Zaak C‑272/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Portugese Republiek
„Niet-nakoming – Richtlijn 76/160/EEG – Kwaliteit van zwemwater – Niet-inachtneming van grenswaarden – Niet-aanwijzing van alle bestaande badzones in Portugese binnenwateren – Ontoereikende bemonstering”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Kwaliteit van zwemwater – Richtlijn 76/160 – Uitvoering door lidstaten – Resultaatsverplichting
(Richtlijn 76/160 van de Raad, art. 4, lid 1)
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 76/160 betreffende de kwaliteit van het zwemwater legt de lidstaten een resultaatsverplichting op om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de dwingende waarden van de richtlijn. Afgezien van de afwijkingen waarin de richtlijn voorziet, kunnen de lidstaten zich niet op bijzondere omstandigheden beroepen om de niet-nakoming van deze verplichting te rechtvaardigen.
(cf. punt 34)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
15 juli 2004(1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 76/160/EEG – Kwaliteit van zwemwater – Niet-naleving van grenswaarden – Niet-aanwijzing van alle bestaande badzones in Portugese binnenwateren – Ontoereikende bemonstering”
In zaak C-272/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Figueira en G. Valero Jordana als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Fernandes, M. Telles Romão en M. João Lois als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Portugese Republiek,
– door niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om de kwaliteit van haar zwemwater in overeenstemming te brengen met de grenswaarden die zijn vastgesteld ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB 1976, L 31, blz. 1),
– door de in de bijlage bij de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor de bemonstering niet in acht te hebben genomen, en
– door niet alle in Portugal bestaande badzones in de binnenwateren te hebben aangewezen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn, junctis de artikelen 1, lid 2, en 3 daarvan en de bijlage daarbij, en krachtens artikel 6, leden 1 en 2, van deze richtlijn,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juli 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Portugese Republiek,
– door niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om de kwaliteit van haar zwemwater in overeenstemming te brengen met de grenswaarden die zijn vastgesteld ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB 1976, L 31, blz. 1; hierna: „richtlijn”),
– door de in de bijlage bij de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor de bemonstering niet in acht te hebben genomen, en
– door niet alle in Portugal bestaande badzones in de binnenwateren te hebben aangewezen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn, junctis de artikelen 1, lid 2, en 3 daarvan en de bijlage daarbij, en krachtens artikel 6, leden 1 en 2, van deze richtlijn. Voorts heeft zij het Hof verzocht deze lidstaat te verwijzen in de kosten.
2 De Portugese Republiek concludeert dat het het Hof behage:
– het beroep te verwerpen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Volgens de eerste overweging van de considerans van de richtlijn beoogt deze het milieu en de volksgezondheid te beschermen door de vermindering van de verontreiniging van het zwemwater alsmede door de bescherming daarvan tegen verdere kwaliteitsvermindering. Daartoe zijn in de bijlage bij deze richtlijn een reeks op het zwemwater toepasselijke fysisch-chemische en microbiologische parameters alsmede richtwaarden en dwingende waarden opgenomen op basis waarvan de lidstaten de grenswaarden voor het zwemwater vaststellen.
4 Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn heeft deze betrekking op „de kwaliteit van het zwemwater met uitzondering van water bestemd voor therapeutisch gebruik en het water van zwembaden”.
5 Artikel 1, lid 2, van de richtlijn luidt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ‚zwemwater’, alle wateren, of delen van die wateren, te weten stromende of stilstaande zoete wateren alsmede zeewater, waarin het baden:
– door de bevoegde instanties van elke lidstaat uitdrukkelijk is toegestaan,
dan wel
– niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend;
b) ‚badzone’ de plaats waar zich zwemwater bevindt;
c) ‚badseizoen’, de periode waarin, gelet op de plaatselijke gebruiken, met inbegrip van de eventuele plaatselijke bepalingen betreffende het baden, alsmede op de meteorologische omstandigheden, een grote toevloed van baders kan worden verwacht.”
6 Krachtens artikel 3, lid 1, van de richtlijn stellen de lidstaten voor alle badzones of voor elke badzone afzonderlijk de waarden vast voor de in de bijlage bij de richtlijn genoemde parameters. Ingevolge lid 2 van dit artikel mogen de krachtens lid 1 vastgestelde waarden niet minder streng zijn dan die vermeld in kolom I van de bijlage.
7 Volgens artikel 4, lid 1, van de richtlijn nemen de lidstaten de nodige maatregelen opdat de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming wordt gebracht met de ingevolge artikel 3 vastgestelde grenswaarden en wel binnen een termijn van tien jaar nadat van deze richtlijn kennis is gegeven.
8 Aangezien de Portugese Republiek verwachtte dat bij haar toetreding tot de Europese Gemeenschappen de uitvoering van de richtlijn een aantal problemen zou meebrengen, verzocht zij om een afwijking voor de omzetting en de uitvoering van de richtlijn. Deze afwijking werd haar tot 1 januari 1993 verleend krachtens artikel 395 en deel III, punt 3, van bijlage XXXVI bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23).
9 Ingevolge artikel 5, lid 1, van de richtlijn wordt het zwemwater voor de toepassing van artikel 4 geacht overeen te stemmen met de parameters die hierop betrekking hebben indien uit de monsters van dit water, met de in de bijlage bij de richtlijn vastgestelde frequentie op eenzelfde plaats van monsterneming genomen, blijkt dat het water beantwoordt aan de waarden van de parameters betreffende de kwaliteit van het betrokken water voor een in dit lid vastgesteld percentage van deze monsters.
10 Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de richtlijn verrichten de bevoegde instanties van de lidstaten de bemonstering waarvan de minimumfrequentie is vastgesteld in de bijlage bij de richtlijn. Volgens lid 2, eerste en derde volzin, van hetzelfde artikel moeten de monsters worden genomen in zones waar de gemiddelde baddichtheid per dag het hoogst is en moeten de monsternemingen twee weken voor het badseizoen aanvangen.
11 Artikel 8, eerste alinea, van de richtlijn voorziet in afwijkingen voor bepaalde parameters in de bijlage wegens uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden, en voor het geval dat het zwemwater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat waardoor de grenzen als vastgesteld in de bijlage worden overschreden. Wanneer een lidstaat van een afwijking gebruikmaakt, moet hij overeenkomstig artikel 8, vierde alinea, van de richtlijn de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen, onder vermelding van de motieven en de gestelde termijnen.
12 Artikel 13 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten op gezette tijden en voor de eerste maal vier jaar na de kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie een samenvattend verslag uitbrengen over het zwemwater en de meest betekenisvolle kenmerken daarvan (hierna: „jaarverslag”). Dit verslag wordt jaarlijks ingediend sinds 1 januari 1993, de datum waarop de wijziging van dit artikel 13 bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48) in werking is getreden.
Bepalingen van nationaal recht
13 De richtlijn is in Portugees recht omgezet bij wetsbesluit nr. 74/90 van 7 maart 1990 (Diário da República I, serie A, nr. 55). Dit wetsbesluit is ingetrokken en vervangen door wetsbesluit nr. 236/98 van 1 augustus 1998 (Diário da República I, serie A, nr. 176), waarin met name de op het zwemwater toepasselijke waarden worden vastgesteld voor de in de bijlage bij de richtlijn genoemde parameters.
14 Volgens artikel 3, punt 24, van wetsbesluit nr. 236/98 loopt het Portugese badseizoen op het vasteland jaarlijks van 1 juni tot 30 september, terwijl het badseizoen in de autonome regio van de Azoren loopt van 15 juni tot 15 september.
15 Het in artikel 1, lid 2, sub a, tweede streepje, van de richtlijn gebruikte begrip „groot aantal baders” wordt in artikel 3, punt 12, van wetsbesluit nr. 236/98 omschreven als „ongeveer 100 baders per dag tijdens het badseizoen”.
De precontentieuze procedure
16 Van mening dat een aantal Portugese badzones niet voldeden aan de dwingende waarden van de richtlijn en niet voldoende werden bemonsterd, en dat de Portugese Republiek niet alle badzones in de binnenwateren had aangewezen, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid.
17 Na de Portugese Republiek te hebben aangemaand dienaangaande opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie op 11 december 1998 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dit advies daaraan te voldoen. Aangezien de antwoorden van de Portugese autoriteiten de Commissie geen voldoening gaven, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
18 De Commissie voert drie grieven aan tegen de Portugese Republiek. Volgens haar is de Portugese Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de richtlijn, nu zij:
– de in de richtlijn vastgestelde kwaliteitsnormen niet heeft nageleefd,
– niet alle badzones heeft aangewezen, en
– de minimumfrequentie voor de bemonstering niet in acht heeft genomen.
De eerste grief: niet-naleving van de in de richtlijn vastgestelde dwingende grenswaarden
Argumenten van partijen
19 De Commissie verwijt de Portugese Republiek dat er een groot aantal badzones bestaat waarvan de kwaliteit van het water niet voldoet aan de in de richtlijn vastgestelde dwingende waarden. Dit is in strijd met artikel 4, lid 1, juncto artikel 3 van de richtlijn.
20 Volgens de Commissie blijkt uit de tabel in punt 2 van het verslag van de Commissie betreffende het badseizoen 1998 dat het percentage van de badzones die niet in overeenstemming zijn met de richtlijn, in het betrokken badseizoen voor de kustwateren 10,5 % en voor de binnenwateren 79,1 % bedroeg.
21 Het aantal conforme badzones verminderde in het badseizoen 1998 opvallend ten opzichte van het jaar 1997, toen de percentages van niet-conforme badzones in de kustwateren en in de binnenwateren respectievelijk 9,8 % en 66,7 % bedroegen.
22 Volgens de Commissie blijkt uit het door de Portugese autoriteiten opgestelde verslag betreffende de kwaliteit van het zwemwater in het badseizoen 1999 dat de situatie ondanks een verbetering nog niet bevredigend was, aangezien 6,1 % van het zeewater en 21,6 % van het zoet water nog niet voldeed aan de dwingende waarden.
23 Voorts merkt de Commissie op dat haar eerste grief niet berust op de cijfers die haar voor het badseizoen 2000 zijn meegedeeld.
24 De Portugese regering beroept zich op een aanzienlijke en gestage verbetering tot 1999 in Portugal. Deze verbetering betreft zowel de bemonstering als de grenswaarden.
25 Om het hoofd te bieden aan de bekende moeilijkheden in de probleemzones die ondanks deze aanzienlijke verbetering blijven bestaan, hebben de Portugese autoriteiten de vaststelling van diverse correctie‑ en preventiemaatregelen aangemoedigd, die de Commissie na het met redenen omkleed advies zijn meegedeeld. Wat de getroffen maatregelen betreft, vermeldt de Portugese regering bijvoorbeeld het programma voor gezondheidscontrole van de badzones dat is aangehaald in haar brief van 30 april 1999, een aantal programma’s voor verbetering van niet-conforme badzones in de loop van elk badseizoen die als bijlage zijn gevoegd bij elk jaarverslag over de uitvoering van de richtlijn, met daaronder de reeds lopende of voorgenomen saneringswerken, en het activiteitenprogramma ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van het zwemwater.
26 De Portugese regering merkt op dat het aantal conforme badzones in de kustwateren een peil heeft bereikt dat het Europese gemiddelde van 90 % benadert. In 1999 waren bijna 94 % van deze zones in overeenstemming met de richtlijn.
27 Wat de badzones in de binnenwateren betreft, is de Portugese regering het niet eens met de cijfers in het verslag van de Commissie betreffende het badseizoen 1998. Het aantal zones dat niet in overeenstemming is met de richtlijn, bedroeg dat jaar immers niet 79 %, maar 54 %.
28 Volgens de Portugese regering doen zich in het zwemwater van de binnenwateren problemen voor die moeilijker op te lossen zijn.
Beoordeling door het Hof
29 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C‑147/00, Jurispr. blz. I‑2387, punt 26).
30 In casu is de Portugese Republiek in het met redenen omkleed advies een termijn van twee maanden na de kennisgeving verleend om aan het advies te voldoen. Aangezien de kennisgeving daarvan op 11 december 1998 is geschied, is de termijn verstreken op 11 februari 1999. Derhalve moet van die datum worden uitgegaan om te beoordelen, of er al dan niet sprake is van niet-nakoming.
31 Hoewel de juiste waarden voor het betrokken zwemwater op 11 februari 1999 niet bekend zijn, lijdt het geen twijfel dat de kwaliteit van die wateren bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet voldeed aan de dwingende waarden van de bijlage bij de richtlijn. Op basis van de verslagen betreffende de kwaliteit van het Portugese zwemwater in de loop van het voorafgaande en het volgende badseizoen kan immers enkel worden vastgesteld dat de wateren niet in overeenstemming waren met de richtlijn.
32 Zo blijkt uit het door de Portugese autoriteiten zelf opgestelde verslag betreffende de kwaliteit van het zwemwater in het badseizoen 1998 dat het zwemwater voor dat badseizoen niet geheel voldeed aan de in de bijlage bij de richtlijn vastgestelde dwingende waarden.
33 Dat het Portugese zwemwater ondanks de vaststaande en door de Commissie erkende verbetering van de toestand tijdens het badseizoen 1999 evenmin volledig in overeenstemming was met de dwingende waarden van de bijlage bij de richtlijn, wordt niet betwist.
34 Wat de door de Portugese regering aangehaalde maatregelen en moeilijkheden betreft, zij opgemerkt dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn de lidstaten een resultaatsverbintenis oplegt om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de dwingende waarden van de richtlijn. Afgezien van de afwijkingen waarin de richtlijn voorziet, kunnen de lidstaten zich niet op bijzondere omstandigheden beroepen om de niet-nakoming van deze verplichting te rechtvaardigen (zie met name arresten van 12 februari 1998, Commissie/Spanje, C‑92/96, Jurispr. blz. I‑505, punt 28, en 25 mei 2000, Commissie/België, C‑307/98, Jurispr. blz. I‑3933, punt 49).
35 De Portugese regering beroept zich op geen enkele afwijking waarin de richtlijn voorziet.
36 Bijgevolg is de eerste grief van de Commissie gegrond.
De tweede grief: onvolledige aanwijzing van de badzones in de binnenwateren
Argumenten van partijen
37 De Commissie verwijt de Portugese autoriteiten dat zij niet alle badzones in de binnenwateren heeft aangewezen overeenkomstig artikel 1, lid 2, van de richtlijn. Zij stelt vast dat er een verschil bestaat tussen het aantal aangewezen badzones in de binnenwateren, namelijk 26 in 1998, en het aantal rivierstranden vermeld in een operationeel programma dat de Portugese Republiek met het oog op communautaire financiering aan de diensten van de Commissie heeft voorgelegd, namelijk 91.
38 De Portugese regering betoogt dat het programma voor ontwikkeling van rivierstranden tot doel had in het binnenland nieuwe ruimten voor vermaak en recreatie in te richten en dat zich daaronder zeker zones bevonden waarin kan worden gebaad. Dit programma was volgens de Portugese regering echter tegelijkertijd bedoeld om de milieu‑ en landschapsaspecten van riviergebieden te ontwikkelen. Vele van deze zones zijn wegens de natuurlijke omstandigheden niet geschikt voor het baden.
39 De Portugese regering merkt op dat de zoete wateren waarop dit programma van toepassing is, en waarin het baden niet is verboden, niet door een groot aantal baders worden bezocht.
40 Volgens haar kan het in wetsbesluit nr. 236/98 vastgestelde aantal baders per dag niet worden beschouwd als een streng toe te passen criterium. Het gaat veeleer om een richtgetal waarmee de Portugese autoriteiten rekening moeten houden om onder de bij dit wetsbesluit gestelde voorwaarden en overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn een strengere hygiënische controle te verrichten.
41 De Portugese regering stelt samenvattend dat de toepassing van de nationale regeling tot omzetting van de richtlijn tot de volgende resultaten leidt:
– wanneer de wateren tot het zwemwater worden gerekend, wordt het baden door de Portugese autoriteiten uitdrukkelijk toegestaan indien de kwaliteit van het water geen risico’s inhoudt voor de volksgezondheid; over de betrokken zones wordt dan bericht in het bij de Commissie ingediende jaarverslag over de kwaliteit van het zwemwater;
– wanneer de wateren niet tot het zwemwater worden gerekend maar gewoonlijk door een groot aantal baders worden bezocht, wordt de kwaliteit ervan gecontroleerd op basis van de in de richtlijn vastgestelde parameters en frequentie van bemonstering; deze wateren worden tot het zwemwater gerekend indien uit de resultaten van ten minste één analyseperiode in het voorgaande badseizoen blijkt dat de waarden conform zijn; indien de vastgestelde waarden niet in overeenstemming zijn met de parameters van de richtlijn, wordt het baden uitdrukkelijk verboden; deze wateren komen slechts voor in het jaarverslag over de kwaliteit van het zwemwater indien zij als dusdanig zijn aangemerkt.
42 Uitgaande van het onderzoek van de zones waarop het programma voor ontwikkeling van rivierstranden betrekking heeft, stelt de Commissie vast dat het aantal baders dat de badzones in de binnenwateren elk dag bezoekt, over het algemeen onder de door de Portugese autoriteiten gestelde grens ligt. Bijgevolg blijven deze autoriteiten nog altijd in gebreke om alle badzones in de binnenwateren aan te wijzen.
Beoordeling door het Hof
43 De verplichtingen die krachtens de artikelen 3 en 4 van de richtlijn op de lidstaten rusten, hebben betrekking op alle badzones.
44 Volgens artikel 1, lid 2, sub b, van de richtlijn is een badzone de plaats waar zich zwemwater bevindt. Uit lid 2, sub a, van dat artikel volgt dat de kwalificatie als zwemwater vereist dat het baden in de daarin opgesomde wateren door de bevoegde instanties van elke lidstaat uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend.
45 Partijen zijn het in wezen oneens over de kwalificatie van de rivierstranden, waarvan het aantal hoger is dan de als badzone aangewezen zones.
46 Met haar betoog trekt de Commissie impliciet de verenigbaarheid van wetsbesluit nr. 236/98 met de richtlijn in twijfel voorzover het begrip groot aantal baders in het wetsbesluit wordt uitgelegd als ongeveer 100 baders/dag tijdens het badseizoen.
47 Tijdens de precontentieuze procedure heeft de Commissie de Portugese Republiek evenwel niet verweten dat zij artikel 1, lid 2, sub b, van de richtlijn niet correct in nationaal recht heeft omgezet voorzover deze bepaling betrekking heeft op een groot aantal baders. Het met redenen omkleed advies van de Commissie en het beroep dienen evenwel op dezelfde overwegingen en middelen te berusten (zie arrest van 24 november 1992, Commissie/Duitsland, C‑237/90, Jurispr. blz. I‑5973, punt 20).
48 Bijgevolg kan de Commissie in de onderhavige procedure niet laten gelden dat de rivierstranden die door een kleiner aantal baders worden bezocht dan de in wetsbesluit nr. 236/98 vastgestelde grens en waar het baden niet uitdrukkelijk is toegestaan of verboden, niet als badzones in de zin van de richtlijn zijn aangewezen.
49 Blijkens de memories van de Portugese regering worden de rivierstranden weliswaar enkel tot het zwemwater gerekend indien op basis van de resultaten van ten minste één analyseperiode in het voorgaande badseizoen wordt bevestigd dat de waarden conform zijn, een voorwaarde waarin de richtlijn niet voorziet.
50 De Commissie heeft evenwel niet aangevoerd dat deze praktijk invloed heeft op rivierstranden waar het water wordt bezocht door een groot aantal baders, zoals omschreven in de Portugese reglementering.
51 Derhalve moet de tweede grief van de Commissie worden afgewezen.
De derde grief: niet-inachtneming van de bij de richtlijn voorgeschreven minimumfrequentie voor de bemonstering
Argumenten van partijen
52 Op basis van artikel 6, leden 1 en 2, van de richtlijn verwijt de Commissie de Portugese Republiek dat hoewel het percentage van bemonstering zowel in de badzones in zeewater als in de badzones in zoet water 100 % bereikt, dit cijfer enkel betrekking heeft op de aangewezen badzones. Door wegens ontoereikende aanwijzing van de badzones in de binnenwateren de minimumfrequentie voor de bemonstering niet in acht te hebben genomen, is de Portugese Republiek de krachtens artikel 6 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
53 De Portugese regering verwijt de Commissie dat zij in de precontentieuze procedure de niet-naleving van de frequentie van bemonstering op geen enkel moment heeft gebaseerd op bovengenoemde argumenten betreffende de niet aangewezen badzones. In het met redenen omkleed advies en in het verzoekschrift moeten dezelfde middelen worden aangevoerd, zo niet is het verzoekschrift niet-ontvankelijk. De Portugese regering verwijt de Commissie in casu het voorwerp van het geding te hebben gewijzigd door zich in het verzoekschrift te beroepen op argumenten die in de precontentieuze procedure niet zijn aangevoerd. De Commissie heeft haar recht van verweer, dat een fundamenteel beginsel van de communautaire rechtsorde is, ernstig geschonden.
54 De Commissie verwijst naar punt 11, sub d, van haar met redenen omkleed advies. Dit luidt: „Hieruit volgt dus dat de wateren van de rivierstranden binnen de werkingssfeer van de bepalingen van de richtlijn vallen, aangezien het feit dat het baden er niet wordt bevorderd, niet betekent dat het verboden is, zodat deze stranden krachtens artikel 1, lid 2, sub a en b, van de richtlijn als badzones moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt eveneens dat de betrokken wateren niet in overeenstemming zijn met de in de richtlijn vastgestelde parameters.”
Beoordeling door het Hof
55 Aangezien de derde grief betrekking heeft op de niet-inachtneming van de minimumfrequentie voor de bemonstering wegens ontoereikende aanwijzing van de badzones in de binnenwateren en de tweede grief betreffende het verwijt van onvolledige aanwijzing daarvan in dit arrest is afgewezen, kan de derde grief hoe dan ook niet worden aanvaard.
56 Op basis van het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Portugese Republiek, door niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de ingevolge artikel 3 van de richtlijn vastgestelde dwingende grenswaarden, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 1, junctis artikel 3 van de richtlijn en de bijlage daarbij.
57 Voor het overige moet het beroep worden verworpen.
Kosten
58 Volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de Commissie en de Portugese Republiek gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om de kwaliteit van het zwemwater in overeenstemming te brengen met de dwingende grenswaarden die zijn vastgesteld ingevolge artikel 3 van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater, is de Portugese Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 1, junctis artikel 3 van de richtlijn en de bijlage daarbij.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elke partij wordt verwezen in haar eigen kosten.
Timmermans
Gulmann
Puissochet
Cunha Rodrigues
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 juli 2004.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
C. W. A. Timmermans
1 – Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy