Zaak C‑164/01 P
G. van den Berg
tegen
Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Melk – Extra heffing – Referentiehoeveelheid – Producenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan – SLOM-producenten – Wisseling van bedrijf – Weigering om specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen”
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Middel aangevoerd tegen overweging van arrest die niet noodzakelijk is voor onderbouwing van dictum – Falend middel
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Melk en zuivelproducten – Extra heffing op melk – Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld – Producent die zijn leveringen heeft opgeschort op grond van stelsel van premies voor niet in handel brengen of omschakeling en zijn bedrijf vervolgens heeft overgedragen – Nationale bestuurspraktijk waardoor hij zijn specifieke referentiehoeveelheid in geval van overdracht van bedrijf kan behouden – Vertrouwensbeginsel – Schending – Geen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89)
3. Hogere voorziening – Middelen – Rechtsoverwegingen van arrest die gemeenschapsrecht schenden – Dictum gebaseerd op andere rechtsoverwegingen – Afwijzing
1. In het kader van een hogere voorziening dienen de grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht zonder meer te worden afgewezen, omdat die niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden.
(cf. punt 60)
2. In het kader van de toekenning van referentiehoeveelheden die op grond van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, zijn vrijgesteld van de extra heffing op melk, mag een melkproducent alleen verwachten dat een nationale bestuurspraktijk wordt toegepast waardoor hij de specifieke referentiehoeveelheid na de overdracht van zijn oorspronkelijke bedrijf kan behouden, indien de toepasselijke gemeenschapsregeling in een dergelijke mogelijkheid voor de bevoegde nationale autoriteiten heeft voorzien of indien de Gemeenschap zelf voordien een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen in die zin kan wekken. Het bestaan van een nationale bestuurspraktijk kan op zich geen grond zijn voor een gewettigd vertrouwen van een producent dat hij door de Gemeenschap in overeenstemming met deze praktijk zal worden behandeld.
(cf. punt 69)
3. Indien in de motivering van een arrest van het Gerecht blijkt van een schending van het gemeenschapsrecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
(cf. punt 95)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
28 oktober 2004(1)
„Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Melk – Extra heffing – Referentiehoeveelheid – Producenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan – SLOM‑producenten – Wisseling van bedrijf – Weigering om specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen”
In zaak C-164/01 P,betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie,ingesteld op 13 april 2001,
G. van den Berg, wonende te Dalfsen (Nederland), vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A.-M. Colaert als gemachtigde,enCommissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-P. Puissochet en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 november 2003,
het navolgende
Arrest
1 Van den Berg verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 31 januari 2001, Van den Berg/Raad en Commissie (T‑143/97, Jurispr. blz. II‑277; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht zijn beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG) heeft verworpen.
Het rechtskader
Het stelsel van de referentiehoeveelheden
2 Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1), voorzag in de toekenning van een niet-leverings‑ of omschakelingspremie aan producenten die zich ertoe verbonden, geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen gedurende vijf jaar, respectievelijk geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen en hun melkveebestand op de rundvleesproductie om te schakelen gedurende vier jaar.
3 Bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10), en bij verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), werd met ingang van 1 april 1984 een extra heffing ingesteld op de hoeveelheden melk die werden geleverd boven een bepaalde referentiehoeveelheid, die voor elke koper binnen de grenzen van een aan elke lidstaat gegarandeerde totale hoeveelheid werd bepaald. De van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid was gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die in het referentiejaar hetzij door een producent was geleverd, hetzij door een melkfabriek was gekocht, naar gelang van de door de lidstaat gekozen formule. Het referentiejaar voor Nederland was 1983.
4 De producenten die ingevolge een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis geen melk hadden geleverd gedurende het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar, waren uitgesloten van de toekenning van een referentiehoeveelheid. Dit zijn de zogenoemde „SLOM-producenten”.
5 Bij arresten van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321; hierna: „arrest Mulder I”), en Von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355), verklaarde het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 132, blz. 11), ongeldig voorzover zij niet voorzag in de toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, gedurende het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd.
6 Naar aanleiding van deze arresten stelde de Raad op 20 maart 1989 verordening (EEG) nr. 764/89 tot wijziging van verordening nr. 857/84 (PB L 84, blz. 2) vast, die op 29 maart 1989 in werking is getreden. Hiermee wilde hij het mogelijk maken dat aan de SLOM-producenten een specifieke referentiehoeveelheid werd toegekend van 60 % van hun productie in de loop van de twaalf maanden voorafgaande aan hun uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis tot niet-levering of omschakeling.
7 Om uitvoering te geven aan verordening nr. 764/89 werd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad ingestelde extra heffing (PB L 110, blz. 27), in verordening nr. 1546/88 een artikel 3 bis ingevoegd, waarvan lid 1, eerste alinea, luidt als volgt:
„De in artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 bedoelde aanvraag [van een specifieke referentiehoeveelheid] wordt door de betrokken producent bij de door de lidstaat aangewezen bevoegde instantie ingediend overeenkomstig de door deze lidstaat vastgestelde voorschriften. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie bedoelde goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie.”
De referentiehoeveelheden in geval van overdracht van het bedrijf
8 Aangaande de gevolgen voor een referentiehoeveelheid in geval van overdracht van het bedrijf bepaalt artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB L 68, blz. 1):
„1. In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen.
In geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut kunnen de lidstaten, onverminderd lid 3, tweede alinea, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het gedeelte van het bedrijf dat wordt overgedragen, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende producent, indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten.
[...]
4. Ingeval de pacht verstrijkt kunnen de lidstaten, indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten.”
9 Artikel 7, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12), bepaalt:
„Voor de toepassing van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel, worden de referentiehoeveelheden van producenten en kopers in het kader van de formules A en B, en de referentiehoeveelheden van producenten die hun producten rechtstreeks aan de consument verkopen, als volgt overgedragen:
1) in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
[...]
3) het bepaalde in de punten 1 en 2 en in de vierde alinea is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
4) in geval van toepassing van hetgeen in artikel 7, lid 1, tweede alinea, en lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 is bepaald met betrekking tot de overdracht van gronden aan de overheid en/of ten algemenen nutte, respectievelijk met betrekking tot lopende pachtovereenkomsten die niet op soortgelijke voorwaarden als de tot dan geldende kunnen worden verlengd, wordt de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het bedrijfsdeel waarop de overdracht of de niet-verlengde pachtovereenkomst betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking van de betrokken producent gesteld indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten, op voorwaarde dat de som van de aldus tot zijn beschikking gestelde referentiehoeveelheid en de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf dat hij overneemt of waarop hij zijn productie voortzet, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór de overdracht of het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte.”
De vergoedings‑ en de verjaringsregeling
10 Bij interlocutoir arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑3061; hierna: „arrest Mulder II”), verklaarde het Hof de Europese Gemeenschap aansprakelijk voor de schade die sommige melkproducenten hadden geleden doordat zij verbintenissen krachtens verordening nr. 1078/77 waren aangegaan en vervolgens ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84 geen melk in de handel hadden kunnen brengen.
11 Naar aanleiding van dit arrest maakten de Raad en de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 5 augustus 1992 mededeling 92/C 198/04 (PB C 198, blz. 4; hierna: „mededeling van 5 augustus 1992”) bekend. Deze mededeling luidt:
„Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 mei 1992 in de gevoegde zaken C‑104/89 (Mulder) en C‑37/90 (Heinemann) achten de instellingen van de Gemeenschap het noodzakelijk om betrokkenen het volgende mee te delen:
1) Het Hof van Justitie heeft erkend dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap uit hoofde van artikel 215 van het EEG-Verdrag geldt ten aanzien van iedere producent als gedefinieerd in artikel 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84, die vergoedbare schade heeft geleden in de zin van voornoemd arrest, doordat hij niet tijdig een melkquotum heeft kunnen ontvangen als gevolg van zijn deelneming aan het bij verordening (EEG) nr. 1078/77 ingevoerde stelsel, en die voldoet aan de criteria en voorwaarden die voortvloeien uit genoemd arrest.
2) De instellingen gaan ten opzichte van iedere in punt 1 bedoelde producent de verbintenis aan om tot het verstrijken van de in punt 3 bedoelde termijn, geen beroep te doen op verjaring op grond van artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie, voorzover het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op de datum van bekendmaking van deze mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen of op de datum waarop de producent zich reeds tot een van de instellingen heeft gewend.
3) Met het oog op volledige uitvoering van het arrest van 19 mei 1992, zullen de instellingen de praktische bepalingen vaststellen voor de schadeloosstelling van de betrokkenen, met inbegrip van rentevergoeding.
De instellingen zullen preciseren bij welke autoriteiten en binnen welke termijn de verzoeken zullen moeten worden ingediend. De producenten kunnen ervan verzekerd zijn dat de mogelijkheden om hun rechten te doen erkennen niet worden aangetast, wanneer zij zich niet vóór het begin van bovenbedoelde termijn kenbaar maken bij de instellingen van de Gemeenschap of de nationale overheid.”
12 Naar aanleiding van de mededeling van 5 augustus 1992 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB L 196, blz. 6) vastgesteld.
13 Artikel 8 van die verordening bepaalt:
„1. De vergoeding wordt slechts toegekend voor de periode waarvoor het recht op de vergoeding niet verjaard is.
2. Met betrekking tot de periode waarvoor de vergoeding wordt toegekend, geldt het volgende:
a) als datum waarop de in artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar wordt gestuit, wordt aangehouden de datum van de aan een van de instellingen van de Gemeenschap toegezonden aanvraag of, wanneer het een beroep bij het Hof van Justitie betreft, de datum van inschrijving van het verzoekschrift in het register, of uiterlijk de datum van de door de instellingen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 198 gepubliceerde mededeling, te weten 5 augustus 1992;
[…]”
14 Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2187/93 luidt als volgt:
„De producent zendt zijn aanvraag aan de bevoegde instantie. De aanvraag van de producent moet op straffe van weigering uiterlijk op 30 september 1993 bij de bevoegde instantie binnen zijn.
De in artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde verjaring begint voor alle producenten opnieuw te lopen op de in de eerste alinea genoemde datum, wanneer de in die alinea bedoelde aanvraag niet vóór die datum is ingediend, tenzij de verjaring is gestuit door een verzoek bij het Hof van Justitie overeenkomstig bovengenoemd artikel 43.”
15 Artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG bepaalt:
„De vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, hetwelk de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden bepaald in artikel 173; de tweede alinea van artikel 175 is van overeenkomstige toepassing.”
16 Artikel 175, eerste en tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 232, eerste en tweede alinea, EG) luidt als volgt:
„Ingeval het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaat een besluit te nemen, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen.
Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.”
17 In de zaken waarin het arrest Mulder II was gewezen, heeft het Hof bij arrest van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑203), uitspraak gedaan over het bedrag van de door verzoekers in die zaken gevorderde schadevergoeding.
De Nederlandse regeling
18 Om uitvoering te geven aan de verordeningen nrs. 764/89 en 1033/89 heeft het Koninkrijk der Nederlanden op 16 mei 1989 de Beschikking superheffing SLOM‑deelnemers (hierna: „BSD”) vastgesteld. Artikel 3, lid 1, van die beschikking bepaalt dat de voorlopige toewijzing van een referentiehoeveelheid op grond van de BSD slechts plaatsvindt voorzover „de producent […] het bedrijf waarop de overeenkomst […] betrekking had, op het moment van indiening van de aanvraag nog geheel of gedeeltelijk in eigendom, erfpacht of pacht had en als zodanig nog voor eigen rekening en risico exploiteerde […]”.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
19 De aan de hogere voorziening van Van den Berg ten grondslag liggende feiten worden in de punten 14 tot en met 21 van het bestreden arrest weergegeven als volgt:
„14 Verzoeker is melkproducent in Nederland. Aangezien hij in het kader van verordening nr. 1078/77 een verbintenis tot niet-levering was aangegaan die op 23 februari 1985 was verstreken, had hij gedurende het ingevolge verordening nr. 857/84 gekozen referentiejaar geen melk geproduceerd. Derhalve kon hem na de inwerkingtreding van die verordening geen referentiehoeveelheid worden toegewezen.
15 Op 1 mei 1985 kocht verzoeker een bedrijf te Dalfsen (Nederland), dat hij een jaar lang tezamen met zijn oorspronkelijke bedrijf te Wijhe (Nederland) exploiteerde. Op 13 mei 1986 verkocht hij zijn bedrijf te Wijhe.
16 Bij aan de Raad [van de Europese Unie] en de Commissie [van de Europese Gemeenschappen] gerichte brief van hun raadsman van 31 maart 1989 stelden verzoeker alsmede 351 andere (in een bijlage bij die brief vermelde) zogenoemde SLOM‑producenten, die ter uitvoering van een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis gedurende het referentiejaar geen melk hadden geleverd, de Gemeenschap aansprakelijk voor de schade als gevolg van de ongeldigheid van verordening nr. 857/84, zoals door het Hof vastgesteld in het arrest Mulder I. De instellingen lieten die brief onbeantwoord.
17 Na het arrest Mulder I en de vaststelling van verordening nr. 764/89 diende verzoeker in juni 1989 opnieuw een aanvraag voor een quotum in. Die aanvraag werd op 30 augustus 1989 afgewezen op grond dat verzoeker niet meer hetzelfde bedrijf exploiteerde als ten tijde van zijn niet-leveringsverbintenis.
18 Verzoeker vocht dat afwijzende besluit zonder succes aan voor de nationale rechter. Dat besluit werd daarmee definitief.
19 Bij schrijven van 14 juli 1992 maakte verzoekers raadsman voor verzoeker en de in de bijlage bij de brief van 31 maart 1989 genoemde producenten aanspraak op stuiting van de verjaring op 31 maart 1989. Bij brief van 22 juli 1992 antwoordde de directeur-generaal van de juridische dienst van de Raad, dat de verjaringstermijn voor de 348 producenten, onder wie verzoeker, die geen beroep hadden ingesteld, opnieuw was beginnen te lopen. Niettemin was hij bereid de brief van 14 juli 1992 te hunnen aanzien als een nieuw eerder verzoek in de zin van artikel 43 van ’s Hofs Statuut te beschouwen. Bovendien gaf hij te kennen, dat de Raad vanaf die datum en tot en met 17 september 1992 zou afzien van enig beroep op verjaring, voorzover de verzoeken tot schadeloosstelling van de betrokkenen niet reeds op 14 juli 1992 waren verjaard. Ten slotte verklaarde hij:
‚Gedurende deze termijn zullen de instellingen zich inspannen om gemeenschappelijk en in overeenstemming met het arrest van het Hof de toepassingsmodaliteiten voor schadeloosstelling vast te stellen.
Het is derhalve niet noodzakelijk om in de tussentijd beroep in te stellen bij het Hof teneinde de stuiting van de verjaring te handhaven.
Voor het geval deze modaliteiten op 17 september a.s. nog niet mochten zijn vastgesteld, zal de Raad u mededelen hoe u verder dient te handelen.’
20 Bij brief van 10 september 1993 betreffende de schadeloosstelling van bepaalde producenten in het kader van verordening nr. 2187/93, deelde de Commissie de Nederlandse autoriteiten mee:
‚Hierbij treft u de lijst aan van SLOM-aanvragers die zich tot de Commissie, de Raad of het Hof van Justitie hebben gewend en daardoor de verjaring met betrekking tot hun verzoeken om schadeloosstelling hebben gestuit, in overeenstemming met de algemene mededeling van de gemeenschapsinstellingen van 5 augustus 1992.’
21 Verzoekers naam kwam op die lijst voor en te zijnen aanzien werd 31 maart 1989 als datum van stuiting van de verjaring ingevolge de mededeling van 5 augustus 1992 genoemd.”
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
20 Bij op 29 april 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Van den Berg tegen de Raad en de Commissie beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap ingesteld krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag.
21 Bij beschikking van 24 juni 1997 heeft het Gerecht de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het eindarrest van het Hof in de zaken Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89) en Heinemann/Raad en Commissie (C‑37/90). Nadat partijen op een informele vergadering op 30 september 1998 waren gehoord, is bij beschikking van de president van de Vierde kamer van het Gerecht van 11 maart 1999 de hervatting van de behandeling van de zaak gelast.
22 In zijn verzoekschrift heeft Van den Berg geconcludeerd tot veroordeling van de Gemeenschap tot betaling aan hem van een schadevergoeding van 606 315 NLG, vermeerderd met moratoire interessen op de voet van 8 % ’s jaars vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift.
23 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard en Van den Berg in de kosten verwezen.
De aansprakelijkheid van de Gemeenschap
24 Het Gerecht heeft in punt 38 van het bestreden arrest in herinnering gebracht onder welke voorwaarden de Gemeenschap aansprakelijk is, en in de punten 39 en 40 daarvan heeft het overwogen dat de grondslag voor deze aansprakelijkheid ten aanzien van de SLOM‑producenten de schending van het vertrouwensbeginsel is.
25 Aangaande de vordering tot schadevergoeding betreffende de periode van 23 februari 1985 tot en met 13 mei 1986, de datum waarop Van den Berg zijn SLOM‑bedrijf, te weten het bedrijf waarvoor hij een niet-leveringsverbintenis was aangegaan uit hoofde van verordening nr. 1078/77, had verkocht, heeft het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest vastgesteld dat vaststaat dat hij ingevolge verordening nr. 857/84 geen melk heeft kunnen leveren en dat de desbetreffende schade aan de Gemeenschap is toe te schrijven.
26 In de daaropvolgende punten van het bestreden arrest is het Gerecht nagegaan, in hoeverre de gestelde schade na 13 mei 1986 een gevolg was van de eerste weigering in 1985 om rekwirant een quotum toe te wijzen.
27 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 44 tot en met 46 van het bestreden arrest overwogen:
„44 Er zij aan herinnerd, dat verzoeker zijn SLOM‑bedrijf in 1986 heeft overgedragen en zijn productiewerkzaamheden om redenen van economische efficiency naar een ander bedrijf heeft verplaatst. Hieruit blijkt duidelijk, dat deze vrijwillig genomen beslissing van verzoeker geen verband hield met het feit dat hem bij het verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis in 1985 geen quotum is toegekend.
45 Voorts volgt uit artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85 […], gelezen in samenhang met artikel 7 van verordening nr. 1546/88, dat zelfs wanneer een melkproducent geen verbintenis tot niet-levering of omschakeling was aangegaan, een quotum alleen hetzij in geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut (artikel 7, lid 1), hetzij in geval de pacht verstreek en niet kon worden verlengd (artikel 7, lid 4), van het ene naar het andere bedrijf kon worden overgedragen.
46 Zelfs indien de producenten die over een referentiehoeveelheid beschikten, deze inderdaad in 1985/1986 overeenkomstig de in Nederland geldende bestuurspraktijk konden overdragen, zou dat derhalve een omstandigheid zijn geweest waarmee de gemeenschapswetgever niets van doen had en had in voorkomend geval de Nederlandse overheid verzoeker op niet-discriminerende wijze moeten behandelen.”
28 In punt 47 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat na de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 de aanvraag van Van den Berg om toewijzing van een quotum uit hoofde van deze verordening is afgewezen op grond van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89, volgens hetwelk de producent voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid moest aantonen dat hij op het tijdstip van de aanvraag het SLOM‑bedrijf geheel of gedeeltelijk exploiteerde.
29 In punt 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze maatregel beoordeeld als volgt:
„Anders dan verzoeker beweert en zoals het Hof reeds meermalen heeft vastgesteld (zie, onder meer, arrest van 27 januari 1994, Herbrink, C‑98/91, Jurispr. blz. I‑223), bekrachtigt dit vereiste evenwel slechts voor de specifieke referentiehoeveelheden het in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 neergelegde beginsel dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend (punt 13). In die omstandigheden kan verzoeker niet stellen dat toepassing van dat vereiste te zijnen aanzien een schending van het vertrouwensbeginsel zou betekenen, aangezien hij ten tijde van de cessie van zijn SLOM‑bedrijf niet kon voorzien dat een dergelijke voorwaarde zou worden gesteld.”
30 In de punten 49 en 50 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de volgende conclusies gekomen:
„49 Daar de verkoop door verzoeker van zijn SLOM‑bedrijf geen gevolg was van het feit dat hem in 1985 onrechtmatig geen quotum is toegekend en deze verkoop niet als een van de mogelijkheden tot overdracht van verordening nr. 857/84 kon worden aangemerkt, kunnen de redenen waarom verzoeker in het kader van verordening nr. 764/89 geen quotum heeft kunnen verkrijgen en de daaruit voortvloeiende schade niet aan de Gemeenschap worden toegeschreven.
50 Bijgevolg is alleen de vóór 13 mei 1986 door verzoeker geleden schade ontstaan als gevolg van het niet toewijzen van een referentiehoeveelheid.”
De verjaring
31 In de punten 58 tot en met 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onderzocht, onder welke voorwaarden verjaring kan worden tegengeworpen. Het heeft gepreciseerd dat vanaf 23 februari 1985, de datum waarop verordening nr. 857/84 op Van den Berg werd toegepast, was voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een schadevergoedingsactie tegen de Gemeenschap en dat op die datum de verjaringstermijn is ingegaan. Het heeft vastgesteld dat in casu het recht op schadevergoeding achtereenvolgende perioden betreft, beginnende op elke dag waarop geen levering mogelijk was.
32 Op de grondslag van artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest opgemerkt dat de verjaringstermijn vijf jaar na 13 mei 1986, de datum waarop het SLOM‑bedrijf is verkocht, dat wil zeggen op 13 mei 1991, is verstreken, tenzij de verjaring voor die datum was gestuit.
33 Wat een mogelijke stuiting van de verjaring betreft, heeft het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest overwogen dat rekwirant zich voor die stuiting als bedoeld in voormeld artikel 43 niet kan beroepen op de aan de instellingen gerichte brief van 31 maart 1989, omdat niet in aansluiting daarop beroep bij het Gerecht is ingesteld.
34 Het argument van Van den Berg dat uit het feit dat in zijn geval de mededeling van 5 augustus 1992 is toegepast, volgt dat de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden, met ingang van 31 maart 1989, op welke datum hij zich tot die instellingen had gewend, geen beroep op verjaring te doen, is in de punten 65 tot en met 67 van het bestreden arrest weerlegd als volgt:
„65 Dienaangaande zij opgemerkt dat het afzien van het beroep op verjaring in de mededeling van 5 augustus 1992 een eenzijdige handeling was die, teneinde het aantal beroepen in rechte te beperken, erop was gericht de producenten aan te sporen te wachten op de nadere uitwerking van het stelsel van forfaitaire vergoeding als bedoeld in verordening nr. 2187/93 (arrest [van 25 november 1998,] Steffens/Raad en Commissie, [T‑222/97, Jurispr. blz. II‑4175], punt 38).
66 Die mededeling had specifiek betrekking op producenten wier recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op de datum van bekendmaking van de mededeling in het Publicatieblad of op de datum waarop zij zich reeds tot een van de instellingen hadden gewend […] Met laatstbedoelde vermelding hadden verweerders de producenten op het oog die zich vóór de bekendmaking van die mededeling tot de instellingen hadden gewend om op basis van het arrest Mulder II een recht op vergoeding op te eisen, en aan wie zij hadden verzocht in afwachting van de verordening inzake forfaitaire vergoeding geen beroep tot schadevergoeding in te stellen. Die vermelding had immers tot doel, het recht op vergoeding van die producenten te waarborgen.
67 Op de brief van 31 maart 1989 is evenwel nooit een antwoord van verweerders gekomen en deze laatste zijn derhalve op die datum geen enkele verbintenis jegens verzoeker aangegaan. In die omstandigheden kan verzoeker geen beroep doen op de mededeling van 5 augustus 1992.”
35 In de punten 68 tot en met 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het argument van Van den Berg afgewezen dat zijn naam voorkwam op de lijst die bij brief van de Commissie van 10 september 1993, dat wil zeggen na de inwerkingtreding van verordening nr. 2187/93, aan de Nederlandse overheid was gezonden en waarin de producenten werden genoemd voor wie de toezegging in de mededeling van 5 augustus 1992 gold, dat geen beroep op verjaring zou worden gedaan (hierna: „lijst van 10 september 1993”).
36 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest opgemerkt:
„[…] die lijst [was] aan de nationale overheid gericht om deze, voor het geval zij vergoedingsaanvragen zou ontvangen in het kader van de schikkingen waarin verordening nr. 2187/93 voorzag, mee te delen vanaf welke datum de verjaring van de aanvragen was gestuit. Daarin werd geen onderscheid gemaakt tussen SLOM-producenten aan wie een definitieve referentiehoeveelheid was toegewezen en die dus in aanmerking konden komen voor een schikkingsvoorstel in het kader van verordening nr. 2187/93, en producenten die, evenals verzoeker, geen quotum hadden verkregen en aan wie derhalve een dergelijke schikking niet kon worden voorgesteld. Hieruit volgt, dat verzoekers naam per abuis op die lijst was vermeld.”
37 In punt 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verduidelijkt dat een dergelijke vergissing bij rekwirant niet de overtuiging post kon doen vatten, dat de toezegging in de mededeling van 5 augustus 1992 hem gold en dat de verjaring van zijn vordering sinds 31 maart 1989 was gestuit. Toen de lijst van 10 september 1993 werd verstuurd, kon rekwirant immers reeds weten dat hij niet in aanmerking kwam voor het schikkingsvoorstel als bedoeld in verordening nr. 2187/93, en dat bovenbedoelde toezegging hem derhalve niet betrof.
38 In punt 71 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het argument inzake het bestaan van discriminatie afgewezen met de vaststelling dat het standpunt van de Raad en de Commissie betreffende de verjaring van het beroep niet als een discriminatie van rekwirant kan worden aangemerkt ten aanzien van het beleid van de Commissie jegens SLOM‑producenten die een vergoedingsvoorstel hebben ontvangen, omdat rekwirants situatie verschilt van die van de producenten die rechten ontlenen aan verordening nr. 2187/93.
39 Met betrekking tot de bewering van Van den Berg dat een lid van de juridische dienst van de Commissie zijn raadsman telefonisch zou hebben bevestigd dat de brief van 31 maart 1989 als een stuitingshandeling was aan te merken, heeft het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest vastgesteld dat daarvoor geen enkel bewijs was aangevoerd.
Conclusies van partijen en middelen tot staving van vernietiging
40 Van den Berg concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de zaak te verwijzen naar het Gerecht ter verdere afdoening van het beroep in eerste aanleg, en
– de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
41 De Raad concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in ieder geval in haar geheel ongegrond te verklaren, en
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
42 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– primair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
– subsidiair, het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, en
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
43 Van den Berg stelt drie middelen voor ter ondersteuning van zijn vordering tot vernietiging van het bestreden arrest.
44 Met zijn eerste middel stelt hij schending van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, van het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel, alsmede verkeerde uitlegging van het causaliteitsvereiste, doordat het Gerecht met zijn oordeel dat de door hem gestelde, na 13 mei 1986 geleden schade niet aan de Gemeenschap dient te worden toegeschreven, de aansprakelijkheid van de Gemeenschap onjuist heeft beoordeeld.
45 Met zijn tweede en zijn derde middel stelt Van den Berg, dat het Gerecht het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden, doordat het voor de beoordeling van het verjaringsvraagstuk essentiële feiten heeft genegeerd dan wel kennelijk onjuist heeft weergegeven. Dienaangaande stelt hij, dat het Gerecht verzuimd heeft vast te stellen dat de Commissie had afgezien van de mogelijkheid om zich jegens een aantal SLOM-producenten, onder wie hijzelf, op verjaring te beroepen, en ten onrechte heeft aangenomen dat zijn vordering volledig is verjaard.
De hogere voorziening
Het eerste middel
46 Met zijn eerste middel betwist Van den Berg de juridische beoordeling van het Gerecht in de punten 43 tot en met 50 van het bestreden arrest, waarin de vraag aan de orde is of de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens hem eindigt op de datum van en als gevolg van de verplaatsing van zijn oorspronkelijke bedrijf.
47 In het kader van dit eerste middel voert Van den Berg drie grieven aan: miskenning door het Gerecht van de taak- en bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de uitvoeringsinstanties van de lidstaten, schending van het vertrouwensbeginsel alsmede miskenning van voormeld arrest Herbrink, wat de toepassing betreft van de bij verordening nr. 1033/89 gestelde voorwaarde dat een SLOM‑producent nog geheel of gedeeltelijk over het oorspronkelijke bedrijf moet beschikken, en onjuiste toepassing van het causaliteitsvereiste.
48 De eerste en de derde grief, die tezamen moeten worden behandeld, worden in de punten 49 tot en met 62 van dit arrest onderzocht en de tweede grief in de punten 63 tot en met 73.
De eerste en de derde grief
– Argumenten van Van den Berg
49 In het kader van de eerste grief, miskenning van de taak‑ en bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de uitvoeringsinstanties van de lidstaten, betwist Van den Berg met name de beoordeling van het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest met betrekking tot het „regime” dat gold voor „normale producenten”, te weten zij aan wie een referentiehoeveelheid is toegewezen. Voor de beoordeling van zijn vorderingsrechten is het irrelevant of de betrokken regels rechtstreeks voortvloeien uit de gemeenschapsverordeningen dan wel waren verankerd in de nationale uitvoeringsmaatregelen, aangezien die verenigbaar waren met het communautaire kader.
50 Waar het om gaat, is of de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van de regeling inzake specifieke referentiehoeveelheden ten behoeve van SLOM‑producenten, zoals die in de verordeningen nrs. 764/89 en 1033/89, rechtens gehouden waren SLOM‑producenten zo veel mogelijk op voet van gelijkheid met andere nationale producenten te behandelen.
51 Hij acht de stelling van het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest dat „in voorkomend geval de Nederlandse overheid verzoeker op niet-discriminerende wijze [had] moeten behandelen”, onbegrijpelijk. Op zich is het juist dat de Nederlandse overheid hem op niet-discriminatoire wijze had moeten behandelen, maar waar het om gaat is of de communautaire regelgeving haar daartoe de mogelijkheid bood. Dat was volgens hem nu juist niet het geval. Aan de stelling van het Gerecht ligt de – rechtens onjuiste – premisse ten grondslag dat de Nederlandse overheid bij de uitvoering van de verordeningen nrs. 764/89 en 1033/89 de vrijheid had om hem een referentiehoeveelheid toe te kennen met een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
52 De derde grief betoogt dat het Gerecht de voorwaarde betreffende het causaal verband tussen de onrechtmatige weigering van een referentiehoeveelheid en de gestelde schade onjuist heeft toegepast. Anders dan het Gerecht heeft overwogen, kan de weigering in 1989 om hem een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen niet worden toegeschreven aan het feit dat hij zijn bedrijf had verplaatst, maar moet deze weigering worden toegeschreven aan de toepasselijke communautaire regelgeving die meebrengt dat hij ter zake anders wordt behandeld dan een „normale producent”. Het uitgangspunt is dat de bedrijfsverplaatsing, zoals die welke hij heeft uitgevoerd, geen negatieve consequenties heeft gehad voor een dergelijke producent.
53 Van den Berg verwijst inzonderheid naar een vermeende Nederlandse bestuurspraktijk op grond waarvan het melkproducenten aan wie ingevolge verordening nr. 857/84 een referentiehoeveelheid was toegewezen, was toegestaan om het bedrijf van de ene naar de andere plaats over te brengen zonder die referentiehoeveelheid te verliezen, op voorwaarde dat de twee bedrijfsplaatsen gedurende minstens een jaar deel uitmaakten van hetzelfde melkveebedrijf. Die praktijk was volgens hem in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. Wegens deze overeenstemming komt de schade die hij stelt te hebben geleden na de verkoop van zijn oorspronkelijke bedrijf tot de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89, voor rekening van de gemeenschapsinstellingen.
54 De weigering in 1989 om hem op grond van deze verordening een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen, kan niet het gevolg zijn van het feit dat hij zijn bedrijf had verplaatst, maar moet worden toegeschreven aan de toepasselijke gemeenschapsregeling die meebrengt dat hij als SLOM-producent anders wordt behandeld dan een „normale producent”.
55 Van den Berg stelt dat hij het door het Gerecht gehanteerde causaliteitsidee niet begrijpt. Het past de causaliteitseis toe op het verband tussen de oorspronkelijke extra-heffingregeling en de bedrijfsverplaatsing in 1986. Dat verband is er uiteraard niet. Het vereiste causaal verband heeft volgens hem betrekking op de relatie tussen het onrechtmatige handelen van de gemeenschapswetgever en de door hem geleden inkomensschade.
– Beoordeling door het Hof
56 Terecht heeft het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest verklaard dat moet worden nagegaan, in hoeverre de voor de periode na 13 mei 1986 gestelde schade een gevolg was van de eerste weigering in 1985 om rekwirant een quotum toe te wijzen. Voorzover het Gerecht heeft vastgesteld dat de verkoop van het SLOM‑bedrijf geen gevolg was van deze weigering, moet die vaststelling aldus worden begrepen dat die verkoop niet kan worden beschouwd als een schakel in de keten van gebeurtenissen die hun oorzaak vonden in deze weigering.
57 Zoals de advocaat-generaal in de punten 55 en 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is een handeling van de gemeenschapsinstellingen enkel de oorzaak van schade wanneer een rechtstreeks causaal verband tussen deze handeling en de gestelde schade kan worden vastgesteld. Het vereiste causaal verband is er niet, wanneer de schade ook zonder de betrokken handeling van de gemeenschapsinstellingen zou zijn ingetreden.
58 Zo Van den Berg op grond van verordening nr. 857/84 een referentiehoeveelheid had gekregen, zou hij in geval van verkoop van het bedrijf de referentiehoeveelheid om de in punt 45 van het bestreden arrest uiteengezette redenen niet naar een nieuw bedrijf hebben kunnen overdragen. Derhalve is de schade die eventueel is ontstaan na de verkoop van het oorspronkelijke bedrijf, niet toegebracht door de onrechtmatige weigering van de referentiehoeveelheid bij het verstrijken van de niet-leveringsverbintenis.
59 Het argument inzake de vermeende Nederlandse bestuurspraktijk kan niet worden aanvaard. Deze vindt immers geen enkele grondslag in de ten tijde van de verkoop van het bedrijf van Van den Berg toepasselijke gemeenschapsregeling inzake de extra heffing.
60 Met betrekking tot de verklaring van het Gerecht dat de Nederlandse overheid rekwirant op niet-discriminerende wijze had moeten behandelen, volgt duidelijk uit punt 46 van het bestreden arrest, dat deze ten overvloede is gegeven. De grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht dienen zonder meer te worden afgewezen, omdat die niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden (zie arrest van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C‑82/01 P, Jurispr. blz. I‑9297, punt 41).
61 Voorzover Van den Berg stelt dat de weigering in 1989 om hem op grond van verordening nr. 764/89 een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen, niet kan worden toegeschreven aan het feit dat hij zijn bedrijf had verplaatst, berust zijn argument eveneens op de premisse dat producenten aan wie een referentiehoeveelheid was toegewezen, deze volgens de vermeende Nederlandse bestuurspraktijk konden behouden, zelfs wanneer zij hun oorspronkelijke bedrijf verkochten. Zoals reeds blijkt uit punt 59 van dit arrest, vindt een dergelijke praktijk evenwel geen enkele grondslag in de gemeenschapsregeling.
62 Uit het vorenstaande volgt, dat de eerste en de derde grief die Van den Berg heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn eerste middel in hogere voorziening, moeten worden afgewezen.
De tweede grief
– Argumenten van Van den Berg
63 In het kader van de tweede grief verwijt Van den Berg het Gerecht schending van het vertrouwensbeginsel in punt 48 van het bestreden arrest. Het lijkt zich volgens hem op het standpunt te hebben gesteld dat hem geen beroep op dit beginsel toekomt, omdat het door hem ingeroepen vertrouwen niet beschermenswaardig was.
64 Hij beroept zich op het vertrouwen dat hij niet anders wordt behandeld dan een producent aan wie een referentiehoeveelheid is toegewezen, dat wil zeggen dat hem geen bijzondere beperkingen zullen worden opgelegd enkel en alleen omdat hij SLOM-producent is. Juist dit vertrouwen heeft het Hof in voormeld arrest Herbrink gerechtvaardigd geacht. Daarvoor verwijst hij in het bijzonder naar punt 15 van dat arrest.
65 Hij stelt dat hij voorts ten tijde van zijn bedrijfsverplaatsing erop mocht vertrouwen dat hij nadien, in 1989, niet met terugwerkende kracht anders zou worden behandeld dan een „normale producent”.
– Beoordeling door het Hof
66 Uit punt 24 van het arrest Mulder I volgt dat Van den Berg mocht verwachten dat hij niet gesteld zou worden voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen juist omdat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden door de gemeenschapsregeling: het bij verordening nr. 1078/77 ingevoerde stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten.
67 Aangezien de producenten aan wie daadwerkelijk op grond van verordening nr. 857/84 een referentiehoeveelheid was toegewezen, na de verkoop van hun oorspronkelijke bedrijf met dezelfde gevolgen werden geconfronteerd als die welke door Van den Berg worden gekritiseerd, wordt hij in de onderhavige context evenwel niet specifiek in zijn hoedanigheid van SLOM‑producent door beperkingen getroffen.
68 Voormeld arrest Herbrink doet aan deze beoordeling niet af. In punt 15 van dat arrest heeft het Hof met toepassing van het vertrouwensbeginsel het recht van een pachter erkend om bij het einde van de pacht voor een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking te blijven komen, voorzover een lidstaat gebruik heeft gemaakt van een bevoegdheid waarin met dat doel door de gemeenschapsregeling is voorzien met betrekking tot een pachter in dezelfde situatie die over een krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 toegewezen referentiehoeveelheid beschikte.
69 De vermeende Nederlandse bestuurspraktijk kan niet een grond zijn voor een gewettigd vertrouwen van een producent dat hij door de Gemeenschap in overeenstemming met deze praktijk zal worden behandeld. Van den Berg had enkel mogen verwachten dat hij op de door hem verlangde wijze zou worden behandeld, waardoor hij de specifieke referentiehoeveelheid na de overdracht van het oorspronkelijke bedrijf kon behouden, indien de toepasselijke gemeenschapsregeling, zoals de regeling waarom het ging in de zaak waarin voormeld arrest Herbrink is gewezen, in een dergelijke mogelijkheid voor de bevoegde nationale autoriteiten had voorzien of de Gemeenschap zelf voordien een situatie had geschapen die een gewettigd vertrouwen in die zin kon wekken (zie arresten van 15 april 1997, Irish Farmers Association e.a., C‑22/94, Jurispr. blz. I‑1809, punt 19, en 18 mei 2000, Rombi en Arkopharma, C‑107/97, Jurispr. blz. I‑3367, punt 67). Dat is evenwel in casu niet het geval.
70 Het gewettigd vertrouwen van Van den Berg is evenmin in 1989 geschonden.
71 De voorwaarde van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89, dat de betrokken producent nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf moet exploiteren als bij de goedkeuring van zijn premieaanvraag, ligt immers in het verlengde van de terecht door het Gerecht in de punten 45 en 48 van het bestreden arrest genoemde voorschriften die voor elke melkproducent gelden. Ingevolge die voorschriften wordt de referentiehoeveelheid in beginsel overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend (zie met name arrest Herbrink, reeds aangehaald, punt 13) en kan een quotum slechts bij wijze van uitzondering van het ene naar het andere bedrijf worden overgedragen.
72 Hieruit volgt dat die voorwaarde niet kan worden geacht met terugwerkende kracht te zijn ingevoerd, maar dat een SLOM‑producent, met het oog op een identieke behandeling als de producenten aan wie een referentiehoeveelheid is toegewezen, met een dergelijke voorwaarde moest rekenen.
73 Derhalve kan de tweede grief niet worden aanvaard.
74 Uit het vorenstaande volgt dat het eerste middel dat Van den Berg heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn hogere voorziening, ongegrond moet worden verklaard.
Het tweede en het derde middel
Argumenten van Van den Berg
75 Van den Berg preciseert dat zijn tweede middel uitsluitend betrekking heeft op de verjaring van de vordering voor de periode tot 5 augustus 1992. De Commissie heeft jegens een bepaalde groep SLOM-producenten, waarvan hij deel uitmaakt, afstand gedaan van het recht om zich op verjaring te beroepen, althans door eigen toedoen het recht verwerkt om zich jegens hem op verjaring te beroepen. Bovendien is de verjaring volgens hem gestuit door de brief van 31 maart 1989 waarmee hijzelf en 351 andere Nederlandse en Ierse SLOM-producenten hebben uiteengezet dat zij de Gemeenschap aansprakelijk hielden voor de schade die zij hadden geleden ten gevolge van de ongeldigheid van verordening nr. 857/84, zoals die door het Hof is vastgesteld in het arrest Mulder I.
76 Volgens hem hebben de Raad en de Commissie met name gelet op die brief na het arrest Mulder II de mededeling van 5 augustus 1992 bekendgemaakt. Tijdens het overleg dat toentertijd tussen rekwirant en de genoemde 351 andere SLOM‑producenten, enerzijds, en de Raad en de Commissie, anderzijds, plaatsvond over de gevolgen van laatstbedoeld arrest, is namens die SLOM‑producenten duidelijk gemaakt dat de instellingen geen beroep op verjaring toekwam, omdat de zaak waarin het arrest Mulder II is gewezen, bedoeld was als proefprocedure voor de gehele categorie SLOM‑producenten. Die mededeling is bewust ruimer geformuleerd dan de tekst van artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG en dekt met de zinsnede „voorzover het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard […] op de datum waarop de producent zich reeds tot een van de instellingen heeft gewend”, de brief van 31 maart 1989.
77 Het feit dat in de mededeling van 5 augustus 1992 geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang van het tijdstip waarop de betrokken producenten zich voor het eerst tot een van de gemeenschapsinstellingen in kwestie hebben gewend, is van doorslaggevend belang. De mededeling maakt geen onderscheid al naar gelang dit contact voor het eerst in 1989, 1990, 1991 of 1992 heeft plaatsgevonden. Blijkens de bewoordingen van die mededeling is dus volstrekt duidelijk dat de Gemeenschap zichzelf het recht heeft ontnomen om zich voor de perioden vóór 5 augustus 1992 op verjaring te beroepen jegens iedere melkproducent die zich vóór die datum tot een van die instellingen had gewend, ongeacht wanneer de schadevordering is ingediend.
78 Volgens de letterlijke uitlegging van de mededeling van 5 augustus 1992 is aan geen van de SLOM-producenten op de lijst van 10 september 1993 aan wie een schikkingsvoorstel is gedaan in het kader van verordening nr. 2187/93, de verjaring tegengeworpen.
79 Voorts staat vast dat de Commissie in de na 1993 gevoerde schikkingsonderhandelingen met de SLOM-producenten die niet onder verordening nr. 2187/93 vielen, maar ten aanzien van wie de aansprakelijkheid van de Gemeenschap evenwel was erkend, ook geen beroep op verjaring heeft gedaan wanneer de betrokken SLOM-producent voorkwam op de lijst van producenten die de Gemeenschap bij brief van 31 maart 1989 aansprakelijk hebben gesteld. Dit feit heeft het Gerecht ten onrechte in het bestreden arrest niet genoemd. Ook heeft het niet vermeld dat de Commissie in haar memorie van dupliek in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 29 november 1996, Antonissen/Raad en Commissie (T‑179/96 R, Jurispr. blz. II‑1641), het op verjaring gebaseerde middel heeft ingetrokken, nadat de raadsman van de producent om wie het in die zaak ging, haar op de tekst van de brief van 31 maart 1989 had gewezen.
80 Ten slotte heeft Van den Berg bezwaar tegen de overweging in punt 72 van het bestreden arrest betreffende de contacten tussen de raadsman van de Nederlandse SLOM-producenten en een lid van de juridische dienst van de Commissie. Het Gerecht heeft ten onrechte aangenomen dat de bewijslast ten aanzien van de verklaringen van een ambtenaar van de Commissie op hem rust. De betrokken verklaringen, die de Commissie heeft samengevat in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, moeten ten minste als een verkapte erkenning worden aangemerkt.
81 Het derde middel heeft volgens Van den Berg eveneens betrekking op het oordeel van het Gerecht dat hij geen beroep kan doen op de mededeling van 5 augustus 1992 wat de stuiting van de verjaring voor de perioden na deze datum betreft.
82 Met betrekking tot de punten 62 en 63 van het bestreden arrest stelt hij, dat hij voor de stuiting van de verjaring geen beroep heeft gedaan op artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof, maar op de mededeling van 5 augustus 1992. Hij heeft aangevoerd dat de Gemeenschap, gelet op de bewoordingen van de mededeling, afstand had gedaan van het recht om zich jegens hem op verjaring te beroepen, aangezien, wat hem betreft, „het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard […] op de datum waarop de producent zich reeds tot een van de instellingen heeft gewend”, nu hij zich reeds op 31 maart 1989 tot de instellingen had gewend.
83 Hij verwijt het Gerecht eveneens dat het in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de discrepantie tussen de tekst van de mededeling van 5 augustus 1992 en die van artikel 43 van het Statuut, alsmede aan de praktische uitlegging en toepassing van deze mededeling door de Commissie in haar betrekkingen met de in de brief van 31 maart 1989 genoemde SLOM‑producenten. Het Gerecht maakt onderscheid tussen de „producenten […] die zich vóór de bekendmaking van die mededeling tot de instellingen hadden gewend om op basis van het arrest Mulder II een recht op vergoeding op te eisen, en aan wie [verweerders] hadden verzocht in afwachting van de verordening inzake forfaitaire vergoeding geen beroep tot schadevergoeding in te stellen” en de producenten aan wie de instellingen niet een dergelijk verzoek hadden gedaan. De tekst van die mededeling laat echter geen enkele ruimte voor het maken van een dergelijk onderscheid.
84 Het Gerecht heeft zijn eigen opvattingen in de plaats gesteld van de bewoordingen van de mededeling van 5 augustus 1992 en van de feitelijke toepassing daarvan in samenhang met de brief van 31 maart 1989. Daardoor heeft het jegens hem op grove wijze het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden. Het Gerecht geeft geen enkele plausibele verklaring waarom rekwirant zou mogen of dienen te worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere SLOM-producenten wier beroep op de brief van 31 maart 1989 in combinatie met de mededeling van 5 augustus 1992 ter stuiting van de verjaring duidelijk door de Commissie is aanvaard.
85 In de punten 68 en 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het belang miskend van de lijst van 10 september 1993 die de Commissie aan de Nederlandse autoriteiten had gezonden. Deze lijst vormt nog een bevestiging van het feit dat de Commissie door middel van de mededeling van 5 augustus 1992 afstand had gedaan van het recht om zich op verjaring te beroepen jegens al diegenen namens wie de brief van 31 maart 1989 aan de instellingen was gezonden. Van den Berg geeft toe dat hij zelf die lijst niet kende, maar stelt dat de SLOM-producenten ervan op de hoogte waren dat de Commissie in haar correspondentie met de Nederlandse autoriteiten het beroep op stuiting van de verjaring door middel van de brief van 31 maart 1989 uitdrukkelijk had gehonoreerd.
86 Gelet hierop, maakt Van den Berg eveneens bezwaar tegen punt 70 van het bestreden arrest. Hierin komt volgens hem inzonderheid tot uitdrukking dat de SLOM-producenten die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2187/93 vielen – zelfs los van de context van de brief van 31 maart 1989 – met terugwerkende kracht in het geheel geen rechten aan de mededeling van 5 augustus 1992 kunnen ontlenen, omdat de mededeling wordt geacht enkel gericht te zijn tot die producenten wier recht op schadevergoeding in 1993 bij de genoemde verordening uitdrukkelijk is erkend. Hij acht deze uitlegging van de mededeling absurd. Het valt immers moeilijk in te zien hoe een (in 1992) eenzijdig gedane toezegging door een latere verklaring (in 1993) kan worden teruggedraaid of ingeperkt.
87 Volgens het Gerecht zelf, dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens hem heeft erkend, valt hij onder de mededeling van 5 augustus 1992.
88 Aangezien het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat zijn vordering op 30 september 1993 reeds volledig was verjaard, heeft het niet kunnen toekomen aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre in de periode tussen 30 september 1993 en de datum van instelling van zijn beroep tot schadevergoeding op 29 april 1997 gedeeltelijke verjaring is ingetreden. Deze vraag zal na verwijzing van de onderhavige zaak door het Hof uiteindelijk door het Gerecht moeten worden onderzocht.
89 Van den Berg wijst erop dat, zo al zou moeten worden aangenomen dat zijn vordering partieel is verjaard, van volledige verjaring geen sprake kan zijn. In het meest ongunstige geval is zijn vordering voor een periode van 3 jaar, 6 maanden en 29 dagen verjaard. Aangezien zijn schade is ontstaan vanaf 23 februari 1985, heeft hij ten minste recht op vergoeding van de schade die hij na 24 augustus 1988 heeft geleden. Aangezien deze schade thans nog voortduurt, blijft de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens hem bestaan.
Beoordeling door het Hof
90 In het kader van het tweede en het derde middel wordt hoofdzakelijk geklaagd dat het Gerecht de mededeling van 5 augustus 1992 onjuist heeft beoordeeld. In wezen verwijt Van den Berg het Gerecht, dat het niet de juiste juridische gevolgtrekkingen aan die mededeling heeft verbonden.
91 Een dergelijke vraag vormt een rechtsvraag die in het kader van een hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (arrest van 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41).
92 Wat de producenten betreft wier recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op het tijdstip waarop zij zich tot een van de instellingen hebben gewend, heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 66 en 67 van het bestreden arrest, de mededeling van 5 augustus 1992 aldus uitgelegd dat zij enkel betrekking heeft op degenen aan wie die instellingen hadden verzocht, in afwachting van de verordening inzake forfaitaire vergoeding geen beroep tot schadevergoeding in te stellen.
93 Dit criterium vloeit evenwel niet voort uit de mededeling van 5 augustus 1992. Zo de Raad en de Commissie de kring van producenten waarop die mededeling van toepassing is, al op deze wijze wilden beperken, hebben zij deze bedoeling niet in de mededeling tot uitdrukking gebracht. In deze omstandigheden mocht Van den Berg erop vertrouwen dat hij behoorde tot de producenten ten aanzien van wie die instellingen overeenkomstig de betrokken mededeling hadden afgezien van het beroep op verjaring.
94 Hieruit volgt dat het Gerecht ten onrechte heeft geconcludeerd dat Van den Berg zich niet op de mededeling van 5 augustus 1992 kan beroepen. Gelet op deze uitleggingsfout, behoeven de argumenten van rekwirant volgens welke de lijst van 10 september 1993 en de verklaringen van een lid van de juridische dienst van de Commissie zijn uitlegging van die mededeling bevestigen, niet meer te worden onderzocht.
95 Indien evenwel in de motivering van een arrest van het Gerecht blijkt van een schending van het gemeenschapsrecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, moet de hogere voorziening worden afgewezen (zie arresten van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie, C‑30/91 P, Jurispr. blz. I‑3755, punt 28; 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C‑210/98 P, Jurispr. blz. I‑5843, punt 58, en 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr. blz. I‑11355, punt 57).
96 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat volgens punt 2 van de mededeling van 5 augustus 1992 de instellingen zich ertoe hebben verbonden om „tot het verstrijken van de in punt 3 [van die mededeling] bedoelde termijn” geen beroep te doen op verjaring van de schadevordering.
97 In genoemd punt 3 maken de instellingen gewag van de vaststelling van de praktische bepalingen voor de schadeloosstelling van de betrokken producenten. De tweede volzin van dit punt luidt: „De instellingen zullen preciseren bij welke autoriteiten en binnen welke termijn de verzoeken zullen moeten worden ingediend.”
98 Die bepalingen zijn neergelegd in verordening nr. 2187/93, waarvan artikel 10, lid 2, eerste alinea, tweede volzin, bepaalt dat „[d]e aanvraag van de producent […] op straffe van weigering uiterlijk op 30 september 1993 bij de bevoegde instantie binnen [moet] zijn”.
99 Het afzien van het beroep op verjaring, waarvan sprake was in de mededeling van 5 augustus 1992, eindigde dus op 30 september 1993. Na die datum stond die mededeling niet langer eraan in de weg dat de instellingen zich op verjaring van de door Van den Berg ingestelde schadevordering beroepen. Hoewel hij niet behoorde tot de producenten die voldeden aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergoedingsvoorstel in de zin van die verordening, had hij geen enkele reden om aan te nemen dat de instellingen zonder beperking in de tijd ervan hadden afgezien zich op verjaring te beroepen met betrekking tot zijn recht op schadevergoeding. Uit punt 2 van de mededeling van 5 augustus 1992 blijkt namelijk duidelijk dat zij slechts beperkt wilden afzien van het beroep op verjaring.
100 Die mededeling heeft niet tot gevolg dat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is ingegaan met ingang van 30 september 1993. Zij moet veeleer aldus worden begrepen dat Raad en de Commissie hadden besloten om voor het geval dat, zoals in casu, een aanvraag in de zin van artikel 10, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2187/93 niet uiterlijk op 30 september 1993 bij de bevoegde instantie is binnengekomen, voor de berekening van de verjaringstermijn geen rekening te houden met de periode tussen de datum waarop de producent zich tot een van de instellingen heeft gewend om een nog niet verjaard recht op schadevergoeding op te eisen, en 30 september 1993.
101 Met betrekking tot de verjaringstermijn die geldt voor de door Van den Berg geleden schade ten gevolge van het feit dat hem voor de periode tussen 23 februari 1985 en 13 mei 1986, de datum waarop hij zijn SLOM-bedrijf heeft verkocht, geen referentiehoeveelheid was toegewezen, moet eraan worden herinnerd dat het, zoals het Gerecht heeft vastgesteld in punt 60 van het bestreden arrest, gaat om een voortdurende schade die dagelijks opnieuw is ontstaan, zodat het recht op schadevergoeding achtereenvolgende perioden betreft, beginnende op elke dag waarop geen levering mogelijk was. Bijgevolg is de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG voor de op de eerste dag, te weten 23 februari 1985, geleden schade ingegaan op 24 februari daaropvolgend, en voor de op de laatste dag, te weten 13 mei 1986, ingetreden schade op de daaropvolgende dag, namelijk 14 mei 1986. Vaststaat dat het verzoekschrift van Van den Berg pas op 29 april 1997 bij het Gerecht is ingediend. Zelfs wanneer de periode tussen de datum van ontvangst van de brief van 31 maart 1989 en 30 september 1993 buiten beschouwing wordt gelaten, was de verjaringstermijn van vijf jaar derhalve reeds verstreken op de datum van indiening van dit verzoekschrift.
102 Anders dan Van den Berg stelt, heeft de brief van 31 maart 1989 de verjaring niet permanent gestuit. Aangezien niet in aansluiting op de brief een beroep bij het Gerecht is ingesteld binnen de termijn van artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG, kan hierop niet langer een beroep worden gedaan ter rechtvaardiging van een stuiting van de verjaring.
103 Derhalve was het recht op schadevergoeding van Van den Berg verjaard op de datum waarop hij bij het Gerecht beroep heeft ingesteld.
104 De door Van den Berg aangevoerde grief inzake schending van het gelijkheidsbeginsel is onderdeel van zijn betoog waarmee hij wil aantonen dat hem een beroep op de mededeling van 5 augustus 1992 toekomt. Hij stelt niet dat de Commissie geen beroep op verjaring heeft gedaan bij producenten wier rechten waren verjaard, in weerwil van de gunstige gevolgen van de mededeling van 5 augustus 1992 voor hen, noch dat het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
105 Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Kosten
106 Artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is, het Hof ten aanzien van de proceskosten beslist. Volgens artikel 69, lid 2, van dit Reglement, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Van den Berg in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vorderingen van de Raad en de Commissie in de kosten van onderhavige instantie worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Van den Berg wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy