Zaak C-148/01
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Extra heffing op melk – Vertragingsrente – Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2001/137/EG»
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 12 december 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 12 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Landbouw – EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Te late betaling van extra heffing op melk – Financiële correctie krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93 omdat door lidstaat geen vertragingsrente is geïnd – Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 536/93 van de Commissie, art. 3, lid 4, en 5, lid 2)Ondanks het feit dat, enerzijds, artikel 3, lid 4, van verordening nr. 536/93 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten bepaalt dat de kopers verplicht zijn bij vertraging bij de betaling van de extra heffing jaarlijks de rente vanaf 1 september aan de bevoegde instantie over te maken, en anderzijds, artikel 5, lid 2, van die verordening de lidstaten de verplichting oplegt om de betaalde rente in mindering te brengen op de door hen bij het EOGFL ingediende rekeningen in verband met uitgaven voor de zuivelsector, kan de Commissie zich niet op deze laatste bepaling beroepen om een financiële correctie toe te passen wegens het feit dat een lidstaat die rente niet heeft geïnd. Het feit dat bepaalde verschuldigde bedragen onbetaald blijven of met vertraging worden betaald, levert immers op zich geen niet-nakoming van de krachtens het gemeenschapsrecht op de lidstaten rustende verplichtingen . punten 51-55
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
12 juni 2003 (1)
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Extra heffing op melk – Vertragingsrente – Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2001/137/EG”
In zaak C-148/01,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en C. Tsiavou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster, ondersteund door Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en M. Lumma als gemachtigden,en door Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego en vervolgens door S. Ortiz Vaamonde als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende de gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2001/137/EG van de Commissie van 5 februari 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 50, blz. 9),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, R. Schintgen, V. Skouris, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 april 2001, heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 230 EG verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2000/137/EG van de Commissie van 5 februari 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 50, blz. 9; hierna: bestreden beschikking), voorzover daarbij met betrekking tot de Helleense Republiek een financiële correctie wordt toegepast in de vorm van vertragingsrente wegens te late betaling van de extra heffing voor het melkjaar 1995/1996, berekend over de periode februari 1997 tot en met december 2000 (hierna: litigieuze correctie).
2 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 4 oktober 2001 zijn de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van de Helleense Republiek.
Het juridisch kader
Verordening (EEG) nr. 729/70
3 Artikel 5, lid 2, sub a, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1) (hierna: verordening nr. 729/70), bepaalt: Na raadpleging van het Comité van het Fonds:
a) neemt de Commissie een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan. De uitgaven in oktober worden gerekend tot de maand oktober indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. De voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
4 Artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 729/70 bepaalt:
1. De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
─ zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
─ onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
─ de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures.
2. Indien algehele terugvordering uitblijft, draagt de Gemeenschap de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden, behalve die welke voortvloeien uit onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn.
De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan de erkende betaalorganen en worden door deze in mindering gebracht op de door het Fonds gefinancierde uitgaven. De rente over teruggevorderde of te laat gestorte bedragen wordt overgemaakt aan het Fonds.
Verordening (EEG) nr. 296/96
5 Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 296/96 van de Commissie van 16 februari 1996 betreffende de door de lidstaten te verstrekken gegevens en de maandelijkse boeking van de uit de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde uitgaven, alsmede tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2776/88 (PB L 39, blz. 5), luidt: De Commissie stelt, na overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub a, laatste alinea, van verordening (EEG) nr. 729/70 een voorschotbeschikking te hebben gegeven aan de lidstaten, binnen het kader van de begrotingskredieten, op een door hen bij de schatkist of een andere financiële instelling voor dat doel geopende rekening, de financiële middelen ter beschikking die nodig zijn om de door het EOGFL, afdeling Garantie, te financieren uitgaven te dekken.
6 Voorts bepaalt artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 296/96:
1. Op basis van de overeenkomstig artikel 3 verstrekte gegevens bepaalt en betaalt de Commissie de maandelijkse voorschotten op de boeking van de uitgaven onverminderd het bepaalde in artikel 13 van beschikking 94/729/EG.
2. Voor elke uitgave die na het verstrijken van de in de regelgeving bepaalde termijn wordt betaald, wordt een verminderde boeking in het kader van de voorschotten toegepast volgens de onderstaande regels:
[...]De in dit artikel bedoelde verminderingen worden uitgevoerd met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 van beschikking 94/729/EG.
Beschikking 94/729/EG
7 Artikel 13 van beschikking 94/729/EG van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende de begrotingsdiscipline (PB L 293, blz. 14) luidt:
1. De betaling van de maandelijkse voorschotten van het EOGFL, afdeling Garantie, door de Commissie geschiedt op basis van de door de lidstaten voor elk uitgavenhoofdstuk verstrekte gegevens.
2. Indien de Commissie uit de door een lidstaat opgegeven uitgaven of de door hem verstrekte gegevens niet kan concluderen dat de voor de middelen aangegane verplichtingen in overeenstemming zijn met de ter zake geldende communautaire voorschriften, verzoekt zij de betrokken lidstaat aanvullende gegevens te verstrekken binnen een termijn die zij vaststelt afhankelijk van de ernst van het probleem.
In geval van een niet bevredigend geacht antwoord of een antwoord dat wijst op duidelijke niet-naleving van de voorschriften en op kennelijk onrechtmatig gebruik van de communautaire middelen, kan de Commissie de maandelijkse voorschotten aan de lidstaten tijdelijk verlagen of opschorten.Deze verlagingen of opschortingen doen geen afbreuk aan de besluiten die in het kader van de goedkeuring van de rekeningen zullen worden genomen.
3. Voordat zij haar besluit neemt, stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan in kennis.
De lidstaat maakt zijn standpunt binnen een termijn van tien dagen bekend.Bij het naar behoren gemotiveerde besluit van de Commissie, dat na raadpleging van het Comité van het EOGFL wordt genomen, wordt het evenredigheidsbeginsel in acht genomen.
Verordening (EEG) nr. 3950/92
8 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1) bepaalt: Gedurende zeven nieuwe opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 1993, wordt ten laste van de producenten van koemelk een extra heffing ingesteld over de hoeveelheden melk of melkequivalent die zij in het betrokken tijdvak van twaalf maanden aan een koper hebben geleverd of rechtstreeks aan de consument hebben verkocht en die een vast te stellen hoeveelheid overschrijden.De heffing wordt vastgesteld op 115 % van de richtprijs voor melk.
9 Artikel 2, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
1. De heffing is verschuldigd over alle hoeveelheden melk of melkequivalent die in het betrokken tijdvak van twaalf maanden op de markt worden gebracht en een van de in artikel 3 bedoelde hoeveelheden overschrijden. De heffing wordt verdeeld over de producenten die tot de overschrijding hebben bijgedragen.
De bijdrage van de producenten aan de betaling van de verschuldigde heffing wordt naar keuze van de lidstaat vastgesteld al dan niet na herverdeling van de ongebruikte referentiehoeveelheden, hetzij op het niveau van de koper naar gelang van de resterende overschrijding nadat alle ongebruikte referentiehoeveelheden zijn verdeeld in verhouding tot de referentiehoeveelheden die ter beschikking staan van elk van deze producenten, hetzij op nationaal niveau naar gelang van de mate waarin de voor elk van deze producenten beschikbare referentiehoeveelheden zijn overschreden.
2. Wat de leveringen betreft, betaalt de heffingsplichtige koper aan de bevoegde instantie van de lidstaat vóór een nader te bepalen datum en overeenkomstig nader te bepalen voorwaarden het verschuldigde bedrag, dat hij inhoudt op de prijs die hij voor de melk verschuldigd is aan de producent die de uiteindelijke schuldenaar van de heffing is of op een andere wijze met passende middelen int.
[...]
3. Wat rechtstreekse verkoop betreft, betaalt de producent vóór een nader te bepalen datum en overeenkomstig nader te bepalen voorwaarden de verschuldigde heffing aan de bevoegde instantie van de lidstaat.
10 In artikel 10 van deze verordening wordt bepaald: De heffing wordt geacht deel uit te maken van de interventies ter regulering van de landbouwmarkten en wordt aangewend voor de financiering van de uitgaven in de zuivelsector.
Verordening (EEG) nr. 536/93
11 In de vijfde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van 9 maart 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 57, blz. 12) staat te lezen: [...] de ervaring heeft geleerd dat de doeltreffendheid van de regeling wordt geschaad door grote vertragingen bij het doorgeven van de cijfers over leveranties of rechtstreekse verkoop en bij de betaling van de heffing; dat uit deze ervaring derhalve de nodige lessen dienen te worden getrokken en strikte termijnen voor mededeling van gegevens en voor betaling dienen te worden opgelegd, waarbij in sancties dient te worden voorzien.
12 In artikel 3, lid 4, van deze verordening is bepaald: De heffingplichtige koper maakt jaarlijks vóór 1 september het verschuldigde bedrag volgens de door de lidstaat vastgestelde nadere voorschriften aan de bevoegde instantie over.Indien de betalingstermijn niet in acht wordt genomen, dragen de verschuldigde bedragen een jaarlijkse rente waarvan de rentevoet door de lidstaat wordt vastgesteld en die niet lager mag zijn dan de door de lidstaat in geval van terugvordering van een onverschuldigd bedrag toegepaste rentevoet.
13 Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93 luidt: De lidstaten treffen de aanvullende maatregelen opdat de verschuldigde heffing binnen de voorgeschreven termijn aan de Gemeenschap wordt betaald.Indien uit het in artikel 3, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2776/88 van de Commissie [...] bedoelde dossier dat de lidstaten maandelijks bij de Commissie indienen, blijkt dat deze termijn niet in acht wordt genomen, verlaagt de Commissie de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven naar rata van het verschuldigde bedrag of van een raming van dat bedrag.De op grond van artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 4, betaalde rente wordt op de uitgaven voor de zuivelsector in mindering gebracht.
De feiten van de zaak
14 Bij brief van 2 augustus 2000 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten meegedeeld welke negatieve financiële correcties zij voornemens was aan te brengen in het kader van een in december van dat jaar te geven beschikking tot goedkeuring van de rekeningen, op het punt van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten over het melkjaar 1995/1996. Deze correcties zagen er als volgt uit: Extra heffing voor melk en zuivelproducten Begrotingspost GRD 2071.102 Melkleveringen ─ melkjaar 1995/1996 - 20 568 862 2071.122 Rente wegens te late betaling van extra heffing - 72 063 780
15 Deze financiële correcties zijn voorgesteld in het kader van een controle van de Commissie waaruit bleek dat in Griekenland in het melkjaar 1995/1996 de quota met 7 423 986 kg waren overschreden. De met deze hoeveelheid overeenkomende extra heffing bedroeg 824 656 365 GRD, terwijl het aan het EOGFL afgedragen totaalbedrag 804 087 503 GRD was, zodat een saldo van 20 568 862 GRD overbleef. Volgens de Commissie bedroeg de vertragingsrente 72 487 562 GRD, nu de extra heffing niet vóór 1 september 1996 was betaald. Gelet op het feit dat een bedrag van 423 782 GRD reeds aan het EOGFL was afgedragen, bedroeg de te betalen rente 72 063 780 GRD.
16 Bij brief van 26 mei 2000 gaf de Commissie aan, volgens welke methode zij deze vertragingsrente had berekend. De rente was berekend tot december 2000, met de mogelijkheid van een reductie ingeval de Griekse autoriteiten het EOGFL de extra heffing of de rente, ongeacht de hoogte van die bedragen, zouden betalen vóór oktober van datzelfde jaar.
17 Omdat het door de Commissie voorgestelde correctiebedrag lager was dan 500 000 euro, heeft de Helleense Republiek zich niet gewend tot het bemiddelingsorgaan dat in het leven is geroepen bij beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45).
18 De Helleense Republiek heeft bezwaar gemaakt tegen de financiële correctie in de vorm van vertragingsrente wegens te late betaling van de extra heffing voor het melkjaar 1995/1996, voorzover die rente betrekking heeft op de periode van februari 1997 tot en met december 2000.
19 Volgens de Griekse regering heeft de Commissie het bedrag van de over genoemd melkjaar verschuldigde extra heffing berekend overeenkomstig haar beschikking nr. C(97)605 def. van 5 maart 1997, gegeven in het kader van de procedure van artikel 13, lid 2, van beschikking 94/729. De Commissie heeft het voorschot verminderd dat de Helleense Republiek behoorde te krijgen als dekking voor de in januari 1997 gedane uitgaven in de zuivelsector, op grond dat zij niet tijdig het gehele bedrag van de extra heffing over het melkjaar 1995/1996 had ontvangen. Daarom is volgens de Griekse regering alleen de financiële correctie voor de vertragingsrente over de maanden september 1996 tot en met januari 1997, in totaal 24 027 489 GRD, gerechtvaardigd in het licht van het gemeenschapsrecht.
20 Volgens de Commissie heeft de vermindering van de aan de Helleense Republiek betaalde voorschotten geen enkele invloed kunnen hebben op de berekening van bedoelde rente, die nog steeds door de solvabele kopers aan de bevoegde nationale autoriteit moet worden betaald en aan het EOGFL moet worden afgedragen.
21 Op 5 februari 2001 heeft de Commissie de bestreden beschikking gegeven, waarin met name de volgende correctie wordt vastgesteld: Sector Begrotings-post Reden Van financiering uit te sluiten uitgaven Reeds afgetrokken bedragen Financiële consequenties van deze beschikking Begrotings-jaar Melk en zuivel-producten 2071 Extra heffing (leveringen) en moratoire rente - 103 197 096GRD - 10 604 124,00GRD - 92 592 972GRD 1996
Ten gronde
Argumenten van partijen
22 De Helleense Republiek verklaart dat zij noch de financiële correctie inzake het bedrag van de extra heffing over het melkjaar 1995/1996, noch die betreffende de vertragingsrente wegens te late betaling van dit bedrag in de periode voorafgaand aan de vermindering van de voorschotten op grond van beschikking C(97)605 def. betwist.
23 De litigieuze correctie die de te late betaling over de maanden februari 1997 tot en met december 2000 betreft, is volgens haar daarentegen wel in strijd met het gemeenschapsrecht. De Commissie heeft immers besloten het voorschot dat de Helleense Republiek behoorde te krijgen ter dekking van de uitgaven in de zuivelsector in de loop van de maand januari 1997, te verminderen met 514 625 072 GRD, op grond dat zij niet tijdig het gehele bedrag van de extra heffing over het melkjaar 1995/1996 had ontvangen, zodat de Helleense Republiek met ingang van februari 1997 geen vertragingsrente meer aan het EOGFL verschuldigd is.
24 Voor het goed functioneren van de regeling inzake de extra heffing hebben de artikelen 3, lid 4, en 5, lid 2, van verordening nr. 536/93 in de eerste plaats ten doel de betaling van de extra heffing door de heffingplichtige aan de bevoegde nationale instantie te verbeteren en te bespoedigen, en in de tweede plaats de tijdige betaling van de verschuldigde heffing aan de Gemeenschap te verzekeren.
25 Volgens de Griekse regering betekenen deze bepalingen, gelezen in hun onderlinge samenhang en in het licht van de artikelen 5, lid 2, en 8 van verordening nr. 729/70, de artikelen 1, lid 1, en 4 van verordening nr. 296/96 en artikel 13 van beschikking 94/729, dat wanneer de heffingplichtige koper zich niet aan de betalingstermijn voor de extra heffing houdt, de Commissie als sanctie jegens de lidstaat de voorschotten die bestemd zijn om de uitgaven in de zuivelsector te dekken, verlaagt naar rata van het wegens de extra heffing verschuldigde bedrag of van een raming van dat bedrag. Zodra die voorschotten zijn verlaagd, is er dus geen sprake meer van te late betaling van de aan de Gemeenschap verschuldigde extra heffing in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93, noch van een verlies aan inkomsten voor de Gemeenschap wegens te late betaling.
26 Voorts is vertragingsrente verschuldigd ingeval de heffingplichtige verwijtbaar te laat betaalt. Het tenietgaan van de hoofdvordering brengt ook het tenietgaan van de verplichting tot betaling van rente voor de toekomst mee. Toen de Commissie de Helleense Republiek een verlaging van de voorschotten ter dekking van de uitgaven in de zuivelsector oplegde, ter hoogte van de voor het melkjaar 1995/1996 verschuldigde extra heffing, bestond de verwijtbaar te late betaling van deze heffing derhalve niet meer en was er dus geen vertragingsrente meer aan het EOGFL verschuldigd.
27 Volgens de Griekse regering moet overigens, nadat de Commissie de voorschotten heeft verlaagd, de vertragingsrente die overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening nr. 536/93 verschuldigd is door de heffingplichtigen die de extra heffing niet tijdig hebben betaald, worden betaald aan de bevoegde nationale instantie en niet aan het EOGFL. De stelling van de Commissie dat de bedragen overeenkomend met de vertragingsrente, verschuldigd zijn aan het EOGFL als negatieve kosten in de maandelijkse declaraties en in mindering worden gebracht op de uitgaven in de zuivelsector, is alleen juist voor de vertragingsrente die loopt tot het moment dat de voorschotten voor de lidstaat worden verlaagd, dus tot het moment dat er nog sprake is van een verwijtbare te late betaling van de extra heffing.
28 De Griekse regering meent voor haar uitlegging steun te vinden in artikel 8, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 729/70, waaruit volgens haar volgt dat aan het EOGFL alleen dan rente wordt betaald wanneer de lidstaten bedragen hebben teruggevorderd die als gevolg van onregelmatigheden of nalatigheden verloren zijn gegaan in het kader van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven, dat wil zeggen in gevallen waarin sprake is geweest van het verloren gaan van communautaire middelen, misbruik van die middelen of te late betaling van verschuldigde bedragen.
29 Door de litigieuze correctie ten laste van de Helleense Republiek toe te passen heeft de Commissie de communautaire regeling dus onjuist uitgelegd en toegepast. Subsidiair stelt de Griekse regering dat de Commissie dit aspect van de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
30 Zij voegt eraan toe dat de door de Duitse en de Spaanse regering in hun memories in interventie naar voren gebrachte argumenten de gegrondheid van haar beroep tot nietigverklaring bevestigen.
31 De Bondsrepubliek Duitsland stelt in de eerste plaats dat uit een systematische analyse van de relevante bepalingen van verordeningen nrs. 3950/92 en 536/93 volgt dat het EOGFL geen recht heeft om van de lidstaten betaling van de extra heffing en vertragingsrente in geval van te late betaling van die heffing aan het EOGFL te eisen.
32 Gezien de bewoordingen van de artikelen 3, lid 4, en 4, lid 4, van verordening nr. 536/93 ontstaat het recht om vertragingsrente te vorderen slechts in de relatie tussen de bevoegde nationale instanties en de heffingplichtige kopers of producenten en niet in de relatie tussen de Gemeenschap en de lidstaten. Ook artikel 5, lid 2, van die verordening verschaft geen rechtsgrondslag voor het vorderen van vertragingsrente, maar verplicht de lidstaten uitsluitend om maatregelen te treffen opdat de verschuldigde heffing binnen de voorgeschreven termijn aan de Gemeenschap wordt betaald.
33 Volgens de Duitse regering volgt uit het arrest van 13 november 2001, Frankrijk/Commissie (C-277/98, Jurispr. blz. I-8453, punten 37, 38 en 43), dat betrekking had op voorheen op de extra heffing in de zuivelsector van toepassing zijnde en met die van verordening nr. 536/93 vergelijkbare bepalingen, dat de lidstaten enkel gehouden zijn de extra heffing in te vorderen en deze aan de Gemeenschap over te maken. De Duitse regering wijst in dit verband ook op de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Spanje/Commissie (arrest van 21 maart 2002, C-130/99, Jurispr. blz. I-3005).
34 Nu de lidstaten jegens het EOGFL geen hoofdschuld wegens de extra heffing hebben, kunnen zij ook niet worden verplicht tot betaling van vertragingsrente, waarvoor een hoofdvordering moet bestaan. De litigieuze correctie is dan ook onwettig.
35 De Duitse regering stelt in de tweede plaats dat de litigieuze correctie niet gerechtvaardigd is, daar niet is vastgesteld dat de Helleense Republiek in gebreke is geweest op het punt van de inning van de extra heffing en de vertragingsrente bij de heffingplichtigen.
36 Volgens vaste rechtspraak is voor een financiële correctie immers in ieder geval noodzakelijk dat de Commissie bewijst dat de betrokken lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen (arresten van 10 november 1993, Nederland/Commissie, C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 18; 13 september 2001, Spanje/Commissie, C-374/99, Jurispr. blz. I-5943, punt 15, en het reeds aangehaalde arrest Frankrijk/Commissie, punt 41). In haar controlerapport van 10 oktober 1997 over 1995 en 1996 heeft de Commissie echter juist vastgesteld dat de Helleense Republiek op het punt van de extra heffing geen nalatigheid te verwijten viel.
37 Ook het Koninkrijk Spanje betoogt dat de lidstaten alleen verplicht zijn, de extra heffing die de kopers of producenten van melk verschuldigd zijn, met voortvarendheid in te vorderen, evenals eventueel de vertragingsrente. Ten onrechte stelt de Commissie dat de verplichting om vertragingsrente te betalen losstaat van de korting van de voorschotten. De lidstaat heeft voor de met de heffing en de vertragingsrente overeenkomende bedragen alleen dan een schuld jegens de Gemeenschap, indien de Commissie aantoont dat het niet bij de heffingplichtigen invorderen te wijten is aan onvoldoende voortvarendheid bij de bevoegde nationale instanties. De Commissie kan dan ook niet van een lidstaat eisen dat deze voortijdig bedragen betaalt die de heffingplichtigen niet hebben betaald, alleen om de gevolgen van de vertraging in de betaling voor de communautaire begroting te verzachten. Het argument dat een lidstaat ertoe moet worden aangezet, snel te innen, speelt slechts een rol indien de vertraging aan de lidstaat kan worden toegerekend.
38 Voor haar stelling voert de Spaanse regering in het bijzonder aan dat, nu er geen rechtsgrondslag is waarop de Commissie de lidstaat kan verplichten het bedrag te betalen van een heffing die nog niet is geïnd (arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, punten 34-43, en de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde conclusie), er ook geen rechtsgrondslag is om van die lidstaat via de financiële correctie rente over die door de heffingplichtige kopers of producenten nog niet betaalde heffing te vorderen.
39 Anders dan de Commissie stelt, verschilt de in casu toepasselijke regeling niet van de regeling die aan de orde was in het eerder aangehaalde arrest Frankrijk/Commissie. Hoe dan ook volgt uit de tweede en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 536/93, dat deze verordening betrekking heeft op de maatregelen die moeten garanderen dat de heffing tijdig wordt betaald en op de daaraan te verbinden sancties. Deze overwegingen en de artikelen 3 en 4 van de verordening spreken steeds van de verplichting tot betaling van de koper. Ook de sancties hebben betrekking op de koper en bestaan in de betaling van een bepaalde boete (artikelen 3, lid 2, en 4, lid 2, van verordening nr. 536/93) en de betaling van rente (artikelen 3, lid 4, en 4, lid 4, van de verordening).
40 De Commissie stelt dat de toepassing van vertragingsrente en de vermindering van de voorschotten twee los van elkaar staande maatregelen zijn, die voortvloeien uit verschillende verplichtingen. De vermindering van de voorschotten komt ten laste van de lidstaat en heeft tot doel, zowel de gevolgen van een te late betaling van de aan de Gemeenschap verschuldigde heffing voor de begroting van het EOGFL te verzachten, als de lidstaat aan te sporen de maatregelen te nemen die moeten zorgen voor een tijdige betaling. De vertragingsrente komt ten laste van de koper of de producent en beoogt te bereiken dat deze heffingplichtigen zich houden aan de termijnen voor de verstrekking van gegevens en de betaling van de heffing aan de bevoegde nationale instantie.
41 De lidstaten hebben dus twee verplichtingen: de nodige maatregelen te nemen om te zorgen dat de heffingplichtigen de heffing tijdig betalen op straffe van vertragingsrente, en de extra heffing tijdig aan de Gemeenschap af te dragen. De vermindering van de voorschotten, die verband houdt met de laatste verplichting, maakt geen einde aan de verplichting van de lidstaten om bij de heffingplichtigen de extra heffing en de vertragingsrente in te vorderen.
42 De vermindering van de voorschotten staat niet gelijk aan een goedkeuring van de rekeningen, die wordt verricht op basis van het verschuldigde bedrag aan extra heffing, vermeerderd met de vertragingsrente, van de reeds betaalde bedragen en van de door de Commissie toegepaste vermindering van de voorschotten. De vermindering van de voorschotten beëindigt de verplichtingen van de lidstaten jegens de Gemeenschap met betrekking tot de inning en afdracht van de extra heffing en de vertragingsrente niet, anders dan het geval is in het kader van de goedkeuring van de communautaire uitgaven. Na die goedkeuring mag de lidstaat te laat geïnde vertragingsrente behouden.
43 Hier komt bij dat de vermindering van de voorschotten niet het gehele bedrag van de extra heffing betreft, maar slechts 96 % van het niet-gedeclareerde bedrag. Het is ook de lidstaat die de van de kopers en producenten geïnde bedragen moet declareren, tot het bedrag van de vermindering, zodat wordt gegarandeerd dat de lidstaten de door de heffingplichtigen verschuldigde bedragen blijven innen. De lidstaten zijn tevens verplicht, de heffingen en rente die zij ontvangen, te blijven declareren door vermindering van hun maandelijkse declaraties met het desbetreffende bedrag.
44 De Commissie merkt voorts op dat ingevolge artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93 de bedragen overeenkomend met de vertragingsrente, in mindering worden gebracht op de uitgaven van de zuivelsector en dus in de maandelijkse declaraties als negatieve kosten worden toegerekend aan het EOGFL. Deze bedragen zijn immers met name bestemd ter verlichting van de lasten van de Gemeenschap in die sector (zie artikel 10 van verordening nr. 3950/92).
45 Volgens de Commissie kan de uitlegging van de Griekse autoriteiten dat er na de vermindering van de voorschotten geen vertraging meer kan worden vastgesteld die tot de betaling van rente leidt, betekenen dat de verplichting van de kopers of producenten om over de betrokken periode vertragingsrente te betalen, die met name tot doel heeft een sanctie op te leggen, eveneens eindigt. Die heffingplichtigen zouden daardoor een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel krijgen, hetgeen niet strookt met de bedoeling van die verplichting.
46 Evenzo zou, indien de vertragingsrente in het nationale budget terecht zou komen en niet in mindering zou worden gebracht op de communautaire uitgaven, de lidstaat die de extra heffing wel tijdig heeft betaald, er ongunstiger aan toe zijn dan de lidstaat die dit niet heeft gedaan en aan wie een vermindering van de voorschotten is opgelegd. De rente wordt berekend door toepassing van de door de lidstaten meegedeelde tarieven op de per maand verschuldigde extra heffing, zonder rekening te houden met de vermindering van voorschotten en onder aftrek van de aan het EOGFL gedeclareerde bedragen.
47 Gezien het feit dat de aan de producent opgelegde boete zeer belangrijk is voor het bereiken van het communautaire doel van regularisering van de markt voor zuivelproducten, zou het niet binnen de gestelde termijn innen van die boete een inbreuk op de bepalingen van verordening nr. 536/93 opleveren, die de correctie van de gedeclareerde uitgaven rechtvaardigt. Dit mechanisme wordt weerspiegeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93, dat eist dat de rente in mindering wordt gebracht op de gedeclareerde uitgaven, hetgeen garandeert dat de lidstaten de betrokken bedragen inderdaad innen.
48 Het door de Griekse regering genoemde artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70 regelt gevallen van onregelmatigheden en is niet van toepassing op het onderhavige geval, dat door de bijzondere bepalingen van verordening nr. 536/93 wordt beheerst.
49 In antwoord op de memories in interventie van de Duitse en de Spaanse regering stelt de Commissie dat de in het arrest Frankrijk/Commissie neergelegde beginselen niet op het onderhavige geval kunnen worden toegepast.
50 Allereerst zijn de op de financiële correcties toepasselijke bepalingen anders. Ten tweede betwist de lidstaat in het onderhavige geval, anders dan in de zaak die tot het arrest Frankrijk/Commissie heeft geleid, de verplichting om extra heffingen af te dragen aan de Gemeenschap niet, maar keert hij zich tegen de financiële correctie met het bedrag van de vertragingsrente over de periode nadat de voorschotten zijn verminderd. Ten slotte heeft het Hof in genoemd arrest geoordeeld dat een financiële correctie niet kon worden toegepast in geval van niet-inning van heffingen, wanneer de lidstaat stelt dat inning onmogelijk is en de Commissie niet heeft aangetoond dat de lidstaat in gebreke is gebleven. In casu heeft de Griekse regering echter erkend dat zij niet de nodige maatregelen heeft genomen ter verzekering dat de heffingen en de bijbehorende vertragingsrente werden geïnd.
Beoordeling door het Hof
51 Zonder dat behoeft te worden ingegaan op het betoog van de Griekse regering dat de vermindering van de voorschotten wegens te late betaling van de over het melkjaar 1995/1996 verschuldigde extra heffing de Commissie belet om van de Helleense Republiek vertragingsrente te eisen over het bedrag van die heffing voor de periode na de vermindering, moet erop worden gewezen dat de Commissie de litigieuze correctie hoe dan ook niet mocht baseren op artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93.
52 In punt 101 van het arrest van 21 maart 2002, Spanje/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Hof immers in de eerste plaats verklaard dat ingevolge artikel 3, lid 4, van verordening nr. 536/93 de kopers verplicht zijn bij vertraging bij de betaling van de extra heffing jaarlijks de rente vanaf 1 september aan de bevoegde instantie over te maken, en in de tweede plaats dat artikel 5, lid 2, van die verordening de lidstaten de verplichting oplegt om de betaalde rente in mindering te brengen op de door de lidstaten bij het EOGFL ingediende rekeningen in verband met uitgaven voor de zuivelsector.
53 In casu staat evenwel vast dat de Griekse autoriteiten de in deze bepalingen bedoelde vertragingsrente niet hebben geïnd.
54 In punt 101 van het arrest van 21 maart 2002, Spanje/Commissie, heeft het Hof voorts geoordeeld dat het feit dat bepaalde verschuldigde bedragen onbetaald blijven of met vertraging worden betaald, op zich geen niet-nakoming van de krachtens het gemeenschapsrecht op de lidstaten rustende verplichtingen oplevert.
55 Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93 kan in casu dus niet worden toegepast.
56 Weliswaar kan de Commissie volgens artikel 8, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 729/70 een correctie toepassen wanneer zij kan aantonen dat het EOGFL verlies heeft geleden door de nalatigheid van de nationale instanties bij de invordering van omstreden bedragen, zoals in punt 102 van het reeds aangehaalde arrest van 21 maart 2002, Spanje/Commissie, is geoordeeld.
57 In casu staat echter vast dat de Commissie de litigieuze correctie uitsluitend heeft gebaseerd op artikel 5, lid 2, van verordening nr. 536/93. Zij heeft deze zienswijze voor het Hof bevestigd en uitdrukkelijk niet artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70 als grondslag van de bestreden beschikking genoemd.
58 Aangezien de Commissie de litigieuze correctie dus op een onjuiste rechtsgrondslag heeft gebaseerd, moet de vordering van de Griekse regering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking voorzover daarin deze correctie wordt verricht, uitsluitend op deze grond worden toegewezen.
Kosten
59 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. De Helleense Republiek heeft niet gevorderd dat de Commissie wordt verwezen in de kosten. Hoewel de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient bijgevolg elke partij haar eigen kosten te dragen.
60 Ingevolge artikel 69, lid 4, eerste alinea, van dit Reglement dienen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje, die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten te dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart beschikking 2000/137/EG van de Commissie van 5 februari 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht, nietig voorzover daarbij met betrekking tot de Helleense Republiek een financiële correctie wordt toegepast wegens vertragingsrente in verband met de te late betaling van de extra heffing voor het melkjaar 1995/1996, berekend over de periode februari 1997 tot en met december 2000.
2) Verstaat dat de Helleense Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hun eigen kosten zullen dragen.
3) Verstaat dat de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje hun eigen kosten zullen dragen.
Puissochet
Schintgen
Skouris
Macken
Cunha Rodrigues
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 juni 2003.
De griffier
De president van de Zesde kamer
R. Grass
J.-P. Puissochet
1 – Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy