Zaak C-165/01
Betriebsrat der Vertretung der Europäischen Kommission in Österreich
tegen
Europäische Gemeinschaften, Kommission der Europäischen Gemeinschaften
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
«Statuut van ambtenaren van Europese Gemeenschappen – Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden – Plaatselijke functionarissen – Vertegenwoordiging van Commissie in Oostenrijk – Toepasselijkheid van nationale wettelijke regeling inzake vertegenwoordiging en verdediging van werknemersbelangen»
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 10 april 2003 I - 0000 Arrest van het Hof van 10 juli 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Ambtenaren – Regeling andere personeelsleden – Plaatselijke functionarissen – Toepasselijkheid van plaatselijke nationale wettelijke regeling inzake vertegenwoordiging en verdediging van werknemersbelangen – Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 9 en bijlage II; Regeling andere personeelsleden, art. 7 en 79)De regels inzake vertegenwoordiging en behartiging van de belangen van de plaatselijke functionarissen van een gemeenschapsinstelling behoren niet tot de arbeidsvoorwaarden bedoeld in artikel 79 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, en zijn uitputtend geregeld in artikel 9 en bijlage II van het Statuut in samenhang met artikel 7 van de Regeling andere personeelsleden. De verwijzing in artikel 79 van de Regeling andere personeelsleden naar de voorschriften en gebruiken van de plaats waar de plaatselijke functionarissen hun werkzaamheden moeten verrichten, betreft dus niet de aldaar geldende nationale wettelijke regeling inzake medezeggenschap van de werknemers in de onderneming.Artikel 9 en bijlage II van het Statuut, alsmede artikel 79 van de Regeling andere personeelsleden, verzetten zich derhalve tegen de toepassing, op de plaatselijke functionarissen bij de vertegenwoordiging van de Commissie in Oostenrijk, van de Oostenrijkse wettelijke regeling inzake de ondernemingsorganisatie, die voorziet in de oprichting van een ondernemingsraad ter vertegenwoordiging en behartiging van de belangen van de . punten 46-47, 52 en dictum
ARREST VAN HET HOF
10 juli 2003 (1)
„Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen – Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden – Plaatselijke functionarissen – Vertegenwoordiging van de Commissie in Oostenrijk – Toepasselijkheid van nationale wetgeving inzake vertegenwoordiging en verdediging van werknemersbelangen”
In zaak C-165/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Betriebsrat der Vertretung der Europäischen Kommission in Österreich
en
Europäische Gemeinschaften, Kommission der Europäischen Gemeinschaften,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9 en bijlage II van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, en van artikel 79 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen,wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, M. Wathelet, R. Schintgen (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann, V. Skouris, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
─ de Betriebsrat der Vertretung der Europäischen Kommission in Österreich, vertegenwoordigd door G. Lansky, Rechtsanwalt,
─ de Europäische Gemeinschaften, Kommission der Europäischen Gemeinschaften, vertegenwoordigd door M. Langer als gemachtigde, bijgestaan door B. Hainz, Rechtsanwalt,
─ de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
─ de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en M. Lumma als gemachtigden,
─ de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Betriebsrat der Vertretung der Europäischen Kommission in Österreich, vertegenwoordigd door D. Pätzold, Rechtsanwalt; de Europäische Gemeinschaften, Kommission der Europäischen Gemeinschaften, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde, bijgestaan door B. Hainz; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde, en de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse, ter terechtzitting van 11 februari 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 14 maart 2001, ingekomen bij het Hof op 18 april daaraanvolgend, heeft het Oberste Gerichtshof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 9 en bijlage II van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, en van artikel 79 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Betriebsrat der Vertretung der Europäischen Kommission in Österreich (ondernemingsraad van de vertegenwoordiging van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Oostenrijk; hierna: ondernemingsraad) en de Europäische Gemeinschaften, Kommission der Europäischen Gemeinschaften (Europese Gemeenschappen, Commissie van de Europese Gemeenschappen), over de invoering in de kantoren van de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen (Oostenrijk) van een controle-installatie waarin persoonsgegevens van de werknemers van deze vertegenwoordiging worden opgeslagen.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 De artikelen 2 en 3 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56, blz. 1) strekken tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: RAP).
4 Artikel 1, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: Ambtenaar van de Gemeenschappen in de zin van dit statuut is hij die, op de bij dit statuut bepaalde wijze, in een vast ambt bij een der instellingen van de Gemeenschappen is aangesteld bij schriftelijk besluit van het daartoe bevoegde gezag van deze instelling.
5 Artikel 9 van het Statuut, dat deel uitmaakt van titel I ( Algemene bepalingen), luidt:
1. Er worden opgericht:
a) bij elke instelling:
─ een personeelscomité, zo nodig verdeeld in afdelingen voor elke standplaats van het personeel,
─ één of, indien het aantal ambtenaren in de standplaatsen dit vereist, meer paritaire commissies,
─ één of, indien het aantal ambtenaren in de standplaatsen dit vereist, meer tuchtraden,
─ zo nodig een beoordelingscomité;
b) bij de Gemeenschappen:
─ een invaliditeitscommissie.
Zij vervullen de taken in dit statuut omschreven.1 bis Voor de toepassing van sommige bepalingen van dit statuut kan bij twee of meer instellingen een gemeenschappelijke paritaire commissie worden opgericht.
2. Samenstelling en werkwijze van deze organen worden door iedere instelling overeenkomstig bijlage II vastgesteld.
De lijst van leden dezer organen wordt in het Maandblad voor het personeel der Gemeenschappen bekendgemaakt.
3. Het personeelscomité behartigt de belangen van het personeel bij de instelling en zorgt voor een voortdurend contact tussen haar en het personeel. Het draagt bij tot de goede werking van de dienst door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen.
Het comité brengt moeilijkheden van algemene aard aangaande de interpretatie en de toepassing van dit statuut ter kennis van de bevoegde organen der instelling. Het comité kan inzake deze moeilijkheden worden geraadpleegd.Het comité legt alle denkbeelden betreffende de organisatie en de werking van de dienst, alsmede alle voorstellen tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden of in het algemeen van de levensomstandigheden van het personeel, aan de bevoegde organen van de instelling voor.Het comité neemt deel aan het beheer van en het toezicht op de organen van sociale aard welke door de instelling in het belang van het personeel zijn opgericht. Het kan met toestemming van de instelling diensten van deze aard in het leven roepen.
4. Los van de taken die aan de paritaire commissies door dit statuut zijn toebedeeld, kunnen deze door het tot aanstelling bevoegde gezag of door het personeelscomité worden geraadpleegd over iedere kwestie van algemene aard die deze organen hun menen te moeten voorleggen.
5. Het beoordelingscomité heeft tot taak advies te geven over:
a) hetgeen na de proeftijd dient te geschieden,
b) ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt,
c) samenstelling van de lijst van ambtenaren die worden getroffen door een maatregel tot vermindering van het aantal ambten.
Het ziet erop toe dat de beoordeling van het personeel der instelling volgens gelijke maatstaven plaatsvindt.
6 De titels II tot en met VII van het Statuut regelen de rechten en verplichtingen van de ambtenaar, de loopbaan (met name aanwerving, bevordering en beëindiging van de dienst), de arbeidsvoorwaarden (arbeidsduur, verloven en feestdagen), het loon en de sociale rechten (met name bezoldiging en sociale zekerheid), de tuchtregeling, en de klachtenprocedures en rechtsbescherming van de ambtenaren.
7 Bijlage II bij het Statuut bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de in artikel 9 van het Statuut genoemde organen.
8 Artikel 1 van deze bijlage (enig artikel van afdeling 1, Personeelscomité) bepaalt: Het personeelscomité bestaat uit leden en eventueel plaatsvervangende leden, wier ambtstermijn drie jaar duurt. De instelling kan evenwel besluiten, een kortere ambtstermijn vast te stellen; deze mag echter niet korter zijn dan één jaar. Alle ambtenaren van de instelling zijn stemgerechtigd en verkiesbaar.De regels omtrent de verkiezing voor het personeelscomité dat niet in plaatselijke afdelingen verdeeld is of, indien het personeelscomité wel in plaatselijke afdelingen verdeeld is, voor de plaatselijke afdeling, wordt vastgesteld door de algemene vergadering van de ambtenaren van deze instelling, die op de overeenkomstige standplaats in dienst zijn. De verkiezingen zijn geheim.Indien het personeelscomité in plaatselijke afdelingen verdeeld is, worden, voor elke standplaats, de regels omtrent de aanwijzing van de leden van het centrale comité vastgesteld door de algemene vergadering van de ambtenaren van de instelling, die op de desbetreffende standplaats in dienst zijn. Tot leden van het centrale comité kunnen slechts leden van de desbetreffende plaatselijke afdeling worden aangewezen.Het personeelscomité dat niet in plaatselijke afdelingen is verdeeld of, indien het personeelscomité wel in plaatselijke afdelingen is verdeeld, de plaatselijke afdeling, dient zodanig te zijn samengesteld dat alle categorieën van ambtenaren en alle groepen, bedoeld in artikel 5 van het statuut alsmede de personeelsleden, bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, daarin zijn vertegenwoordigd. Het centrale comité van een personeelscomité dat in plaatselijke afdelingen is verdeeld, is rechtsgeldig geconstitueerd zodra de meerderheid zijner leden is aangewezen.De verkiezing voor het personeelscomité dat niet in plaatselijke afdelingen is verdeeld of, indien het personeelscomité wel in plaatselijke afdelingen is verdeeld, voor de plaatselijke afdeling, is slechts geldig indien ten minste twee derde van de stemgerechtigden daaraan heeft deelgenomen. Indien het quorum evenwel niet wordt bereikt, is de verkiezing bij de tweede stemming geldig wanneer de meerderheid der stemgerechtigden daaraan heeft deelgenomen.De functies der leden van het personeelscomité en van de ambtenaren die in opdracht van het comité zitting hebben in statutaire of door de instelling ingestelde organen, worden beschouwd als een onderdeel van de taken die zij in hun instelling moeten verrichten. De betrokkene mag door de uitoefening van zijn functie geen enkel nadeel ondervinden.
9 De afdelingen 2, 3, 4 en 5 van bijlage II bij het Statuut regelen de samenstelling en werkwijze van de paritaire commissies, de tuchtraad, de invaliditeitscommissie en het beoordelingscomité. Tot de paritaire commissies en de tuchtraad behoren leden die door het personeelscomité zijn aangewezen.
10 Op basis van de regeling betreffende de samenstelling en de werkwijze van het personeelscomité, die de Commissie op grond van artikel 9, lid 2, en bijlage II van het Statuut heeft vastgesteld, bestaat het personeelscomité bij de Commissie uit een centraal comité en enkele plaatselijke afdelingen voor de verschillende standplaatsen van het personeel van deze instelling. De leden van het centraal comité worden vanuit de plaatselijke afdelingen benoemd. De leden van de plaatselijke afdelingen worden gekozen door de ambtenaren en de andere personeelsleden in de zin van artikel 7 van de RAP. De ambtenaren en de andere personeelsleden die niet onder een plaatselijke afdeling vallen, worden vertegenwoordigd door de plaatselijke afdeling te Brussel (België). Aangezien er voor het personeel in Wenen geen plaatselijke afdeling is, worden deze personeelsleden vertegenwoordigd door de Brusselse afdeling. Zij nemen dan ook aan de verkiezingen voor deze afdeling deel. De door de algemene vergadering van de ambtenaren van de Commissie vastgestelde regels omtrent de verkiezingen voor de plaatselijke afdelingen en voor het centraal comité, verzekeren dat alle categorieën en groepen van ambtenaren alsmede de personeelsleden bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van de RAP in het centraal comité en zo veel mogelijk in elke plaatselijke afdeling zijn vertegenwoordigd.
11 Volgens artikel 1 ervan is de RAP van toepassing op ieder personeelslid dat op grond van een overeenkomst door de Gemeenschappen is aangesteld. Deze bepaling maakt een onderscheid tussen tijdelijke functionarissen, hulpfunctionarissen, plaatselijke functionarissen en bijzondere adviseurs.
12 Artikel 4, eerste alinea, RAP luidt: Als plaatselijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat overeenkomstig de plaatselijke gebruiken is aangesteld om handenarbeid of hulpdiensten te verrichten in een ambt dat niet is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft, en dat wordt bezoldigd uit de algemene kredieten hiertoe in die begrotingsafdeling uitgetrokken. Bij wijze van uitzondering kan eveneens als plaatselijk functionaris worden aangemerkt het personeelslid dat is aangesteld om uitvoerend werk te verrichten bij de kantoren van de pers- en voorlichtingsdienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
13 Artikel 7 RAP, dat deel uitmaakt van titel I ( Algemene bepalingen), bepaalt: Het personeelslid dat een overeenkomst voor langer dan één jaar of voor onbepaalde tijd heeft aangegaan, heeft actief en passief kiesrecht voor het in artikel 9 van het Statuut genoemde personeelscomité.Het personeelslid dat een overeenkomst voor minder dan een jaar heeft aangegaan, maar dat sedert ten minste zes maanden in dienst is, heeft eveneens actief kiesrecht.De paritaire commissie, genoemd in artikel 9 van het statuut, kan door de instelling of door het personeelscomité worden geraadpleegd over iedere kwestie van algemene aard die de in artikel 1 bedoelde personeelsleden betreft.
14 De titels II (artikelen 8 tot en met 50 bis) en III (artikelen 51 tot en met 78) van de RAP bepalen de regels voor de tijdelijke functionarissen en de hulpfunctionarissen, onder meer wat betreft hun rechten en verplichtingen, de voorwaarden voor hun aanstelling, de arbeidsvoorwaarden (waaronder de verloven), de bezoldiging, de sociale zekerheid, de klachtenprocedures en rechtsbescherming, en de beëindiging van de dienst.
15 Titel IV van de RAP ( Plaatselijke functionarissen) omvat de volgende bepalingen: Artikel 79 Onverminderd de bepalingen van deze titel, worden de arbeidsvoorwaarden van plaatselijke functionarissen, inzonderheid ter zake van:a) aanstelling en ontslag,b) verloven,c) bezoldiging,door elke instelling vastgesteld aan de hand van de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten. Artikel 80 Inzake de sociale zekerheid neemt de instelling de lasten op zich die op de werkgever drukken ingevolge de voorschriften ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten. Artikel 81 1. Geschillen tussen de instelling en de plaatselijke functionaris die in een lidstaat is tewerkgesteld, zijn onderworpen aan het gerecht dat bevoegd is ingevolge de wetten ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden verricht.2. Geschillen tussen de instelling en de plaatselijke functionaris die in een derde land is tewerkgesteld, zijn onderworpen aan een arbitrageorgaan onder de voorwaarden welke zijn neergelegd in het in de overeenkomst van de functionaris opgenomen arbitragebeding.
16 Op 21 november 1989 stelde de Commissie, op grond van met name de artikelen 4, 79, 80 en 81 RAP en na raadpleging van het personeelscomité, een kaderregeling vast inzake de arbeidsvoorwaarden voor de in een derde land tewerkgestelde plaatselijke functionarissen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Deze kaderregeling is op 1 januari 1990 in werking getreden, maar was eerst van toepassing na het van kracht worden van de bijzondere voorwaarden die voor iedere standplaats waren vastgesteld.
17 Artikel 1 van de regeling inzake de bijzondere arbeidsvoorwaarden voor de in Oostenrijk tewerkgestelde plaatselijke functionarissen (hierna: bijzondere regeling voor Oostenrijk), die na raadpleging van het centrale personeelscomité in 1994 is vastgesteld, bepaalt: De onderhavige regeling stelt de bijzondere arbeidsvoorwaarden vast van de plaatselijke functionarissen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die in Oostenrijk zijn tewerkgesteld en van personen die er werkzaam zijn krachtens een overeenkomst van bepaalde of onbepaalde duur of die als zodanig worden beschouwd door de Oostenrijkse wettelijke regeling.De wettelijke bepalingen van de onderhavige regeling zijn van toepassing, onverminderd gunstigere bepalingen van dwingend Oostenrijks recht.
18 Net als de voor de tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen geldende titels II en III van de RAP, bepaalt deze bijzondere regeling voor Oostenrijk de regels voor de plaatselijke functionarissen, onder meer wat betreft hun aanstelling, loopbaan, rechten en verplichtingen, arbeidsvoorwaarden (waaronder de verloven), bezoldiging, sociale zekerheid, beëindiging van de dienst, en de klachtenprocedures en rechtsbescherming.
19 Blijkens het antwoord van de Commissie op een schriftelijke vraag van het Hof, is de bijzondere regeling voor Oostenrijk nog steeds van toepassing op de plaatselijke functionarissen van de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen, ook na de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie.
Bepalingen van nationaal recht
20 In de verwijzingsbeschikking is het relevante nationale recht als volgt omschreven: In Oostenrijk wordt onder het begrip Arbeitsverfassungsrecht ( recht inzake collectieve arbeidsbetrekkingen) dat deel van het arbeidsrecht verstaan dat de organisatie, de taak, de bevoegdheden en de wederzijdse betrekkingen (overleg en collectieve overeenkomsten) betreft in het kader van de verdediging van de werknemersbelangen binnen en buiten het bedrijf enerzijds, en de verdediging van de belangen van de werkgever(s) buiten het bedrijf anderzijds, alsmede de vaststelling van het collectieve arbeidsrecht door andere ter zake bevoegde organen [...]De belangrijkste bron van het recht inzake collectieve arbeidsbetrekkingen is het ArbVG [Bundesgesetz betreffend die Arbeitsverfassung (Arbeitsverfassungsgesetz) (federale wet inzake de collectieve arbeidsbetrekkingen) van 13 december 1973]. Deze wet regelt drie belangrijke aspecten van de collectieve arbeidsbetrekkingen, te weten de totstandkoming van collectieve regelingen (collectieve rechtsbronnen) binnen de onderneming en per bedrijfstak (deel I van het ArbVG), de ondernemingsorganisatie ( Betriebsverfassung) (deel II van het ArbVG, alsmede deel V betreffende de ondernemingsorganisatie op Europees niveau), en de organisatie, bevoegdheid, en interne procedures van alle autoriteiten en diensten die bevoegd zijn voor geschillen over de regelingen betreffende de ondernemingsorganisatie en instaan voor andere administratieve aangelegenheden (deel III van het ArbVG [...]).Het deel van het ArbVG inzake de ondernemingsorganisatie, bevat alle bepalingen die voor het personeel van een bedrijf (onderneming, concern) een organisatie creëren, taken stellen en bevoegdheden, voornamelijk jegens de bedrijfsleider, verlenen. Aan deze bepalingen ligt de idee ten grondslag dat de werknemer betrokken wordt bij de aangelegenheden die het bedrijf betreffen. Uitgangspunt van het ArbVG ten aanzien van de ondernemingsorganisatie is dat naast elkaar twee groepen personen bestaan (bedrijfsleiders en werknemers) en dat aan de werknemers verschillende bevoegdheden worden toegekend [...][...]Ingevolge § 33, lid 1, ArbVG is deel II van deze wet (ondernemingsorganisatie) van toepassing op alle soorten ondernemingen. In dit verband wordt het begrip onderneming omschreven als elke werkplaats die een organisatorische eenheid vormt waarbinnen een natuurlijke of rechtspersoon of een gemeenschap van personen met technische of immateriële middelen duurzaam bepaalde arbeidsresultaten nastreeft, met of zonder winstoogmerk.De werkingssfeer van de voorschriften van het ArbVG inzake de ondernemingsorganisatie wordt bepaald door het territorialiteitsbeginsel. Alle in Oostenrijk gelegen werkplaatsen vallen onder het ArbVG en zijn derhalve verplicht ─ indien aan de overige voorwaarden is voldaan ─ een ondernemingsraad in te stellen [...]Volgens § 33, lid 2, punt 2, ArbVG, is deel II van het ArbVG evenwel niet van toepassing op de instanties, diensten en andere publiekrechtelijke lichamen van de federale overheid, de Länder, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de gemeenten. Voor de organen die onder deze uitzondering vallen, gelden de wetten van de Bondsrepubliek of van de Länder inzake personeelsvertegenwoordiging. [...]Volgens § 40, lid 1, ArbVG moeten in elke onderneming waarin permanent minstens vijf stemgerechtigde werknemers (in de zin van § 49, lid 1, ArbVG) werkzaam zijn, de personeelsorganen worden ingericht als bedoeld in de verdere bepalingen van deel II van het ArbVG. Het belangrijkste orgaan is de ondernemingsraad ( Betriebsrat) (§§ 50 e.v. ArbVG).De namens de werknemers door de ondernemingsraad uit te oefenen bevoegdheden zijn omschreven in hoofdstuk 3 van deel II van het ArbVG (§§ 89 e.v.). Daartoe behoren de in het eerste en het tweede onderdeel van hoofdstuk 3 geregelde rechten, zoals het recht om toe te zien op de nakoming van de regels die op de werknemers van de onderneming van toepassing zijn (§ 89 ArbVG), het recht om te verzoeken dat passende maatregelen worden vastgesteld en gebreken worden ongedaan gemaakt in alle aangelegenheden die van belang zijn voor de werknemers (§ 90 ArbVG), en het recht op door de bedrijfsleider te verstrekken algemene informatie (§ 91 ArbVG) [...] Volgens de §§ 96 ( verplichte medezeggenschap) en 96a ( noodzakelijke medezeggenschap) kunnen bepaalde maatregelen slechts rechtsgeldig worden genomen indien de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd. In de plaats van de instemming van de ondernemingsraad voor maatregelen in de zin van § 96a ArbVG kan volgens lid 2 van die bepaling een beslissing van een bemiddelingsinstantie komen. In § 97, lid 1, punten 1 tot en met 6a, juncto § 97, lid 2, ArbVG zijn de gevallen van afdwingbare medezeggenschap geregeld, waarin bij uitblijven van een overeenkomst binnen de onderneming over de beoogde regeling in voorkomend geval de beslissing van de eventueel vooraf geadieerde bemiddelingsinstantie in de plaats daarvan kan komen, terwijl in de in § 97, lid 1, punten 7 tot en met 23a en 25, ArbVG genoemde gevallen van facultatieve medezeggenschap bij uitblijven van een overeenkomst binnen de onderneming de beoogde regeling niet kan worden vastgesteld [...]Het derde onderdeel van hoofdstuk 3 van deel II van het ArbVG regelt de medewerking van de ondernemingsraad in personeelszaken, te weten het recht op informatie (§ 98 ArbVG) en het recht op deelneming bij de aanstelling van werknemers (§ 99 ArbVG), bij de vaststelling van de bezoldiging in individuele gevallen (§ 100 ArbVG), bij overplaatsingen (§ 101 ArbVG), bij tuchtmaatregelen (§ 102 ArbVG), bij de terbeschikkingstelling van bedrijfswoningen (§ 103 ArbVG), bij bevorderingen (§ 104 ArbVG) en bij de beëindiging van arbeidsbetrekkingen in onderlinge overeenstemming (§ 104a ArbVG). Tot dit onderdeel van het ArbVG behoren met name de §§ 105 en 106 inzake opzegging en ontslag van werknemers, op grond waarvan de ondernemingsraad [...] onder bepaalde voorwaarden beroep kan instellen tegen opzeggingen (ontslagen) die op onaanvaardbare gronden zijn gebaseerd (§ 105, lid 3, punt 1, ArbVG) of sociaal ongerechtvaardigd zijn (§ 105, lid 3, punt 2, ArbVG).[...]§ 53 ASGG [Bundesgesetz über die Arbeits- und Sozialgerichtsbarkeit (Arbeits- und Sozialgerichtsgesetz) (federale wet over de rechterlijke bevoegdheid in arbeids- en sociale zaken) van 7 maart 1985] verleent de ondernemingsraad het recht om in rechte op te treden. Aan deze wettelijke bepaling ontleent de ondernemingsraad een algemene procesbevoegdheid in arbeidszaken [...] § 54, lid 1, ASGG verleent de ondernemingsraad het recht om binnen zijn bevoegdheidssfeer als verzoeker of verweerder op te treden inzake de vaststelling van het al dan niet bestaan van rechten of rechtsbetrekkingen die ten minste drie werknemers van het bedrijf of de onderneming betreffen.
21 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat de verplichting van de bedrijfsleider op grond van § 91 ArbVG om aan de ondernemingsraad algemene informatie te verstrekken in alle aangelegenheden die de economische, sociale, gezondheids- of culturele belangen van de werknemers van de onderneming raken, in rechte kan worden afgedwongen. Bovendien schrijft § 96a ArbVG voor dat de instemming van de ondernemingsraad met name vereist is voor de invoering van systemen voor het geautomatiseerd verzamelen, verwerken en doorgeven van persoonlijke gegevens betreffende de werknemers, indien het gaat om gegevens die meer dan algemene personalia zijn en het doorgeven van die gegevens niet nodig is voor beroepsdoeleinden. Maar instemming is niet vereist voorzover de daadwerkelijke en voorziene verwerking van die gegevens niet verder gaat dan de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de wet of uit voorschriften van collectieve overeenkomsten of de arbeidsovereenkomst. Wanneer zij vereist is, moet de instemming van de ondernemingsraad worden verleend in de vorm van een (schriftelijke) overeenkomst. Komen de ondernemingsraad en de bedrijfsleider niet tot een overeenkomst, dan kan de bedrijfsleider een regeling afdwingen via de bemiddelingsinstantie. Indien de werkgever de maatregel neemt zonder de instemming van de ondernemingsraad en zonder een beroep te doen op de bemiddelingsinstantie, dan kan de ondernemingsraad voor de rechter de opheffing vragen van de maatregel.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
22 Op 12 maart 1998 verkozen de plaatselijke functionarissen bij de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen overeenkomstig het ArbVG een ondernemingsraad. De vertegenwoordiging, die onverwijld in kennis was gesteld van deze verkiezing en van de onmiddellijke oprichting van de ondernemingsraad, verzette zich niet tegen de verkiezing. In zijn verwijzingsbeschikking stelt de nationale rechter vast dat de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de ondernemingsraad door de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen als de plaatselijke vertegenwoordigers van de plaatselijke functionarissen worden beschouwd.
23 In februari 1999 vond de verkiezing plaats voor het in artikel 9 van het Statuut bedoelde personeelscomité bij de Commissie. Aan deze verkiezing namen ook plaatselijke functionarissen bij de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen deel. Geen van hen werd verkozen.
24 Eind oktober 1998 kreeg de ondernemingsraad kennis van het bestaan van een controle-installatie waardoor bij de toegang tot het kantoor ─ door middel van een persoonlijke chipkaart en een code ─ de persoonlijke gegevens van de werknemer worden opgeslagen.
25 Van mening dat de Commissie, door deze installatie in te voeren en te gebruiken, de hem door de §§ 91 en 96a ArbVG verleende rechten had geschonden, vorderde de ondernemingsraad voor het Arbeits- und Sozialgericht Wien (Oostenrijk) dat de Commissie zou worden gelast hem mee te delen welke persoonsgegevens van de werknemers geautomatiseerd worden opgeslagen, hoe zij worden verwerkt en aan wie zij worden doorgegeven, en alle onregelmatig ─ want zonder instemming van de ondernemingsraad ─ geïnstalleerde toestellen voor de registratie van persoonsgegevens betreffende de werknemers te verwijderen.
26 In eerste aanleg verwierp het Arbeits- und Sozialgericht Wien het beroep, met name omdat het ArbVG wegens de voorrang van het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder artikel 9 van het Statuut, niet van toepassing is, zodat de verkiezing van de ondernemingsraad volstrekt nietig is en deze geen procesbevoegdheid heeft.
27 In hoger beroep bevestigde het Oberlandesgericht Wien (Oostenrijk) dit vonnis, eveneens voornamelijk op basis van de voorrang van het gemeenschapsrecht, dat zich ertegen verzet dat binnen de gemeenschapsinstellingen een personeelscomité als bedoeld in artikel 9 van het Statuut wordt opgericht, dat wil zeggen een intern orgaan zonder de vereiste rechtspersoonlijkheid en procesbevoegdheid om een beroep in te stellen, en daarnaast een uit het personeel gekozen orgaan zoals de ondernemingsraad als bedoeld in het ArbVG, met procesbevoegdheid op grond van § 53 ASGG.
28 De ondernemingsraad stelde bij het Oberste Gerichtshof beroep tot Revision in tegen het vonnis van het Oberlandesgericht Wien. Het Oberste Gerichtshof oordeelde dat de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen niet onder de uitzondering van § 33, lid 2, punt 2, ArbVG valt, een onderneming is in de zin van § 34, lid 1, ArbVG en permanent minstens vijf stemgerechtigde werknemers in de zin van § 49, lid 1, ArbVG tewerkstelt, zodat zij, indien deel II van het ArbVG op haar van toepassing is, overeenkomstig § 40, lid 1, ArbVG een ondernemingsraad moet oprichten.
29 In dit verband stelde het Oberste Gerichtshof vast dat het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of artikel 79 RAP eveneens verwijst naar een wettelijke regeling als die van deel II van het ArbVG, en evenmin over de vraag of de bepalingen van het Statuut inzake het personeelscomité zich verzetten tegen de toepassing van deze nationale wet. Daarom besloot het de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1) Moet artikel 79 van de RAP [artikel 3 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968], waarin is bepaald dat de arbeidsvoorwaarden van plaatselijke functionarissen, inzonderheid ter zake van a) aanstelling en ontslag, b) verloven en c) bezoldiging, door elke instelling worden vastgesteld aan de hand van de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar de functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten, worden uitgelegd als een verwijzing naar het geldende nationale arbeidsrecht, dat in het geval van de Republiek Oostenrijk ook voorziet in de toepassing van de voorschriften van deel II van het ArbVG inzake de ondernemingsorganisatie?
2) Moeten de bepalingen van artikel 9 van het Statuut [artikel 2 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968] en die van bijlage II bij dat Statuut betreffende het ook voor de plaatselijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen bevoegde personeelscomité aldus worden uitgelegd, dat zij het collectieve arbeidsrecht en het recht op medezeggenschap van de plaatselijke functionarissen uitputtend regelen, zodat de regels van deel II van het ArbVG betreffende de ondernemingsorganisatie niet op de bij de vertegenwoordiging van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te Wenen tewerkgestelde plaatselijke functionarissen kunnen worden toegepast?
De prejudiciële vragen
30 Aangezien de twee vragen nauw samenhangen, moeten zij tezamen worden onderzocht.
31 Ter beantwoording van deze vragen zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat artikel 9, lid 1, van het Statuut voorziet in de oprichting van een personeelscomité bij elke gemeenschapsinstelling. Overeenkomstig lid 3, eerste alinea, van deze bepaling, behartigt dit personeelscomité de belangen van het personeel bij de betrokken instelling, door te zorgen voor een voortdurend contact tussen deze instelling en het personeel, en draagt het bij tot de goede werking van de diensten van de instelling, door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen.
32 Met het oog op de uitoefening van zijn taak als vertegenwoordiger van de belangen van het personeel, heeft het personeelscomité krachtens artikel 9, lid 3, tweede, derde en vierde alinea, van het Statuut, het recht om zich te wenden tot de bevoegde organen van de betrokken instelling en om door deze organen te worden geraadpleegd over alle moeilijkheden van algemene aard aangaande de uitlegging en de toepassing van het Statuut, het recht om alle denkbeelden voor te leggen betreffende de organisatie en de werking van de diensten van deze instelling of tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden van het personeel en hun levensomstandigheden in het algemeen, alsmede het recht om deel te nemen aan het beheer van en het toezicht op de organen van sociale aard welke door de instelling in het belang van het personeel zijn opgericht. Daarnaast heeft/hebben de paritaire commissie(s) ingevolge bijlage II, afdeling 2, bij elke instelling leden die door het personeelscomité zijn aangewezen, en volgens artikel 9, lid 4, van het Statuut kunnen deze commissies worden geraadpleegd over iedere kwestie van algemene aard die het tot aanstelling bevoegd gezag of het personeelscomité hun menen te moeten voorleggen.
33 Bovendien verleent artikel 7 RAP aan de personeelsleden die een overeenkomst met de Gemeenschappen hebben aangegaan ─ waaronder de plaatselijke functionarissen ─, wanneer is voldaan aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot de duur van hun overeenkomst of van hun daadwerkelijke tewerkstelling, actief en passief kiesrecht voor het personeelscomité van de instelling die hen heeft aangeworven, op gelijke voet met de ambtenaren van deze instelling.
34 Voorts bepaalt artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut dat het personeelscomité van elke instelling of, indien het in plaatselijke afdelingen is verdeeld, de plaatselijke afdeling, zodanig dient te zijn samengesteld dat alle personeelsleden, bedoeld in artikel 7, eerste alinea, RAP, waaronder de plaatselijke functionarissen die een overeenkomst voor langer dan één jaar of voor onbepaalde tijd hebben aangegaan, daarin zijn vertegenwoordigd. Blijkens punt 10 van het onderhavige arrest heeft de Commissie deze verplichting uitdrukkelijk overgenomen in de regeling betreffende de samenstelling en de werkwijze van het personeelscomité, die zij op grond van artikel 9, lid 2, en bijlage II van het Statuut heeft vastgesteld.
35 Uit een en ander volgt dat de gemeenschapswetgever er met de vaststelling van verordening nr. 259/68 voor heeft gezorgd dat de plaatselijke functionarissen kunnen deelnemen aan de behartiging van de belangen van het personeel van de instelling die hen heeft aangesteld, onder dezelfde voorwaarden inzake vertegenwoordiging van het personeel als die welke gelden voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de andere personeelsleden die onder de RAP vallen.
36 In de tweede plaats moet worden onderzocht of artikel 79 RAP aldus moet worden uitgelegd, dat het toestaat of zelfs voorschrijft dat de plaatselijke functionarissen van een instelling eveneens kunnen deelnemen aan de behartiging van hun belangen overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaat waar zij hun werkzaamheden moeten verrichten.
37 Daartoe moet worden onderzocht of, gelet op het gebruik van de uitdrukking inzonderheid in artikel 79 RAP, de regels inzake de vertegenwoordiging en de behartiging van de belangen van de plaatselijke functionarissen eveneens tot de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in deze bepaling behoren. Daarbij moet laatstbedoeld begrip in zijn context worden geplaatst en volgens de geest van deze bepaling en de structuur van de RAP worden uitgelegd.
38 Dienaangaande zij allereerst vastgesteld dat volgens artikel 79 RAP, onverminderd de andere bepalingen van titel IV met betrekking tot het stelsel van sociale zekerheid van de plaatselijke functionarissen en de beslechting van hun geschillen met de instelling, de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen door elke instelling worden vastgesteld aan de hand van de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar zij hun werkzaamheden moeten verrichten.
39 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in punt 23 van zijn arrest van 9 november 2000, Vitari (C-126/99, Jurispr. blz. I-9425), volgt hieruit dat het nationale recht van de staat op wiens grondgebied de plaatselijke functionaris zijn werkzaamheden verricht, niet als zodanig van toepassing is op de arbeidsbetrekking tussen een gemeenschapsinstelling en een plaatselijk functionaris.
40 Vervolgens zij opgemerkt dat de RAP is onderverdeeld in meerdere titels, waarvan de eerste, zoals uit het opschrift ervan blijkt, de algemene bepalingen bevat die gelden voor alle in artikel 1 RAP genoemde categorieën van personeelsleden, terwijl de volgende titels de bijzondere voorschriften voor elk dezer categorieën bepalen.
41 Enerzijds zijn de voorwaarden waaronder de personeelsleden die een overeenkomst hebben aangegaan, actief en passief kiesrecht voor het personeelscomité hebben, neergelegd in artikel 7 RAP, dat behoort tot titel I en dus van toepassing is op alle personeelsleden die onder de RAP vallen.
42 Anderzijds moet worden vastgesteld dat de titels II en III van de RAP in bijzonderheden bepalen welke regels voor de tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen gelden, met name inzake hun aanstelling en de beëindiging ervan, de arbeidsvoorwaarden (waaronder de verloven) en de bezoldiging, terwijl artikel 79 RAP, dat behoort tot titel IV betreffende de plaatselijke functionarissen, ten aanzien van dezelfde aspecten van de arbeidsvoorwaarden verwijst naar de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar de plaatselijke functionaris zijn werkzaamheden moet verrichten.
43 Hieruit blijkt dat de gemeenschapswetgever, door met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden in titel IV van de RAP betreffende de plaatselijke functionarissen te verwijzen naar de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar deze functionarissen hun werkzaamheden moeten verrichten, geen andere aspecten van de arbeidsbetrekking tussen deze functionarissen en hun instelling heeft willen regelen dan die welke in de titels II en III ten aanzien van de andere categorieën van personeelsleden zijn geregeld.
44 Ten slotte zij opgemerkt dat, teneinde de goede werking van de diensten van een gemeenschapsinstelling niet in het gedrang te brengen, artikel 79 RAP niet aldus mag worden uitgelegd dat het kan leiden tot de vaststelling, in een bepaalde materie en voor eenzelfde categorie van personeelsleden, van afwijkende of zelfs tegenstrijdige maatregelen die in een verschillende context en op grond van verschillende voorschriften worden genomen.
45 Dit is echter precies wat zou kunnen gebeuren indien, enerzijds, alle personeelsleden van een gemeenschapsinstelling binnen het kader van het personeelscomité en, anderzijds, een bepaalde categorie van personeelsleden binnen het kader van een orgaan dat is opgericht op grond van de nationale wetgeving van de staat waar zij hun werkzaamheden verrichten, tegelijk de rechten inzake vertegenwoordiging en behartiging van de belangen van het personeel uitoefenen die hun respectievelijk door het Statuut en door de nationale wetgeving zijn verleend.
46 De regels inzake vertegenwoordiging en behartiging van de belangen van de plaatselijke functionarissen van een gemeenschapsinstelling behoren derhalve niet tot de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 79 RAP, maar zijn uitputtend geregeld in artikel 9 en bijlage II van het Statuut in samenhang met artikel 7 RAP.
47 De verwijzing in artikel 79 RAP naar de voorschriften en gebruiken ter plaatse waar de plaatselijke functionarissen hun werkzaamheden moeten verrichten, betreft dus niet de aldaar geldende nationale wetgeving ─ zoals bijvoorbeeld deel II van het ArbVG ─ inzake medezeggenschap van de werknemers in de onderneming.
48 Anders dan de Betriebsrat en de Oostenrijkse en de Zweedse regering stellen, wordt aan deze conclusie niet afgedaan door het zogenaamd fragmentarische of rudimentaire karakter van de bepalingen van het Statuut en de RAP betreffende de deelneming van de personeelsleden van de gemeenschapsinstellingen aan de vertegenwoordiging en de behartiging van hun belangen.
49 De bij het Statuut en de RAP ingevoerde regeling inzake de vertegenwoordiging en de behartiging van de belangen van het personeel is immers, zoals de advocaat-generaal in de punten 96 en 97 van zijn conclusie opmerkt, toegesneden op de behoeften van de onderscheiden instellingen en hun personeel, en op de vervulling van de taak waarmee elk van deze instellingen bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie.
50 Voor het Hof is niet aangevoerd dat de uit verordening nr. 259/68 voortvloeiende voorschriften van deze regeling in strijd zijn met een hogere bepaling van gemeenschapsrecht, en evenmin dat zij onvoldoende garanties bieden voor een op de behoeften en de taakvervulling van de gemeenschapsinstellingen toegesneden behartiging van de belangen van het personeel van deze instellingen.
51 De voorschriften inzake medezeggenschap van de werknemers in de onderneming die gelden in de staten waar plaatselijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen eventueel werkzaamheden moeten verrichten, zijn bovendien niet noodzakelijkerwijs dezelfde als die van deel II van het ArbVG, en kunnen zelfs, naar gelang van de omstandigheden, variëren binnen eenzelfde staat, zodat de toepassing ervan op de plaatselijke functionarissen geenszins waarborgt dat hun deelneming aan de behartiging van hun belangen altijd ruimer zal zijn dan die waarin de bepalingen van het Statuut en van de RAP voorzien.
52 Gelet op een en ander, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 9 en bijlage II van het Statuut, alsmede artikel 79 RAP, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van de in deel II van het ArbVG neergelegde Oostenrijkse wettelijke regeling inzake de ondernemingsorganisatie op de plaatselijke functionarissen bij de vertegenwoordiging van de Commissie te Wenen.
Kosten
53 De kosten door de Oostenrijkse, de Duitse, de Nederlandse en de Zweedse regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 14 maart 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Rodríguez Iglesias
Wathelet
Schintgen
Timmermans
Gulmann
Edward
La Pergola
Jann
Skouris
Macken
Colneric
von Bahr
Cunha Rodrigues
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juli 2003.
De griffier
De president
R. Grass
G. C. Rodríguez Iglesias
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy