Zaak C‑194/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet–nakoming – Richtlijn 75/442/EEG – Begrip afvalstof – Europese afvalcatalogus – Richtlijn 91/689/EEG – Lijst van gevaarlijke afvalstoffen”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Bewijs van niet-nakoming – Bewijslast rustend op Commissie – Vermoedens – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
2. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van volledige uitvoering – Bestaan van nationale regels waardoor uitvoering bij specifieke wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen overbodig is – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
3. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming van uit beschikking of richtlijn voortvloeiende verplichtingen – Verweermiddelen – Betwisting van wettigheid van beschikking of richtlijn – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG)
1. In een niet-nakomingsberoep moet de Commissie het gestelde verzuim aantonen. Zij dient het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim, en zij kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden.
De Commissie komt deze verplichting niet na wanneer zij, bij een met het systeem van de gemeenschapsregeling verenigbaar nationaal classificatiesysteem van afvalstoffen, de lidstaat alleen op basis van verschillen tussen de twee systemen een onjuiste uitvoering van deze regeling verwijt zonder aan te tonen dat de vastgestelde verschillen van dien aard zijn dat afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betrokken marktdeelnemers en aan het rechtszekerheidsbeginsel.
(cf. punten 34, 47‑48)
2. Elke lidstaat waarvoor een richtlijn is bestemd, is verplicht om in zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van die richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren.
De verplichting om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren, kan niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zijn vrijgesteld van het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen wanneer zij van oordeel zijn dat hun nationale bepalingen van betere kwaliteit zijn dan de betrokken gemeenschapsbepalingen en dat de nationale voorschriften daarom beter geschikt zijn om het met de richtlijn beoogde doel te verwezenlijken. Het bestaan van nationale voorschriften kan de uitvoering door specifieke wet‑ of regelgeving slechts overbodig maken indien die voorschriften daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale overheid garanderen en, ingeval de betrokken bepaling van de richtlijn rechten voor particulieren beoogt te creëren, de rechtssituatie die uit deze nationale voorschriften voortvloeit, voldoende bepaald en duidelijk is, zodat de begunstigden kennis kunnen nemen van al hun rechten en verplichtingen en deze zonodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties.
(cf. punten 38‑39)
3. Een lidstaat kan zich niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte richtlijn of beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet‑nakoming van diezelfde beschikking of richtlijn.
(cf. punt 41)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
29 april 2004(1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 75/442/EEG – Begrip afvalstof – Europese afvalcatalogus – Richtlijn 91/689/EEG – Lijst van gevaarlijke afvalstoffen”
In zaak C-194/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de krachtens de richtlijnen 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32), en 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB 377, blz. 20), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994 (PB L 168, blz. 28), op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, A. Rosas (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 14 mei 2003, waar de Commissie was vertegenwoordigd door G. zur Hausen en de Republiek Oostenrijk door E. Riedl, F. Mochty en E. Wolfslehner als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Hof op 4 mei 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door noch het begrip „afvalstof” van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32; hierna: „richtlijn 75/442”), noch het begrip „gevaarlijke afvalstoffen” van artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB 377, blz. 20), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994 (PB L 168, blz. 28; hierna: „richtlijn 91/689”), op juiste wijze in nationaal recht om te zetten, de krachtens genoemde richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
2 In artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 wordt onder „afvalstof” verstaan:
„elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
De Commissie stelt uiterlijk op 1 april 1993 volgens de procedure van artikel 18 een lijst op van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren. Deze lijst wordt periodiek opnieuw bezien en zo nodig volgens dezelfde procedure gewijzigd.”
3 In artikel 2 van genoemde richtlijn worden de stoffen opgenoemd die buiten de werkingssfeer vallen.
4 Volgens artikel 168 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1) moesten de nationale maatregelen tot omzetting van richtlijn 75/442 op het tijdstip van de toetreding, dus op 1 januari 1995, in werking treden.
5 Bij beschikking 94/3/EG van de Commissie van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442 (PB 1994, L 5, blz. 15) is een lijst van afvalstoffen vastgesteld, genaamd Europese afvalcatalogus (EAC). Deze beschikking is gericht tot de lidstaten. De inleiding van de EAC luidt als volgt:
„1. In artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG wordt de term ‚afvalstof’ gedefinieerd als: ‚elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’.
2. Krachtens de tweede alinea van artikel 1, onder a, dient de Commissie volgens de procedure van artikel 18 een lijst op te stellen van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren. Deze lijst staat bekend als de Europese afvalcatalogus (EAC), en is van toepassing op alle afvalstoffen, zonder dat het van belang is of ze voor verwijdering of voor nuttige toepassing bestemd zijn.
3. De EAC is een geharmoniseerde lijst van afvalstoffen die niet uitputtend is, dat wil zeggen een lijst die periodiek volgens de comité-procedure opnieuw zal worden bezien en indien nodig zal worden aangepast.
Materialen en voorwerpen die in de EAC zijn opgenomen, worden echter niet onder alle omstandigheden als afval beschouwd, maar alleen als aan de definitie van afvalstof is voldaan.
4. Voor afvalstoffen die in de EAC voorkomen, gelden de bepalingen van de richtlijn, tenzij ze in artikel 2, lid 1, onder b, van deze richtlijn worden genoemd.
5. Het is de bedoeling dat de EAC fungeert als een referentielijst die ervoor zorgt dat in de hele Gemeenschap dezelfde terminologie wordt gebruikt, zodat werkzaamheden voor het beheer van afvalstoffen efficiënter kunnen worden uitgevoerd. In deze context moet de Europese afvalcatalogus de basisreferentie worden voor het communautaire programma inzake statistische gegevens over afval, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de Resolutie van de Raad van 7 mei 1990 betreffende het afvalstoffenbeleid.
6. De EAC zal volgens de procedure van artikel 18 van de richtlijn aan de vooruitgang van wetenschap en techniek worden aangepast.
7. De omschrijving van de verschillende categorieën afvalstoffen in de EAC moet in de context (de verschillende categorieën en groepen) worden geïnterpreteerd.
8. De EAC doet niets af aan de lijst van ‚gevaarlijke afvalstoffen’ die krachtens artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen […], dient te worden opgesteld.”
6 In artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 wordt „verstaan onder ‚gevaarlijke afvalstoffen’:
− alle afvalstoffen die voorkomen op een lijst die overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG en op basis van de bijlagen I en II van deze richtlijn uiterlijk zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn is opgesteld. Deze afvalstoffen moeten een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. In de lijst worden de oorsprong en de samenstelling van de afvalstoffen en in voorkomend geval de concentratiegrenswaarden in aanmerking genomen. De lijst wordt op gezette tijden aan een hernieuwd onderzoek onderworpen en zo nodig volgens dezelfde procedure herzien;
− alle andere afvalstoffen die naar het oordeel van een lidstaat een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. Dergelijke gevallen worden bekendgemaakt aan de Commissie en overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG, met het oog op aanpassing van de lijst, aan een hernieuwd onderzoek onderworpen.”
7 Beschikking 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 (PB L 356, blz. 14) is gericht tot de lidstaten. De inleiding van de lijst van gevaarlijke afvalstoffen luidt als volgt:
„1. De diverse soorten afvalstoffen van de lijst zijn volledig gedefinieerd door middel van de code van zes cijfers voor de afvalstoffen en van de opschriften van twee en vier cijfers boven de hoofdstukken.
2. De opneming op de lijst houdt niet in dat het materiaal of het voorwerp in alle omstandigheden een afvalstof is. Opneming is alleen relevant indien voldaan is aan de definitie van afvalstoffen van artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG, tenzij artikel 2, lid 1, onder b, van die richtlijn van toepassing is.
3. De afvalstoffen die op de lijst voorkomen zijn onderworpen aan de voorschriften van richtlijn 91/689/EEG, tenzij artikel 1, lid 5, van die richtlijn van toepassing is.
4. Overeenkomstig artikel 1, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 91/689/EEG zijn alle andere dan de hieronder in de lijst opgenomen afvalstoffen die naar het oordeel van een lidstaat een of meer van de in bijlage III van richtlijn 91/689/EEG vermelde eigenschappen bezitten, gevaarlijke afvalstoffen. Dergelijke gevallen worden gemeld aan de Commissie en overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG, met het oog op aanpassing van de lijst, aan een onderzoek onderworpen.”
8 Volgens artikel 10, lid 1, van richtlijn 91/689 dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om vóór 27 juni 1995 aan deze richtlijn te voldoen.
De nationale wetgeving
9 § 2, lid 1, van het Bundesgesetz über die Vermeidung und Behandlung von Abfällen (federale wet tot voorkoming en behandeling van afval, ook Abfallwirtschaftsgesetz genoemd) van 6 juni 1990 (BGBl nr. 325/1990, zoals gepubliceerd in het BGBl I nr. 151/1998; hierna: „AWG”) definieert het begrip „afvalstof” als volgt:
„[…] iedere roerende zaak
1. waarvan de eigenaar of de houder zich heeft ontdaan of voornemens is zich te ontdoen, of
2. waarvan de registratie en behandeling als afvalstof in het algemeen belang (§ 1, lid 3) is geboden.
De registratie en behandeling als afvalstof in het algemeen belang kan ook zijn geboden wanneer een betaling in ruil voor deze roerende zaken kan worden verkregen.”
10 § 1, lid 3, AWG somt de omstandigheden op waaronder de inzameling, de opslag, het vervoer en de behandeling van deze zaken als afvalstoffen in het algemeen belang zijn geboden.
11 Volgens § 2, lid 5, AWG bepaalt de Bundesminister für Umwelt, Jugend und Familie (minister voor Milieu, Jeugd en Gezin) bij besluit, welke afvalstoffen ter bescherming van het algemeen belang in de zin van § 1, lid 3, AWG als gevaarlijk zijn te beschouwen, en onder welke voorwaarden deze afvalstoffen eventueel als ongevaarlijk kunnen worden gekwalificeerd. Dezelfde bepaling bevat een uit vijftien punten bestaande lijst die overeenkomt met bijlage III van richtlijn 91/689 en waarin alle relevante kenmerken voor de risicobeoordeling worden genoemd. § 2, lid 5, laatste alinea, AWG bepaalt dat in deze lijst van gevaarlijke afvalstoffen alle categorieën van afvalstoffen worden opgenomen „die overeenkomen met de categorieën genoemd in de lijst van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, lid 4, van [richtlijn 91/689]. Er kunnen Oostenrijkse normen toepasselijk worden verklaard om de betrokken kenmerken nader aan te duiden en de lijst van gevaarlijke afvalstoffen nader te bepalen. Uitsluitend de door het besluit bestreken afvalstoffen worden als gevaarlijk beschouwd.”
12 De Oostenrijkse norm S 2100 van 1 september 1997 bevat de nationale afvalcatalogus. Deze catalogus omvat zowel de gevaarlijke als de ongevaarlijke afvalstoffen, die alle volgens de methode van die norm zijn opgenoemd en ingedeeld.
13 Overeenkomstig § 2, lid 5, AWG heeft de minister voor Milieu, Jeugd en Gezin in 1997 een besluit inzake de aanwijzing van stoffen als gevaarlijke afvalstoffen en probleemstoffen vastgesteld (BGBl II nr. 227/1997). Tot 30 juni 2000 luidde § 3, lid 2, van dit besluit als volgt:
„Vanaf 1 juli 2000 worden als gevaarlijk beschouwd de afvalstoffen die vallen onder het op § 1, lid 4, van richtlijn [91/689] gebaseerde besluit inzake de lijst van gevaarlijke afvalstoffen. De minister van Milieu, Jeugd en Gezin zal deze lijst vóór 1 juli 2000 bekendmaken in het Bundesgesetzblatt.”
14 Op 30 juni 2000 is een besluit tot wijziging van het voormelde besluit bekendgemaakt (BGBl II nr. 178/2000). Hierin is § 3, lid 2, van het besluit van 1997 ingetrokken en is een bepaling ingevoegd, volgens welke het aldus gewijzigde besluit de omzetting van richtlijn 91/689 en beschikking 94/904 vormt.
Precontentieuze procedure
15 Bij brief van 14 juli 1999 deelde de Commissie de Republiek Oostenrijk mee dat zij na een onderzoek van de nationale omzettingsbepalingen, dat zij naar aanleiding van een klacht had ingesteld, van oordeel was dat die bepalingen op een aantal punten niet aan de richtlijnen 75/442 en 91/689 voldeden. De Commissie zette haar bezwaren tegen de Oostenrijkse regeling uiteen en maande de Republiek Oostenrijk aan, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
16 Op 8 oktober 1999 heeft de Republiek Oostenrijk bij faxbericht op de ingebrekestelling geantwoord dat zij de door de Commissie getrokken conclusies ongegrond achtte.
17 Aangezien zij de in dit antwoord aangevoerde argumenten niet overtuigend achtte, heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk op 27 juli 2000 een met redenen omkleed advies gestuurd. Hierin verzocht zij haar de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden na de betekening ervan.
18 Op 2 november 2000 heeft de Republiek Oostenrijk bij faxbericht geantwoord dat zij vasthield aan haar standpunt, dat de betrokken richtlijnen op juiste wijze in nationaal recht waren omgezet. Niettemin kondigde zij een spoedige wijziging van het AWG aan.
19 Naar de mening van de Commissie had de Republiek Oostenrijk niet binnen de gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies voldaan en waren de door haar aangevoerde juridische argumenten niet aanvaardbaar, zodat zij besloot het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
20 Ter terechtzitting van 14 mei 2003 heeft de Commissie een deel van haar grieven uitdrukkelijk ingetrokken, aldus rekening houdend met de wijzigingen in de regelgeving die de Republiek Oostenrijk haar na afloop van de schriftelijke procedure in de onderhavige zaak formeel heeft meegedeeld. De Commissie verklaarde echter drie grieven tegen de Oostenrijkse omzettingsmaatregelen van de richtlijnen 75/442 en 91/698 te handhaven. Daarom blijft het voorwerp van het onderhavige beroep beperkt tot, in de eerste plaats onjuiste omzetting van de bij beschikking 94/3 vastgestelde EAC, in de tweede plaats onjuiste omzetting van de bij beschikking 94/904 vastgestelde lijst van gevaarlijke afvalstoffen, en in de derde plaats onjuiste omzetting van de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689.
Onjuiste omzetting van de EAC
21 De Commissie verzoekt het Hof in wezen vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door de krachtens artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 bij beschikking 94/3 vastgestelde EAC niet op juiste wijze te hebben omgezet, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Zoals blijkt uit het verzoekschrift, verwijt de Commissie deze lidstaat meer in het bijzonder dat hij deze lijst van afvalstoffen niet in nationaal recht heeft omgezet. Verweerster stelt dat zij aan haar verplichtingen voldoet en concludeert tot verwerping van de grief van de Commissie.
Argumenten van partijen
22 Volgens de Commissie heeft de Republiek Oostenrijk niet voldaan aan haar verplichting om de bij beschikking 94/3 vastgestelde EAC in nationaal recht om te zetten. Zij betoogt in de eerste plaats dat deze beschikking op grond van artikel 249, vierde alinea, EG verbindend is voor de in artikel 2 genoemde adressaten, namelijk de lidstaten. Vervolgens stelt zij dat de EAC nauw samenhangt met de in artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 genoemde bijlage I, aangezien het een lijst is „van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren”. Tot slot verwijst de Commissie naar punt 5 van de inleiding van de EAC, waarin wordt vermeld dat het de bedoeling is dat deze „fungeert als een referentielijst die ervoor zorgt dat in de hele Gemeenschap dezelfde terminologie wordt gebruikt, zodat werkzaamheden voor het beheer van afvalstoffen efficiënter kunnen worden uitgevoerd”. Toepassing van de EAC op nationaal vlak is dan ook vereist om een efficiënt Europees beleid voor afvalbeheer te garanderen op basis van een op gemeenschapsniveau geharmoniseerde terminologie.
23 De Commissie erkent dat de EAC, zoals in punt 3 van de inleiding ervan wordt vermeld, geen uitputtende lijst is. Dit neemt echter niet weg dat deze bindend is: volgens de punten 1, 3 en 4 van die inleiding vallen de in de EAC opgenomen stoffen en voorwerpen immers onder de bepalingen van richtlijn 75/442 indien zij aan de definitie van „afvalstoffen” voldoen, met uitzondering van de in artikel 2, lid 1, sub b, van die richtlijn genoemde gevallen.
24 Punt 5 van genoemde inleiding biedt geen steun aan het standpunt van de Oostenrijkse regering, dat de EAC alleen dient als gemeenschappelijk referentiepunt voor verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1) of voor een regeling inzake statistieken van afvalstoffen. Overigens merkt de Commissie op dat haar beroep geen betrekking heeft op de verplichtingen die voor de Republiek Oostenrijk voortvloeien uit verordening nr. 259/93, maar enkel op de verplichtingen van richtlijn 75/442 in samenhang met beschikking 94/3.
25 De Republiek Oostenrijk kan zich naar de mening van de Commissie niet aan laatstgenoemde verplichtingen onttrekken met het argument dat de nationale catalogus beter geschikt is om de doeltreffendheid van het afvalbeheer en van de milieubescherming te verbeteren. De door de Gemeenschap genomen maatregelen trachten dit immers juist te bereiken via een gemeenschappelijke referentielijst. In de opvatting van de Commissie kunnen de lidstaten zich dan ook niet aan de EAC onttrekken met het argument dat hun nationale regelingen van betere kwaliteit zijn dan de communautaire. Overigens wijst de Commissie erop dat het door artikel 18 van richtlijn 75/442 ingestelde comité een positief advies over de EAC heeft uitgebracht. Het argument dat het ontbreken van maatregelen tot omzetting van de richtlijn geen nadelige gevolgen voor de werking van de interne markt heeft, is evenmin aanvaardbaar aangezien de vaststelling van een niet-nakoming door een lidstaat losstaat van een daaruit voortgevloeide schade (arrest van 18 december 1997, Commissie/België, C‑263/96, Jurispr. blz. I‑7453, punt 30).
26 Ter terechtzitting voegde de Commissie hieraan toe dat de verplichting tot omzetting van de EAC is bevestigd door het Hof in zijn arrest van 15 januari 2002, Commissie/Luxemburg (C‑196/01, Jurispr. blz. I‑569). Zij verwees eveneens naar artikel 4 van haar beschikking 2000/532/EG van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3 en beschikking 94/904 (PB L 226, blz. 3), waarin wordt bepaald dat de lidstaten de noodzakelijke maatregelen dienen te nemen om uiterlijk op 1 januari 2002 aan genoemde beschikking te voldoen. Dit artikel legt de lidstaten uitdrukkelijk een omzettingsverplichting op. Een dergelijke verplichting ligt reeds impliciet besloten in de beschikkingen 94/3 en 94/904.
27 De Commissie stelt bovendien dat de verschillen tussen het classificatiesysteem van de Oostenrijkse afvalcatalogus en dat van de EAC de Oostenrijkse marktdeelnemers benadelen in hun handelsrelaties met marktdeelnemers in andere lidstaten. Naar haar mening kennen de Oostenrijkse marktdeelnemers alleen de nationale catalogus en passen zij alleen deze toe, omdat geen enkele bindende bepaling van Oostenrijks recht hen verplicht om de communautaire afvalstoffenlijsten te gebruiken. Niettemin is het gebruik van de communautaire lijsten voorgeschreven bij beschikking 94/774/EG van de Commissie van 24 november 1994 betreffende het model van een uniform begeleidend document als bedoeld in verordening nr. 259/93 (PB L 310, blz. 70), waarin is bepaald dat het begeleidende document de nationale en de communautaire code van de betrokken afvalstoffen moet vermelden.
28 De Oostenrijkse regering betoogt van haar kant dat het gemeenschapsrecht de lidstaten niet verplicht om de EAC letterlijk over te nemen in een regeling van nationaal recht.
29 In de eerste plaats betwijfelt zij of er in het kader van de in richtlijn 75/442 vastgelegde verplichting om het begrip „afvalstoffen” om te zetten, een formele verplichting tot omzetting van deze lijst bestaat. Uit de punten 3 en 5 van de inleiding van de EAC blijkt dat deze lijst geen deel uitmaakt van de begripsomschrijving van „afvalstoffen”, maar een niet-uitputtende lijst van stoffen is die als referentielijst moet dienen, met name voor verordening nr. 259/93 of een verordening inzake de statistieken van afvalstoffen.
30 Volgens de Oostenrijkse regering werd deze opvatting van het rechtskarakter en de doelstelling van de EAC aanvankelijk door de Commissie zelf gedeeld. Voorts stelt zij dat wegens praktische problemen het gebruik van de EAC zelfs niet dwingend is op statistisch gebied, waarvoor deze lijst is gecreëerd. In deze omstandigheden is voor een bindend gebruik van de EAC op andere gebieden een aanvullende gemeenschapsrechtelijke verplichting noodzakelijk. Dit geldt voor de verplichting die voortvloeit uit beschikking 96/302/EG van de Commissie van 17 april 1996 tot vaststelling van de vorm waarin de ingevolge artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/689 van de Raad vereiste informatie moet worden verstrekt (PB L 116, blz. 26), alsmede voor de verplichting voorzien in punt 15 van het model van een uniform begeleidend document in de bijlage bij beschikking 94/774.
31 Op de genoemde gebieden gebruikt de Republiek Oostenrijk vanzelfsprekend de EAC‑referentielijst. Voor de onder verordening nr. 259/93 vallende overbrenging van afvalstoffen wordt naast de nationale lijst eveneens de EAC of de lijst van gevaarlijke afvalstoffen gebruikt. De Oostenrijkse regering betoogt dan ook dat geen sprake is van een inbreuk op het gemeenschapsrecht en nog minder van een belemmering van de werking van de interne markt. Overigens stelt zij dat bij de overbrenging van de in bijlage II bij verordening nr. 259/93 genoemde afvalstoffen vermelding van de gebruikelijke handelsbenaming van de afvalstoffen voldoende is volgens artikel 11 van die verordening. Bovendien is bij de toepassing van die verordening het classificatiesysteem van de genoemde verordening en niet het EAC-systeem doorslaggevend.
32 In de tweede plaats betoogt de Oostenrijkse regering dat de in de EAC genoemde afvalstoffen eveneens zijn opgenomen in de nationale catalogus die in de Oostenrijkse S 2100-norm is vervat. Deze lijst is gedetailleerder en bevat aanvullende informatie ten opzichte van de EAC.
33 Ter terechtzitting merkte de Oostenrijkse regering op dat de Republiek Oostenrijk – anders dan in de situatie die het Hof in zijn reeds aangehaalde arrest Commissie/Luxemburg heeft onderzocht − altijd heeft betoogd dat de nationale catalogus de voorschriften van de communautaire afvalstoffenlijsten inhoudelijk op juiste wijze omzet. Zij heeft het bindende karakter van deze bepalingen aldus erkend en deze bepalingen uitgevoerd in de vorm van de nationale catalogus, die op zijn beurt ook bindend is. De Oostenrijkse regering heeft er eveneens op gewezen dat vanuit het oogpunt van een rationeel en ecologisch afvalbeheer – de doelstelling van de communautaire regeling – de Oostenrijkse catalogus voordelen biedt ten opzichte van de EAC, die de toepassing ervan door de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten gemakkelijker maken. Bovendien worden de codes van de referentielijst door de Oostenrijkse autoriteiten rechtstreeks toegepast daar waar de gemeenschapsregeling het gebruik van de EAC voorschrijft. De Republiek Oostenrijk voldoet dus aan de verplichtingen die voortvloeien uit de relevante communautaire voorschriften.
Beoordeling door het Hof
34 Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie in een niet-nakomingsberoep het gestelde verzuim aantonen. Zij dient het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim, en zij kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden (zie met name arresten van 25 mei 1982, Commissie/Nederland, 96/81, Jurispr. blz. 1791, punt 6; 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, Jurispr. blz. I‑6695, punt 26, en 6 november 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑434/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21).
35 Wat de onderhavige grief betreft, moet de Commissie aantonen dat de nationale voorschriften waarop de Republiek Oostenrijk zich beroept om de niet-nakoming van haar verplichtingen te weerleggen, te weten de in de Oostenrijkse S 2100-norm opgenomen afvalstoffencatalogus, de EAC niet op juiste wijze omzetten.
36 Uit de tussen de partijen gewisselde argumenten blijkt dat de Commissie niet betwist dat alle stoffen en zaken die in de EAC als afvalstoffen zijn opgesomd, ook in de Oostenrijkse afvalstoffencatalogus zijn opgenomen. De Commissie betoogt echter dat de Republiek Oostenrijk de EAC niet heeft omgezet, hetgeen zij baseert op het feit dat de afvalstoffennomenclatuur en het classificatiesysteem van de communautaire catalogus niet getrouw in de nationale catalogus zijn overgenomen. Haar stelling moet derhalve aldus worden verstaan, dat uit richtlijn 75/442 en beschikking 94/3 de verplichting zou voortvloeien voor de lidstaten om de EAC letterlijk over te nemen in een handeling van intern recht, zodat alleen de vaststelling van een dergelijke handeling een juiste en volledige omzetting van het begrip „afvalstoffen” van artikel 1, sub a, van genoemde richtlijn vormt.
37 Deze bepaling, waarin het begrip „afvalstoffen” voor de toepassing van richtlijn 75/442 wordt gedefinieerd, verwijst inderdaad naar de lijst van afvalstoffen die later bij beschikking 94/3 is vastgesteld. Geen bepaling van richtlijn 75/442 legt de lidstaten evenwel expliciet de verplichting op om deze lijst van afvalstoffen letterlijk over te nemen, in een regeling van intern recht. Een verplichting om de EAC letterlijk over te nemen vloeit evenmin noodzakelijkerwijs voort uit de thans in artikel 19 van richtlijn 75/442 opgenomen verplichting om de noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde aan deze richtlijn te voldoen. Volgens artikel 249, derde alinea, EG, is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch laat zij de keuze van de vorm en de middelen aan de nationale instanties over.
38 Eveneens volgens vaste rechtspraak is elke lidstaat waarvoor een richtlijn bestemd is, verplicht om in zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van die richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie met name arresten van 7 mei 2002, Commissie/Zweden, C‑478/99, Jurispr. blz. I‑4147, punt 15, en 24 juni 2003, Commissie/Portugal, C‑72/02, Jurispr. blz. I‑6579, punt 18).
39 De verplichting om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren, kan niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zijn vrijgesteld van het vaststellen van omzettingsmaatregelen wanneer zij van oordeel zijn dat hun nationale bepalingen beter zijn dan de betrokken gemeenschapsbepalingen en dat de nationale voorschriften daarom beter geschikt zijn om de verwezenlijking van het met de richtlijn beoogde doel te verzekeren. Volgens de rechtspraak van het Hof kan het bestaan van nationale voorschriften de omzetting door specifieke wet- of regelgeving slechts overbodig maken indien die voorschriften daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale overheid garanderen en, ingeval de betrokken bepaling van de richtlijn rechten voor particulieren beoogt te scheppen, de rechtssituatie die uit deze nationale voorschriften voortvloeit voldoende bepaald en duidelijk is, zodat de begunstigden in staat zijn kennis te nemen van al hun rechten en verplichtingen en deze zonodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties (zie in deze zin arrest van 20 november 2003, Commissie/Frankrijk, C‑296/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 55, en daarin aangehaalde rechtspraak).
40 In casu heeft de Oostenrijkse regering herhaaldelijk gewezen op de voordelen van de nationale afvalstoffencatalogus ten opzichte van de EAC voor het afvalstoffenbeheer. Ook heeft zij gesteld dat de EAC naar haar mening op diverse punten tekortschiet. Voorzover dit betoog erop is gericht de beschikking van de Commissie tot vaststelling van de EAC ter discussie te stellen en aldus de niet-omzetting ervan in de Oostenrijkse rechtsorde te rechtvaardigen, kan het Hof het slechts verwerpen.
41 De Republiek Oostenrijk kan immers niet na afloop van de in artikel 230 EG gestelde termijn de rechtmatigheid van een door de communautaire wetgever vastgestelde handeling die jegens haar definitief is geworden, aanvechten. Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat zich niet op de onrechtmatigheid van een tot hem gerichte richtlijn of beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking of richtlijn (zie met name arresten van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland, C‑74/91, Jurispr. blz. I‑5437, punt 10, en 25 april 2002, Commissie/Griekenland, C‑154/00, Jurispr. blz. I‑3879, punt 28).
42 Wat beschikking 94/3 betreft, wordt niet betwist dat deze op grond van artikel 249, vierde alinea, EG verbindend in al haar onderdelen is voor de erin genoemde adressaten, noch dat zij tot alle lidstaten was gericht. Het is echter de vraag of deze beschikking aan laatstgenoemden een verplichting oplegt om de EAC letterlijk over te nemen in een handeling van hun interne recht.
43 Volgens punt 5 van de inleiding van de EAC is het de bedoeling dat de EAC fungeert als een referentielijst die ervoor zorgt dat in de hele Gemeenschap dezelfde terminologie wordt gebruikt, zodat werkzaamheden voor het beheer van afvalstoffen efficiënter kunnen worden uitgevoerd. In hetzelfde punt wordt echter ook vermeld dat de EAC „de basisreferentie [moet] worden voor het communautaire programma inzake statistische gegevens over afval […]”. Bovendien is de EAC volgens punt 3 van de inleiding ervan een geharmoniseerde lijst van afvalstoffen die niet uitputtend is. Volgens hetzelfde punt betekent het feit dat een stof erin is opgenomen echter niet dat deze onder alle omstandigheden als afval wordt beschouwd.
44 Aangezien noch richtlijn 75/442, noch beschikking 94/3 of de inleiding van de EAC andere gegevens over de inhoud van de door deze beschikking aan de lidstaten opgelegde verplichtingen bevat, kan op deze basis niet worden geconcludeerd dat de Republiek Oostenrijk verplicht is, de EAC letterlijk in een handeling van intern recht over te nemen. Uit het bindende karakter van beschikking 94/3 voor de lidstaten kan alleen worden afgeleid dat deze het gebruik en de toepassing van de EAC als referentielijst moeten garanderen, aangezien deze lijst een gemeenschappelijke, voor de Gemeenschap geldende terminologie bevat. De Republiek Oostenrijk heeft betoogd, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken, dat haar bevoegde autoriteiten het gebruik van deze referentielijst garanderen waar de communautaire regelgeving dat vereist, bijvoorbeeld in het geval dat de door de EAC aan bepaald typeafvalstoffen toegekende code in het in verordening nr. 259/93 bedoelde uniforme begeleidende document moet worden vermeld.
45 Uit het aangehaalde arrest Commissie/Luxemburg is evenmin af te leiden dat het gemeenschapsrecht vereist dat een lidstaat de door hem gebruikte nationale afvalstoffenlijst vervangt door een handeling van intern recht waarin de EAC letterlijk wordt overgenomen. Uit de punten 6 en 7 van dat arrest blijkt dat de Luxemburgse regering erkende dat de invoering van een zuiver nationale lijst, afwijkend van de EAC en tot uitsluiting leidend van het gebruik van laatstgenoemde voor een groot aantal handelingen, het volledige en getrouwe gebruik van de EAC niet waarborgde. In het onderhavige geval stelt de Oostenrijkse regering dat het bestaan van een nationale afvalstoffencatalogus niet aan het gebruik van de EAC in de weg staat wanneer dat gebruik is voorgeschreven door het gemeenschapsrecht.
46 Het bestaan van een nationale afvalstoffenlijst is op zichzelf niet onverenigbaar met de toepassing van de relevante gemeenschapsregeling. Zowel de Oostenrijkse regering als de Commissie heeft opgemerkt dat het bij beschikking 94/774 vastgestelde model voor een uniform begeleidend document niet alleen de vermelding voorschrijft van de code die in de EAC verwijst naar de over te brengen afvalstoffen, maar ook vermelding van de betrokken code van de nationale catalogus. Uit het naast elkaar bestaan van de Oostenrijkse afvalstoffencatalogus en de EAC als zodanig kan derhalve niet worden afgeleid dat de Republiek Oostenrijk niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op grond van richtlijn 75/442 en beschikking 94/3 op haar rusten.
47 Het is niet uitgesloten dat de verschillen die een nationale afvalstoffenlijst ten opzichte van de EAC vertoont, kunnen leiden tot problemen en onzekerheid bij de betrokken marktdeelnemers, die dan niet in staat zouden zijn om de omvang van hun rechten en verplichtingen op een onder het gemeenschapsrecht vallend gebied te onderkennen. De Commissie heeft echter niet voldoende aangegeven, ook niet nadat het Hof haar uitdrukkelijk had verzocht om deze problemen uiteen te zetten, welke concrete moeilijkheden er voor de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten ontstaan doordat de Oostenrijkse catalogus een ander classificatiesysteem voor afvalstoffen hanteert dan de EAC. In dit verband betoogt de Republiek Oostenrijk dat de twee systemen ondanks de verschillen niet onverenigbaar met elkaar zijn, terwijl de Commissie zich beperkt tot de bewering dat de Oostenrijkse afvalstoffencatalogus geen passende omzettingsmaatregel is omdat deze het EAC-systeem niet getrouw volgt.
48 Aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat de verschillen tussen de Oostenrijkse afvalstoffencatalogus en de EAC van dien aard zijn dat afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betrokken marktdeelnemers en aan het rechtszekerheidsbeginsel, kan de grief inzake onjuiste omzetting van de EAC niet worden aanvaard.
49 Gezien het bovenstaande kan in het onderhavige geval niet worden vastgesteld dat de Republiek Oostenrijk haar verplichtingen op grond van richtlijn 75/442 niet is nagekomen.
Onjuiste omzetting van de bij beschikking 94/904 vastgestelde lijst van gevaarlijke afvalstoffen
Argumenten van partijen
50 De Commissie verwijt de Republiek Oostenrijk, de verplichtingen niet te zijn nagekomen die krachtens richtlijn 91/689 op haar rusten, aangezien zij de lijst van gevaarlijke afvalstoffen (hierna: „LGA”) die ter uitvoering van genoemde richtlijn is vastgesteld bij beschikking 94/904, niet op juiste wijze heeft omgezet.
51 Zij acht de in artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 vastgestelde definitie van „gevaarlijke afvalstoffen” van doorslaggevend belang voor de toepassing van deze richtlijn. Deze definitie verwijst naar de bijlagen I tot en met III van richtlijn 91/689 en naar de lijst van gevaarlijke afvalstoffen die volgens de in artikel 18 van richtlijn 75/442 voorgeschreven procedure is vastgesteld. Bovendien moet volgens de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 91/689 de definitie van gevaarlijke afvalstoffen worden verfijnd en geüniformiseerd om het beheer van gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap doeltreffender te maken. Hieruit volgt dat de bijlagen I tot en met III van richtlijn 91/689 evenals de LGA van beschikking 94/904, die deze richtlijn aanvult (arrest van 22 juni 2000, Fornasar e.a., C‑318/98, Jurispr. blz. I‑4785, punt 44), de verplichte basis vormen voor de door de lidstaten te nemen maatregelen ter uitvoering van genoemde richtlijn.
52 De Commissie betoogt dat de Republiek Oostenrijk nog altijd niet de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om de bij beschikking 94/904 vastgestelde LGA om te zetten. Volgens het ministerieel besluit van 1997 inzake de aanwijzing van stoffen als gevaarlijke stoffen en probleemstoffen is de lijst van beschikking 94/904 eerst vanaf 1 juli 2000 toepasselijk, terwijl inmiddels de desbetreffende bepaling eenvoudigweg is ingetrokken zonder te zijn vervangen. De omzetting van richtlijn 91/689 en beschikking 94/904 wordt voor het eerst genoemd in het wijzigingsbesluit van 2000, dat een nieuw lid 3 aan § 1 van het ministerieel besluit van 1997 heeft toegevoegd.
53 De Commissie erkent dat noch richtlijn 91/689, noch de bij beschikking 94/904 vastgestelde lijst uitputtend is. De lidstaten kunnen dus andere afvalstoffen als gevaarlijk kwalificeren dan de stoffen genoemd in de bijlagen I en II van deze richtlijn of in de lijst van gevaarlijke afvalstoffen, en aldus verder gaande beschermingsmaatregelen nemen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van dergelijke afvalstoffen te verbieden (arrest Fornasar e.a., reeds aangehaald, punten 46‑51). Zij merkt hier echter bij op dat dergelijke gevallen haar moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel 176 EG en artikel 1, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 91/689 (arrest Fornasar e.a., reeds aangehaald, punt 51).
54 De Commissie wijst er met nadruk op dat de mogelijkheid om verder gaande beschermingsmaatregelen te nemen op gebieden die door de communautaire milieuwetgeving zijn geharmoniseerd, niet mag worden gelijkgesteld met een vrijheid om deze harmonisatiemaatregelen niet om te zetten. Zij betoogt dat de lidstaten verplicht zijn om richtlijn 91/689 in haar geheel om te zetten, met inbegrip van de bijlagen I en II en de aanvulling in de vorm van beschikking 94/904, en dat zij slechts onder bepaalde voorwaarden en onder eerbiediging van de procedure verder mogen gaan.
55 Wanneer het gaat om de omzetting van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen die een fundamentele definitie van een richtlijn aanvult en die een nauwkeurig en welbepaald systeem volgt waarbij specifieke codes aan de verschillende stoffen en de zaken worden toegekend, laat de discretionaire bevoegdheid waarover de lidstaten bij de omzetting van een richtlijn beschikken niet toe dat de vastgestelde nationale maatregelen zich ertoe beperken dezelfde stoffen en zaken op te nemen en als gevaarlijk aan te merken. Volgens de Commissie moeten de nationale omzettingsmaatregelen het op communautair vlak vastgestelde systeem nauwkeurig volgen.
56 Zij merkt in dit verband op dat beschikking 94/904 verbindend is voor de lidstaten en zo nauw samenhangt met richtlijn 91/689, dat de omzettingstermijn van deze richtlijn bij richtlijn 94/31 is verlengd in verband met de vertraging bij de vaststelling van de lijst van gevaarlijke afvalstoffen. Zij merkt bovendien op dat volgens punt 1 van de inleiding van die lijst de diverse soorten afvalstoffen van de lijst volledig zijn gedefinieerd door hun codering, en dat niet wordt betwist dat de geldende nationale regeling, die naar Oostenrijkse normen verwijst, een ander systeem en andere codes gebruikt.
57 De kritiek van de Oostenrijkse regering op de inhoud en de onvoldoende kwaliteit van de lijst van beschikking 94/904 kan volgens de Commissie de niet-nakoming van de omzettingsverplichting niet rechtvaardigen. De Commissie betwist niet dat de LGA voor verbetering vatbaar is, maar stelt dat de gemeenschapswetgever hiertoe zelf in artikel 9 van richtlijn 91/689 in een aanpassingsprocedure heeft voorzien. Bovendien betoogt zij dat een lidstaat zich niet op artikel 176 EG kan beroepen om zich te verweren in een niet-nakomingsprocedure die wegens onjuiste omzetting van een richtlijn tegen hem is ingesteld, indien deze lidstaat de bij deze verdragsbepaling vastgestelde procedure niet heeft gevolgd. De Republiek Oostenrijk heeft zich niet op artikel 176 EG beroepen bij de kennisgeving van het besluit van 1997 inzake de aanwijzing van stoffen als gevaarlijke afvalstoffen en probleemstoffen.
58 De Oostenrijkse regering betoogt dat zij richtlijn 91/689 en de LGA heeft omgezet bij het besluit van 1997 inzake de aanwijzing van stoffen als gevaarlijke afvalstoffen en probleemstoffen, waarvan de laatste wijziging is gepubliceerd in 2000, samen met de bepalingen van de Oostenrijkse S 2100-norm.
59 Zij wijst erop dat de lidstaten op grond van artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 onder bepaalde voorwaarden andere afvalstoffen als gevaarlijk kunnen aanmerken. Aangezien de LGA krachtens deze bepaling is vastgesteld, acht de Oostenrijkse regering het doel van de richtlijn door de nationale omzettingsmaatregel bereikt. Artikel 249, derde alinea, EG laat het aan de lidstaten over, de vorm en de middelen te kiezen om het door een richtlijn beoogde resultaat te bereiken. Het besluit van 1997 in combinatie met de Oostenrijkse S 2100-norm heeft als resultaat dat alle afvalstoffen die door richtlijn 91/689 en de LGA als gevaarlijk worden aangemerkt, ook in het nationale recht als zodanig worden aangemerkt.
60 Met het besluit van 1997 heeft de Republiek Oostenrijk gebruikgemaakt van de door artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 en punt 4 van de inleiding van de lijst van beschikking 94/904 geboden mogelijkheid om andere dan de op die lijst voorkomende afvalstoffen als gevaarlijk aan te merken, aangezien zij aan een van de gevaarcriteria voldoen. Van dit besluit is de Commissie formeel als omzettingsmaatregel kennisgegeven.
61 De Oostenrijkse regering meent dat zij in de begeleidende brief bij de formele kennisgeving van dit besluit heeft aangetoond dat dit besluit de inhoud van de lijst van beschikking 94/904 geheel omzette. De Republiek Oostenrijk heeft zich ervan verzekerd dat alle afvalstoffen van die lijst een code van gevaarlijke afvalstoffen van de Oostenrijkse S 2100-norm hebben en dat de twee lijsten volledig met elkaar overeenstemmen.
62 Volgens de Oostenrijkse regering brengt het feit dat op grond van artikel 249, vierde alinea, EG een beschikking verbindend is in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht, niet de verplichting mee om de in de bijlagen bij beschikking 94/904 opgenomen lijst van gevaarlijke afvalstoffen letterlijk over te nemen.
63 Zij stelt dat er weliswaar geen twijfel over bestaat dat deze lijst verbindend is voor de lidstaten, maar dat de verplichting om genoemde lijst in nationaal recht om te zetten, voortvloeit uit de algemene verplichting om richtlijn 91/689 alsmede het hierin gedefinieerde begrip „gevaarlijke afvalstoffen” om te zetten. In deze context van omzetting in nationaal recht is de lijst van gevaarlijke afvalstoffen slechts bindend wat betreft de aanwijzing van de afvalstoffen die als gevaarlijk moeten worden aangemerkt, en is het aan de lidstaten om de vorm en de middelen voor het bereiken van dat resultaat te kiezen.
64 Over de verhouding tussen de LGA en de nationale afvalstoffencatalogus merkt de Oostenrijkse regering op dat de Oostenrijkse S 2100-norm een nauwkeurigere opsomming en strengere criteria bevat dan de communautaire lijst. Zij merkt op dat de Republiek Oostenrijk actief meewerkt aan de herziening van de LGA. Aangezien deze herziening echter nog niet is afgerond, moet de nationale afvalstoffencatalogus gehandhaafd blijven om het hoge beschermingsniveau te garanderen waarin het Oostenrijkse recht voorziet.
65 De Oostenrijkse regering merkt op dat het gemeenschapsrecht op milieugebied niet is gericht op een volledige harmonisatie en dat zowel artikel 176 EG als richtlijn 91/689 voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om verder gaande beschermingsmaatregelen vast te stellen. Tegen deze achtergrond is handhaving van de inhoudelijk strengere Oostenrijkse bepalingen gerechtvaardigd.
66 De communautaire lijst is niet toereikend omdat enerzijds de herkomst van de afvalstoffen hierin een grote rol speelt, en anderzijds de lijst niet uitputtend is. Daarom worden veel afvalstoffen niet genoemd indien zij uit een bepaalde sector afkomstig zijn, terwijl zij in een ander toepassingsgebied als gevaarlijk worden aangemerkt. Een ander probleem is dat veel afvalstoffen in beginsel onder verschillende codes kunnen worden ingedeeld. De Oostenrijkse regering illustreert deze problematiek met een vergelijking van de indeling van PCB-houdende kabelresten volgens de communautaire lijst en de Oostenrijkse lijst, waaruit blijkt dat op grond van de strengere nationale criteria de betrokken afvalstoffen altijd als gevaarlijk worden beschouwd.
67 Vervolgens betoogt de Oostenrijkse regering dat de Oostenrijkse lijst volledig in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de eigenschappen van een afvalstof en niet de herkomst beslissend zijn voor de kwalificatie van een afvalstof als gevaarlijk (arrest Fornasar e.a., reeds aangehaald, punt 56). Bovendien verwijst zij naar de opmerkingen die zijn gemaakt tijdens de lopende herziening van de communautaire lijst, en naar andere initiatieven die betrekking hebben op de criteria ter bepaling van gevaarlijke afvalstoffen en mogelijke besmettingen. Zij concludeert hieruit dat de codes en omschrijvingen in de communautaire lijsten − zowel de EAC als de LGA − onvoldoende zijn om de bescherming van het milieu te waarborgen, vooral bij de verwerking van deze afvalstoffen voor nuttige toepassing, en dat een rechtstreekse overname van deze lijsten in het nationale recht tot een verslechtering van de milieukwaliteit in Oostenrijk zou leiden, zonder dat de werking van de interne markt erdoor zou verbeteren.
68 Gezien de voordelen van het nationale classificatiesysteem van afvalstoffen stelt de Oostenrijkse regering dat het gebruik van de nationale lijst, waarbij de coördinatie met de LGA is gewaarborgd, overeenstemt met de doelen en de beginselen van de communautaire regelgeving inzake afvalstoffenbeheer.
Beoordeling door het Hof
69 De argumenten van de partijen in het kader van de onderhavige grief zijn grotendeels gelijk aan die in het kader van de eerste. Ten aanzien van deze argumenten is het dus voldoende om nog eens te wijzen op de belangrijkste aspecten van de beoordeling die het Hof met betrekking tot de reeds door de partijen opgeworpen punten heeft gegeven.
70 Om de in de punten 39 tot en met 41 van het onderhavige arrest genoemde redenen falen alle argumenten van de Republiek Oostenrijk, ertoe strekkende dat de nationale bepalingen van betere kwaliteit zijn dan de door de Raad vastgestelde LGA en dat zij een hoger niveau van milieubescherming waarborgen dan de gemeenschapsbepalingen.
71 Wat de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten bij de vaststelling van omzettingsmaatregelen van de LGA in nationaal recht betreft, moet worden onderzocht of richtlijn 91/689 en beschikking 94/904, zoals de Commissie meent, de uitoefening van deze bevoegdheid beperken tot het vaststellen van een interne omzettingshandeling waarin de codes en het classificatiesysteem van de communautaire lijst letterlijk worden overgenomen.
72 Vaststaat dat de LGA is vastgesteld krachtens artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689, waarin het begrip „gevaarlijke afvalstoffen” voor de toepassing van deze richtlijn wordt gedefinieerd, en dat beschikking 94/904 verbindend is voor de lidstaten. Eveneens staat vast dat deze lijst − zoals blijkt uit artikel 1, lid 4, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 91/689 en uit punt 4 van de inleiding tot de LGA − niet uitputtend is. Nochtans lijken de Commissie en de Republiek Oostenrijk verdeeld over de vraag in hoeverre een lidstaat niet in de LGA genoemde afvalstoffen als gevaarlijk kan aanmerken, en vooral over de procedure die bij gebruikmaking van deze mogelijkheid moet worden gevolgd.
73 De Commissie wijst er terecht op dat de betrokken lidstaat volgens artikel 1, lid 4, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 91/689 de gevallen waarin hij andere afvalstoffen dan die van de LGA als gevaarlijk aanmerkt, aan de Commissie moeten mededelen (arrest Fornasar e.a., reeds aangehaald, punt 51). Zij heeft echter niet geantwoord op het argument van de Republiek Oostenrijk, dat aan die verplichting is voldaan met de formele kennisgeving van het besluit van 1997 houdende omzetting van de LGA aan de Commissie.
74 Evenmin heeft de Commissie betwist dat de Oostenrijkse afvalstoffencatalogus alle in de LGA opgenomen afvalstoffen als gevaarlijk kwalificeert. Zij heeft bijgevolg niet aangetoond dat de Republiek Oostenrijk, door vaststelling van een lijst waarin andere afvalstoffen als gevaarlijk worden gekwalificeerd, niet voldoet aan de verplichtingen die krachtens richtlijn 91/689 en beschikking 94/904 op haar rusten.
75 Bovendien kan de Commissie zich niet beroepen op punt 1 van de inleiding van de LGA, waarin slechts het in die lijst gebruikte codesysteem wordt uitgelegd, voor de eis dat de lidstaten dit systeem nauwkeurig moeten volgen, hetgeen erop zou neerkomen hen elke discretionaire bevoegdheid te ontzeggen. Het nauwe verband tussen richtlijn 91/689 en de LGA, evenals het feit dat deze bedoeld is om een fundamenteel begrip van genoemde richtlijn aan te vullen, laat evenmin de conclusie toe dat de Republiek Oostenrijk zich moest beperken tot het letterlijk overnemen van de betrokken lijst in een handeling van nationaal recht, gezien het bepaalde in artikel 249, derde alinea, EG.
76 In deze omstandigheden, en aangezien de Commissie niet voldoende heeft aangegeven welke concrete problemen voor de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten ontstaan doordat de Oostenrijkse catalogus een van de LGA afwijkend classificatiesysteem voor afvalstoffen gebruikt (zie punten 47 en 48 van onderhavig arrest), is het Hof van oordeel dat de Commissie niet de nodige gegevens heeft verschaft om de gestelde niet-nakoming te kunnen vaststellen (zie punt 34 van onderhavig arrest).
77 De grief inzake onjuiste omzetting van de LGA moet dan ook worden verworpen.
Onjuiste omzetting van de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689
78 De Commissie verwijt de Republiek Oostenrijk eveneens niet-omzetting van de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689, die naar haar mening integrerend deel uitmaken van de richtlijnbepalingen en onder de verplichting tot omzetting van deze richtlijn vallen. Volgens de Oostenrijkse regering zijn de lidstaten niet verplicht om de genoemde bijlagen in nationaal recht om te zetten, aangezien deze bedoeld zijn om een bindend kader te scheppen voor de in artikel 18 van richtlijn 75/442 beschreven besluitvormingsprocedure, en deze procedure buiten de omzettingsverplichting van de richtlijnen valt.
79 In dit verband moet erop worden gewezen dat de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689 alleen in artikel 1, lid 4, eerste gedachtestreepje, van deze richtlijn worden genoemd. Volgens deze bepaling moest uiterlijk zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van richtlijn 91/689 overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442 een lijst van gevaarlijke stoffen worden opgesteld op basis van de genoemde bijlagen I en II. De Republiek Oostenrijk is dus terecht van mening dat, gezien deze formulering, de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689 instrumenten zijn die in het proces van opstelling van de LGA moesten worden gebruikt.
80 Bovendien heeft de Commissie niets gesteld waaruit blijkt dat omzetting van deze bijlagen in nationaal recht zinvol zou zijn of dat niet‑omzetting ervan de toepassing van de communautaire regelgeving inzake het beheer van gevaarlijke afvalstoffen zou schaden. Zij betoogt slechts dat voor de bijlagen I en II, als bestanddelen van richtlijn 91/689, evenzeer omzettingsmaatregelen noodzakelijk waren als voor de andere richtlijnbepalingen.
81 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de Republiek Oostenrijk gehouden was, maatregelen tot omzetting van de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689 vast te stellen. De grief inzake onjuiste omzetting van deze bijlagen kan dus niet worden aanvaard.
82 Aangezien het Hof geen van de door de Commissie tegen de Republiek Oostenrijk aangevoerde grieven (zie punt 20 van onderhavig arrest) gegrond acht, moet het beroep worden verworpen.
Kosten
83 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover zulks is gevorderd. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Oostenrijk in de kosten word verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt in de kosten verwezen.
Jann
Rosas
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 april 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy