Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Visserij - Instandhouding van rijkdommen van zee - Nationale instandhoudingsmaatregelen - Nationale regeling die aanvoer van bepaalde, in territoriale wateren van andere lidstaat gevangen soort vis tijdelijk verbiedt - Ontoelaatbaarheid
(Verordeningen van de Raad nr. 3760/92, art. 10, lid 1, en nr. 850/98, art. 46, lid 1)
Samenvatting
$$Het communautaire visserijrecht staat in de weg aan een nationale regeling die in een bepaalde periode de aanvoer van in de territoriale wateren van een andere lidstaat geviste sint-jakobsschelpen op een deel van de kust van de betrokken lidstaat verbiedt. De maatregelen die de lidstaten voor het behoud en het beheer van de visbestanden overeenkomstig artikel 10, lid 1, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3760/92 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur en artikel 46, lid 1, van verordening nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen kunnen nemen, moeten immers betrekking hebben op strikt lokale visbestanden, of uitsluitend op vissers van de betrokken lidstaat of vissersvaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, en kunnen slechts gelden voor de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van die lidstaat vallen.
( cf. punten 34-38 en dictum )
Partijen
In zaak C-265/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal de grande instance de Dinan (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen
Annie Pansard e.a.,
in tegenwoordigheid van
Comité Région pêches maritimes, civiele partij in het hoofdgeding,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), en artikel 28 EG,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, C. Gulmann, F. Macken (rapporteur), N. Colneric en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Franse regering, vertegenwoordigd door L. Bernheim en G. de Bergues als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bordes en T. van Rijn als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Franse regering, vertegenwoordigd door L. Bernheim, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. van Bakel als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Bordes en T. van Rijn, ter terechtzitting van 21 maart 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 april 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 28 juni 2001, ingekomen bij het Hof op 5 juli daaraanvolgend, heeft de strafkamer van het Tribunal de grande instance de Dinan krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek"), en artikel 28 EG.
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen A. Pansard e.a., die ervan worden verdacht dat zij sint-jakobsschelpen hebben aangevoerd in de periode dat dit verboden was.
Het rechtskader
Het gemeenschapsrecht
De regelgeving betreffende de oorsprong van producten
3 Het douanewetboek, waarin de oorsprong van onder de communautaire douanewetgeving vallende producten wordt gedefinieerd, bepaalt in artikel 23:
1. Van oorsprong uit een land zijn goederen die geheel en al in dat land zijn verkregen.
2. Onder ,goederen die geheel en al in een land zijn verkregen wordt verstaan:
[...]
e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
f) producten van de zeevisserij en andere producten die buiten de territoriale zee van een land uit zee zijn gewonnen door in dat land ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van dat land voeren;
[...]
3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder ,land ook de territoriale zee van het land in kwestie begrepen."
4 Volgens artikel 4, lid 2, sub f, van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen" (PB L 148, blz. 1), die bij het douanewetboek is ingetrokken, werd onder goederen die geheel en al in een land zijn verkregen", verstaan producten van de zeevisserij en andere producten, die uit de zee zijn gewonnen met schepen welke in dat land zijn ingeschreven of geregistreerd en die de vlag van dat land voeren".
De regelgeving op het gebied van de visserij
5 Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB L 20, blz. 19) bepaalt:
1. De in elke van de lidstaten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere lidstaten.
Met name dienen de lidstaten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der lidstaten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee.
2. Zij doen de andere lidstaten en de Commissie mededeling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde gebied bestaan, alsmede van de maatregelen die voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van hetzelfde lid."
6 Artikel 3 van verordening nr. 101/76 preciseert:
De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de wijzigingen die zij voornemens zijn aan te brengen in de ter toepassing van het bepaalde in artikel 2 vastgestelde regeling voor de visserij."
7 Ingevolge verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB L 24, blz. 1), alsook verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1), waarbij verordening nr. 170/83 is ingetrokken, heeft de Raad voor de instandhouding van de visbestanden van de Gemeenschap totaal toegestane vangsten vastgesteld en quota verdeeld onder de lidstaten. Voor sint-jakobsschelpen werd evenwel geen totaal toegestane vangst vastgesteld.
8 Artikel 10, lid 1, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3760/92 bepaalt evenwel:
De lidstaten kunnen maatregelen nemen voor de instandhouding en het beheer van de bestanden in wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie voorzover deze maatregelen:
- betrekking hebben op strikt lokale visbestanden die slechts voor de vissers van de betrokken lidstaat van belang zijn,
- of uitsluitend van toepassing zijn op de vissers van de betrokken lidstaat."
9 Het door verordening nr. 170/83 gecreëerde rechtskader is gepreciseerd bij verordening (EEG) nr. 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden (PB L 24, blz. 14); in artikel 19, leden 1 en 2, is bepaald:
1. In het geval van strikt lokale visstapels die slechts voor de vissers van één enkele lidstaat van belang zijn, kan de betrokken lidstaat maatregelen nemen voor het behoud en het beheer van deze stapels op voorwaarde dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid.
2. De lidstaten kunnen voorwaarden of voorschriften vaststellen van strikt lokale aard en die uitsluitend gelden voor hun eigen vissers, waardoor de vangsten worden beperkt door middel van technische maatregelen ter aanvulling van de maatregelen waarin de communautaire voorschriften voorzien, op voorwaarde dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid."
10 De bij verordening nr. 171/83 ingevoerde regels zijn herhaaldelijk gewijzigd. Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 288, blz. 1). Bij verordening (EG) nr. 894/97 van de Raad van 29 april 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 132, blz. 1) is, zoals blijkt uit de eerste overweging van de considerans, om redenen van rationele ordening en duidelijkheid van de tekst verordening nr. 3094/86 gecodificeerd; deze laatste verordening is bij artikel 19 van verordening nr. 894/97 ingetrokken.
11 De bepalingen en bijlagen van laatstgenoemde verordening zijn, met uitzondering van de artikelen 11 en 18 tot en met 20, ingetrokken bij verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125, blz. 1).
12 Artikel 46, lid 1, van verordening nr. 850/98 bepaalt:
De lidstaten kunnen maatregelen vaststellen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden:
a) wanneer het gaat om strikt lokale visbestanden die slechts voor de vissers van de betrokken lidstaat van belang zijn;
of
b) in de vorm van voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen:
i) die een aanvulling vormen op de communautaire visserijwetgeving,
of
ii) die verder gaan dan de minimumeisen die in de genoemde wetgeving zijn vastgesteld,
één en ander op voorwaarde dat die maatregelen uitsluitend van toepassing zijn op de vissers uit de betrokken lidstaat, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk visserijbeleid."
13 Dit artikel is herschreven bij verordening (EG) nr. 1298/2000 van de Raad van 8 juni 2000 houdende vijfde wijziging van verordening nr. 850/98 (PB L 148, blz. 1), ter verduidelijking van de toepasselijkheid daarvan, en wel als volgt:
1. De lidstaten kunnen maatregelen vaststellen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden:
a) wanneer het gaat om strikt lokale visbestanden die slechts voor de betrokken lidstaat van belang zijn; of
b) in de vorm van voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen:
i) die een aanvulling vormen op de communautaire visserijwetgeving,
of
ii) die verder gaan dan de minimumeisen die in de genoemde wetgeving zijn vastgesteld,
een en ander op voorwaarde dat die maatregelen uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren en in de Gemeenschap zijn geregistreerd, of, voor niet door vissersvaartuigen uitgeoefende visserij, op in de betrokken lidstaat gevestigde personen."
De nationale regelgeving
14 De Franse minister van Verkeer heeft op 19 maart 1980 besluit nr. 794 P-3 houdende regeling van de visserij en aanvoer van sint-jakobsschelpen (hierna: het besluit") vastgesteld, waarvan artikel 1 bepaalt dat [l]angs de kust, tussen de Belgische grens en de Spaanse grens, de visserij van sint-jakobsschelpen verboden is van 15 mei tot en met 30 september" en artikel 3 dat [d]e aanvoer van sint-jakobsschelpen tijdens de perioden dat deze visserij gesloten is, verboden is".
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
15 Pansard e.a., zeevissers van beroep, hebben met in Frankrijk geregistreerde schepen sint-jakobsschelpen gevist in de territoriale wateren van het kanaaleiland Jersey op basis van door de autoriteiten van Jersey afgegeven duikvergunningen. Zij hebben hun vangst aan de Franse kust aangevoerd, van 24 mei tot en met 2 juni 2000 te Saint-Cast Le Guildo en op 30 juli 2000 te Saint-Suliac. Wegens overtreding van het besluit zijn Pansard e.a. gedagvaard voor de verwijzende rechter.
16 Voor deze rechter hebben verdachten in het hoofdgeding verklaard dat zij de Commissie op de hoogte hadden gebracht van hun moeilijkheden en dat deze de mogelijkheid onderzocht om tegen de Franse Republiek een procedure wegens niet-nakoming in te leiden. Ook hebben zij de verwijzende rechter verzocht het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van het besluit met het gemeenschapsrecht. Zij hebben dan ook verzocht om schorsing van de behandeling in afwachting van een beslissing van de Commissie dan wel van het Hof.
17 Gezien een en ander heeft het Tribunal de grande instance de Dinan de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Kunnen sint-jakobsschelpen die in de hiervoor beschreven omstandigheden zijn gevist, als invoerproducten worden beschouwd, niettegenstaande de Franse wetgeving die op visserijproducten het recht van de vlag van het vissersvaartuig toepast?
2) Wordt de geldigheid van het besluit van 19 maart 1980, op grond waarvan de aanvoer van sint-jakobsschelpen in de periode waarin een visverbod geldt, verboden is, op losse schroeven gezet door de bepalingen van het Verdrag van Maastricht, op grond waarvan maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verboden zijn?"
De vragen
18 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 234 EG niet bevoegd is zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het gemeenschapsrecht. Het Hof is wel bevoegd de nationale rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht te verschaffen welke die rechter in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op het vonnis in de voor hem aanhangige zaak (zie met name arresten van 15 juli 1964, Costa, 6/64, Jurispr. blz. 1203, 1220, en 29 november 2001, De Coster, C-17/00, Jurispr. blz. I-9445, punt 23).
19 Om de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, kan het Hof voorts bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (zie arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, Jurispr. blz. 1207, punt 9, en 8 november 1999, Teckal, C-107/98, Jurispr. blz. I-8121, punt 39).
20 Voor het verschaffen van een bruikbare uitlegging aan de verwijzende rechter moet worden vastgesteld dat de communautaire visserijwetgeving voor de beslechting van het hoofdgeding relevant is.
21 De tweede prejudiciële vraag, die als eerste moet worden behandeld, moet derhalve aldus worden opgevat dat daarmee wordt gevraagd of het communautaire visserijrecht in de weg staat aan een nationale regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die in een bepaalde periode de aanvoer van in de territoriale wateren van een andere lidstaat geviste sint-jakobsschelpen op een deel van de kust van de betrokken lidstaat verbiedt.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
22 De Commissie, de enige die een antwoord op de tweede vraag heeft voorgesteld, stelt in de eerste plaats dat het algemene verbod op de aanvoer van sint-jakobsschelpen in de Franse regeling waar het in het hoofdgeding om gaat, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 28 EG moet worden aangemerkt.
23 In de tweede plaats is zij van mening dat de lidstaten geen beroep kunnen doen op de uitzonderingen van artikel 30 EG, daar hun residuele bevoegdheid op het gebied van technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden volgens de communautaire wetgeving beperkt is tot het behoud van strikt lokale visbestanden die slechts voor de betrokken lidstaat van belang zijn, en tot technische maatregelen die verder gaan dan de minimumeisen van de communautaire wetgeving en alleen de vissers van die lidstaat betreffen.
24 Voorts stelt de Commissie dat de lidstaten sinds de vaststelling van verordening nr. 3760/92 alleen maatregelen kunnen nemen voor wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen.
25 De Commissie stelt eveneens dat het besluit haar niet is meegedeeld, zodat het dus sinds de vaststelling van verordening nr. 171/83 een wezenlijke vormfout vertoont, die tot gevolg heeft dat het jegens derden niet kan worden toegepast.
26 Ten slotte wijst de Commissie erop dat een algemeen en absoluut verbod van aanvoer in Franse havens in het seizoen dat vissen verboden is, noch kan worden beschouwd als een maatregel die noodzakelijk is voor de naleving van het verbod, noch als een maatregel die absoluut noodzakelijk is om de gezondheid en het leven van de dieren op doeltreffende wijze te beschermen, daar die doelstellingen evengoed kunnen worden bereikt met maatregelen die minder beperkende gevolgen hebben voor het intracommunautaire handelsverkeer.
Beoordeling door het Hof
27 Artikel 40 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34 EG) bepaalt dat de lidstaten in de overgangsperiode een gemeenschappelijke politiek voor de landbouwmarkten ontwikkelen en deze uiterlijk aan het einde van die periode tot stand brengen om de in artikel 39 EG-Verdrag (thans artikel 33 EG) gestelde doeleinden te bereiken.
28 Er zij aan herinnerd dat ingevolge artikel 102 van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de aanpassing der verdragen (PB 1972, L 73, blz. 14) de bevoegdheid om maatregelen te treffen ter bescherming van de biologische rijkdommen van de zee sinds 1 januari 1979 uitsluitend toekomt aan de Raad, die besluit op voorstel van de Commissie (arrest van 14 februari 1984, Gewiese en Mehlich, 24/83, Jurispr. blz. 817, punt 5).
29 Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer de Gemeenschap krachtens artikel 40 van het Verdrag in een bepaalde sector een regeling voor de totstandbrenging van een marktordening heeft vastgesteld, de lidstaten zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan zou afwijken of daarop inbreuk zou maken (arresten van 18 mei 1977, Van den Hazel, 111/76, Jurispr. blz. 901, punt 13, en 17 oktober 1995, Fishermen's Organisations e.a., C-44/94, Jurispr. blz. I-3115, punt 52).
30 Met de vaststelling van verordening (EEG) nr. 100/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten (PB L 20, blz. 1), die is ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 (PB L 379, blz. 1), heeft de Gemeenschap een gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de visserij tot stand gebracht. De Raad heeft voorts bij verordening nr. 101/76 een gemeenschappelijk structuurbeleid in deze sector tot stand gebracht.
31 Het bestaan van een gemeenschappelijke marktordening sluit niet uit dat de bevoegde instanties van een lidstaat, onder de voorwaarden die worden gesteld in een communautaire regeling die deel uitmaakt van een dergelijke ordening, nationale maatregelen kunnen nemen (zie arrest Fishermen's Organisations e.a., reeds aangehaald, punt 53).
32 Zoals in punt 7 van het onderhavige arrest reeds is vastgesteld, heeft de Gemeenschap tal van maatregelen genomen voor het beheer van de visbestanden, met name door daarvoor vangstquota vast te stellen, en heeft zij de visserijmarkt in verregaande mate gereglementeerd.
33 Zij heeft echter geen specifieke maatregelen gesteld voor het beheer van bestanden van sint-jakobsschelpen.
34 Volgens artikel 10, lid 1, eerste en tweede streepje, van verordening nr. 3760/92 kunnen de lidstaten evenwel maatregelen nemen voor de instandhouding en het beheer van de bestanden in wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie, voorzover deze maatregelen betrekking hebben op strikt lokale visbestanden die slechts voor de vissers van de betrokken lidstaat van belang zijn, en uitsluitend van toepassing zijn op de vissers van de betrokken lidstaat.
35 Voorts volgt uit artikel 46, lid 1, van verordening nr. 805/98, alsmede uit ditzelfde artikel zoals gewijzigd bij verordening nr. 1298/2000, dat een lidstaat enkel bevoegd is om maatregelen te nemen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, indien deze maatregelen betrekking hebben op strikt lokale visbestanden die slechts voor die lidstaat van belang zijn, of op voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen, op voorwaarde dat die maatregelen, volgens de uit verordening nr. 850/98 resulterende bepaling, uitsluitend van toepassing zijn op de vissers uit de betrokken lidstaat, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk visserijbeleid, en, volgens de uit verordening nr. 1298/2000 resulterende bepaling, uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren en in de Gemeenschap zijn geregistreerd, of, voor niet door vissersvaartuigen uitgeoefende visserij, op in de betrokken lidstaat gevestigde personen.
36 Uit het voorgaande volgt dus dat de bevoegdheid van de lidstaten om maatregelen te nemen voor het behoud en het beheer van de visbestanden, in een welbepaald kader past. De maatregelen die de lidstaten in dit verband kunnen nemen, moeten immers betrekking hebben op strikt lokale visbestanden, of uitsluitend op vissers van de betrokken lidstaat of vissersvaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, en kunnen slechts gelden voor de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van die lidstaat vallen.
37 De in het hoofdgeding bedoelde nationale maatregel overschrijdt echter de bevoegdheid van de betrokken lidstaat, daar hij enerzijds geen betrekking heeft op strikt lokale visbestanden, noch op voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen, en anderzijds de aanvoer verbiedt van vis die is gevangen in wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van genoemde lidstaat vallen.
38 Op de tweede vraag, zoals geherformuleerd, moet derhalve worden geantwoord dat het communautaire visserijrecht in de weg staat aan een nationale regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die in een bepaalde periode de aanvoer van in de territoriale wateren van een andere lidstaat geviste sint-jakobsschelpen op een deel van de kust van de betrokken lidstaat verbiedt.
39 Gelet op het antwoord op de tweede vraag, behoeft de eerste vraag geen beantwoording.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 De kosten door de Franse en de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Dinan bij vonnis van 28 juni 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het communautaire visserijrecht staat in de weg aan een nationale regeling als bedoeld in het hoofdgeding, die in een bepaalde periode de aanvoer van in de territoriale wateren van een andere lidstaat geviste sint-jakobsschelpen op een deel van de kust van de betrokken lidstaat verbiedt.
Full & Egal Universal Law Academy