Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Harmonisatie van wetgevingen - Telecommunicatiesector - Richtlijn 97/33 - Verplichting om nationale regelgevende instanties toe te staan, tussen te komen in onderhandelingen die tot interconnectieovereenkomsten tussen telecommunicatie-instanties leiden - Draagwijdte
(Richtlijn 97/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 3)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Telecommunicatiesector - Richtlijn 97/33 - Publicatie van informatie betreffende algemene voorwaarden van interconnectie - Modaliteiten
(Richtlijn 97/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 2, 10 en 14, lid 1)
3. Harmonisatie van wetgevingen - Telecommunicatiesector - Richtlijn 97/33 - Publicatie van informatie betreffende nationale nummerplannen - Publicatie via internet - Adequate publicatiemethode
(Richtlijn 97/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 12, lid 4, en 14, lid 1)
Samenvatting
1. Uit de bewoordingen van artikel 9, lid 3, van richtlijn 97/33 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied en uit de vijfde overweging van de considerans van die richtlijn volgt dat de nationale regelgevende instanties te allen tijde moeten kunnen tussenkomen in de onderhandelingen die tot een interconnectieovereenkomst tussen de telecommunicatie-instanties leiden. Het was duidelijk de bedoeling van de gemeenschapswetgever dat deze mogelijkheid om tussen te komen los staat van de bevoegdheid om de wijziging van reeds gesloten interconnectieovereenkomsten te verlangen.
Deze bepaling wordt niet naar behoren omgezet door een nationale wetgeving die de bevoegde instantie slechts zeer algemene toezichthoudende bevoegdheden toekent die in de praktijk niet kunnen worden beschouwd als een voldoende specifieke bevoegdheid om in handelsbesprekingen tussen te komen, of slechts specifieke bevoegdheden om tussen te komen op gebieden die niet precies overeenstemmen met die welke in artikel 9, lid 3, van de richtlijn zijn bedoeld.
( cf. punten 33-35 )
2. De handelwijze die erin bestaat de informatie als bedoeld in de artikelen 9, lid 2, en 10 van richtlijn 97/33 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied - dat wil zeggen de algemene voorwaarden en de essentiële eisen die vooraf door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld - in het staatsblad van de betrokken lidstaat te publiceren, geldt als publicatie in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 97/33.
( cf. punt 39 )
3. Artikel 14, lid 1, van richtlijn 97/33 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied geeft geen enkele aanwijzing over de wijze van publicatie van de in artikel 12, lid 4, van de richtlijn beschreven informatie betreffende de hoofdelementen van de nationale nummerplannen en alle latere toevoegingen of wijzigingen. In de sector van de moderne telecommunicatie is bekendmaking via internet uit het oogpunt van artikel 14, lid 1, dus als een geschikt middel te beschouwen. Wél verlangt deze bepaling dat in het staatsblad van de betrokken lidstaat wordt vermeld hoe deze informatie wordt gepubliceerd.
( cf. punten 44-45 )
Partijen
In zaak C-221/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Van de Craen, vervolgens door A. Snoecx, als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) (PB L 199, blz. 32), en, in het bijzonder, aan de artikelen 7, lid 5, 9, lid 3, en 14, leden 1 en 2, ervan, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, N. Colneric, C. Gulmann (rapporteur), R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juni 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) (PB L 199, blz. 32; hierna: richtlijn"), en, in het bijzonder, aan de artikelen 7, lid 5, 9, lid 3, en 14, leden 1 en 2, ervan, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 De richtlijn heeft tot doel de voorwaarden van toegang tot en interconnectie tussen de openbare telecommunicatienetwerken te harmoniseren, en tegelijk het behoud van de universele dienst en een open en doeltreffende toegang tot de openbare telecommunicatiediensten en -netwerken te verzekeren.
3 Artikel 3, lid 1, van de richtlijn legt de lidstaten op om de eventuele beperkingen op te heffen waardoor organisaties die gerechtigd zijn telecommunicatiediensten aan te bieden, worden belemmerd om onderling interconnectieovereenkomsten aan te gaan. De technische en commerciële interconnectieregelingen dienen tussen de betrokken partijen te worden overeengekomen, met inachtneming van de bepalingen van de richtlijn en van de mededingingsregels van het EG-Verdrag.
4 Artikel 7 van de richtlijn stelt een aantal beginselen vast met betrekking tot interconnectieprijzen, alsmede een kostenberekeningssysteem. Deze moeten worden toegepast op organisaties die telecommunicatiediensten aanbieden en die over een aanmerkelijke macht op de markt beschikken zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, van de richtlijn. Artikel 7, lid 5, tweede alinea, van de richtlijn luidt:
De nationale regelgevende instanties dragen er zorg voor dat een beschrijving van de kostenberekeningssystemen, met vermelding van de hoofdcategorieën waarin kosten worden ondergebracht en de regels voor de toerekening van de kosten aan de interconnectie, op aanvraag kan worden verkregen. De overeenstemming met het kostenberekeningssysteem dient door de nationale regelgevende instantie of een ander bevoegd lichaam, dat onafhankelijk is van de telecommunicatieorganisatie en door de nationale regelgevende instantie is erkend, te worden gecontroleerd. Elk jaar dient een overeenstemmingsverklaring te worden gepubliceerd."
5 Artikel 9 van de richtlijn beschrijft de algemene verantwoordelijkheden van de nationale regelgevende instanties. Leden 2 en 3 van deze bepaling luiden:
2. Algemene voorwaarden die van tevoren door de nationale regelgevende instantie worden vastgesteld, worden overeenkomstig artikel 14, lid 1, gepubliceerd.
[...]
3. Bij het nastreven van de in lid 1 vermelde doeleinden mogen de nationale regelgevende instanties te allen tijde op eigen initiatief optreden, en dienen zij zulks te doen indien een der partijen daarom verzoekt, teneinde aan te geven welke onderwerpen in een interconnectieovereenkomst dienen te worden opgenomen of specifieke voorwaarden vast te stellen waaraan door een of meer partijen bij een dergelijke overeenkomst moet worden voldaan. De nationale regelgevende instanties mogen in uitzonderlijke gevallen eisen dat in reeds gesloten interconnectieovereenkomsten wijzigingen worden aangebracht, voorzover dit gerechtvaardigd is om daadwerkelijke mededinging en/of interoperabiliteit van diensten voor gebruikers te waarborgen.
[...]"
6 Artikel 10 van de richtlijn stelt een reeks essentiële eisen inzake interconnectie vast, die betrekking hebben op de veiligheid van de netwerkexploitatie, het behoud van de netwerkintegriteit, de interoperabiliteit van de diensten en de gegevensbescherming. De tweede alinea van deze bepaling luidt als volgt:
Indien de nationale regelgevende instantie in interconnectieovereenkomsten voorwaarden oplegt die op essentiële eisen berusten, worden die voorwaarden gepubliceerd overeenkomstig artikel 14, lid 1.
[...]"
7 Volgens artikel 12 van de richtlijn moeten de lidstaten er zorg voor dragen dat voor alle algemeen beschikbare telecommunicatiediensten adequate nummers en nummerreeksen worden geboden. Lid 4 van deze bepaling luidt:
De nationale regelgevende instanties dragen er zorg voor dat de hoofdelementen van de nationale nummerplannen en alle latere toevoegingen of wijzigingen daarop worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 14, lid 1, slechts onderhevig aan beperkingen die in verband met de nationale veiligheid zijn gesteld."
8 Artikel 14 van de richtlijn bepaalt dat de informatie, bedoeld in een aantal artikelen van de richtlijn, moet worden gepubliceerd of - in sommige gevallen gratis - beschikbaar moet worden gesteld aan de belangstellenden die erom verzoeken. Leden 1 en 2 van deze bepaling luiden:
1. Met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 10 en artikel 12, lid 4, dragen de nationale regelgevende instanties er zorg voor dat actuele informatie op een geschikte wijze wordt gepubliceerd zodat de betrokken partijen gemakkelijke toegang tot die informatie hebben. In het staatsblad van de betrokken lidstaat wordt vermeld hoe deze informatie wordt gepubliceerd.
2. Met betrekking tot de informatie, bedoeld in artikel 4, lid 1, artikel 5, leden 3 en 5, artikel 6, onder c, en artikel 9, lid 3, dragen de nationale regelgevende instanties er zorg voor dat actuele specifieke informatie als bedoeld in die artikelen op verzoek gedurende de normale werktijden gratis beschikbaar wordt gesteld aan belangstellenden. In het staatsblad van de betrokken lidstaat wordt vermeld wanneer en waar de informatie kan worden verkregen."
9 Artikel 23, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 1997 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
Bepalingen van nationaal recht
10 Artikel 75, lid 3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1991, blz. 6155), zoals gewijzigd bij wet van 19 december 1997,(Belgisch Staatsblad van 30 december 1997, blz. 34986; hierna: wet van 21 maart 1991"), bepaalt:
Het [Belgisch] Instituut [voor postdiensten en telecommunicatie; hierna: ,Instituut of ,BIPT] is belast met een algemene opdracht inzake toezicht en controle op de bepalingen van hoofdstuk X van titel I, van titel III en titel IV van deze wet."
11 Artikel 79 bis, lid 1, van de wet van 21 maart 1991 preciseert:
Ter vervulling van de aan het Instituut opgedragen taken, kan het alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen en ondernemingsverenigingen. Het Instituut bepaalt de termijn binnen welke deze inlichtingen eraan moeten worden meegedeeld. Wanneer het Instituut tot een onderneming of een ondernemingsvereniging een verzoek om inlichtingen richt, geeft het de rechtsgrond en het doel van dit verzoek aan."
12 Artikel 109 ter, lid 4, van de wet van 21 maart 1991 luidt:
Elke organisatie met een sterke positie op de markt voor vaste openbare telefoonnetwerken of huurlijndiensten of voor spraaktelefonie is verplicht om volgens de nadere regels, vastgesteld door de Koning, op voorstel van het Instituut, een aanbod te publiceren van technische aard en met betrekking tot de interconnectietarieven, dat vooraf door het Instituut is goedgekeurd. Dat aanbod moet worden gesplitst zodat degene die om interconnectie verzoekt niet verplicht is om zich op diensten te abonneren die hij niet wenst. Het Instituut oordeelt of het aanbod voldoende gesplitst is.
De bekendmaking van dit aanbod vormt geen belemmering voor verzoeken om interconnectieonderhandelingen waarin dit aanbod niet voorzien heeft.
Het in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde aanbod bevat voorwaarden die verschillen naarmate het zich richt tot leveranciers [...]
Het Instituut preciseert welke de voorwaarden zijn die mogen variëren en in welke mate, naar gelang van de categorie waartoe de persoon die de interconnectie aanvraagt, behoort.
Het Instituut kan de wijzigingen aan het interconnectieaanbod opleggen die het absoluut noodzakelijk acht.
[...]"
13 Artikel 5, lid 1, van het Koninklijk Besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van het bestek van toepassing op de spraaktelefoondienst en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen (Belgisch Staatsblad van 15 juli 1998, blz. 23299; hierna KB van 22 juni 1998 betreffende het bestek"), zoals gewijzigd, bepaalt:
De operator neemt de maatregelen die hij vermeldt in zijn interconnectieovereenkomsten om de naleving van de essentiële eisen te garanderen, in het bijzonder:
1° de interoperabiliteit van de spraaktelefoondiensten, meer bepaald met het oog op het, samen met de geïnterconnecteerde operatoren, garanderen van een eind-tot-eind kwaliteit;
2° de gegevensbescherming, in de mate dat die nodig is voor het naleven van de geldende bepalingen krachtens het artikel 109 ter D van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie."
14 Artikel 6, lid 1, van het Koninklijk Besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken (Belgisch Staatsblad van 24 juli 1998, blz. 23990; hierna: KB van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg"), zoals gewijzigd, bepaalt:
De operator neemt de maatregelen die hij vermeldt in zijn interconnectieovereenkomsten om de naleving van de essentiële eisen te garanderen, in het bijzonder:
1° de veiligheid van de werking van het netwerk;
2° het behoud van de integriteit van het netwerk;
3° de interoperabiliteit van diensten, onder andere met het oog op het garanderen, samen met de geïnterconnecteerde operatoren, van een eind-tot-eindkwaliteit;
4° de gegevensbescherming, in de mate dat die nodig is voor het naleven van de geldende bepalingen krachtens artikel 109 ter D van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie."
15 Artikel 5, lid 3, van het Koninklijk Besluit (KB) van 20 april 1999 tot vaststelling van de termijnen en de algemene principes van toepassing op de commerciële onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectieovereenkomsten te sluiten en tot vaststelling van de nadere regels voor publicatie van het referentie-interconnectieaanbod en tot vaststelling van de voorwaarden die geregeld moeten worden in de interconnectieovereenkomst (Belgisch Staatsblad van 21 juli 1999, blz. 27693) luidt:
Wanneer de partijen of één van hen de Kamer [voor interconnectie, huurlijnen, bijzondere toegang en gedeeld gebruik (hierna: ,Kamer)] om tussenkomst verzoeken moeten ze alle relevante informatie, en voorzover van toepassing met inbegrip van de in § 1 bedoelde informatie, ter beschikking stellen.
In het in het eerste lid bedoelde geval kan de Kamer elke bijkomende informatie eisen die ze nuttig acht.
Indien een partij in gebreke blijft om de in dit artikel vermelde informatie te verstrekken, dan mag de Kamer voor het nemen van haar beslissing zich baseren op de informatie waarover ze op dat ogenblik beschikt en ongeacht of die al dan niet van de partijen afkomstig is."
16 De artikelen 6, 8, 11 en 12 in hoofdstuk I, afdeling 2 (Termijnen en procedures"), van het KB van 20 april 1999, luiden:
Artikel 6
De partij van wie het verzoek om interconnectie uitgaat dient per aangetekend schrijven haar volledige aanvraag in, vergezeld van alle gepaste gegevens waaronder een door het Instituut opgesteld document waaruit blijkt dat zij ofwel een geldige aanvraag heeft ingediend met het oog op het verkrijgen van een individuele vergunning ofwel aan de reglementaire voorwaarden voldoet met het oog op de exploitatie van een telecommunicatiedienst of een dienst huurlijnen waarvoor interconnectie noodzakelijk is.
Zij stelt onverwijld, eveneens per aangetekend schrijven, het Instituut op de hoogte van dit verzoek, met vermelding van de volgende gegevens:
[...]
Artikel 8
Indien de partijen na verloop van de in het vorige artikel beschreven termijn, al dan niet verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 en 11, geen akkoord hebben bereikt, kunnen ze, gezamenlijk of op eigen initiatief, de Kamer om tussenkomst verzoeken.
Indien na een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om interconnectie, blijkt dat de partijen niet tot een doorbraak komen in de gevoerde onderhandelingen en er voldoende gronden bestaan om aan te nemen dat de partijen niet zullen slagen in het bereiken van een akkoord binnen de termijn waarvan sprake in vorig artikel, kunnen ze, gezamenlijk of op eigen initiatief, de Kamer om een tussenkomst verzoeken zonder het einde van deze termijn af te hoeven wachten.
Ingeval een partij weigert om de onderhandelingen aan te vatten, kan de tegenpartij de Kamer onmiddellijk om een tussenkomst verzoeken zonder de termijnen van lid 1 en 2 af te hoeven wachten.
[...]
Artikel 11
Indien de partijen overeenkomstig artikel 10, § 1, voorzien hebben in de verlenging van de onderhandelingstermijn, brengen ze het Instituut per aangetekend schrijven op de hoogte van hun voornemen om van deze verlenging gebruik te maken en van de duur van de geplande verlenging.
Indien een of meerdere partijen een verlenging wensen van de termijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, §§ 2 en 3, geven zij de Kamer hiervan kennis per aangetekend schrijven dat de volgende vermeldingen bevat:
[...]
Artikel 12
Indien de partijen er niet in slagen om een interconnectieakkoord te sluiten, moet de partij tot wie het verzoek om interconnectie werd gericht, met het oog op de tussenkomst van de Kamer en onverlet de verplichtingen van artikel 109 ter van de wet met betrekking tot het referentie-interconnectieaanbod, een interconnectieaanbod uitwerken.
Het Instituut kan beslissen om dit interconnectieaanbod te wijzigen met het oog op het bereiken van overeenstemming tussen de partijen.
Na de partijen gehoord te hebben, kan het Instituut het interconnectieaanbod, al dan niet gewijzigd overeenkomstig het tweede lid, het statuut van voorlopig interconnectieakkoord verlenen. In voorkomend geval blijft dit voorlopig interconnectieakkoord van kracht tot op het ogenblik dat de partijen een definitief interconnectieakkoord hebben ondertekend.
[...]"
17 De artikelen 17 tot en met 20 in hoofdstuk II, afdeling 2 (Publicatie van de referentieaanbieding") van het KB van 20 april 1999, bepalen:
Artikel 17
Na goedkeuring van het referentie-interconnectieaanbod door het Instituut, plaatst de desbetreffende organisatie met een sterke positie op de betrokken markt een mededeling in het Belgisch Staatsblad teneinde de partijen die interconnectie beogen op de hoogte te brengen van deze goedkeuring. Tegelijkertijd wordt melding gemaakt dat partijen die interconnectie beogen op eenvoudige aanvraag aan de betrokken organisatie kennis kunnen nemen van zijn referentie-interconnectieaanbod.
Artikel 18
De in het vorig artikel bedoelde mededeling met betrekking tot het referentie-interconnectieaanbod wordt voor elke organisatie met een sterke positie op de betrokken markt jaarlijks voor 30 december gepubliceerd.
Artikel 19
De referentie-interconnectieaanbieding is openbaar en gratis.
Artikel 20
De referentie-interconnectieaanbieding is in principe geldig voor het kalenderjaar dat volgt op het jaar van publicatie. Indien een organisatie met een sterke positie op de betrokken markt wenst wijzigingen aan te brengen aan dit aanbod tijdens het lopende kalenderjaar, moet hij er voorafgaandelijk de goedkeuring van vragen aan het Instituut."
18 Onder hoofdstuk III (Technische en financiële voorwaarden") van het KB van 20 april 1999, bepaalt artikel 21 als volgt:
Overeenkomstig artikel 109 ter, § 5, van de wet [van 21 maart 1991] zouden ten minste in de interconnectieakkoorden de hierna volgende technische en financiële voorwaarden vastgesteld moeten worden:
[...]"
19 Artikel 2, lid 2, eerste en tweede alinea's, van het koninklijk besluit (KB) van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997, blz. 35171) preciseert:
Het Instituut is belast met de vaststelling, de toevoeging en eventuele wijziging van de nummeringsplannen binnen de nadere regels van hoofdstuk drie tot en met negen.
De in vorig lid bepaalde hoofdelementen zijn openbaar en verkrijgbaar bij het Instituut op eenvoudige aanvraag. Het Instituut verwijst naar deze hoofdelementen in het Belgisch Staatsblad [...]"
De precontentieuze procedure
20 Bij schrijven van 13 januari 1998 hebben de Belgische autoriteiten de wet van 19 december 1997 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997, blz. 34986) bij de Commissie aangemeld. Deze wijzigingswet strekt tot omzetting van de richtlijn.
21 Bij aanmaningsbrief van 6 augustus 1998 heeft de Commissie de Belgische autoriteiten meegedeeld dat de aangemelde maatregelen inzake interconnectie niet volstonden voor de omzetting van het geheel van de bepalingen van de richtlijn.
22 Bij brief van 12 oktober 1998 hebben de Belgische autoriteiten op de aanmaningsbrief geantwoord met een verwijzing naar verschillende teksten van de nationale regeling, met name de KB's van 22 juni 1998 betreffende het bestek en betreffende de voorwaarden inzake aanleg, en met een aantal opmerkingen.
23 Na onderzoek van deze teksten en van de opmerkingen de Belgische autoriteiten in hun antwoord op de aanmaningsbrief, kwam de Commissie tot de conclusie dat de Belgische regeling niet voldeed aan de richtlijn, en op 15 april 1999 deed zij het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij deze lidstaat uitnodigde binnen een termijn van twee maanden vanaf de betekening ervan de maatregelen te treffen die nodig waren om aan het advies te voldoen.
24 Bij brieven van 26 april, 21 juni, 18 oktober en 10 december 1999, hebben de Belgische autoriteiten de Commissie meegedeeld dat aanvullende wettelijke bepalingen waren goedgekeurd. De brief van 21 juni 1999 gold als antwoord op het met redenen omkleed advies.
25 Ofschoon de teksten en de inlichtingen die de Belgische autoriteiten hadden meegedeeld gedeeltelijk aan haar grieven tegemoetkwamen, bleef de Commissie op haar standpunt dat de omzetting van de richtlijn nog steeds ontoereikend was, met name wat betreft de artikelen 7, lid 5, 9, lid 3, en 14, leden 1 en 2, ervan. Bijgevolg heeft zij beslist het onderhavige beroep in te stellen.
Eerste grief: onjuiste omzetting van artikel 7, lid 5, van de richtlijn
26 Met haar eerste grief betoogt de Commissie dat, anders dan de Belgische autoriteiten tijdens de precontentieuze procedure hebben gesteld, de nationale regeling artikel 7, lid 5, tweede alinea, van de richtlijn niet naar behoren omzet, aangezien zij geen enkel stelsel van conformiteitscontrole bevat. Volgens de laatste twee zinnen van deze bepaling moet de naleving van het kostenberekeningssysteem echter verplicht worden gecontroleerd en moet elk jaar een overeenstemmingsverklaring worden gepubliceerd. Deze verplichtingen zijn in de Belgische regeling echter niet overgenomen.
27 In dupliek erkent de Belgische regering dat de nationale wetgeving geen systeem van overeenstemmingsverklaringen behelst dat aan de vereisten van artikel 7, lid 5, van de richtlijn voldoet.
28 Mitsdien moet de eerste grief van de Commissie gegrond worden geacht.
Tweede grief: onjuiste omzetting van artikel 9, lid 3, van de richtlijn
29 Met haar tweede grief betoogt de Commissie dat artikel 109 ter, lid 4, vijfde alinea, van de wet van 21 maart 1991 alsmede de artikelen 8 en 12 van het KB van 20 april 1999, waarbij volgens het antwoord van de Belgische autoriteiten op het met redenen omkleed advies, artikel 9, lid 3, van de richtlijn is omgezet, niet voorzien in de mogelijkheid voor de nationale regelgevende instanties om conform deze bepaling te allen tijde op eigen initiatief [op te treden]" in de onderhandelingen inzake interconnectieovereenkomsten.
30 In haar verweerschrift stelt de Belgische regering dat de nationale wetgeving in het algemeen in de mogelijkheid voorziet voor het BIPT om te allen tijde tussen te komen om de wettelijke verplichtingen van de operatoren en de algemene doelstellingen van de teksten die uitvoering geven aan de liberalisering van de telecommunicatiemarkt, te doen naleven. Volgens haar stellen de artikelen 75, lid 3, en 79 bis van de wet van 21 maart 1991 de regelgevende instantie immers ruimschoots in de gelegenheid om te allen tijde tussen te komen in gevallen waarin deze de indruk heeft dat een wettelijke verplichting die in deze wet en/of uitvoeringsbesluiten daarvan is neergelegd, niet wordt nageleefd.
31 Zij stelt bovendien dat het BIPT, overeenkomstig artikel 109 ter van de wet van 21 maart 1991 gelezen in samenhang met de artikelen 5, lid 3, 6, 11 en 12 van het KB van 20 april 1999, in kennis wordt gesteld van het feit dat er onderhandelingen omtrent interconnectie aan de gang zijn en van de kenmerken van de gevraagde interconnectie. Het BIPT kan, op grond van de informatie waarover het beschikt, optreden ter verzekering van de naleving van de wettelijke bepalingen en de verplichtingen van de partijen inzake interconnectie, met name in het kader van deze onderhandelingen en besprekingen. Volgens de Belgische regering beschikt de nationale regelgevende instantie dus over de mogelijkheid om op te treden overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn.
32 Toch heeft de Belgische regering bij haar dupliek een ontwerp van koninklijk besluit gevoegd, waarin de bewoordingen van artikel 9, lid 3, van de richtlijn zijn overgenomen.
33 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 35 tot en met 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uit de bewoordingen van artikel 9, lid 3, van de richtlijn en uit de vijfde overweging daarvan volgt dat de nationale regelgevende instanties bevoegd moeten zijn om te allen tijde tussen te komen in de onderhandelingen die tot een interconnectieovereenkomst leiden. Het was duidelijk de bedoeling van de gemeenschapswetgever dat deze mogelijkheid om tussen te komen los staat van de bevoegdheid om de wijziging van reeds gesloten interconnectieovereenkomsten te verlangen.
34 De door de Belgische regering aangevoerde nationale wetgeving kent aan het BIPT echter zeer algemene toezichthoudende bevoegdheden toe die in de praktijk niet kunnen worden beschouwd als een voldoende specifieke bevoegdheid om in handelsbesprekingen tussen te komen, en specifieke bevoegdheden om tussen te komen, doch op gebieden die niet precies overeenstemmen met die welke in artikel 9, lid 3, van de richtlijn zijn bedoeld.
35 Vastgesteld moet dus worden dat ook de tweede grief van de Commissie gegrond is.
Derde grief: onjuiste omzetting van artikel 14, leden 1 en 2, van de richtlijn
36 Met haar derde grief voert de Commissie in haar verzoekschrift de schending aan van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 14, lid 1, van de richtlijn, in samenhang met de artikelen 7, lid 3, 9, lid 2, 10 en 12, lid 4, daarvan, en van artikel 14, lid 2, van de richtlijn, in samenhang met artikel 9, lid 3, daarvan. In repliek heeft zij, gelet op de preciseringen in het verweerschrift van de Belgische regering, afstand gedaan van haar grief betreffende de artikelen 7, lid 3, en 9, lid 3. Haar grief betreffende de artikelen 9, lid 2, 10 en 12, lid 4, van de richtlijn heeft zij echter gehandhaafd.
Schending van artikel 14, lid 1, van de richtlijn in samenhang met de artikelen 9, lid 2, en 10 daarvan
37 De Commissie is van mening dat de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn beschreven algemene voorwaarden van interconnectie en de in artikel 10 van deze richtlijn bedoelde essentiële eisen in de Belgische regeling zijn omgezet, maar dat in deze regeling de uit artikel 14, lid 1, van de richtlijn voortvloeiende verplichting van publicatie van deze informatie niet is terug te vinden.
38 De Belgische regering betoogt dat zij artikel 14, lid 1, van de richtlijn naar behoren heeft omgezet wat de in de artikelen 9, lid 2, en 10 bedoelde informatie betreft, aangezien deze informatie zelf is opgenomen in de nationale regeling, die in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Overigens wordt elke bijwerking van deze regeling bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, dat vlot toegankelijk is voor iedere belangstellende. Bijgevolg is artikel 14, lid 1, in samenhang met artikel 9, lid 2, van de richtlijn, omgezet bij het KB van 20 april 1999 en, meer in het bijzonder, bij de artikelen 17 tot en met 21 ervan, terwijl artikel 14, lid 1, van de richtlijn in samenhang met artikel 10 ervan, is omgezet bij de KB's van 22 juni 1998 betreffende het bestek en betreffende de voorwaarden inzake aanleg.
39 Zoals de advocaat-generaal dienaangaande in de punten 49 tot en met 53 van zijn conclusie opmerkt, geldt de handelwijze die erin bestaat de betrokken informatie - dat wil zeggen, in het kader van onderhavige grief, de algemene voorwaarden en de essentiële eisen die vooraf door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld - zelf in het staatsblad van de betrokken lidstaat te publiceren, als publicatie in de zin van artikel 14, lid 1, van de richtlijn.
40 Bijgevolg moet het beroep van de Commissie worden afgewezen voorzover het ertoe strekt vast te stellen dat het Koninkrijk België artikel 14, lid 1, in samenhang met de artikelen 9, lid 2, en 10 van de richtlijn niet heeft omgezet.
Schending van artikel 14, lid 1, van de richtlijn, in samenhang met artikel 12, lid 4, daarvan
41 De Commissie betoogt dat de in artikel 12, lid 4, van de richtlijn bedoelde hoofdelementen van de nationale nummerplannen slechts op individueel verzoek beschikbaar zijn, terwijl artikel 14, lid 1, van de richtlijn in dit verband voorziet in een systeem van rechtstreekse toegang tot de informatie, via publicatie daarvan.
42 De Belgische regering stelt dat zij artikel 14, lid 1, van de richtlijn, in samenhang met artikel 12, lid 4, ervan naar behoren heeft omgezet. Zij betoogt dat, ofschoon artikel 2, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van het KB van 10 december 1997 in de mogelijkheid voorziet om de informatie betreffende het nummerplan op eenvoudig verzoek te krijgen, de tweede zin van deze bepaling preciseert dat het BIPT verwijst naar deze gegevens in het Belgisch Staatsblad. Zo werd in het Belgisch Staatsblad gepreciseerd dat de in artikel 2, lid 2, eerste alinea, van genoemd KB bedoelde gegevens op de internetpagina van het BIPT waren geplaatst.
43 In dupliek deelt de Belgische regering het Hof echter mee dat zij voornemens is de bewoordingen van artikel 2, lid 2, tweede alinea, van het KB van 10 december 1997 te wijzigen, door de zin Het Instituut verwijst naar deze hoofdelementen in het Belgisch Staatsblad" als volgt te herformuleren in de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van de richtlijn: Het Instituut laat in het Belgisch Staatsblad bekendmaken hoe deze informatie wordt gepubliceerd".
44 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 14, lid 1, van de richtlijn geen enkele aanwijzing geeft over de wijze van publicatie van de in artikel 12, lid 4, van de richtlijn beschreven informatie. In de sector van de moderne telecommunicatie is bekendmaking via internet uit het oogpunt van artikel 14, lid 1, dus als een geschikt middel te beschouwen.
45 Wél verlangt deze bepaling dat in het staatsblad van de betrokken lidstaat wordt vermeld hoe deze informatie wordt gepubliceerd. Uit de toelichtingen van de Belgische regering, volgens welke een verwijzing" naar genoemde informatie in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, blijkt niet duidelijk dat wel degelijk in het staatsblad van het Koninkrijk België wordt vermeld hoe deze informatie wordt gepubliceerd.
46 In deze omstandigheden moet de derde grief van de Commissie gegrond worden geacht.
47 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 7, lid 5, en 9, lid 3, van de richtlijn alsmede aan artikel 14, lid 1, van die richtlijn, in samenhang met artikel 12, lid 4, ervan, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België op de belangrijkste punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 7, lid 5, en 9, lid 3, van richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), alsmede aan artikel 14, lid 1, van die richtlijn, in samenhang met artikel 12, lid 4, ervan, is het Koninkrijk België de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy