Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-217/01 P,
Michel Hendrickx, ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis en V. Peere, advocaten,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 12 maart 2001, Hendrickx/Cedefop (T-298/00, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), strekkende tot vernietiging van deze beschikking,
andere partij bij de procedure:
Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), vertegenwoordigd door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt,
verweerder in eerste aanleg,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, C. Gulmann, F. Macken, N. Colneric (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 2001, heeft M. Hendrickx krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 12 maart 2001, Hendrickx/Cedefop (T-298/00, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: "bestreden beschikking"), waarbij het Gerecht heeft verklaard dat op zijn beroep tot nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing door het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (hierna: "Cedefop") van zijn verzoek om betaling van een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst (hierna: het "litigieuze besluit") niet behoefde te worden beslist.
Het rechtskader
2 Artikel 24, leden 1 en 2, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP") bepaalt:
"1. De tijdelijke functionaris die voor een bepaalde tijd van ten minste één jaar is aangesteld, of die een overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangegaan doch naar de mening van het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezag gedurende een zodanige periode in dienst zal zijn, ontvangt onder de in artikel 5 van bijlage VII van het Statuut bepaalde voorwaarden een inrichtingsvergoeding, die voor een vermoedelijke diensttijd
- van één jaar of langer, maar korter dan twee jaar, op 1/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het Statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald,
- van twee jaar of langer, maar korter dan drie jaar, op 2/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het Statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald,
- van drie jaar of langer op 3/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het Statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald.
2. De in artikel 6 van bijlage VII van het Statuut bedoelde inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst wordt slechts toegekend aan de functionaris die vier dienstjaren heeft volbracht. De functionaris die meer dan één en minder dan vier dienstjaren heeft volbracht, ontvangt een deel van deze inrichtingsvergoeding in de verhouding van de volbrachte diensttijd, waarbij gedeelten van een jaar buiten beschouwing blijven."
3 Artikel 6, leden 1 en 4, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") luidt als volgt:
"1. Bij beëindiging van de dienst heeft de ambtenaar in vaste dienst, die voldoet aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde voorwaarden, opnieuw recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage en van één maand indien dit niet het geval is, mits hij vier dienstjaren heeft volbracht en in zijn nieuwe betrekking geen soortgelijke vergoeding geniet. Indien echtgenoten die ambtenaar van de Gemeenschappen zijn, beiden recht hebben op een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst, wordt deze slechts uitgekeerd aan de echtgenoot met het hoogste basissalaris.
Voor de berekening van deze vier dienstjaren komt in aanmerking de diensttijd, doorgebracht in een der standen genoemd in artikel 35 van het Statuut met uitzondering van verlof om redenen van persoonlijke aard.
[...]
Op de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst is de voor de laatste standplaats van de ambtenaar vastgestelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.
[...]
4. De inrichtingsvergoeding wordt uitbetaald na overlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat de ambtenaar met zijn gezin, of, indien hij is overleden, zijn gezin, zich elders heeft gevestigd in een plaats die ten minste 70 km van zijn standplaats is verwijderd.
De vestiging elders van de ambtenaar, of, indien hij is overleden, van zijn gezin, moet uiterlijk drie jaar na beëindiging van de dienst hebben plaatsgevonden.
[...]"
4 Volgens artikel 85 van het Statuut "[wordt e]en onverschuldigd betaald bedrag [...] teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen".
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
5 Bij overeenkomst van 20 december 1996 heeft Cedefop, gevestigd te Thessaloniki (Griekenland), Hendrickx per 1 januari 1997 voor één jaar als tijdelijk functionaris in de rang A 7 aangeworven. Hendrickx, ambtenaar van de Raad in de rang B 5, was eerder bij besluit van de Raad van 5 december 1996 voor één jaar gedetacheerd bij Cedefop.
6 Bij zijn indiensttreding werd hem een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris uitbetaald.
7 Op 10 december 1997 heeft de Raad de detachering van Hendrickx bij Cedefop met een jaar verlengd.
8 Bij besluit van 15 december 1997 heeft de directeur van Cedefop de overeenkomst van tijdelijk functionaris van Hendrickx met zes maanden verlengd tot en met 30 juni 1998. Niettegenstaande zijn verzoek werd na deze datum geen verlenging meer toegekend.
9 Het door Hendrickx tegen het besluit tot niet-verlenging van zijn overeenkomst ingestelde beroep is verworpen bij arrest van het Gerecht van 13 juli 2000, Hendrickx/Cedefop (T-87/99, JurAmbt. blz. I-A-147 en II-679). De door Hendrickx tegen dit arrest ingestelde hogere voorziening is afgewezen bij beschikking van het Hof van 13 maart 2002, Hendrickx/Cedefop (C-344/00 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
10 Bij besluit van 6 juli 1998 heeft de Raad Hendrickx per 1 juli 1998 in een ambt van assistent bij de financiële controle herplaatst. Na een verlof om redenen van persoonlijke aard heeft Hendrickx op 1 april 1999 zijn werkzaamheden bij de Raad hervat.
11 Op 22 juli daaraanvolgend heeft hij de directeur van Cedefop meegedeeld dat hij zich met zijn gezin opnieuw te Brussel had gevestigd en heeft hij verzocht om betaling van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst.
12 Over het aan dit verzoek verleende gevolg heeft het Gerecht het volgende vastgesteld:
"11 Op 15 september 1999 heeft verzoeker per e-mail aan de financiële dienst van Cedefop gevraagd welk document hij diende over te leggen om de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst uitbetaald te krijgen, en op basis waarvan deze vergoeding werd berekend.
12 Omdat hem werd meegedeeld dat zijn aanvraag was voorgelegd aan de heer Paraskevaïdis, het hoofd van de administratie van Cedefop dat ermee is belast het [tot aanstelling bevoegde gezag] te adviseren inzake de vaststelling van de rechten van de ambtenaren en de andere personeelsleden, heeft verzoeker deze laatste op 18 oktober 1999 een e-mail gestuurd met een vraag om informatie over de betaling van zijn inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst.
13 Aangezien Cedefop zich op 22 november 1999 nog niet over verzoekers betalingsaanvraag had uitgesproken, moet dat verzoek worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen (hierna: het $litigieuze besluit').
14 Omdat verzoeker geen antwoord ontving van de heer Paraskevaïdis, heeft hij deze op 29 november 1999 opnieuw een verzoek doen toekomen.
15 Op 23 december 1999 heeft de heer Paraskevaïdis verzoeker het volgende antwoord gestuurd:
Zoals je misschien weet, heeft het Gerecht in een recente beslissing in een zaak tussen een andere gewezen tijdelijke functionaris en Cedefop gepreciseerd dat, wanneer de inrichtingsvergoeding ab initio volledig (3/3) is betaald en vervolgens blijkt dat de tijdelijke functionaris geen vier dienstjaren [heeft volbracht] vóór zijn vertrek, het eventuele verschil tussen het uitbetaalde en het werkelijk verschuldigde bedrag aan het Centrum moet worden terugbetaald.
Aangezien jij minder dan de helft van de statutair bepaalde periode van vier jaar hebt [volbracht] en je ab initio reeds het volledige bedrag voor de drie jaar had ontvangen, dien je eerst de helft terug te betalen om vervolgens opnieuw een deel van hetzelfde bedrag te ontvangen als inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst. Netto zou je dus veeleer nog een bedrag aan het Centrum verschuldigd zijn in plaats van recht te hebben op een uitbetaling.
Ik denk dat het nu in elk geval beter is de afloop van de zaak die je bij het Gerecht aanhangig hebt gemaakt, af te wachten vooraleer op dit vlak verdere stappen te doen. De motivering van de beslissing [van het Gerecht] zal immers in grote mate bepalend zijn voor jouw en onze handelwijze, omdat wij op dat moment zullen weten of is voldaan aan de statutaire voorwaarden voor terugvordering van de helft van de inrichtingsvergoeding door het Centrum, dan wel of je (volgens het Gerecht) integendeel recht hebt op uitbetaling van de volledige inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst zonder enige aftrek/compensatie.
Wij zullen hierop dus terugkomen wanneer wij meer weten over de hoofdzaak. [...]'
16 Bij telefaxbericht van 18 februari 2000 heeft verzoeker bij het TABG van Cedefop een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend [...]
17 Aangezien het TABG hierop niet heeft geantwoord, dient deze klacht te worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen."
De procedure voor het Gerecht
13 Onder die omstandigheden heeft Hendrickx bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2000, een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot verwijzing van Cedefop in de kosten.
14 Het vervolg van de procedure wordt in de bestreden beschikking beschreven als volgt: Bij op 14 november 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft Cedefop het Gerecht gevraagd, vast te stellen dat op het beroep niet behoeft te worden beslist. Cedefop voegde als bijlage bij deze akte een besluit van 14 november 2000 betreffende de uitbetaling van de door Hendrickx gevraagde inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst.
15 Dit besluit luidde als volgt:
"[...]
1. Overeenkomstig artikel 24, lid 2, van de [Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen] en artikel 6 van bijlage VII bij het Statuut dient aan de heer Hendrickx uit hoofde van zijn diensten als tijdelijk functionaris van het Centrum van 01.01.1997-30.06.1998 een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst van 908 485 Griekse drachmen [GRD] te worden uitbetaald.
2. Overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de [Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen] en artikel 85 van het Statuut wordt het onverschuldigd betaalde deel van de inrichtingsvergoeding ten bedrage van 1 213 572 [GRD] teruggevorderd.
3. Volgens de vaste praktijk van de gemeenschapsinstellingen vindt tussen beide bedragen schuldvergelijking plaats bij wege van betaling door de heer Hendrickx van het verschil van 305 087 [GRD] op de bankrekening van Cedefop ten laatste op 31 december 2000.
4. Dit besluit treedt in werking op 14.11.2000."
16 Tot staving van zijn vordering tot vaststelling dat op het beroep niet behoeft te worden beslist, betoogde Cedefop dat uit de brief van de heer Paraskevaïdis van 23 december 1999 bleek dat verzoekers recht op een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst nooit was betwist, doch in tegendeel was bevestigd. Zijn beroep was dan ook zonder voorwerp geraakt.
17 Hendrickx was van mening dat hij nog steeds een belang had bij de voortzetting van de voor het Gerecht aanhangige procedure. Hij betoogde dat het besluit van 14 november 2000 het litigieuze besluit ten dele had vervangen. Bijgevolg vormde het besluit van 14 november 2000 volgens hem een nieuw feit op grond waarvan hij gerechtigd was, zijn vorderingen en middelen aan te passen. Hendrickx concludeerde derhalve dat de vordering tot vaststelling dat op het beroep niet behoefde te worden beslist, moest worden afgewezen en dat hem moest worden toegestaan zijn vorderingen en middelen aan te passen.
De bestreden beschikking
18 Bij de bestreden beschikking oordeelde het Gerecht dat op het beroep van Hendrickx niet behoefde te worden beslist.
19 In de punten 44 tot en met 48 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht dit als volgt gemotiveerd:
"44 Weliswaar eisen een behoorlijke rechtsbedeling en de proceseconomie dat vorderingen die aanvankelijk waren gericht tegen een handeling die in de loop van de procedure door een handeling met dezelfde inhoud is vervangen, worden geacht te zijn gericht tegen de vervangende handeling, waarbij deze laatste een nieuw feit vormt, op grond waarvan verzoeker zijn vorderingen en middelen mag aanpassen (zie met name arresten Hof van 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie, 14/81, Jurispr. blz. 749, punt 8, en 14 juli 1988, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, 103/85, Jurispr. blz. 4131, punt 11).
45 Verzoekers beroep strekt echter tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van Cedefop om hem na zijn overplaatsing naar Brussel de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst te weigeren.
46 Bij het besluit van 14 november 2000 werd deze vergoeding juist aan verzoeker toegekend. Volgens dit besluit $dient aan de heer Hendrickx uit hoofde van zijn diensten als tijdelijk functionaris van het Centrum van 01.01.1997-30.06.1998 een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst van 908 485 GRD te worden uitbetaald.'
47 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat Cedefop besliste tegelijkertijd over te gaan tot terugvordering van het aan verzoeker onverschuldigd betaalde deel van de vergoeding voor zijn vestiging te Thessaloniki.
48 Derhalve is het onderhavige beroep, gelet op het besluit van 14 november 2000, zonder voorwerp geraakt."
De hogere voorziening
20 In zijn hogere voorziening, tot staving waarvan hij twee middelen aanvoert, vraagt Hendrickx dat het den Hove behage:
- de bestreden beschikking te vernietigen, en bij wege van nieuwe uitspraak:
- primair, hem toe te staan zijn middelen en vorderingen aan te passen;
- subsidiair, vast te stellen dat het besluit van de directeur van Cedefop van 14 november 2000 door een onbevoegd gezag is vastgesteld; bijgevolg dat besluit nietig te verklaren alsmede het door Cedefop stilzwijgend genomen besluit houdende afwijzing van zijn verzoek om betaling van een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst ten bedrage van twee maanden basissalaris, en
Cedefop ertoe te veroordelen hem een bedrag van 361 292 BEF, vermeerderd met moratoire interessen op de voet van 7 % per jaar vanaf 22 juli 1999, te betalen;
- Cedefop te verwijzen in de kosten van beide instanties.
21 Cedefop concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening alsmede tot verwijzing van rekwirant in alle kosten.
Het middel inzake de weigering Hendrickx toe te staan naar aanleiding van het besluit van 14 november 2000 zijn middelen en vorderingen aan te passen
Argumenten van partijen
22 Met zijn tweede middel, dat eerst moet worden onderzocht, betoogt Hendrickx dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hem niet toe te staan zijn vorderingen en middelen aan te passen, waardoor hij niet de kans heeft gekregen zijn geschil met Cedefop over enerzijds de vaststelling van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst waarop hij recht heeft omdat hij opnieuw bij de Raad te Brussel is tewerkgesteld, en anderzijds de terugvordering van een bedrag dat hem onverschuldigd als inrichtingsvergoeding zou zijn betaald bij zijn indiensttreding te Thessaloniki, aan de gemeenschapsrechter voor te leggen.
23 Hendrickx is van mening dat het besluit van 14 november 2000 het litigieuze besluit heeft bevestigd. Dienaangaande herinnert hij aan het bericht van de heer Paraskevaïdis van 23 december 1999. Deze zou hem ertoe hebben aangezet, een klacht in te dienen tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek en daarin aannemelijk te maken dat hij overeenkomstig artikel 20 van het Statuut, de artikelen 5 en 6 van bijlage VII bij het Statuut, en artikel 24, lid 2, RAP, als gedetacheerd ambtenaar in vaste dienst bij zijn indiensttreding bij Cedefop recht had op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris, alsmede op de uitbetaling van dezelfde vergoeding bij zijn wedertewerkstelling te Brussel.
24 Hendrickx meent dat aangezien zijn klacht slechts stilzwijgend was afgewezen, hij in zijn beroep tot nietigverklaring slechts middelen kon aanvoeren die rechtstreeks verband hielden met de bestreden handeling. Gelet op de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, volgens welke verzoeker zijn middelen en vorderingen mag aanpassen wanneer het bestreden besluit in de loop van de procedure wordt vervangen door een handeling met dezelfde inhoud (reeds aangehaalde arresten Alpha Steel/Commissie, punt 8, en Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, punt 11, en arrest van 15 september 1998, De Persio/Commissie, T-23/96, JurAmbt. blz. I-A-483 en II-1413, punten 32-34), betoogt hij dat het Gerecht hem niet kon weigeren zijn middelen en vorderingen aan te passen, met name die tot staving van zijn stelling dat Cedefop bij de berekening van de inrichtingsvergoeding en van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst is voorbijgegaan aan zijn hoedanigheid van gedetacheerd ambtenaar.
25 Hendrickx klaagt er tevens over dat hem de mogelijkheid is ontnomen om, enerzijds ertegen op te komen dat op zijn inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst de aanpassingscoëfficiënt voor in Griekenland tewerkgestelde ambtenaren is toegepast, en anderzijds aan te voeren dat artikel 6, lid 1, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut en de uit de arresten van het Gerecht van 30 januari 1990, Yorck von Wartenburg/Parlement (T-42/89, Jurispr. blz. II-31), en 4 juli 1990, Parlement/Yorck von Wartenburg (T-42/89 OP, Jurispr. blz. II-299), voortvloeiende beginselen zijn geschonden.
26 Volgens Cedefop is de door Hendrickx aangevoerde rechtspraak niet ter zake dienend. Het besluit van 14 november 2000 is geen vervangende handeling in de zin van deze rechtspraak, aangezien het de stilzwijgende afwijzing van het verzoek om toekenning van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst niet vervangt. Bij het besluit van 14 november 2000 werd aan Hendrickx de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst toegekend die het voorwerp van zijn beroep in eerste aanleg vormde, waardoor dit beroep zonder voorwerp is geraakt.
27 Cedefop merkt op dat de terugvordering van de inrichtingsvergoeding en de schuldvergelijking tussen de twee bedragen, waarin het besluit van 14 november 2000 voorziet, duidelijk losstaan van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst.
28 Cedefop stelt vast dat Hendrickx tegen het besluit van 14 november 2000 geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft ingediend. Volgens Cedefop kan Hendrickx niet afwijken van de regel dat een beroep tegen een voor beroep vatbare handeling moet worden voorafgegaan door een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Verzoeker toestaan, zijn vorderingen en middelen in de loop van de procedure in eerste aanleg aan te passen, zou erop neerkomen dat hem de mogelijkheid wordt gegeven zich te onttrekken aan zijn verplichting om eerst een klacht in te dienen.
Beoordeling door het Hof
29 Volgens de rechtspraak van het Hof mag een verzoeker zijn vorderingen en middelen aanpassen wanneer het bestreden besluit in de loop van de procedure wordt vervangen door een handeling met dezelfde inhoud (zie met name reeds aangehaalde arresten Alpha Steel/Commissie, punt 8, en Stahlwerke Peine- Salzgitter/Commissie, punt 11).
30 In casu is bij het litigieuze besluit het verzoek van Hendrickx om betaling van een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst stilzwijgend afgewezen, terwijl bij het besluit van 14 november 2000 zijn recht op de gevraagde vergoeding wordt erkend, hoewel het uiteindelijk een voor de betrokkene ongunstiger resultaat oplevert. Het uitdrukkelijke besluit van 14 november 2000 houdende toepassing van schuldvergelijking tussen het aan Hendrickx bij zijn vestiging te Thessaloniki te veel betaalde bedrag en de bedragen die hem uit hoofde van zijn terugkeer naar Brussel zijn verschuldigd, kan derhalve niet worden geacht dezelfde inhoud te hebben als de eerdere stilzwijgende afwijzing.
31 Hieruit volgt dat aanpassing van de vorderingen en middelen in eerste aanleg niet was toegestaan. Het Gerecht heeft derhalve in de punten 43 tot en met 49 van de bestreden beschikking terecht beslist dat rekwirant zijn vorderingen en middelen niet mocht aanpassen.
32 Onder die omstandigheden dient dit middel ongegrond te worden verklaard.
Het middel inzake onbevoegdheid van de directeur van Cedefop
Argumenten van partijen
33 Hendrickx betoogt dat het besluit van de directeur van Cedefop van 14 november 2000 non-existent is, daar het door een onbevoegd gezag is vastgesteld.
34 Dienaangaande zet Hendrickx gedetailleerd uiteen hoe de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag/het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag (hierna: "TABG/TAOBG") binnen Cedefop zijn verdeeld. Hij betoogt dat de bevoegdheden van het TABG/TAOBG inzake klachten in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut aan de commissie van beroep waren gedelegeerd en dat deze commissie dus het enige bevoegde gezag was om te beslissen over de gegrondheid van zijn op 18 februari 2000 ingediende klacht. De voorzitster van het personeelscomité heeft rekwirant bij brief van 15 september 2000 echter meegedeeld dat de commissie van beroep niet op de hoogte was van zijn klacht.
35 Volgens Cedefop is dit middel niet-ontvankelijk omdat Hendrickx geen procesbelang heeft; met het besluit van 14 november 2000 werd zijn verzoek immers volledig ingewilligd.
36 In elk geval is het eerste middel ongegrond, aangezien de directeur van Cedefop het tot vaststelling van het besluit van 14 november 2000 bevoegde gezag was.
Beoordeling door het Hof
37 Zou een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof mogen aanvoeren, dan zou zij in feite bij het Hof, met een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie met name arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59; beschikkingen van 17 juli 1998, Sateba/Commissie, C-422/97 P, Jurispr. blz. I-4913, punt 30, en 14 oktober 1999, Infrisa/Commissie, C-437/98 P, Jurispr. blz. I-7145, punten 28 en 29, en arrest van 27 juni 2002, Simon/Commissie, C-274/00 P, Jurispr. blz. I-5999, punt 39).
38 Uit de stukken blijkt dat Hendrickx in eerste aanleg nooit gewag heeft gemaakt van de onbevoegdheid van de directeur van Cedefop om het besluit van 14 november 2000 te nemen. Derhalve dient dit middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
39 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening dient te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Hendrickx in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van Cedefop in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Hendrickx in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy