Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-140/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Mongin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee te delen, welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 144, blz. 1), of door niet de nodige maatregelen te treffen om aan deze richtlijn te voldoen, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 2001,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 27 maart 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee te delen, welke noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 144, blz. 1), of door niet de nodige maatregelen te treffen om aan deze richtlijn te voldoen, de krachtens het EG-Verdrag en deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het rechtskader en de precontentieuze procedure
2 Het doel van richtlijn 98/18 is volgens artikel 1 ervan, een uniform niveau van veiligheid van mensenlevens en eigendommen in te voeren op nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer beide categorieën schepen en vaartuigen worden gebruikt voor binnenlandse reizen, en procedures vast te leggen voor onderhandelingen op internationaal niveau met het oog op de harmonisatie van de regels voor passagiersschepen die voor internationale reizen worden gebruikt.
3 Artikel 14 van de richtlijn luidt als volgt:
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 1998 aan deze richtlijn te voldoen.
2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
3. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de overige lidstaten daarvan in kennis."
4 De Belgische regering deed als omzettingsmaatregel het Koninklijk Besluit van 9 december 1998 houdende uitvoering van richtlijn 98/18 (Belgisch Staatsblad van 25 december 1998, blz. 41217; hierna: Koninklijk Besluit van 9 december 1998") aan de Commissie toekomen.
5 Artikel 1 van dit besluit bepaalt dat het van toepassing is op passagiersschepen waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich op of na 1 juli 1998 in een soortgelijk stadium bevindt.
6 Van mening dat het Koninkrijk België richtlijn 98/18 slechts gedeeltelijk had omgezet, stuurde de Commissie overeenkomstig artikel 226 EG het Koninkrijk België op 11 augustus 1999 een aanmaningsbrief.
7 In haar antwoord van 27 september 1999 deelde de Belgische regering het Koninklijk Besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen (Belgisch Staatsblad van 4 februari 1982, blz. 892; hierna: Koninklijk Besluit van 12 november 1981") mede. Bovendien kondigde zij de aanneming aan van een nieuw Koninklijk Besluit op het betrokken gebied.
8 Op 7 september 2000 zond de Commissie het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies met het verzoek de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden vanaf de officiële kennisgeving ervan aan dat advies te voldoen.
9 Op 17 oktober 2000 antwoordde de Belgische regering, in december 2000 een Koninklijk Besluit te zullen vaststellen.
10 Tot 27 maart 2001, de datum waarop het onderhavige beroep werd ingesteld, heeft de Commissie van de Belgische regering geen nieuwe inlichtingen betreffende de omzetting van richtlijn 98/18 ontvangen.
Het beroep
11 De Commissie betoogt in haar verzoekschrift, dat de Belgische regering haar de bepalingen van nationaal recht die zij op alle onder de richtlijn vallende gebieden heeft vastgesteld, nog steeds niet heeft meegedeeld. De Commissie beschikt evenmin over andere gegevens waaruit zij zou kunnen afleiden, dat het Koninkrijk België aan de richtlijn, inzonderheid aan artikel 14, heeft voldaan. Zij moet dan ook ervan uitgaan dat het Koninkrijk België de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
12 De Belgische regering zet uiteen dat richtlijn 98/18 in een eerste fase met betrekking tot nieuwe passagiersschepen werd uitgevoerd door het Koninklijk Besluit van 9 december 1998, waarin naar voormelde richtlijn wordt verwezen.
13 Wat de andere in richtlijn 98/18 bedoelde schepen betreft, voert de Belgische regering de belangrijke verplichtingen aan, die voortvloeien uit het Koninklijk Besluit van 12 november 1981. Zij vestigt ook de aandacht van het Hof op de omvang van het werk dat met de volledige omzetting van deze richtlijn is gemoeid, de wijzigingen van het Koninklijk Besluit van 12 november 1981 en de opheffing van het Koninklijk Besluit van 9 december 1998.
14 De Belgische regering voegt bij haar verweer een ontwerp van Koninklijk Besluit dat dient tot volledige omzetting van richtlijn 98/18.
15 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie, met name, arrest van 30 november 2000, Commissie/België, C-384/99, Jurispr. blz. I-10633, punt 16). Na afloop van de in het met redenen omkleed advies van 7 september 2000 gestelde termijn van twee maanden was het Koninklijk Besluit dat de Belgische regering had aangekondigd en waarvan zij het belang voor de volledige omzetting van richtlijn 98/18 erkent, in ieder geval nog niet aangenomen.
16 Uit de rechtspraak van het Hof volgt eveneens, dat nationale praktijken of situaties van een lidstaat geen rechtvaardiging kunnen opleveren voor de niet-nakoming van uit gemeenschapsrichtlijnen voortvloeiende verplichtingen en termijnen, noch voor een te late of onvolledige omzetting van een richtlijn (zie, met name, arresten van 2 augustus 1993, Commissie/Nederland, C-303/92, Jurispr. blz. I-4739, punt 9, en 12 februari 1998, Commissie/Italië, C-139/97, Jurispr. blz. I-605, punten 9-11).
17 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy