Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
2. Ambtenaren - Overgang naar andere instelling - Bevordering wegens overgang - Voorwaarde
(Ambtenarenstatuut, art. 8, tweede en derde alinea)
Samenvatting
$$1. Blijkens artikel 225 EG en artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en is het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen - tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, blijkt uit de hem overgelegde processtukken - en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.
( cf. punt 40 )
2. De overgang op basis van artikel 8 van het Statuut van een ambtenaar naar de instelling waarbij hij is gedetacheerd, heeft in beginsel en als zodanig, ingevolge de algemene regel die voortvloeit uit artikel 8, tweede alinea, geen invloed op het statuut van de betrokken ambtenaar, inzonderheid wat zijn rang en zijn salarisanciënniteit betreft. Van deze regel wordt enkel afgeweken in het uitzonderlijke en afwijkende geval bedoeld in artikel 8, derde alinea, waarin de overgang van een ambtenaar vereist dat de instelling waarnaar hij overgaat, die overgang laat samenvallen met een bevordering. De toepassing van de regel van artikel 8, derde alinea, hangt met name af van de voorwaarde dat de overgang noodzakelijkerwijze gepaard gaat met vaste aanstelling in een hogere rang dan die welke de ambtenaar in zijn oorspronkelijke instelling bekleedde.
( cf. punten 58-61 )
Partijen
In zaak C-184/01 P,
Peter Hirschfeldt, ambtenaar van het Europees Milieuagentschap, wonende te Kopenhagen (Denemarken), vertegenwoordigd door J.-N. Louis en V. Peere, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 13 februari 2001, Hirschfeldt/EMA (T-166/00, JurAmbt. blz. I-A-41 en II-157), strekkende tot vernietiging van dat arrest en tot toewijzing van rekwirants vordering in eerste aanleg,
andere partij bij de procedure:
Europees Milieuagentschap (EMA), vertegenwoordigd door J.-L. Salazar en J. Rivière als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 april 2001, heeft Hirschfeldt krachtens artikel 49 van het Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten EGKS en EGA van het Hof hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 februari 2001, Hirschfeldt/EMA (T-166/00, JurAmbt. blz. I-A-41 en II-157, hierna: bestreden arrest"), houdende verwerping van zijn beroep strekkende tot nietigverklaring van, in de eerste plaats, het besluit van het Europees Milieuagentschap (hierna: EMA") van 24 september 1999 houdende intrekking van intern vergelijkend onderzoek EMA/T/99/1 voor het ambt van hoofd van de afdeling Financiën" (hierna: besluit van 24 september 1999") en, in de tweede plaats, het besluit van het EMA van 13 december 1999 betreffende rekwirants overgang van de Commissie naar het EMA (hierna: besluit van 13 december 1999"), voorzover hij daarbij met ingang van 1 november 1999 is ingedeeld in rang A 5, salaristrap 3.
Rechtskader
2 Artikel 8 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bepaalt:
De ambtenaar die bij een andere instelling der drie Europese Gemeenschappen is gedetacheerd, kan na zes maanden verzoeken naar deze instelling over te gaan.
Indien aan dit verzoek, in onderlinge overeenstemming tussen de instelling waartoe de ambtenaar behoort en de instelling waarbij hij is gedetacheerd, gevolg wordt gegeven, wordt de ambtenaar geacht zijn gehele loopbaan bij de Gemeenschappen te hebben volbracht bij laatstgenoemde instelling. Hij komt niet, uit hoofde van deze overgang, in aanmerking voor enig financieel voordeel bij dit Statuut bepaald voor het geval van beëindiging van de dienst van een ambtenaar bij een instelling van de Gemeenschappen.
Het besluit waarbij aan dit verzoek gevolg wordt gegeven, wordt, indien het gepaard gaat met een vaste aanstelling in een hogere rang dan die welke de betrokkene in zijn oorspronkelijke instelling bekleedt, gelijkgesteld met een bevordering; het kan slechts worden genomen overeenkomstig het bij artikel 45 bepaalde."
3 Artikel 27, eerste alinea, van het Statuut bepaalt:
De aanwerving dient erop gericht te zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen [...]"
4 Artikel 29, lid 1, van het Statuut luidt als volgt:
Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling;
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling;
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures."
De feiten van het geding
5 De feiten die ten grondslag liggen aan het geding zijn in het bestreden arrest als volgt beschreven:
1 Verzoeker is op 1 juli 1987 in dienst getreden van de Commissie als ambtenaar op proef met rang A 7, tewerkgesteld bij het directoraat-generaal ,Milieuzaken, nucleaire veiligheid en civiele bescherming (DG XI). Hij is op 1 juni 1992 bevorderd tot rang A 6 en op 30 mei 1996, met ingang van 1 april 1996, tot rang A 5, salaristrap 2.
2 Bij brief van 18 december 1996 heeft het EMA verzoeker het ambt aangeboden van financieel directeur, als tijdelijk functionaris, voorlopig ingedeeld in rang A 5, salaristrap 3, voor een periode van twee jaren, één jaar verlengbaar, te Kopenhagen (Denemarken).
3 Bij besluit van 13 januari 1997 heeft de Commissie verzoeker op diens verzoek van 20 december 1996 voor onbepaalde duur met ingang van 1 februari 1997 gedetacheerd bij het EMA.
4 Op 1 april 1997 is verzoeker in dienst getreden van het EMA als tijdelijk functionaris van rang A 4, salaristrap 1. Zijn overeenkomst, die aanvankelijk zou aflopen op 31 januari 1999, is verlengd tot en met 31 januari 2000.
5 Op 14 september 1999 heeft het EMA de aankondiging bekendgemaakt van intern vergelijkend onderzoek EMA/T/99/1 voor een ambt van hoofd van de afdeling ,Financiën. Op 23 september 1999 heeft verzoeker zich kandidaat gesteld voor dit vergelijkend onderzoek.
6 Op 22 september 1999 heeft de directeur van directoraat A ,Personeelszaken van het directoraat-generaal ,Personeelszaken en algemeen beheer (DG IX) van de Commissie, S. Bisarre, een brief gezonden aan Jiménez Beltran, directeur van het EMA, waarin hij verklaarde:
,[...]
Het besluit om een vergelijkend onderzoek te organiseren voor het ambt van hoofd van de afdeling Financiën lijkt mij [...] derhalve om twee redenen betreurenswaardig: het is in tegenspraak met een op verzoek van de agentschappen opgezet beleid, dat moeilijk aanvaardbaar blijft voor de personeelsvertegenwoordiging van de Commissie; het beantwoordt niet aan een onbetwistbaar dienstbelang, aangezien het nagestreefde doel - te voorzien in een vacature in februari 2000, - gemakkelijker via overgang kan worden bereikt.
[...]
Ik verzoek u bijgevolg de organisatie van vergelijkend onderzoek EMA/T/99/1 opnieuw in overweging te nemen en opnieuw de mogelijkheid te onderzoeken van een overgang [van verzoeker naar het EMA], in de rang en de salaristrap die hij had bij zijn detachering. Zoals mijn diensten u reeds hebben meegedeeld, kan het [EMA] hem vervolgens bevorderen tot een hogere rang zodra aan de statutaire vereisten is voldaan.
[...]
Indien u niettemin wenst verder te gaan met het intern vergelijkend onderzoek, wenst DG [IX] daarbij niet betrokken te zijn, noch bij enig ander vergelijkend onderzoek dat u in de toekomst moest organiseren om te voorzien in andere vaste betrekkingen. Het zal in de toekomst eveneens definitief afzien van overgangen ten behoeve van het [EMA].
[...]
7 Op 24 september 1999 heeft de personeelsdienst van het EMA de intrekking van vergelijkend onderzoek EMA/T99/1 [...] bekendgemaakt. Die beslissing is verzoeker meegedeeld bij brief van 27 september 1999 van Jiménez-Beltran, waarin deze verklaarde:
,[...]
Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat ik na ontvangst van die brief [van S. Bisarre] geen andere mogelijkheid heb dan het vergelijkend onderzoek waarvoor u zich kandidaat had gesteld, in te trekken.
Gelet op de inhoud van die brief raad ik u ten zeerste aan, zo snel mogelijk uw overgang van de Commissie naar het EMA aan te vragen, aangezien dit voor u de enige mogelijkheid is om voor het agentschap te blijven werken.
8 Bij brief van 27 oktober 1999 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 8 van het Statuut [...] zijn overgang van de Commissie naar het EMA aangevraagd. Deze aanvraag is aan de Commissie voorgelegd.
9 Bij brief van 6 december 1999 aan het EMA, heeft de Commissie met die overgang ingestemd. In die brief merkt zij op dat verzoeker op dat moment was ingedeeld in rang A 5 (diensttijd in rang 1 april 1996), salaristrap 3 (diensttijd in salaristrap 1 augustus 1996). Bij besluit van 13 december 1999 is verzoeker met ingang van 1 november 1999 overgegaan naar het EMA. In dat besluit was hij ingedeeld in rang A 5, salaristrap 3.
10 Op 23 december 1999 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 24 september 1999. Bij besluit van 8 maart 2000 heeft het EMA die klacht verworpen.
11 Op 13 maart 2000 heeft verzoeker tegen het besluit van 13 december 1999 een tweede klacht op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend voorzover hij daarbij met ingang van 1 november 1999 is ingedeeld in rang A 5, salaristrap 3. Het EMA heeft deze klacht bij besluit van 10 mei 2000 afgewezen."
Het procesverloop voor het Gerecht en het bestreden arrest
6 Op 19 juni 2000 heeft Hirschfeldt bij het Gerecht beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 24 september 1999 en gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit van 13 december 1999.
7 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van 24 september 1999 heeft Hirschfeldt één middel aangevoerd, betreffende schending van artikel 27 van het Statuut.
8 Onder verwijzing naar de brief van 22 september 1999 van DG IX van de Commissie heeft hij meer in het bijzonder aangevoerd dat, wegens een interinstitutionele afspraak" tussen het EMA en de Commissie, de overgangsprocedure was verkozen boven de procedure van een intern vergelijkend onderzoek. De keuze van de aanwervingsprocedure zou derhalve niet zijn ingegeven door de behoeften en het belang van de dienst, zoals vereist door artikel 27 van het Statuut, maar door een door de Commissie opgelegd beleid.
9 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van 13 december 1999 heeft Hirschfeldt eveneens één middel aangevoerd, betreffende schending van de artikelen 5, 8, en 45 van het Statuut.
10 Dienaangaande heeft Hirschfeldt meer in het bijzonder betoogd dat, aangezien zijn verzoek tot overgang strookte met artikel 8 van het Statuut, die overgang ertoe strekte hem vast aan te stellen in het ambt dat hij sedert meer dan twee jaren bekleedde als tijdelijk functionaris van rang A 4 bij het EMA.
11 Bovendien heeft hij aangevoerd dat overeenkomstig artikel 8, tweede alinea, van het Statuut, het besluit tot overgang voor het EMA noodzakelijkerwijze de verplichting inhield om zijn loopbaan binnen die instelling te reconstrueren en derhalve, aangezien hij sedert 1 april 1998 in aanmerking kwam voor bevordering, te onderzoeken of het mogelijk was hem te bevorderen in de bevorderingsrondes 1998 en 1999.
12 In het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel ongegrond verklaard.
13 Wat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 24 september 1999 betreft, heeft het Gerecht in punt 25 van het bestreden arrest herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG") niet gehouden is aan een op basis van artikel 29 van het Statuut ingeleide aanwervingsprocedure gevolg te geven (arrest Hof van 24 juni 1969, Fux/Commissie, 26/68, Jurispr. blz. 145, punt 11, en arrest Gerecht van 14 februari 1990, Hochbaum/Commissie, T-38/89, Jurispr. blz. II-43, punt 15).
14 Het Gerecht heeft in punt 26 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit dezelfde rechtspraak volgt dat aangezien het TABG over een beoordelingsbevoegdheid beschikt aangaande het aan een vergelijkend onderzoek te geven gevolg, het a fortiori het recht heeft het vergelijkend onderzoek in te trekken in geval van twijfel over de wettigheid van een dergelijke procedure.
15 In hetzelfde punt van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat de omstandigheid dat in casu een derde, te weten DG IX van de Commissie, twijfels heeft geuit, niet kan worden gelijkgesteld met een interinstitutionele afspraak", en de wijze waarop het TABG zijn beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend niet ongeldig maakt.
16 In punt 27 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bovendien geoordeeld dat aangezien Hirschfeldt hoe dan ook in het betrokken ambt was aangesteld voordat hij zijn beroep instelde, hij geen procesbelang had in verband met het litigieuze vergelijkend onderzoek. Volgens het Gerecht kon alleen rekwirants indeling in rang A 5 bezwarend zijn en niet de omstandigheid dat in het betrokken ambt was voorzien op een andere wijze dan via een vergelijkend onderzoek. Aangezien in de aankondiging bovendien was vermeld dat het om een ambt van de loopbaan A 5/A 4 ging, zou de persoon die op basis van het vergelijkend onderzoek werd benoemd, niet noodzakelijkerwijze in rang A 4 zijn ingedeeld.
17 In punt 28 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat uit een en ander volgde dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 24 september 1999 ongegrond moest worden verklaard.
18 Aangaande de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 13 december 1999 heeft het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest vastgesteld, dat Hirschfeldt op basis van artikel 8 van het Statuut met ingang van 1 november 1999 was overgegaan van de Commissie naar het EMA.
19 In punt 39 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erop gewezen dat Hirschfeldt bijgevolg op basis van artikel 8, tweede alinea, van het Statuut werd geacht zijn communautaire loopbaan bij het EMA te hebben volbracht.
20 Het Gerecht heeft in punt 40 van het bestreden arrest vastgesteld dat Hirschfeldt had erkend dat hij bij zijn overgang niet automatisch het recht had te worden bevorderd op basis van de artikelen 8, derde alinea, en 45 van het Statuut. Het heeft hieraan toegevoegd dat het hoe dan ook vaste rechtspraak is dat de kandidaten die in aanmerking komen voor bevordering, geen recht hebben op bevordering (arrest Gerecht van 25 maart 1999, Hamptaux/Commissie, T-76/98, JurAmbt. blz. I-A-59 en II-303, punt 49).
21 Het Gerecht heeft in punt 41 van het bestreden arrest het argument van Hirschfeldt verworpen als zou het EMA op basis van die bepalingen verplicht zijn, betrokkenes loopbaan te reconstrueren als ware hij ab initio ambtenaar bij het EMA, en de mogelijkheden te onderzoeken" hem bij zijn overgang te bevorderen, aangezien hij sedert 1 april 1998 bevorderbaar was.
22 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest geoordeeld dat de bevordering van een ambtenaar op basis van artikel 8, derde alinea, van het Statuut afhangt van een dubbele voorwaarde, te weten dat de overgang van de betrokkene diens vaste aanstelling in een hogere rang inhoudt en dat de bevorderingsprocedure voldoet aan het bepaalde in artikel 45 van het Statuut.
23 In punt 43 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat in casu niet was voldaan aan de eerste van die voorwaarden. Dienaangaande merkt het op dat, ofschoon Hirschfeldt was benoemd tot tijdelijk functionaris in rang A 4 bij het EMA, deze ambtenaar zijn rang A 5 bij de Commissie had behouden op basis van de artikelen 37 tot en met 39 van het Statuut.
24 Het Gerecht heeft vastgesteld dat Hirschfeldt bij besluit van 13 december 1999 was overgegaan naar een ambt van de loopbaan A 5/A 4, dit wil zeggen een ambt van dezelfde loopbaan als die van zijn ambt bij de Commissie.
25 Het Gerecht heeft erop gewezen dat genoemde overgang van rekwirant naar een ambt van de loopbaan A 5/A 4 niet noodzakelijkerwijze diens vaste aanstelling in een hogere rang inhield, omdat dit ambt in rang A 5 of in rang A 4 kon worden bekleed. Bijgevolg heeft het geoordeeld dat die overgang het EMA niet verplichtte om de mogelijkheid te onderzoeken rekwirant te bevorderen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8 en 45 van het Statuut.
26 In punt 44 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat uit een en ander volgde dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 13 december 1999 ongegrond moest worden verklaard.
De hogere voorziening
27 Met zijn hogere voorziening concludeert Hirschfeldt dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen;
- het besluit van 24 september 1999 nietig te verklaren;
- het besluit van 13 december 1999 nietig te verklaren, voorzover hij daarbij is ingedeeld in rang A 5, salaristrap 3, met ingang van 1 november 1999;
- het EMA in de kosten te verwijzen.
28 Het EMA concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren, voorzover zij door het Gerecht gedane feitelijke vaststellingen betwist, en voor het overige ongegrond te verklaren;
- subsidiair, voor het geval het Hof mocht besluiten het bestreden arrest te vernietigen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat dit opnieuw uitspraak zal doen over het beroep;
- Hirschfeldt in de kosten te verwijzen.
29 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 29 april 2002 heeft Hirschfeldt de heropening van de behandeling gevraagd om tijdens een mondelinge behandeling te kunnen antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal, welke bepaalde tegenstrijdigheden zou bevatten.
30 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve dan wel op voorstel van de advocaat-generaal of op verzoek van partijen de mondelinge behandeling kan heropenen, indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie inzonderheid arrest van 18 juni 2002, Philips, C-299/99, Jurispr. blz. I-5475, punt 20).
31 Het Hof is van oordeel dat in casu geen heropening van de op 25 april 2002 gesloten mondelinge behandeling behoeft te worden gelast, aangezien het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om over deze hogere voorziening uitspraak te doen.
32 Bijgevolg moet de vordering van Hirschfeldt strekkende tot heropening van de mondelinge behandeling worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
Aangaande het besluit van 24 september 1999
Het eerste middel
33 Met zijn eerste middel verwijt Hirschfeldt het Gerecht dat het in punt 26 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid waarover het EMA in zijn hoedanigheid van TABG beschikt om te besluiten een vergelijkend onderzoek in te trekken, in casu niet gebrekkig is ingevolge de bedenkingen van DG IX van de Commissie, en dat er geen interinstitutionele afspraak" bestond tussen dit agentschap en de Commissie.
34 Volgens Hirschfeldt is het litigieuze vergelijkend onderzoek overeenkomstig artikel 29, lid 1, eerste alinea, sub b, van het Statuut georganiseerd in het belang van de dienst. Een dergelijk vergelijkend onderzoek is er naar zijn aard op gericht, dat een zo ruim mogelijke groep ambtenaren of functionarissen zich kandidaat kan stellen opdat de instelling zich na die aanwervingsprocedure op basis van artikel 27 van het Statuut de medewerking kan verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen. In casu voert het EMA ter rechtvaardiging van de intrekking van genoemd vergelijkend onderzoek derhalve ten onrechte aan, dat dit uitsluitend tot doel had de onregelmatigheden van een administratieve situatie van een bepaalde ambtenaar weg te werken" en dat het daarom in strijd was met de doelstellingen van elke aanwervingsprocedure.
35 Hirschfeldt voert bovendien aan dat het besluit van 24 september 1999 blijkens de bewoordingen ervan in werkelijkheid enkel ertoe strekte, gevolg te geven aan de brief van 22 september 1999 van DG IX van de Commissie, in het bijzonder de opdracht om genoemd vergelijkend onderzoek in te trekken, waarbij uitdrukkelijk werd gedreigd om in de toekomst eveneens definitief af [te] zien van overgangen ten gunste van het [EMA]".
36 Het Gerecht zou derhalve ten onrechte hebben geoordeeld, in de eerste plaats dat het TABG in casu het recht had het litigieuze vergelijkend onderzoek in te trekken wegens twijfel over de wettigheid van een dergelijke procedure, en in de tweede plaats dat de omstandigheid dat die twijfel was geuit door een derde, de wijze waarop het TABG zijn bevoegdheid had uitgeoefend niet gebrekkig maakte.
37 Volgens Hirschfeldt is dit eerste middel in het kader van een hogere voorziening ontvankelijk omdat het geen betrekking heeft op de beoordeling van de feiten, die overigens niet worden betwist, maar op de juridische kwalificatie van die feiten.
38 Het EMA concludeert tot niet-ontvankelijkheid van dit middel omdat het betrekking heeft op een beoordeling van de feiten door het Gerecht en derhalve geen rechtsvraag vormt in de zin van de artikelen 225 EG en 51 van Statuut-EG van het Hof, waarvan het Hof in het kader van een hogere voorziening kennis kan nemen.
39 Aangaande de gegrondheid van het middel voert het EMA aan dat het Gerecht in het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat in casu het besluit van 24 september 1999 geen gevolg gaf aan de brief van 22 september 1999 van DG IX van de Commissie, zoals Hirschfeldt betoogt, maar is genomen omdat het litigieuze vergelijkend onderzoek uitsluitend was georganiseerd om de onregelmatigheid van de administratieve positie van rekwirant op te heffen, hetgeen volgens de rechtspraak van het Hof misbruik van bevoegdheid oplevert (zie inzonderheid arresten van 29 september 1976, Giuffrida/Raad, 105/75, Jurispr. blz. 1395, en 23 oktober 1986, Schwiering/Rekenkamer, 142/85, Jurispr. blz. 3177). In die omstandigheden was de organisatie van een vergelijkend onderzoek duidelijk niet in het belang van de dienst.
40 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat blijkens artikel 225 EG en artikel 51 van Statuut-EG van het Hof de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen - tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken - en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie inzonderheid arrest van 2 oktober 2001, EIB/Hautem, C-449/99 P, Jurispr. blz. I-6733, punt 44).
41 In casu zij vastgesteld dat de door Hirschfeldt aangevoerde argumenten tot staving van zijn eerste middel het bestreden arrest verwijten, ten minste impliciet te hebben ingestemd met de in eerste aanleg door het EMA verdedigde opvatting, te weten dat het besluit van 24 september 1999 berustte op de in punt 39 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak en niet was genomen om gevolg te geven aan de brief van 22 september 1999 van DG IX van de Commissie.
42 De vaststellingen van het Gerecht aangaande de gegrondheid van het besluit van 24 september 1999 zijn van feitelijke aard en kunnen derhalve, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen, niet in het kader van een hogere voorziening worden getoetst door het Hof.
43 Uit de gegevens in het dossier blijkt bovendien niet dat het Gerecht bij genoemde vaststellingen een onjuiste voorstelling zou hebben gemaakt van een bewijselement.
44 In het besluit van 8 maart 2000 tot afwijzing van de klacht die Hirschfeldt op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingediend tegen het besluit van 24 september 1999, heeft het EMA er immers duidelijk op gewezen, dat de in punt 39 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak niet alleen de reden vormde waarom de Commissie zich verzette tegen de organisatie van het betrokken vergelijkend onderzoek, maar ook de grondslag van het besluit van 24 september 1999.
45 Gelet op bovenstaande overwegingen moet het eerste middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het tweede middel
46 Met zijn tweede middel verwijt Hirschfeldt het Gerecht dat het in punt 27 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, dat hij geen procesbelang had in verband met het bij besluit van 24 september 1999 ingetrokken vergelijkend onderzoek.
47 Volgens het EMA heeft het Gerecht overeenkomstig vaste rechtspraak en derhalve terecht - overigens ten overvloede - vastgesteld dat rekwirant geen procesbelang had.
48 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het Hof grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht zonder meer afwijst, omdat zij niet tot vernietiging van dit arrest kunnen leiden en derhalve niet ter zake dienend zijn (zie onder meer arrest van 22 december 1993, Pincherle/Commissie, C-244/91 P, Jurispr., blz. I-6965, punt 25, en beschikking van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 47).
49 In casu zij vastgesteld dat de motivering van het Gerecht in punt 27 van het bestreden arrest ten overvloede is gegeven gelet op die welke in punt 26 is uiteengezet.
50 De bewoordingen van punt 27 van het bestreden arrest, met name de inleiding (Bovendien, en hoe dan ook") geven immers duidelijk aan dat het hier gaat om een opmerking die het Gerecht ten overvloede heeft gemaakt ten opzichte van het voorgaande punt van het bestreden arrest. Een en ander vindt bovendien bevestiging in het feit dat het Gerecht er niet uit heeft geconcludeerd dat het middel dat het beoordeelde niet-ontvankelijk was.
51 Derhalve behoeft het tweede middel niet te worden onderzocht.
Aangaande het besluit van 13 december 1999
Het eerste middel
52 Met zijn eerste middel verwijt Hirschfeldt het Gerecht, in het bijzonder in punt 42 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat voor de in artikel 8, derde alinea, van het Statuut bedoelde bevordering met name vereist is dat de overgang noodzakelijkerwijze gepaard gaat met vaste aanstelling in een hogere rang. Het Gerecht zou op die wijze een door die bepaling niet voorzien vereiste hebben opgelegd.
53 Tot staving van dit middel voert Hirschfeldt aan dat het besluit van 13 december 1999 niet moet worden gezien als een overgang die zijn aanstelling in een vacante betrekking van de rang A 5/A 4 met zich brengt, maar als de vaste aanstelling in de betrekking die hij bij het EMA bekleedde als tijdelijk functionaris in de rang A 4, krachtens een door het EMA in het belang van de dienst en met instemming van de Commissie genomen besluit. Hirschfeldt heeft in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van rang A 4 gevraagd om overgang naar het EMA en vaste aanstelling in de betrekking die hij bij dit agentschap reeds bekleedde.
54 Hirschfeldt voert aan dat een vaste aanstelling volgend op een dergelijk verzoek tot overgang, op grond van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel moet gebeuren in de betrekking en in de rang die de betrokken ambtenaar als tijdelijk functionaris bekleedde bij de instelling waarbij hij was gedetacheerd. Anders zou de in artikel 8, derde alinea, van het Statuut gebruikte term vaste aanstelling" geen zin hebben.
55 Het EMA betoogt om te beginnen dat het Gerecht op basis van de punten 42 en 43 van het bestreden arrest redelijkerwijze heeft kunnen concluderen dat het EMA overeenkomstig de artikelen 8, derde alinea, en 45 van het Statuut, in casu niet verplicht was de mogelijkheid te onderzoeken om Hirschfeldt te bevorderen.
56 Het EMA voert vervolgens aan dat de rang van het ambt dat als tijdelijk functionaris wordt bekleed in de instelling waarbij een ambtenaar is gedetacheerd, voor de toepassing van artikel 8 van het Statuut niet ter zake doet. Derhalve geeft deze bepaling de betrokkene niet het recht op een vaste aanstelling in de betrekking en in de rang die hij bij genoemde instelling bekleedde.
57 Het EMA voert ten slotte aan dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat artikel 8, derde alinea, van het Statuut het geval regelt waarin het te bekleden ambt onder een hogere loopbaan valt dan die welke de kandidaat voor overgang voordien in de oorspronkelijke instelling bekleedde. Volgens het EMA is het duidelijk dat in een dergelijk geval het besluit tot overgang enkel kan worden genomen in de vorm van een vaste aanstelling in een hogere rang. Een dergelijke vaste aanstelling - die uitzonderlijk is en afwijkt van de algemene statutaire bepalingen - moet dan worden gelijkgesteld met een bevordering en is dan ook onderworpen aan artikel 45 van het Statuut.
58 Dienaangaande zij opgemerkt dat alleen artikel 8, derde alinea, van het Statuut voorziet in het geval waarin de overgang van een ambtenaar vereist dat de instelling waarnaar hij overgaat, die overgang laat samenvallen met een bevordering.
59 Deze bepaling regelt een geval dat uitzonderlijk is en afwijkt van de algemene regel die voortvloeit uit artikel 8, tweede alinea, van het Statuut, volgens welke de overgang in beginsel als zodanig geen invloed heeft op het Statuut van de betrokken ambtenaar, inzonderheid wat zijn rang en zijn salarisanciënniteit betreft.
60 Artikel 8, tweede alinea, van het Statuut beoogt bovendien te waarborgen dat, inzonderheid bij toekomstige bevorderingsrondes binnen de instelling waarnaar de ambtenaar is overgegaan, deze wat de vereiste anciënniteit betreft wordt behandeld als had hij zijn communautaire loopbaan bij die instelling volbracht. Voor het overige blijkt uit het dossier dat de periode gedurende welke Hirschfeldt bij het EMA gedetacheerd is geweest als tijdelijk functionaris, door het EMA in aanmerking is genomen bij de eerste bevorderingsronde volgend op de overgang van Hirschfeldt. Anders dan Hirschfeldt betoogt, verplicht die bepaling deze instelling daarentegen niet de loopbaan van de overgegane ambtenaar te reconstrueren wat de begrotingsrondes van vóór de datum van de overgang betreft.
61 Daaruit volgt dat het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, dat de bevordering van een ambtenaar bij diens overgang op basis van artikel 8, derde alinea, van het Statuut met name afhangt van de voorwaarde dat de overgang noodzakelijkerwijze gepaard gaat met vaste aanstelling in een hogere rang dan die welke de ambtenaar in zijn oorspronkelijke instelling bekleedde. Vastgesteld zij immers dat alleen in die omstandigheid een overgang op zich vereist dat de rang van de ambtenaar wordt gewijzigd en dat dan ook wordt afgeweken van de in punt 59 van dit arrest in herinnering gebrachte algemene regel van artikel 8, tweede alinea, van het Statuut.
62 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel
63 Met zijn tweede middel verwijt Hirschfeldt het Gerecht, niet te hebben nagegaan of het EMA met het besluit van 13 december 1999 zijn loopbaan in de zin van artikel 8, tweede alinea, van het Statuut juist heeft gereconstrueerd, en niet te hebben geantwoord op de in dat verband aangevoerde argumenten. Uit een en ander volgt volgens rekwirant dat het bestreden arrest op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
64 Volgens het EMA heeft het Gerecht terecht enkel opgemerkt, dat in casu geen gebruik moest worden gemaakt van de uitzonderlijke afwijkingsmogelijkheid tot bevordering op het moment van de overgang, zoals voorzien in artikel 8, derde alinea, van het Statuut, aangezien niet was voldaan aan één van de voorwaarden van die bepaling, te weten de vaste aanstelling van de ambtenaar in een hogere rang.
65 Dienaangaande zij vastgesteld dat het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest heeft geconcludeerd dat de overgang van rekwirant het EMA niet heeft verplicht de mogelijkheid te onderzoeken hem te bevorderen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8 en 45 van het Statuut.
66 Die motivering moet worden gezien als een toepassing op het onderhavige geval van de in de punten 58 tot en met 60 van dit arrest in herinnering gebrachte beginselen, te weten dat artikel 8, tweede alinea, van het Statuut niet voorziet in de mogelijkheid van bevordering bij overgang, aangezien die mogelijkheid enkel bestaat in de uitzonderlijke situatie bedoeld in artikel 8, derde alinea, van het Statuut.
67 Hieruit volgt dat, anders dan Hirschfeldt stelt, het bestreden arrest voldoende gemotiveerd is.
68 Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
69 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
70 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien Hirschfeldt in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het EMA in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Hirschfeldt in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy