Zaak C-121/01 P
Eoghan O'Hannrachain
tegen
Europees Parlement
«Hogere voorziening – Ambtenaren – Ambt van rang A 1 – Artikel 29, lid 2, van Statuut – Kennisgeving van vacature – Stukken opgesteld na bestreden besluit»
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 19 september 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Ambtenaren – Aanwerving – Procedures – Overgang van procedure van artikel 29, lid 1, van Statuut naar procedure van artikel 29, lid 2 – Toelaatbaarheid – Discretionaire bevoegdheid van tot aanstelling bevoegde gezag om keuzemogelijkheden te verruimen
(Ambtenarenstatuut, art. 29)
2.. Ambtenaren – Aanwerving – Aanwerving op basis van artikel 29, lid 2, van Statuut – Inhoud van sollicitatiedossier – Overlegging ter verweer voor Gerecht van na aanstellingsbesluit opgestelde stukken inzake kundigheden van gekozen sollicitant – Toelaatbaarheid
3.. Hogere voorziening – Middelen – Verkeerde beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58)
4.. Ambtenaren – Beroep – Middelen – Misbruik van bevoegdheid – Begrip
1. Aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag, wanneer in een vacature moet worden voorzien, over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om de kandidaten te zoeken die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, kan het beslissen tot de volgende fase van de aanwervingsprocedure over te gaan, zelfs wanneer het in het kader van de eerste fase over nuttige sollicitaties beschikt. Door het gebruik van de term mogelijkheden in artikel 29, lid 1, van het Statuut wordt overigens duidelijk uitgedrukt dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet absoluut verplicht is om tot een bevordering of overplaatsing over te gaan, doch alleen dient na te gaan, of die maatregelen in het concrete geval kunnen leiden tot de aanstelling van een ambtenaar die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet. Bijgevolg kan het tot aanstelling bevoegde gezag ook beslissen tot de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut over te gaan wanneer er een of meer sollicitanten zijn die voldoen aan alle in de kennisgeving van vacature voor het te vervullen ambt gestelde voorwaarden en eisen. Bovendien behoeft dit besluit niet noodzakelijkerwijs te worden genomen op het moment van de bekendmaking van de kennisgeving van vacature, en geldt daarvoor geen enkele publicatievoorwaarde. Het genoemde artikel 29, lid 2, wordt evenmin geschonden doordat degenen die in het kader van de interne aanwervingsprocedure hadden gesolliciteerd, niet ervan op de hoogte werden gebracht dat werd overgegaan tot de tot externe sollicitanten uitgebreide aanwervingsprocedure, wanneer in het kader van deze nieuwe procedure met de interne sollicitanten rekening zal worden gehouden en de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen niet worden gewijzigd. cf. punten 14-17, 19
2. Hoewel de rechtmatigheid van een aanwervingsbesluit moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover het tot aanstelling bevoegde gezag op het moment van de vaststelling van dit besluit beschikte, bepaalt artikel 29, lid 2, van het Statuut niet dat sollicitanten documenten die hun kwalificaties staven, of andere rechtvaardigingsstukken moeten overleggen, noch dat het tot aanstelling bevoegde gezag op het ogenblik van de vaststelling van het besluit in het dossier dient te beschikken over de documenten die de informatie in haar bezit bevestigen. cf. punt 28
3. Blijkens artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en is het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen ─ tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken ─ en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. cf. punt 35
4. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft een welbepaalde inhoud en ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Er is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer op grond van objectieve, ter zake dienende en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, dan wel te ontkomen aan de toepassing van een procedure waarin speciaal is voorzien. cf. punt 46
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
5 juni 2003 (1)
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Ambt van rang A 1 – Artikel 29, lid 2, van Statuut – Kennisgeving van vacature – Stukken opgesteld na bestreden besluit”
In zaak C-121/01 P,
Eoghan O'Hannrachain, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Cents (Luxemburg), vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Levi, advocaten,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 16 januari 2001, Chamier en O'Hannrachain/Parlement (T-97/99 en T-99/99, JurAmbt. blz. I-A-1 en II-1), strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Schoo, H. von Hertzen en D. Moore als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,verweerder in eerste aanleg,wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, V. Skouris en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 16 mei 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 maart 2001, heeft E. O'Hannrachain krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld, strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 januari 2001, Chamier en O'Hannrachain/Parlement (T-97/99 en T-99/99, JurAmbt. blz. I-A-1 en II-1; hierna: bestreden arrest), waarbij het Gerecht volledig ongegrond heeft verklaard de door hemzelf en Chamier ingestelde beroepen, die enerzijds strekten tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: TABG) van 16 juli 1998 houdende aanstelling van de heer Lopez Veiga in het ambt van directeur-generaal van het directoraat-generaal Financiën en financiële controle (hierna: betrokken ambt), van de besluiten van dezelfde datum houdende afwijzing van hun sollicitaties naar dit ambt, en, voor zoveel nodig, van de besluiten van 21 januari 1999 houdende afwijzing van hun klachten, en anderzijds tot veroordeling van het Parlement om hun schadevergoeding te betalen.
Het rechtskader
2 Artikel 7, lid 1, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut) luidt als volgt: Het tot aanstelling bevoegde gezag stelt de ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt.
3 Artikel 27, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: De aanwerving dient erop gericht te zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding.
4 Artikel 29 van het Statuut bepaalt: 1. Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.[...]2. Voor het aanwerven van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, kan door het tot aanstelling bevoegde gezag een andere procedure worden gevolgd dan die van het vergelijkend onderzoek.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
5 De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden in het bestreden arrest als volgt weergegeven:
1 Op 28 januari 1998 keurde het bureau van het Europees Parlement (hierna: bureau) het voorstel van de secretaris-generaal goed om het directoraat-generaal Personeel, begroting en financiën (DG V) op te splitsen in twee nieuwe directoraten-generaal, te weten het directoraat-generaal Financiën en financiële controle (DG VIII) en het directoraat-generaal Personeelszaken (DG V).
2 Ten vervolge op dit besluit werden de posten in de rang A 1 van directeur-generaal van deze twee directoraten-generaal vacant verklaard. Tot de procedure van aanwerving van de directeur-generaal van DG VIII werd overgegaan op basis van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut [...]
3 De kennisgeving van vacature van 25 juni 1998 voor de post van directeur-generaal van DG VIII vermeldt: De voorzitter van het Europees Parlement heeft besloten om overeenkomstig de statutaire bepalingen eerst de mogelijkheid te onderzoeken om bij wege van bevordering en overplaatsing binnen de instelling in dit ambt te voorzien.
1) Aard van de functie Onder het gezag van de secretaris-generaal en onverminderd de bevoegdheden van de boekhouder en de onafhankelijkheid van de financiële controleur, zoals die in het financieel reglement en de uitvoeringsbepalingen daarvan zijn vastgesteld:
─ leiding van de met de financiën belaste administratieve diensten, te weten de diensten van de parlementaire vergoedingen, de begroting, de kas en de comptabiliteit, de inventaris, alsmede van het beheer en de financiële controle;
─ coördinatie en organisatie van de diensten en leiding geven aan personeel van het directoraat-generaal;
─ betrekkingen met de andere instellingen van de Europese Gemeenschappen, met name in het kader van de begrotingsprocedure.
2) Vereiste kundigheden en bekwaamheden
─ kennis op universitair niveau blijkend uit een diploma economie of financiën, of beroepservaring die een gelijkwaardig niveau verzekert;
─ goede kennis van de structuur en de werking van de Europese Unie en de instellingen ervan, met name van het Parlement, alsmede van de verdragen en de gemeenschapswetgeving;
─ grondige kennis van de op de gemeenschapsinstellingen toepasselijke regelingen, met name inzake financiën;
─ uitstekend organisatievermogen en op ervaring gebaseerde bekwaamheid in het leiden van omvangrijke teams en in administratief beheer;
─ analyse- en synthesevermogen;
─ grondige kennis van één van de officiële talen van de Europese Unie en zeer goede kennis van een andere van die talen. Om functionele redenen zal met de kennis van andere officiële talen rekening worden gehouden. Voor de sub 1 omschreven functie moet aan de hoogste eisen inzake bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid worden voldaan en zijn een zeer hoog beoordelings- en beslissingsvermogen en gevoel voor intermenselijke betrekkingen vereist.
4 Op 2 juli 1998 solliciteerde Lopez Veiga, bij het Parlement als kabinetschef van de voorzitter gedetacheerde ambtenaar van de Commissie, als volgt naar de litigieuze post: Bij deze nota solliciteer ik naar de post van directeur-generaal van het directoraat-generaal Financiën en financiële controle, voor het geval dat [het TABG] zou besluiten over te gaan tot de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut.
5 Verzoekers, O'Hannrachain en Chamier, ambtenaren van het Parlement, hebben respectievelijk op 9 en 10 juli 1998 naar dit ambt gesolliciteerd. B., V. en C. hebben eveneens naar dit ambt gesolliciteerd. Krachtens artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut werden echter alleen de sollicitaties van beide verzoekers en van B. en V. ontvankelijk bevonden. Aangezien C. en Lopez Veiga ambtenaren van de Commissie zijn, waren hun sollicitaties op grond daarvan niet-ontvankelijk.
6 Tijdens de vergadering van het bureau van 13 juli 1998 stelde de secretaris-generaal van het Parlement voor, nadat hij de profielen had geschetst van de vier sollicitanten die op basis van artikel 29, lid 1, van het Statuut in aanmerking konden worden genomen en van de twee sollicitanten die op basis van artikel 29, lid 2, van het Statuut in aanmerking zouden kunnen worden genomen, dat, gelet op de aard van het te vervullen ambt, het bureau zou overgaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut. In zijn hoedanigheid van [TABG] heeft het bureau diezelfde dag beslist tot deze procedure over te gaan en rekening te houden met de sollicitaties van C. en Lopez Veiga. In het proces-verbaal van deze vergadering van het bureau staat te lezen:
3. Aanstelling in A 1- en A 2-ambten (met gesloten deuren) [...] Het bureau
─ hoort de secretaris-generaal, die de sollicitaties bespreekt die werden ontvangen voor de drie vacante A 1-posten (directeur-generaal Personeelszaken ─ DG V, directeur-generaal Financiën en financiële controle ─ DG VIII, directeur-generaal Administratie ─ DG VI) en voor de vacante A 2-post (directeur van de diensten van het voorzitterschap ─ DG I) en op basis van de in zijn nota van 13 juli 1998 vermelde overwegingen voorstelt om voor de post van directeur-generaal Financiën en financiële controle ─ DG VIII (post nr. VIII/A/3942) over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut teneinde een ruimere keuze van sollicitanten voor deze post te hebben;
─ hoort de voorzitter, die voorstelt om, gelet op het op 13 juli 1998 aan de leden van het bureau voorgelegde dossier, het onderzoek van de sollicitaties naar de vier betrokken ambten voort te zetten op donderdag 16 juli 1998 om 8 uur 30
─ besluit over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut voor de post van directeur-generaal Financiën en financiële controle.
7 Op 15 juli 1998 wordt de secretaris-generaal ervan op de hoogte gesteld dat V. en C. hun sollicitatie naar het betrokken ambt intrekken. Diezelfde dag stelt hij het bureau voor, Lopez Veiga als directeur-generaal van DG VIII aan te stellen.
8 Tijdens de vergadering van 16 juli 1998 heeft het bureau de voorzitter, mevrouw Fontaine, de heer Cot, ondervoorzitter, de secretaris-generaal, de jurisconsult, de heer Imbeni, mevrouw Hoff, de heren Martin, Anastassopoulos en Gutiérrez Díaz, mevrouw Schleicher, de heren Verde i Aldea en Haarder en de heer Collins, ondervoorzitter gehoord en na stemming besloten Lopez Veiga in het betrokken ambt van directeur-generaal aan te stellen overeenkomstig artikel 29, lid 2, van het Statuut.
9 Op 16 september 1998 hebben verzoekers van het hoofd van de afdeling Personeelszaken een brief ontvangen die luidt als volgt: Ten vervolge op de vergadering van het bureau van het Europees Parlement van 16 juli 1998 moet ik u tot mijn spijt meedelen dat uw sollicitatie naar bovengenoemd ambt niet werd uitgekozen. Ik dank u voor uw belangstelling voor deze plaats.
10 Op 13 oktober 1998 hebben beide verzoekers een klacht ingediend tegen het besluit van 16 juli 1998 houdende aanstelling van Lopez Veiga in het betrokken ambt en tegen het besluit van 16 september 1998 tot afwijzing van hun respectieve sollicitaties. Bij besluiten van 21 januari 1999, die op 25 januari 1999 aan verzoekers werden betekend, zijn deze klachten afgewezen.
De beroepen bij het Gerecht en het bestreden arrest
6 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 en 22 april 1999 en ingeschreven onder de nummers T-97/99 en T-99/99, hebben Chamier en O'Hannrachain de in punt 1 van het onderhavige arrest vermelde beroepen ingesteld. Bij beschikking van 6 juni 2000 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de zaken T-97/99 en T-99/99 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
7 Ter ondersteuning van hun vorderingen tot nietigverklaring van de besluiten van het TABG (hierna: litigieuze besluiten) voerden verzoekers zes middelen aan, die respectievelijk waren ontleend aan schending van artikel 29 van het Statuut, schending van de kennisgeving van vacature, kennelijk onjuiste beoordeling bij de keuze door het TABG, schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut en van het non-discriminatiebeginsel, misbruik van bevoegdheid, alsmede schending van de beginselen van gezond beheer en goed bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Bovendien vorderden zij schadevergoeding op grond dat hun gewettigd vertrouwen was geschonden.
8 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de twee bij hem aanhangig gemaakte beroepen volledig verworpen na al de door verzoekers aangevoerde middelen ongegrond te hebben verklaard.
De hogere voorziening en de vorderingen
9 O'Hannrachain heeft tegen het bestreden arrest, dat hem op 16 januari 2001 werd betekend, hogere voorziening ingesteld voorzover hij door dit arrest wordt geraakt.
10 Hij concludeert dat het den Hove behage:
─ het bestreden arrest te vernietigen;
─ bijgevolg, zijn in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen en, derhalve,
─ nietig te verklaren het besluit van het TABG van 16 juli 1998 houdende aanstelling van L. V. in het ambt van directeur-generaal van het directoraat-generaal Financiën en financiële controle, het besluit van dezelfde datum houdende afwijzing van zijn sollicitatie naar dat ambt, en, voor zoveel als nodig, het besluit van 21 januari 1999 houdende afwijzing van zijn klacht;
─ het Parlement te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding die ex aequo et bono op 100 000 euro wordt geraamd;
─ het Parlement te verwijzen in de kosten.
11 Het Parlement concludeert dat het den Hove behage:
─ de hogere voorziening ten dele niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond te verklaren;
─ subsidiair, in het onwaarschijnlijke geval dat het Hof het bestreden arrest zou vernietigen, de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een nieuwe uitspraak op het beroep van rekwirant;
─ over de kosten te beslissen als naar recht.
De middelen tot vernietiging van het bestreden arrest
12 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert O'Hannrachain zes middelen aan, ontleend aan respectievelijk schending door het Gerecht van:
─ artikel 29 van het Statuut;
─ het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor;
─ de motiveringsplicht en de gevolgen van een kennisgeving van vacature;
─ het begrip misbruik van bevoegdheid;
─ de artikelen 7 en 27 van het Statuut en het non-discriminatiebeginsel;
─ het beginsel van gezond beheer en goed bestuur en de motiveringsplicht.
De hogere voorziening
De vordering tot vernietiging
Het middel inzake de schending van artikel 29 van het Statuut
13 Om te beginnen betoogt O'Hannrachain, zakelijk weergegeven, dat in de punten 33 tot en met 37 en 39 en 40 van het bestreden arrest het Gerecht artikel 29 van het Statuut heeft geschonden door te oordelen dat het TABG, nadat het de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft ingeleid, tot de procedure van artikel 29, lid 2, kan overgaan zonder eerst de verdiensten van de volgens artikel 29, lid 1, in aanmerking komende sollicitanten te vergelijken om na te gaan of zij aan de eisen van de kennisgeving van de vacature voldoen. Hij meent dat het TABG aldus niet heeft onderzocht of in het onderhavige geval, overeenkomstig artikel 29 van het Statuut, de procedure van bevordering/overplaatsing kon leiden tot de aanstelling van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
14 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht er in de punten 33 tot en met 35 van het bestreden arrest terecht aan heeft herinnerd dat het argument dat het TABG niet tot de volgende fase van de aanwervingsprocedure kon overgaan omdat het aan het einde van de eerste fase over nuttige sollicitaties beschikte, geen hout snijdt. Volgens vaste rechtspraak beschikt het TABG immers over een ruime discretionaire bevoegdheid om de kandidaten te zoeken die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen (zie met name arresten van 31 maart 1965, Ley/Commissie, 12/64 en 29/64, Jurispr. blz. 141, 160; 8 juni 1988, Vlachou/Rekenkamer, 135/87, Jurispr. blz. 2901, punt 23, en 13 juli 2000, Parlement/Richard, C-174/99 P, Jurispr. blz. I-6189, punt 37).
15 Bovendien volgt eveneens uit vaste rechtspraak dat door het gebruik van de term mogelijkheden in artikel 29, lid 1, van het Statuut duidelijk wordt uitgedrukt dat het TABG niet absoluut verplicht is om bij wege van bevordering of overplaatsing in een vacature te voorzien, doch alleen dient na te gaan, of die maatregelen kunnen leiden tot de aanstelling van een ambtenaar die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet (zie met name reeds aangehaalde arresten Ley/Commissie, Jurispr. blz. 160, en Parlement/Richard, punt 38).
16 Bijgevolg kan het TABG ook tot een volgende fase van de aanwervingsprocedure overgaan wanneer er een of meer sollicitanten zijn die voldoen aan alle in de kennisgeving van vacature voor het te vervullen ambt gestelde voorwaarden en eisen (arrest Parlement/Richard, reeds aangehaald, punt 40).
17 Het Gerecht heeft in punt 36 van het bestreden arrest tevens terecht opgemerkt dat het besluit om in de loop van een aangevatte aanwervingsprocedure de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut te gaan volgen, niet noodzakelijkerwijs behoeft te worden genomen op het moment van de bekendmaking van de kennisgeving van vacature, en dat daarvoor geen enkele publicatievoorwaarde geldt (zie arresten van 29 oktober 1975, Marenco e.a./Commissie, 81/74─88/74, Jurispr. blz. 1247, punten 21 en 23; 19 mei 1983, Mavridis/Parlement, 289/81, Jurispr. blz. 1731, punt 23, en 12 december 1989, Exarchos/Parlement, C-331/87, Jurispr. blz. 4185). Het Gerecht heeft hieruit in punt 37 van het bestreden arrest kunnen afleiden dat het TABG tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut kon overgaan.
18 Vervolgens verwijt O'Hannrachain het Gerecht dat het is voorbijgegaan aan het feit dat het korte tijdsbestek waarin de aanstelling van Lopez Veiga heeft plaatsgevonden, hoewel op zich niet laakbaar, wel laakbaar is gelet op de context waarin de aanstelling heeft plaatsgevonden, welke context wordt gekenmerkt door het opvissen van de sollicitatie van betrokkene, het te dien einde misbruiken van de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, het ontbreken van een vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren wier sollicitatie op basis van artikel 29, lid 1, van het Statuut ontvankelijk was, de overhaaste beslissing van het bureau op een niet nader gemotiveerd voorstel van de secretaris-generaal, het achterwege laten van het bespreken van de uiteindelijk in aanmerking genomen sollicitaties en het ontbreken van een motivering waaruit kan worden opgemaakt waarom de sollicitatie van Lopez Veiga boven de zijne is verkozen.
19 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Het Gerecht kon, tegen de achtergrond van de in de punten 14 en 17 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen, in punt 39 van het bestreden arrest terecht concluderen dat het korte tijdsbestek, gelet op de context van de aanstelling, geen schending van artikel 29 van het Statuut opleverde. Dienaangaande heeft het Gerecht er terecht aan herinnerd dat, aangezien het TABG niet verplicht was het besluit om tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut over te gaan bekend te maken, het bureau het korte tijdsbestek waarin het deze procedure heeft afgerond, niet kon worden verweten, aangezien zijn keuzemogelijkheid daadwerkelijk was verruimd. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest eveneens terecht opgemerkt dat het feit dat verzoekers niet op de hoogte werden gebracht van het voornemen van het bureau om over te gaan tot deze procedure, evenmin een schending van artikel 29, lid 2, van het Statuut opleverde, aangezien het TABG in de tot externe sollicitanten uitgebreide aanwervingsprocedure immers rekening heeft gehouden met degenen die in het kader van de interne aanwervingsprocedure hadden gesolliciteerd, zonder de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen te wijzigen. Derhalve heeft het Gerecht met betrekking tot de uitlegging van artikel 29 van het Statuut geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
20 Ten slotte verwijt O'Hannrachain het Gerecht dat het in punt 37 van het bestreden arrest heeft erkend dat de op basis van artikel 29, lid 2, van het Statuut ingediende sollicitaties a priori van belang waren, zonder dat dit werd gemotiveerd of gerechtvaardigd. Volgens O'Hannrachain komt dit neer op de erkenning dat er sprake was van een bewuste en vooraf bepaalde wil van het Parlement om Lopez Veiga aan te stellen met voorbijgaan aan de voor dit doel bestaande procedures.
21 Dat betoog berust op een onjuiste uitlegging van het bestreden arrest en kan derhalve niet worden aanvaard. Het Gerecht heeft immers in punt 37 slechts opgemerkt, enerzijds dat de secretaris-generaal van het Parlement in een met het oog op de vergadering van het bureau van 13 juli 1998 opgestelde nota het profiel van alle sollicitanten had geschetst en het bureau had voorgesteld over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, welk voorstel tijdens die vergadering werd goedgekeurd, en anderzijds dat dit besluit kennelijk was gemotiveerd door de omstandigheid dat deze twee sollicitaties a priori van belang waren voor het voorzien in het betrokken ambt. Door deze formulering heeft het Gerecht alleen vastgesteld dat de twee betrokken sollicitaties op het eerste gezicht interessant waren met het oog op het naar behoren voorzien in dit ambt.
22 Hieruit volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening dient te worden afgewezen.
Het middel inzake de schending van het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor
23 O'Hannrachain verwijt het Gerecht dat het in de punten 58, 61 en 66 van het bestreden arrest het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door stukken te aanvaarden die door het Parlement zijn overgelegd maar die waren opgesteld na het besluit tot aanstelling van Lopez Veiga. Overeenkomstig het motiveringsbeginsel dient een administratief besluit op controleerbare gronden te zijn gebaseerd. Wanneer deze gronden niet formeel worden uitgedrukt, dienen zij te blijken uit het tijdens de besluitvormingsprocedure opgestelde administratieve dossier. De gronden van de bestreden handeling kunnen slechts door in tempore non suspecto (voor of ten tijde van de handeling) vastgestelde elementen worden gestaafd. In casu diende de motivering te berusten op gegevens die voorhanden waren en die het Parlement hebben geleid op het moment van de vaststelling van het besluit. Het legaliteitsbeginsel houdt immers in dat de rechtmatigheid van een besluit wordt getoetst op het moment van de vaststelling ervan, zonder rekening te houden met omstandigheden die van na het besluit dateren, omdat het bestuurlijke gezag hiervan op het moment van het besluit geen kennis kon hebben. Het beginsel van hoor en wederhoor kan niet dienen ter rechtvaardiging van de beslissing van het Gerecht om rekening te houden met stukken die na de vaststelling van het genoemde besluit zijn opgesteld.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de door het Parlement in de bijlagen 8.2 tot en met 8.5 van zijn verweerschrift geproduceerde stukken, die betrekking hebben op het curriculum vitae van Lopez Veiga, onder het beginsel van hoor en wederhoor vallen doordat zij een antwoord geven op de door verzoekers geuite twijfels inzake de opleiding en de beroepservaring van de betrokkene. Hoewel deze stukken pas na de indiening van de sollicitatie van de betrokkene werden opgesteld, kunnen zij volgens het Gerecht niet worden gelijkgesteld met gebeurtenissen die van na de vaststelling van het aanstellingsbesluit dateren, aangezien deze stukken ertoe strekken het waarheidsgehalte en de draagwijdte aan te tonen van de informatie waarover de auteur van het besluit beschikte.
25 In punt 61 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld: Wat het argument van verzoekers betreft dat Lopez Veiga niet over een diploma economie of financiën of over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt, dient te worden opgemerkt dat hij het diploma van Bachelor of administration van de universiteit van Zuid-Afrika bezit. Dienaangaande heeft het Parlement op verzoek van het Gerecht een officiële kopie van het door Lopez Veiga behaalde diploma overgelegd, alsmede een lijst van de voor de verkrijging van dit diploma gevolgde cursussen. Uit deze stukken blijkt dat economie het voornaamste studiegebied van Lopez Veiga in het kader van deze universitaire opleiding was. Verzoekers stellen derhalve ten onrechte dat Lopez Veiga geen universitair diploma economie heeft.
26 In punt 66 van het bestreden arrest heeft het Gerecht naar het curriculum vitae van Lopez Veiga verwezen en daaruit afgeleid dat uit de aard van de vroeger door hem uitgeoefende functies, hoewel die geen verband hielden met de gemeenschapsinstellingen, een vaststaande ervaring inzake begroting bleek.
27 Deze overwegingen berusten niet op een onjuiste rechtsopvatting.
28 De rechtmatigheid van een aanwervingsbesluit moet weliswaar worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover het TABG op het moment van de vaststelling van dit besluit beschikte, doch in het kader van de in artikel 29, lid 2, van het Statuut bedoelde aanwervingsprocedures bepaalt dit artikel niet dat sollicitanten documenten die hun kwalificaties staven, of andere rechtvaardigingsstukken moeten overleggen, noch dat het TABG op het ogenblik van de vaststelling van het besluit in het dossier documenten dient te vinden die de in zijn bezit zijnde informatie bevestigen.
29 Vastgesteld moet worden dat O'Hannrachain het TABG niet verwijt dat het op het moment van de vaststelling van het besluit tot aanstelling van Lopez Veiga in het betrokken ambt niet over alle noodzakelijke informatie beschikte. Hij verwijt het Gerecht alleen dat het de overlegging van na dat besluit opgestelde stukken heeft aanvaard. Dienaangaande moet worden aanvaard dat het Gerecht op goede gronden rekening heeft kunnen houden met stukken die het Parlement tijdens de procedure in het kader van de uitoefening van zijn rechten van de verdediging, een der verschijningsvormen van het beginsel van hoor en wederhoor, heeft overgelegd.
30 Derhalve dient te worden vastgesteld dat het Gerecht in de punten 58, 61 en 66 van het bestreden arrest noch het legaliteitsbeginsel, noch het beginsel van de motivering van bestuurlijke besluiten, noch het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.
De middelen inzake de niet-nakoming van de motiveringsplicht en het voorbijgaan aan de gevolgen van een kennisgeving van vacature, alsmede inzake schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut en van het non-discriminatiebeginsel
31 Het derde en het vijfde middel dienen samen te worden onderzocht omdat zij beide betrekking hebben op de grief inzake de ongeschiktheid van de gekozen sollicitant om het betrokken ambt te vervullen, gelet op de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen.
32 Met zijn derde middel betoogt O'Hannrachain, zakelijk weergegeven, dat het Gerecht in de punten 62 tot en met 66 van het bestreden arrest bij de beoordeling van de kundigheden en de ervaring van Lopez Veiga blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover deze beoordeling hem ertoe brengt aan te nemen dat Lopez Veiga kundigheden bezit die voldoen aan de vereisten van de kennisgeving van vacature. Bijgevolg is het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest voorbijgegaan aan de gevolgen van een kennisgeving van vacature.
33 Meer in het bijzonder voert O'Hannrachain aan dat rekening dient te worden gehouden met het besluit om het voormalige DG V in twee nieuwe directoraten-generaal te splitsen. Uit het onderzoek van de aard van de bij het betrokken ambt behorende functies blijkt dat de ambtsdrager noodzakelijkerwijs een hoog bekwaamheids- en ervaringsniveau moet bezitten ter zake van de verschillende aspecten van het beheer van de financiën. Het Gerecht heeft evenwel geen rekening gehouden met het belang dat het Parlement zelf hechtte aan het technische en specifieke karakter van het betrokken ambt, dat het van de algemene administratieve taken heeft willen onderscheiden. Het Gerecht is eraan voorbijgegaan dat Lopez Veiga kennelijk niet voldoet aan twee voorwaarden die in de kennisgeving van vacature zijn vermeld, te weten:
─ kennis op universitair niveau blijkend uit een diploma economie of financiën, of beroepservaring die een gelijkwaardig niveau verzekert;
─ grondige kennis van de op de gemeenschapsinstellingen toepasselijke regelingen, met name inzake financiën.
34 Met deze grief betwist O'Hannrachain in feite de beoordeling van de feiten door het Gerecht.
35 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat blijkens artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen ─ tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken ─ en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie met name arresten van 2 oktober 2001, EIB/Hautem, C-449/99 P, Jurispr. blz. I-6733, punt 44, en 7 november 2002, Hirschfeldt/EMA, C-184/01 P, Jurispr. blz. I-10173, punt 40).
36 In casu blijkt echter niet dat het Gerecht de aan hem overgelegde bewijselementen onjuist heeft voorgesteld. Derhalve dient deze grief niet-ontvankelijk te worden verklaard.
37 O'Hannrachain verwijt het Gerecht tevens dat het in punt 64 van het bestreden arrest zijn beoordeling in de plaats van die van het TABG heeft gesteld. Vastgesteld moet echter worden dat het Gerecht binnen de in punt 57 van het bestreden arrest correct geëxpliciteerde grenzen van zijn toezicht is gebleven.
38 O'Hannrachain betoogt bovendien dat het besluit tot aanstelling van Lopez Veiga in het betrokken ambt geen motivering bevat die het mogelijk maakt te beoordelen of hij daadwerkelijk aan de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen voldoet.
39 Deze grief, die betrekking heeft op de op het Parlement rustende motiveringsplicht, werd niet voor het Gerecht aangevoerd. O'Hannrachain voerde deze grief weliswaar aan in zijn voorafgaande klacht, doch deze grief werd echter niet als zodanig in het inleidende verzoekschrift voor het Gerecht opgenomen. Wanneer een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof kon aanvoeren, zou zij in feite bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig kunnen maken, dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arrest van 1 juli 1999, Alexopoulou/Commissie, C-155/98 P, Jurispr. blz. I-4069, punt 41). Derhalve dient deze grief eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
40 Hieruit volgt dat het derde middel dient te worden afgewezen.
41 Met zijn vijfde middel verwijt O'Hannrachain het Gerecht, zakelijk weergegeven, dat het in de punten 84 tot en met 87 van het bestreden arrest de artikelen 7 en 27 van het Statuut en het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door te weigeren de aanstelling van een sollicitant die niet aan de eisen van de kennisgeving van vacature voldoet, teniet te doen, terwijl hijzelf daar in alle opzichten aan voldoet.
42 O'Hannrachain betoogt dat het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest verkeerdelijk heeft geoordeeld dat het TABG geen kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling of Lopez Veiga aan de eisen van de kennisgeving van vacature voldeed. Volgens O'Hannrachain beschikt Lopez Veiga niet over de in de kennisgeving van vacature vereiste technische bekwaamheid inzake begroting en financiën. In punt 87 van het bestreden arrest zou het Gerecht het begrip belang van de dienst onjuist hebben uitgelegd, aangezien algemene en politieke verantwoordelijkheden de nauw met de uitoefening van het betrokken ambt verbonden technische kennis niet geldig kunnen vervangen.
43 Met deze grieven stelt O'Hannrachain opnieuw de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht ter discussie. Derhalve dienen deze grieven eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
44 Hieruit volgt dat het vijfde middel dient te worden afgewezen.
Het middel inzake de schending van het begrip misbruik van bevoegdheid
45 Met zijn vierde middel betoogt O'Hannrachain, zakelijk weergegeven, dat het Gerecht in de punten 109, 111, 112 en 116 tot en met 120 van het bestreden arrest het begrip misbruik van bevoegdheid heeft geschonden door de talrijke, objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen die hij naar voren heeft gebracht, niet als een aanwijzing van misbruik van bevoegdheid te beschouwen.
46 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals uit punt 104 van het bestreden arrest volgt, het begrip misbruik van bevoegdheid een welbepaalde inhoud heeft en ziet op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Er is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer op grond van objectieve, ter zake dienende en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, dan wel te ontkomen aan de toepassing van een procedure waarin het Statuut speciaal heeft voorzien om de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (zie arrest van 22 november 2001, Nederland/Raad, C-110/97, Jurispr. blz. I-8763, punt 137).
47 Het Gerecht heeft deze rechtspraak in het bestreden arrest niet geschonden.
48 O'Hannrachain verwijt het Gerecht met name dat het de aanwijzingen die verzoekers aanvoerden tot staving van hun stelling dat Lopez Veiga de door het TABG bij voorbaat uitgekozen sollicitant was en na een onregelmatige procedure is aangesteld, los van elkaar en niet op globale wijze heeft onderzocht.
49 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht in de punten 106 tot en met 121 van het bestreden arrest de feitelijke omstandigheden van de aanstelling van Lopez Veiga, waaruit volgens verzoekers een misbruik van bevoegdheid bleek, omstandig heeft onderzocht. Uit de bovengenoemde punten blijkt evenwel niet dat het Gerecht de ter ondersteuning van het middel inzake misbruik van bevoegdheid aangevoerde aanwijzingen los van elkaar en niet op globale wijze heeft onderzocht. In punt 121 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar met betrekking tot het zeer korte tijdsbestek tussen het besluit van het bureau om tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut over te gaan en het besluit tot aanstelling van Lopez Veiga in het betrokken ambt geoordeeld dat dit gegeven op zich geen misbruik van bevoegdheid in hoofde van het bureau van het Parlement aantoont, doch vaststaat dat uit het algemene onderzoek van de punten 106 tot en met 121 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht de hem ter ondersteuning van dit middel voorgelegde aanwijzingen in feite op globale wijze heeft onderzocht.
50 O'Hannrachain verwijt het Gerecht tevens dat het een aantal van de door verzoekers overgelegde stukken heeft uitgekozen en het op eigen gezag bewust die documenten terzijde heeft geschoven die tegen de aanstelling van Lopez Veiga pleitten, met name het persartikel Liberals and Greens oppose political patronage en het uittreksel uit het werk met de titel Babilonia y babel: el Parlamento Europeo desde dentro . Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat dergelijke documenten, die van derden afkomstig zijn en na het besluit van het bureau houdende aanstelling van Lopez Veiga zijn opgesteld, geen ter zake dienende en objectieve aanwijzingen voor een misbruik van bevoegdheid kunnen vormen.
51 Ten slotte betoogt O'Hannrachain dat de loutere erkenning in punt 120 van het bestreden arrest dat Lopez Veiga heeft deelgenomen aan de voorbereiding van de aanwervingsprocedure voor het ambt waarin hij is aangesteld, het bestaan van een misbruik van bevoegdheid aantoont.
52 In het kader van zijn taken als kabinetschef van de voorzitter van het Parlement heeft Lopez Veiga de secretaris-generaal van de instelling weliswaar geïnstrueerd over de wijze van opstelling van de kennisgeving van vacature, doch met name gelet op het feit dat hij op basis van deze kennisgeving niet geldig kon solliciteren, toont deze omstandigheid op zich niet aan dat het TABG zich bij zijn uiteindelijke keuze, onder de in punt 8 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte omstandigheden, heeft laten leiden door overwegingen die geen verband hielden met het belang van de goede werking van de instelling. Rekwirant kan dus niet op goede gronden volhouden dat het Gerecht het middel als zouden de litigieuze besluiten met misbruik van bevoegdheid zijn vastgesteld, ten onrechte heeft afgewezen. Bijgevolg dient het vierde middel van de hogere voorziening te worden afgewezen.
Het middel inzake schending van het beginsel van gezond beheer en goed bestuur en inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht
53 O'Hannrachain betoogt, zakelijk weergegeven, dat het Gerecht de aanstelling van Lopez Veiga niet onverlet kon laten zonder het beginsel van goed beheer en gezond bestuur te schenden. Overigens heeft het Gerecht volgens rekwirant het motiveringsbeginsel geschonden door te oordelen dat de aanstelling op goede gronden berustte.
54 Het Gerecht zou van een onjuiste uitlegging van de feiten en het recht blijk hebben gegeven door er zich in punt 129 van het bestreden arrest toe te beperken te verklaren dat het Parlement bij de aanstelling van Lopez Veiga binnen de grenzen van het redelijke is gebleven en geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Volgens O'Hannrachain is integendeel aangetoond dat het Parlement, na een onregelmatige en daarop gerichte procedure, een politieke benoeming heeft gedaan door de aanstelling van een persoon die niet over de voor het betrokken ambt vereiste bekwaamheden beschikte.
55 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest er terecht aan heeft herinnerd dat uit zijn onderzoek van de aangevoerde grieven blijkt dat het bureau door Lopez Veiga aan te stellen binnen de grenzen van het redelijke is gebleven en geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Parlement over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de keuze van de meest geschikte middelen om in zijn personeelsbehoeften te voorzien (zie in deze zin arrest van 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie, 341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86 en 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511, punt 11). In casu is niet aangetoond dat het TABG het beginsel van gezond beheer en goed bestuur heeft geschonden.
56 Ten slotte kan ook het argument inzake de schending van het motiveringsbeginsel niet worden aanvaard. Het Gerecht heeft in punt 128 van het bestreden arrest immers terecht vastgesteld dat de tot staving van een schending van dit beginsel aangevoerde argumenten betrekking hebben op de vraag of de motivering inzake de overeenstemming tussen de kundigheden van Lopez Veiga en die welke in de kennisgeving van vacature zijn vereist, ter zake dienend is, en niet op de vraag of deze motivering afdoende is.
57 Hieruit volgt dat het zesde middel dient te worden afgewezen.
De schadevordering
58 Gelet op zijn afwijzing van de vorderingen tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten, kon het Gerecht in de punten 136 tot en met 138 van het bestreden arrest terecht verzoekers' vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade die zij stelden te hebben geleden, afwijzen, aangezien dezen geen enkel bewijs van door het Parlement begane onwettigheden hadden geleverd. Aangezien O'Hannrachain geen argumenten heeft aangevoerd die de geldigheid van deze redenering aantasten, is zijn schadevordering voor het Hof ongegrond.
59 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening volledig dient te worden afgewezen.
Kosten
60 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven de door de instellingen gemaakte kosten in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing, indien de hogere voorziening is ingesteld tegen een instelling door een ambtenaar of ander personeelslid van deze instelling. Aangezien O'Hannrachain in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst O'Hannrachain in de kosten.
Puissochet
Skouris
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 juni 2003.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
R. Schintgen
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy