Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door lidstaten - Noodzakelijkheid van volledige uitvoering
Partijen
In zaak C-205/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright als gemachtigde, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in nationaal recht van de artikelen 8, lid 2, 11, 18, lid 1, en 22, lid 1, van richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 358, blz. 1), of althans de Commissie niet van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward, A. La Pergola (rapporteur), P. Jann en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 juni 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in nationaal recht van de artikelen 8, lid 2, 11, 18, lid 1, en 22, lid 1, van richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 358, blz. 1; hierna: richtlijn"), of althans de Commissie niet van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader en precontentieuze procedure
2 Artikel 11 van de richtlijn bepaalt:
Ongeacht de overige bepalingen van deze richtlijn mag het verantwoordelijke gezag toestemming geven voor het vrijlaten van het betrokken dier wanneer de gewettigde doeleinden van de proef zulks vereisen, op voorwaarde dat het de zekerheid heeft verkregen dat al het mogelijke is gedaan om het welzijn van het dier te waarborgen, indien de gezondheidstoestand van het dier zulks toelaat en er geen gevaar bestaat voor de volksgezondheid en het milieu."
3 Artikel 22, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
Om bij proeven die op grond van de nationale of communautaire wetgeving op het gebied van de gezondheid en veiligheid worden verricht onnodige doublures te voorkomen, erkent iedere lidstaat zo veel mogelijk de geldigheid van de gegevens die het resultaat zijn van proeven die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht, tenzij ter vrijwaring van de volksgezondheid en de veiligheid verder onderzoek vereist is."
4 Artikel 25 van de richtlijn luidt als volgt:
1. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op 24 november 1989 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.
2. De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen."
5 De voornaamste maatregelen ter omzetting van de richtlijn die het Koninkrijk der Nederlanden aan de Commissie heeft meegedeeld, zijn de Wet van 12 januari 1977 houdende regelen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren (Stb. 67), zoals gewijzigd bij de wet van 12 september 1996 (Stb. 500; hierna: Wet op de dierproeven"), en het Besluit tot uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, 9, 12, 14 en 15 van de Wet op de dierproeven van 31 mei 1985 (hierna: Dierproevenbesluit").
6 Van oordeel dat deze maatregelen geen correcte en volledige omzetting van de artikelen 4, 5, 7, lid 3, 8, lid 2, tweede alinea, en leden 3 en 4, 11, 18, lid 1, en 22, lid 1, van de richtlijn verzekerden, heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden bij brief van 9 juni 1998 aangemaand zijn opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken.
7 Bij brief van 29 juli 1998 heeft de Nederlandse regering de gestelde inbreuken betwist. Aangezien de Commissie de door laatstgenoemde gegeven toelichting ontoereikend achtte, heeft zij op 1 augustus 2000 een met redenen omkleed advies tot het Koninkrijk der Nederlanden gericht waarin zij in hoofdzaak de reeds in haar aanmaningsbrief vermelde grieven herhaalde, met de toevoeging dat Nederland haar hoe dan ook niet in kennis had gesteld van de maatregelen die waren genomen om aan de richtlijn te voldoen. De Commissie verzocht deze lidstaat dan ook binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de maatregelen vast te stellen die nodig waren om hieraan te voldoen.
8 Op 3 oktober 2000 hebben de Nederlandse autoriteiten hun opmerkingen over het met redenen omkleed advies bij de Commissie ingediend. Bij brief van 14 maart 2001 hebben zij de Commissie meegedeeld, dat zij nieuwe bepalingen ter uitvoering van de richtlijn hadden bekendgemaakt, te weten respectievelijk de Beleidsregels ontheffingen Wet op de dierproeven van 10 oktober 2000 (Stcrt. 207) en de Regeling huisvesting en verzorging proefdieren van 30 januari 2001 (Stcrt. 27).
9 Van oordeel dat nog steeds sprake was van een gebrekkige omzetting van de artikelen 8, lid 2, 11, 18, lid 1, en 22, lid 1, van de richtlijn, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
10 Naar aanleiding van de vaststelling, in de loop van de procedure, van nieuwe maatregelen ter omzetting van de richtlijn, te weten respectievelijk het Besluit tot wijziging van het Dierproevenbesluit van 26 juni 2001 (Stb. 310) en de Nadere regeling merken proefdieren van 21 juni 2001 (Stcrt. 119), heeft de Commissie haar beroep gedeeltelijk ingetrokken en het enkel gehandhaafd met betrekking tot de artikelen 11 en 22, lid 1, van de richtlijn.
Het beroep
Niet-omzetting van artikel 11 van de richtlijn
11 Met haar eerste grief betoogt de Commissie dat het Koninkrijk der Nederlanden artikel 11 van de richtlijn niet correct heeft omgezet.
12 In haar verweerschrift stelt de Nederlandse regering dat het niet noodzakelijk is dat de bepalingen van een richtlijn formeel en woordelijk in uitdrukkelijke, specifieke bepalingen van de nationale regelgeving zijn vervat, zolang het nuttig effect van de richtlijn maar wordt verzekerd en recht wordt gedaan aan de eisen van rechtszekerheid en duidelijkheid, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende rechten en verplichtingen (zie onder meer arrest van 10 mei 2001, Commissie/Nederland, C-144/99, Jurispr. blz. I-3541, punt 17).
13 Dit is volgens de Nederlandse regering het geval ten aanzien van artikel 11 van de richtlijn, omdat het doel dat met deze bepaling wordt nagestreefd, wordt bereikt door het bepaalde in artikel 10a van de Wet op de dierproeven.
14 Het eerste lid van dit artikel schrijft namelijk voor, dat vóór elke dierproef eerst een advies wordt uitgebracht door een erkende dierexperimentencommissie (hierna: erkende commissies"). Indien dat advies negatief is, moet een positief oordeel zijn gegeven door de centrale commissie dierproeven (hierna: centrale commissie").
15 Volgens artikel 10a, lid 2, van de Wet op de dierproeven moeten de erkende commissies bij het opstellen van hun advies het aan hen over te leggen onderzoeksplan beoordelen, waarbij rekening moet worden gehouden met de eisen voortvloeiend uit de verschillende bepalingen van deze wet, waaronder ook artikel 12, dat eenieder die dierproeven verricht, verplicht ervoor zorg te dragen dat de voor proeven gebruikte dieren behoorlijk worden verzorgd en behandeld met inachtneming van onder meer alle voorschriften die op dat gebied zijn uitgevaardigd.
16 Volgens het Koninkrijk der Nederlanden volgt uit deze regelgeving, dat elke vrijlating van een dier, als onderdeel van de voorgenomen proef, in voornoemd onderzoeksplan moet worden vermeld en gerechtvaardigd. Voorts volgt hieruit, dat de erkende commissies en de centrale commissie bij hun afweging in het kader van de verlening van een vergunning voor een dergelijke proef acht moeten slaan op de bepalingen die degene die de proef verricht ertoe verplichten, zorg te dragen voor een behoorlijke verzorging en behandeling van de gebruikte dieren en alle overige toepasselijke wettelijke regelingen in acht te nemen, zoals die op het gebied van de volksgezondheid in meer algemene zin of op milieugebied.
17 Het nuttig effect van artikel 11 van de richtlijn wordt volgens de Nederlandse regering dus met name verzekerd door de omstandigheid dat indien wettelijke bepalingen op een ander gebied dan dat van de dierproeven zich verzetten tegen het vrij rondlopen van een dier in de toestand waarin het zich tijdens dat onderdeel van de proef bevindt, het advies of het besluit van voornoemde commissies niet anders dan negatief kan zijn.
18 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard.
19 Er zij aan herinnerd, dat artikel 11 van de richtlijn strenge voorwaarden formuleert voor de vrijlating van een dier in het kader van een proef in de zin van de richtlijn (arrest van 12 september 2002, Commissie/Frankrijk, C-152/00, Jurispr. blz. I-6973, punt 41). Een dergelijke vrijlating behoeft immers de toestemming van het bevoegd gezag, welke toestemming slechts kan worden verleend wanneer de gewettigde doeleinden van de proef zulks vereisen, op voorwaarde dat het bevoegd gezag de zekerheid heeft verkregen dat al het mogelijke is gedaan om het welzijn van het betrokken dier te waarborgen, en voorzover de gezondheidstoestand van het dier zulks toelaat en er geen gevaar bestaat voor de volksgezondheid en het milieu.
20 In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de door de Nederlandse regering ingeroepen artikelen 10a en 12 van de Wet op de dierproeven niets bepalen omtrent de vrijlating van dieren in het kader van wetenschappelijke proeven; a fortiori preciseren zij niet dat een dergelijke vrijlating slechts kan worden toegestaan onder de strenge voorwaarden van artikel 11 van de richtlijn.
21 Gesteld al dat uit voornoemde nationale bepalingen een verplichting voortvloeit om de vrijlating in het onderzoeksplan te vermelden, dan nog moet in de tweede plaats worden geconstateerd dat deze bepalingen niet waarborgen dat de nauwkeurig omschreven doelstelling van artikel 11 van de richtlijn wordt bereikt.
22 De omstandigheid namelijk dat de erkende commissies of de centrale commissie die om een gunstig advies respectievelijk een besluit over een proef worden verzocht, daarbij rekening moeten houden met de op degene die een proef verricht rustende algemene verplichting om ervoor zorg te dragen dat de voor proeven gebruikte dieren behoorlijk worden behandeld en verzorgd en om alle voorschriften in acht te nemen die op dat gebied zijn uitgevaardigd, met name op de gebieden van volksgezondheid en milieubescherming, waarborgt niet dat de strenge, specifieke voorwaarden die artikel 11 van de richtlijn aan de toestemming voor vrijlating verbindt, in acht worden genomen.
23 In het bijzonder volgt uit de Wet op de dierproeven niet duidelijk, dat het bevoegde gezag, alvorens bedoelde toestemming te geven, zich ervan dient te verzekeren dat al het mogelijke is gedaan om het welzijn van het betrokken dier te waarborgen en dient na te gaan of de gezondheidstoestand van het dier de voorgenomen vrijlating toelaat en of deze geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid of het milieu. Wat dit laatste punt betreft, moet bovendien worden opgemerkt dat de Nederlandse regering niet heeft aangegeven, wat precies de voorschriften op het gebied van volksgezondheid en milieubescherming zijn waarvan de loutere inachtneming door het bevoegd gezag haars inziens tot gevolg zou hebben dat dit gezag de vrijlating van dieren die bij een proef zijn betrokken, niet kan toestaan wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid of het milieu.
24 In deze omstandigheden moet de eerste grief van de Commissie worden aanvaard.
De niet-omzetting van artikel 22, lid 1, van de richtlijn
25 De tweede grief van de Commissie houdt in, dat het Koninkrijk der Nederlanden geen enkele maatregel heeft vastgesteld om de omzetting van artikel 22, lid 1, van de richtlijn te verzekeren.
26 De Nederlandse regering meent op haar beurt, dat deze bepaling geen specifieke omzetting behoeft.
27 Deze regering verwijst bovendien naar artikel 10, lid 1, sub a, van de Wet op de dierproeven, volgens welke bepaling het verboden is dierproeven te verrichten voor een doel dat naar de algemeen kenbare, onder deskundigen heersende opvatting ook op een andere manier kan worden bereikt. Volgens de Nederlandse regering heeft een dergelijk verbod mede betrekking op het geval waarin de in Nederland voorgenomen proef geacht wordt gegevens op te leveren die reeds beschikbaar zijn als gevolg van in andere lidstaten verrichte proeven en die voor degene die een dergelijke proef wil verrichten, toegankelijk zijn.
28 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard.
29 Enerzijds volgt namelijk uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 22 van de richtlijn, dat erkenning door de lidstaten beoogt van de geldigheid van de gegevens die het resultaat zijn van dierproeven die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht voor een van de in artikel 3 van de richtlijn genoemde doeleinden, te weten de ontwikkeling, de fabricage en het onderzoek op kwaliteit, werkzaamheid en onschadelijkheid van geneesmiddelen, levensmiddelen of andere stoffen of producten alsmede de bescherming van het milieu, wel degelijk de vaststelling van passende omzettingsmaatregelen vereist (zie arrest van 15 oktober 1998, Commissie/België, C-268/97, Jurispr. blz. I-6069, punt 14, en arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 59).
30 Anderzijds is artikel 10, lid 1, sub a, van de Wet op de dierproeven, zoals de advocaat-generaal in punt 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in werkelijkheid een weergave van artikel 7, lid 2, van de richtlijn, waarvan het dan ook de omzetting in Nederlands recht verzekert. De respectieve bepalingen van de artikelen 7, lid 2, en 22, lid 1, van de richtlijn mogen evenwel niet met elkaar worden verward. Ingevolge eerstgenoemde bepaling moet immers worden geopteerd voor wetenschappelijk verantwoorde methoden waarbij geen proefdier wordt gebruikt, wanneer hiermee hetzelfde resultaat als met dierproeven kan worden verkregen. De tweede bepaling daarentegen verplicht tot erkenning van de geldigheid van gegevens die het resultaat zijn van dierproeven die reeds in een andere lidstaat zijn verricht, teneinde onnodige doublures van reeds verrichte proeven te voorkomen.
31 Dit betekent dat ook de tweede grief van de Commissie gegrond is.
32 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter correcte omzetting van de artikelen 11 en 22, lid 1, van de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter correcte omzetting van de artikelen 11 en 22, lid 1, van richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy