Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging ontleend aan nationale rechtsorde - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-274/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door F. van de Craen als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PB L 277, blz. 17), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, M. Wathelet en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 juli 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PB L 277, blz. 17; hierna: richtlijn"), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 oktober 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis."
3 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na het Koninkrijk België te hebben aangemaand zijn opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 7 september 2000 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.
4 De Belgische autoriteiten hebben bij brief van 3 oktober 2000 geantwoord dat de nodige nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn in behandeling waren.
5 Daar de Commissie binnen de gestelde termijn geen andere informatie over de omzetting heeft ontvangen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
6 De Belgische regering stelt dat met betrekking tot de toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg in 1999 een wet is vastgesteld. Zij erkent evenwel dat de bepalingen van deze wet pas in werking kunnen treden wanneer een koninklijk besluit en een ministerieel uitvoeringsbesluit zijn vastgesteld. De ontwerpbesluiten zijn wel reeds voorbereid, maar konden nog niet worden goedgekeurd wegens de complexiteit van het dossier en van het besluitvormingsproces.
7 Wat verder de toegang tot het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg betreft, beklemtoont de Belgische regering dat voor de omzetting van de richtlijn geen wet, maar een koninklijk besluit en een ministerieel besluit nodig zijn. De ontwerpbesluiten zijn nog in behandeling, aangezien zij wegens de complexiteit van het dossier nog niet konden worden goedgekeurd.
8 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van een richtlijn binnen de gestelde termijn (zie met name arrest van 8 maart 2001, Commissie/Portugal, C-276/98, Jurispr. blz. I-1699, punt 20).
9 Aangezien de richtlijn niet binnen de in het met redenen omklede advies verleende termijn is omgezet, is het door de Commissie ingestelde beroep gegrond.
10 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy