in samenhang met laatstgenoemde verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het kantoor van vertrek een douaneschuld die naar aanleiding van een overtreding of een onregelmatigheid in verband met extern communautair douanevervoer is ontstaan, ook dan bij de aangever kan invorderen wanneer dit kantoor hem niet binnen de termijn van elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer heeft meegedeeld dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld.
Een uitvoeringsverordening dient immers zoveel mogelijk in overeenstemming met de basisverordening te worden uitgelegd. Geen enkele bepaling van het douanewetboek levert evenwel grond op voor de conclusie dat de overschrijding van de termijn van elf maanden de douaneschuld die voor de aangever is ontstaan, teniet doet gaan. Die termijn is een procedureregel, die enkel voor de administratieve autoriteiten geldt en tot doel heeft te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door deze autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
Aangezien de overschrijding van de termijn van elf maanden op zich geen invloed heeft op de opeisbaarheid en de voorwaarden voor invordering van de douaneschuld, is het irrelevant dat het kantoor van vertrek een administratieve regeling voor het doorgeven van inlichtingen, zoals het systeem van voorafgaande kennisgeving, niet heeft toegepast of dat de niet-tijdige kennisgeving aan een fout of een nalatigheid van dat kantoor is te wijten.
( cf. punten 29-30, 34, 38-40 en dictum )
Partijen
In zaak C-112/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Vestre Landsret (Denemarken), in het aldaar aanhangige geding tussen
SPKR 4 nr. 3482 ApS
en
Skatteministeriet, Told- og Skattestyrelsen,
Aktieselskabet af 11/9 1996,
Arden Transport & Spedition ved Søren Lauritsen og Lene Lauritsen I/S (ATS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), en 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, C. Gulmann, V. Skouris, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- SPKR 4 nr. 3482 ApS, vertegenwoordigd door N. Salling, advokat,
- de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde, bijgestaan door P. Biering, advokat,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en B. Muttelsee-Schön als gemachtigden,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Chevallier als gemachtigden,
- Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van SPKR 4 nr. 3482 ApS, vertegenwoordigd door N. Salling; de Deense regering, vertegenwoordigd door P. Biering en T. Holsøe, advokat, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en S. Tams als gemachtigde, ter terechtzitting van 25 april 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 maart 2001, ingekomen bij het Hof op 12 maart daaraanvolgend, heeft het Vestre Landsret krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek"), en 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1; hierna: uitvoeringsverordening").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap van douane-expediteurs SPKR 4 nr. 3482 ApS (hierna: SPKR") en Skatteministeriet, Told- og Skattestyrelsen (Deens ministerie van Belastingen en Accijnzen, algemene directie Douane en Belastingen), ter zake van de invordering van een douaneschuld.
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Artikel 96 van het douanewetboek luidt:
1. De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:
a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;
b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.
2. Onverminderd de in lid 1 bedoelde verplichtingen van de aangever, is een vervoerder of een ontvanger van goederen die de goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, eveneens verplicht deze binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming, met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen."
4 Artikel 221, lid 3, van het douanewetboek bepaalt:
De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voorzover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan."
5 Artikel 233 van het douanewetboek luidt:
Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld alsmede inzake de niet-invordering van het bedrag van de douaneschuld in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat de douaneschuld teniet:
a) door betaling van het bedrag van de rechten;
b) door kwijtschelding van het bedrag van de rechten;
c) indien ten aanzien van goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van rechten inhoudt:
- de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 66;
- de goederen vóór de vrijgave ervan, hetzij in beslag worden genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand worden verbeurdverklaard, hetzij in opdracht van de douaneautoriteiten worden vernietigd, hetzij overeenkomstig artikel 182 worden vernietigd of afgestaan, hetzij door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht worden vernietigd of onherstelbaar verloren gaan;
d) indien goederen ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 een douaneschuld is ontstaan, bij het onregelmatig binnenbrengen in beslag worden genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand worden verbeurdverklaard.
In geval van inbeslagneming en verbeurdverklaring wordt de douaneschuld voor de strafwetgeving die van toepassing is op inbreuken op de douanewetgeving evenwel geacht niet te zijn tenietgegaan indien de strafwetgeving van een lidstaat bepaalt dat de douanerechten als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties, of indien het bestaan van een douaneschuld een grond vormt tot strafvervolging."
6 In artikel 248 van het douanewetboek wordt bepaald:
Het Comité [douanewetboek] kan elk vraagstuk met betrekking tot de douanewetgeving onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan de orde wordt gesteld."
7 Artikel 378, lid 1, van de uitvoeringsverordening luidt:
Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het [douane]wetboek, geacht te zijn begaan:
- in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, of
- in de lidstaat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven,
tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan."
8 Artikel 379 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis."
9 Artikel 384 van de uitvoeringsverordening luidt:
Voorzover nodig doen de douaneautoriteiten van de lidstaten elkaar de vaststellingen, documenten, rapporten en processen-verbaal toekomen en verstrekken zij elkaar inlichtingen betreffende het vervoer dat met toepassing van de regeling communautair douanevervoer heeft plaatsgevonden; voorts doen zij elkaar mededeling van onregelmatigheden en overtredingen in verband met deze regeling."
10 Het Comité douanewetboek heeft op grond van artikel 248 van het douanewetboek en artikel 384 van de uitvoeringsverordening het systeem van voorafgaande kennisgeving (SIP) voor gevoelige goederen vastgesteld, dat dient voor het doorgeven van inlichtingen over zendingen van gevoelige goederen.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 De regionale directie Douane en Belastingen van Sønderborg (Denemarken) (hierna: regionale directie") ontving tussen 10 januari en 9 juni 1994 van de Commissie vier AM-mededelingen (hierna: AM-mededelingen"), waarin melding werd gemaakt van overtredingen of onregelmatigheden bij het extern communautair douanevervoer van boter van oorsprong uit de Tsjechische Republiek, en, meer bepaald, van de in dat kader vastgestelde vervalsing van aangiften T1. De Commissie verzocht alle lidstaten speciale aandacht te schenken aan partijen boter van oorsprong uit derde landen die via de Gemeenschap worden doorgevoerd, en het SIP ook uit te breiden tot partijen boter.
12 Tussen 28 juni en 19 oktober 1994 plaatste SPKR 32 partijen boter van oorsprong uit de Tsjechische Republiek onder de regeling extern communautair douanevervoer. Op de aangiften T1 werden Ravenna, Italië" en Napels, Italië" als kantoor van bestemming aangegeven. In het hoofdgeding staat vast dat SPKR te goeder trouw was, niets wist van de begane overtredingen en onregelmatigheden, en niet bekend was met de inhoud van de AM-mededelingen.
13 De regionale directie ontving exemplaar nr. 1 van de aangiften T1 bij de geldigmaking van de aangiften voor extern communautair douanevervoer en kreeg exemplaar nr. 5 van deze formulieren eind 1994 en begin 1995 terug. Zij noteerde niet wanneer dit exemplaar nr. 5 precies aan haar was teruggestuurd. Uit die aangiften leek te volgen dat de betrokken partijen boter bij het kantoor van bestemming waren aangebracht. Het kantoor van vertrek paste het SIP niet toe.
14 Bij telexbericht van 28 november 1994 verzocht de Commissie de regionale directie een bepaald aantal transitzendingen van Tsjechische boter, waaronder de 32 door SPKR aangegeven partijen, te onderzoeken. Bij brief van 6 december 1994 werd de regionale directie nog eens verzocht, met spoed de zendingen van Tsjechische boter op basis van de AM-mededelingen te onderzoeken.
15 Bij brief van 30 december 1994 deelde de regionale directie SPKR mee, dat zij exemplaar nr. 5 van de aangiften T1 voor 6 van deze 32 zendingen had teruggekregen, zodat zij de desbetreffende dossiers als afgesloten beschouwde.
16 Bij brief van 30 maart 1995 deelde de regionale directie de Commissie mee, dat SPKR 32 boterzendingen onder de regeling extern communautair douanevervoer had geplaatst, die overeenkwamen met de zendingen die de Commissie verdacht voorkwamen.
17 Daarop nam de Commissie contact op met de Italiaanse douaneautoriteiten om de juistheid na te trekken van de exemplaren nr. 5 van de aangiften T1, die SPKR hun had overgelegd.
18 Bij brief van 23 juni 1995 stelde de regionale directie de borg ervan in kennis, dat voor 31 van de 32 betrokken zendingen het dossier bij het kantoor van vertrek niet was afgehandeld. Tegelijkertijd ontving SPKR een kopie van die kennisgeving. In juli 1996 kwam de regionale directie de laatste zending op het spoor.
19 Na verificatie verklaarden de Italiaanse autoriteiten bij brieven van 29 en 31 december 1995 betreffende 31 zendingen en bij brief van 10 augustus 1996 betreffende de laatste zending, dat exemplaar nr. 5 van de aangifte T1 was vervalst.
20 Bij brieven van 6 februari 1996 betreffende de 31 zendingen, en van 6 december 1996 betreffende de laatste zending, gaf de regionale directie SPKR kennis van de vastgestelde overtreding en deelde zij haar mee, dat zij binnen drie maanden het bewijs diende te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer, dan wel van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk was begaan.
21 Met betrekking tot de zendingen waarvoor de Deense douaneautoriteiten van mening waren dat de plaats van de overtredingen of onregelmatigheden niet vóór het verstrijken van de gestelde termijn was vastgesteld, gingen die autoriteiten over tot de invordering van de douaneschuld bij SPKR. Daartoe heeft de algemene directie Douane en Belastingen op 28 november en 1 december 1997 definitieve beschikkingen gegeven.
22 Op 27 november 1998 heeft SPKR bij het Vestre Landsret beroep tot nietigverklaring van deze beschikkingen ingesteld.
23 De verwijzende rechter vraagt zich af, of de omstandigheid dat de Deense douaneautoriteiten de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening bedoelde termijn van drie maanden pas hebben meegedeeld na afloop van de in artikel 379, lid 1, van deze verordening gestelde termijn van elf maanden, invloed kan hebben op het recht op invordering van de douaneschuld die in het hoofdgeding aan de orde is.
24 Deze rechter merkt op, dat blijkens het arrest van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen (C-233/98, Jurispr. blz. I-7349), het kantoor van vertrek niet bevoegd is een douaneschuld in te vorderen wanneer de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening bedoelde termijn van drie maanden niet in acht is genomen. Het Hof van Justitie heeft echter geen uitspraak gedaan over de rechtsgevolgen van de niet-inachtneming door de autoriteiten van de in artikel 379, lid 1, bedoelde termijn van elf maanden.
25 Het Vestre Landsret heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
1) Moeten verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (het douanewetboek) en verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (de uitvoeringsverordening), met name artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, aldus worden uitgelegd, dat het kantoor van vertrek een douaneschuld die ten gevolge van een overtreding of een onregelmatigheid in verband met extern communautair douanevervoer is ontstaan, niet bij de aangever kan invorderen wanneer deze laatste niet binnen de termijn van elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer de in artikel 379 van de uitvoeringsverordening bedoelde kennisgeving heeft ontvangen?
2) Is het voor het antwoord op vraag 1 van belang, dat het kantoor van vertrek een in het Comité douanewetboek vastgestelde administratieve regeling voor het doorgeven van inlichtingen (systeem van voorafgaande kennisgeving) niet heeft toegepast, of dat aan de autoriteiten van het kantoor van vertrek kan worden verweten dat de kennisgeving niet tijdig is verricht?"
De vragen
26 Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met het douanewetboek, aldus moet worden uitgelegd, dat het kantoor van vertrek een douaneschuld die naar aanleiding van een overtreding of een onregelmatigheid in verband met extern communautair douanevervoer is ontstaan, ook dan bij de aangever kan invorderen wanneer dit kantoor hem niet binnen de termijn van elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer heeft meegedeeld, dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld. De verwijzende rechter wenst verder te vernemen, of het antwoord op deze vraag anders luidt wanneer het kantoor van vertrek een administratieve regeling voor het doorgeven van inlichtingen, zoals het SIP, niet heeft toegepast of wanneer de overschrijding van die termijn aan een fout of een nalatigheid van dat kantoor is te wijten.
27 Volgens artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening dient het kantoor van vertrek, wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, dit zo spoedig mogelijk" mee te delen aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer" (hierna: termijn van elf maanden").
28 Om te beginnen zij opgemerkt dat artikel 379 van de uitvoeringsverordening noch enige ander bepaling van deze verordening aangeeft wat de gevolgen van de niet-inachtneming door de autoriteiten van de termijn van elf maanden kunnen zijn.
29 Vervolgens zij vastgesteld dat een uitvoeringsverordening zoveel mogelijk in overeenstemming met de basisverordening dient te worden uitgelegd. Bijgevolg moet voor de beoordeling van de gevolgen van de overschrijding van de termijn van elf maanden rekening worden gehouden met de bepalingen van het douanewetboek (zie inzonderheid arrest van 24 juni 1993, Dr. Tretter, C-90/92, Jurispr. blz. I-3569, punt 11).
30 Geen enkele bepaling van het douanewetboek levert grond op voor de conclusie dat de overschrijding van de termijn van elf maanden de douaneschuld die voor de aangever is ontstaan, teniet doet gaan. Artikel 221, lid 3, van het douanewetboek voert ten behoeve van de douaneautoriteiten een termijn van drie jaar in, te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, om aan de schuldenaar het bedrag daarvan mee te delen, terwijl in artikel 233 van dit wetboek, dat een lijst bevat van de verschillende redenen van tenietgaan van de douaneschuld, de overschrijding van de termijn van elf maanden niet is vermeld.
31 Zoals de Commissie terecht heeft vastgesteld, is in de artikelen 221, lid 3, en 233 van het douanewetboek een evenwicht tot stand gebracht tussen enerzijds de noodzaak om de eigen middelen van de Gemeenschap te beschermen, en anderzijds de wens om de bescherming van de belangen van de douane-expediteurs en vervoerders te verzekeren, en is het niet de bedoeling dat de uitvoeringsverordening door de invoering van nieuwe redenen van tenietgaan dit evenwicht verstoort.
32 Bijgevolg moet artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus worden uitgelegd, dat de overschrijding door de douaneautoriteiten van de termijn van elf maanden de aangever niet ontslaat van de verplichting tot betaling van een douaneschuld die door de niet-naleving van verplichtingen in verband met de regeling extern douanevervoer is ontstaan, wanneer overeenkomstig artikel 221, lid 3, van het douanewetboek het bedrag van die schuld met inachtneming van de verjaringstermijn van drie jaar vanaf het ontstaan van de schuld is meegedeeld, en de betrokkene niet in staat was het in artikel 378, lid 1, van de uitvoeringsverordening bedoelde bewijs te leveren.
33 In die omstandigheden heeft de overschrijding van de termijn van elf maanden geen invloed op de opeisbaarheid van de douaneschuld noch op de aansprakelijkheid van de aangever, en doet zij niet af aan het recht van de bevoegde douaneautoriteiten om tot invordering van die schuld over te gaan.
34 Zoals de Deense, de Duitse en de Franse regering terecht hebben opgemerkt, is de termijn van elf maanden een procedureregel, die enkel voor de administratieve autoriteiten geldt en die tot doel heeft te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door deze autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
35 De door SPKR bepleite uitlegging, dat de overschrijding van de termijn van elf maanden tot gevolg zou hebben dat de regel van artikel 378 van de uitvoeringsverordening inzake de bewijslast niet van toepassing is, en dat het kantoor van vertrek voor de invordering van de douaneschuld dus het bewijs moet leveren van zowel het bestaan van de onregelmatigheid als de plaats waar zij is begaan, kan niet worden aanvaard. Deze uitlegging zou immers in de praktijk hierop neerkomen, dat een nieuwe reden van tenietgaan van de douaneschuld aan die van het douanewetboek wordt toegevoegd, nu voor de toepassing van de procedure van artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening vereist is dat de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid door de douaneautoriteiten niet kan worden vastgesteld.
36 Deze uitlegging houdt voldoende rekening met de belangen van de aangever. Zoals de Commissie terecht heeft vastgesteld, is de betrokkene immers over het algemeen in staat, in voorkomend geval, het bewijs van de regelmatigheid van het extern communautaire douanevervoer te leveren binnen de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening bedoelde termijn van drie maanden.
37 Zou in een geval als dat van het hoofdgeding, waarin aan de douaneautoriteiten vervalste documenten werden afgegeven, aan het kantoor van vertrek bovendien de verplichting worden opgelegd om de overtreding of de onregelmatigheid binnen de termijn van elf maanden aan de aangever mee te delen, omdat anders deze autoriteiten het recht op invordering van de douaneschuld zouden verliezen, dan zou dat dit recht ernstig in het gedrang kunnen brengen, nu absoluut niet zeker is dat de vervalsing van de documenten binnen die termijn aan het licht zal komen. Een dergelijke uitlegging kan derhalve de fraudebestrijding en de financiële belangen van de Gemeenschap ernstig schaden.
38 Dat overschrijding van de termijn van elf maanden geen invloed heeft op de toepassing van de voorwaarden voor invordering van de douaneschuld als bedoeld in de artikelen 378 en 379 van de uitvoeringsverordening, is evenmin in strijd met het reeds aangehaalde arrest Lensing & Brockhausen. In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat de termijn van artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening, waarop dat arrest betrekking had, de belangen van de aangever wil beschermen door hem een termijn van drie maanden te verlenen om, in voorkomend geval, het bewijs te leveren dat er geen sprake is van een onregelmatigheid of overtreding, terwijl blijkens punt 34 van het onderhavige arrest de termijn van elf maanden enkel een procedureregel is ter verzekering van een snelle en eenvormige toepassing van de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
39 Ten slotte, aangezien de overschrijding van de termijn van elf maanden op zich geen invloed heeft op de opeisbaarheid en de voorwaarden voor invordering van de douaneschuld, is het irrelevant dat het kantoor van vertrek een administratieve regeling, zoals het SIP, niet heeft toegepast of dat de niet-tijdige kennisgeving aan een fout of een nalatigheid van dat kantoor is te wijten.
40 Mitsdien moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met het douanewetboek, aldus moet worden uitgelegd, dat het kantoor van vertrek een douaneschuld die naar aanleiding van een overtreding of een onregelmatigheid in verband met extern communautair douanevervoer is ontstaan, ook dan bij de aangever kan invorderen wanneer dit kantoor hem niet binnen de termijn van elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer heeft meegedeeld dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer het kantoor van vertrek een administratieve regeling betreffende het doorgeven van inlichtingen, zoals het SIP, niet heeft toegepast, of wanneer de niet-tijdige kennisgeving aan een fout of een nalatigheid van dat kantoor is te wijten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Deense, de Duitse en de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Vestre Landsret bij beschikking van 9 maart 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 379, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, gelezen in samenhang met verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd, dat het kantoor van vertrek een douaneschuld die naar aanleiding van een overtreding of een onregelmatigheid in verband met extern communautair douanevervoer is ontstaan, ook dan bij de aangever kan invorderen wanneer dit kantoor hem niet binnen de termijn van elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer heeft meegedeeld dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de plaats van de overtreding of de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer het kantoor van vertrek een administratieve regeling betreffende het doorgeven van inlichtingen, zoals het systeem van voorafgaande kennisgeving (SIP), niet heeft toegepast, of wanneer de niet-tijdige kennisgeving aan een fout of een nalatigheid van dat kantoor is te wijten.
Full & Egal Universal Law Academy