Zaak C-232/01
Strafzaak
tegen
Hans van Lent
[verzoek van de Politierechtbank te Mechelen (België) om een prejudiciële beslissing]
«Vrij verkeer van werknemers – Leasing van voertuigen – Verplichting tot inschrijving van voertuig in lidstaat waar werknemer woont»
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 5 december 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Werknemers – Beperkingen – Verbod voor op nationaal grondgebied wonende werknemers om voertuig te gebruiken dat bij in andere lidstaat gevestigde onderneming is geleasd en door eveneens in die staat gevestigde werkgever ter beschikking is gesteld – Ontoelaatbaarheid
(Art. 39 EG)Artikel 39 EG verzet zich tegen een nationale regeling van een lidstaat volgens welke voertuigen eerst tot het verkeer op zijn grondgebied worden toegelaten als zij vooraf zijn ingeschreven op naam van hun eigenaar, waarbij deze, wanneer het om een rechtspersoon gaat, zijn zetel in deze lidstaat moet hebben en daar over een nummer van de belasting over de toegevoegde waarde moet beschikken, en het een in deze staat wonende werknemer derhalve verboden is, op het grondgebied daarvan een in een aan de eerste lidstaat grenzende tweede lidstaat ingeschreven voertuig te gebruiken dat toebehoort aan een in deze tweede staat gevestigde leasemaatschappij en de werknemer ter beschikking is gesteld door zijn werkgever, die eveneens in deze tweede staat is gevestigd.In dat geval kan de werknemer het voertuig immers niet in de eerste lidstaat laten inschrijven omdat hij er niet de eigenaar van is, en kan de eigenaar, namelijk de leasemaatschappij, dit evenmin aangezien hij niet in deze lidstaat is gevestigd en daar niet beschikt over een nummer van de belasting over de toegevoegde waarde, dat vereist is om het voertuig te laten inschrijven. Hieruit volgt dat een werknemer, die in deze lidstaat woont en die het voertuig gebruikt in het kader van zijn werk en om in het weekend naar huis terug te keren, niet de mogelijkheid heeft zich een voertuig ter beschikking te laten stellen dat aan een in een andere lidstaat gevestigde persoon toebehoort. Evenzo kan een dergelijke regeling een in een lidstaat gevestigde werkgever ervan weerhouden, een in een andere lidstaat wonende werknemer in dienst te nemen, gezien de hogere kosten en de administratieve moeilijkheden waarmee een dergelijke aanwerving gepaard gaat.Een dergelijke maatregel, als gevolg waarvan een werknemer niet in aanmerking kan komen voor bepaalde voordelen, zoals de terbeschikkingstelling van een voertuig, kan die werknemer derhalve ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht op vrij verkeer uit te . punten 18-21, 26 en dictum
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 oktober 2003 (1)
„Vrij verkeer van werknemers – Leasing van voertuigen – Verplichting tot inschrijving van voertuig in lidstaat waar werknemer woont”
In zaak C-232/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Politierechtbank te Mechelen (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
Hans Van Lent,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 39 EG,wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, P. Jann, S. von Bahr (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
─ de Belgische regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. van de Craen en vervolgens door A. Snoecx als gemachtigden,
─ de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde en J. Bering Liisberg als gemachtigden,
─ de Finse regering, vertegenwoordigd door E. Bygglin als gemachtigde,
─ de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door P. Whipple, barrister,
─ de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier en M. Patakia als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Bering Liisberg; de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Whipple, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Lier, ter terechtzitting van 10 oktober 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 2002,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 11 juni 2001, binnengekomen bij het Hof op 18 juni daaraanvolgend, heeft de Politierechtbank te Mechelen krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 10 EG en 39 EG.
De feiten en de toepasselijke bepalingen
2 Van Lent is een Belgisch onderdaan die in de gemeente Putte (België) woont.
3 Bij een verkeerscontrole te Willebroek (België) op zondag 22 augustus 1999 is vastgesteld dat Van Lent met een personenwagen voorzien van een Luxemburgse nummerplaat reed.
4 Het voertuig was ingeschreven op naam van Axus Luxembourg SA, een in Luxemburg gevestigde leasemaatschappij, kennelijk zonder zetel in België. Van Lent verklaarde dat hij als burgerlijk ingenieur werkzaam was bij de te Bascharage (Luxemburg) gevestigde onderneming EDS SA (hierna: EDS), die hem het leasevoertuig ter beschikking had gesteld. Hij hoefde voor het voertuig geen vergoeding of huurgeld te betalen. EDS had ook een zetel te Antwerpen (België).
5 De Procureur des Konings heeft Van Lent gedagvaard op grond dat hij een voertuig op de openbare weg had gebracht zonder dat dit vooraf op naam van zijn eigenaar in België was ingeschreven, in strijd met artikel 3, lid 1, van het koninklijk besluit van 31 december 1953 houdende regeling nopens de inschrijving van motorvoertuigen en aanhangwagens ( Belgisch Staatsblad van 9 januari 1954, blz. 87), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 december 1993 ( Belgisch Staatsblad van 18 januari 1994, blz. 954; hierna: koninklijk besluit van 31 december 1953).
6 Deze bepaling luidt: De motorvoertuigen en de aanhangwagens worden eerst tot het verkeer op de openbare weg toegelaten als zij op aanvraag en op naam van hun eigenaar vooraf zijn ingeschreven in het in artikel 2 bedoelde repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens [...]
7 Krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit van 31 december 1953 moet de aanvraag om inschrijving van een voertuig bij de dienst van het wegverkeer worden ingediend door middel van een formulier dat, wanneer de aanvrager een rechtspersoon is, met name zijn BTW-nummer bevat of, zo dit laatste niet is toegekend, zijn nummer van het rijksregister, alsmede het volledige adres van zijn zetel in België.
8 Het koninklijk besluit van 31 december 1953 is ingetrokken bij koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen ( Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2001, blz. 27022; hierna: koninklijk besluit van 20 juli 2001). Luidens artikel 10, lid 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 mag de gebruiker van een voertuig dit thans in België opnieuw laten inschrijven, ingeval de eigenaar van het voertuig dit niet kan doen. Deze nieuwe reglementering is evenwel niet van toepassing op het onderhavige geval.
9 Ter terechtzitting van 18 september 2000 voor de Politierechtbank te Mechelen verklaarde Van Lent dat hij enkel werkte voor EDS, in Luxemburg, doch daarnaast bepaalde vergaderingen te Antwerpen bijwoonde. Tevens verklaarde hij dat hij het voertuig ook voor privé-doeleinden gebruikte, om naar huis te rijden en tijdens de weekends.
10 Voor die rechtbank betoogde Van Lent dat artikel 3, lid 1, van het koninklijk besluit van 31 december 1953 indruist tegen het Europees recht en meer bepaald tegen het principe van vrij verkeer van werknemers zoals gewaarborgd door het Verdrag van Rome.
De prejudiciële vraag
11 Van oordeel dat de beslechting van het geding de uitlegging van het gemeenschapsrecht vereist, heeft de Politierechtbank te Mechelen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: Verzet de gemeenschapsregeling, meer in het bijzonder de artikelen 39 EG (ex artikel 48 EG-Verdrag) en 10 EG (ex artikel 5 EG-Verdrag), zich ertegen dat een lidstaat eist dat een voertuig toebehorende aan een in een aangrenzende lidstaat gevestigde leasemaatschappij en geleasd door de werkgever van de gebruiker (met andere woorden een werknemer), wonende in eerstvermelde lidstaat, meer bepaald op ongeveer 200 km van de plaats van tewerkstelling, zou worden ingeschreven, indien deze werknemer tijdens de week verblijft in die lidstaat en het voertuig gebruikt bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, alsook tijdens zijn vrije tijd, de weekends en de vakantieperioden inbegrepen?
12 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 39 EG zich verzet tegen een regeling van een eerste lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, volgens welke het een in deze Staat wonende werknemer verboden is op het grondgebied daarvan een in een aan de eerste lidstaat grenzende tweede lidstaat ingeschreven voertuig te gebruiken dat toebehoort aan een in deze tweede Staat gevestigde leasemaatschappij en de werknemer ter beschikking is gesteld door zijn werkgever, die eveneens in deze tweede Staat is gevestigd.
13 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, hoewel de lidstaten bij ontbreken van een harmonisatie ter zake, zelf de voorwaarden mogen vaststellen voor de inschrijving van voertuigen die op hun grondgebied in het verkeer zijn, de dienaangaande vastgestelde maatregelen niet buiten de werkingssfeer van de artikelen 10 EG en 39 EG vallen (zie, naar analogie, arrest van 24 oktober 2002, Hahn, C-121/00, Jurispr. blz. I-9193, punt 34).
14 Iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat dan zijn woonstaat heeft uitgeoefend, valt, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 39 EG (arresten van 23 februari 1994, Scholz, C-419/92, Jurispr. blz. I-505, punt 9, en 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 76).
15 Voorts is het vaste rechtspraak dat de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen beogen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken, op het gehele grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (arresten van 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 16, en 15 juni 2000, Sehrer, C-302/98, Jurispr. blz. I-4585, punt 32; arrest De Groot, reeds aangehaald, punt 77).
16 Dienaangaande zij vastgesteld dat bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen, derhalve belemmeringen van die vrijheid opleveren, ook wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (arrest De Groot, reeds aangehaald, punt 78).
17 In het onderhavige geval staat in de eerste plaats vast dat ingevolge artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 december 1953 een voertuig dat in een andere lidstaat is ingeschreven, in omstandigheden als die van het hoofdgeding in België niet aan het verkeer mag deelnemen.
18 Verder lijkt uit de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 31 december 1953 voort te vloeien dat de werknemer, Van Lent, het voertuig niet in België zou kunnen inschrijven omdat hij er niet de eigenaar van is en dat de eigenaar, de leasemaatschappij, dit evenmin zou kunnen, aangezien deze niet in België is gevestigd en niet beschikt over een Belgisch BTW-nummer, dat vereist is om het voertuig te laten inschrijven.
19 Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie opmerkt, volgt hieruit dat een werknemer in de situatie van Van Lent, die in België woont en die het voertuig gebruikt in het kader van zijn werk en om in het weekend naar huis terug te keren, niet de mogelijkheid heeft zich een voertuig ter beschikking te laten stellen dat aan een in een andere lidstaat gevestigde persoon toebehoort.
20 Evenzo kan deze regeling een in een lidstaat gevestigde werkgever ervan weerhouden, een in een andere lidstaat wonende werknemer in dienst te nemen, gezien de hogere kosten en de administratieve moeilijkheden waarmee een dergelijke aanwerving gepaard gaat.
21 Een dergelijke maatregel, als gevolg waarvan een werknemer niet in aanmerking kan komen voor bepaalde voordelen, zoals de terbeschikkingstelling van een voertuig, kan die werknemer ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen.
22 In deze omstandigheden moet worden onderzocht of de beperking die uit de nationale regeling voortvloeit, kan worden gerechtvaardigd.
23 De lidstaten die in deze zaak zijn tussengekomen, stellen dat de uit de nationale regeling voortvloeiende verplichting tot inschrijving van voertuigen noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te garanderen alsmede om uitholling van de belastinggrondslag te voorkomen.
24 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat, wanneer het voertuig in België niet kan worden ingeschreven, de doelstellingen van de verplichting tot inschrijving niet kunnen worden bereikt, zodat voor de beperking van het vrije verkeer van werknemers geen rechtvaardiging bestaat.
25 Deze vaststelling houdt evenwel niet in dat in een geval als het onderhavige de ten gevolge van de Belgische wetgeving eventueel nog bestaande belemmeringen voor de toepassing van artikel 39 EG ─ ten aanzien van een werknemer ─ respectievelijk artikel 43 EG ─ ten aanzien van een werkgever of een leasemaatschappij ─ gerechtvaardigd zouden zijn doordat het koninklijk besluit van 20 juli 2001 inschrijving wel mogelijk maakt.
26 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 39 EG zich verzet tegen een regeling van een eerste lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, volgens welke het een in deze Staat wonende werknemer verboden is op het grondgebied daarvan een in een aan de eerste lidstaat grenzende tweede lidstaat ingeschreven voertuig te gebruiken dat toebehoort aan een in deze tweede Staat gevestigde leasemaatschappij en de werknemer ter beschikking is gesteld door zijn werkgever, die eveneens in deze tweede Staat is gevestigd.
Kosten
27 De kosten door de Belgische, de Deense en de Finse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Politierechtbank te Mechelen bij beschikking van 11 juni 2001 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 39 EG verzet zich tegen een regeling van een eerste lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, volgens welke het een in deze Staat wonende werknemer verboden is op het grondgebied daarvan een in een aan de eerste lidstaat grenzende tweede lidstaat ingeschreven voertuig te gebruiken dat toebehoort aan een in deze tweede Staat gevestigde leasemaatschappij en de werknemer ter beschikking is gesteld door zijn werkgever, die eveneens in deze tweede Staat is gevestigd.
Wathelet
Edward
Jann
von Bahr
Rosas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy