Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Handelingen van de instellingen - Keuze van rechtsgrondslag - Criteria - Gemeenschapshandeling met tweeledig doel of met twee componenten - Verwijzing naar belangrijkste of overwegende doel of component - Onverbrekelijk met elkaar verbonden doeleinden - Cumulatie van rechtsgrondslagen
2. Internationale overeenkomsten - Sluiting - Overeenkomst EG-Verenigde Staten over coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering van kantoorapparatuur (Energy Star-overeenkomst) - Overeenkomst die vooral handelspolitiek betreft - Hoofddoel milieubescherming - Rechtsgrondslag - Artikel 133 EG in samenhang met artikel 300, lid 3, EG - Deelneming aan etiketteringsprogramma niet-verplicht - Geen invloed
(Art. 133 EG en 300, lid 3, EG)
Samenvatting
$$1. De keuze van de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling. Indien uit het onderzoek van een gemeenschapshandeling blijkt, dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, en indien een daarvan als hoofdelement of overwegende component kan worden aangewezen, terwijl de andere slechts een ondergeschikt element is, moet de handeling op één enkele rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke het hoofddoel, het hoofdelement of de overwegende component verlangt. Indien wordt aangetoond dat de handeling tegelijkertijd verschillende doeleinden heeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, zal die handeling bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen kunnen worden gebaseerd.
( cf. punten 33-35 )
2. De overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur (Energy Star-overeenkomst), heeft zowel een handelspolitiek doel als een milieubeschermingsdoel, omdat enerzijds die coördinatie noodzakelijkerwijs de handel vergemakkelijkt doordat de fabrikanten slechts naar één etiketteringsnorm behoeven te verwijzen en slechts één registratieprocedure bij één beheersinstantie behoeven te doorlopen om apparatuur met het Energy Star-logo op de Europese en de Amerikaanse markt te brengen, en anderzijds het betrokken etiketteringsprogramma, door bevordering van het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte producten, op de lange termijn energiebesparing beoogt te stimuleren, en dus een positief effect op het milieu zal hebben.
Het handelspolitieke doel moet echter als overwegend worden beschouwd, zodat het besluit tot goedkeuring van de overeenkomst op artikel 133 EG in samenhang met artikel 300, lid 3, EG had moeten worden gebaseerd. Het positieve effect op het milieu is namelijk slechts indirect en zijdelings in tegenstelling tot het effect op de handel in kantoorapparatuur dat rechtstreeks en onmiddellijk is. Bovendien bevat de overeenkomst zelf geen nieuwe eisen inzake energiebesparing, maar doet zij niet meer dan de specificaties die aanvankelijk door de Environmental Protection Agency (Amerikaans agentschap voor milieubescherming) zijn vastgesteld, van toepassing te verklaren op zowel de Amerikaanse als de Europese markt en de wijziging daarvan afhankelijk te stellen van de instemming van de twee overeenkomstsluitende partijen.
Dat de deelneming aan het Energy Star-etiketteringsprogramma niet verplicht is, kan aan deze conclusie niet afdoen. Om te beginnen is die overeenkomst namelijk opgesteld om rechtstreeks invloed te hebben op de handel in kantoorapparatuur door die handel voor de fabrikanten te vergemakkelijken en door de consumenten in staat te stellen producten te kiezen met het laagste energieverbruik. Verder blijkt duidelijk uit de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die een bijlage is bij de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, dat regelingen inzake etikettering, waarvan de naleving facultatief is, de internationale handel kunnen belemmeren.
( cf. punten 36-45, 48 )
Partijen
In zaak C-281/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier en B. Martenczuk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué en E. Karlsson als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit 2001/469/EG van de Raad van 14 mei 2001 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur (PB L 172, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 13 juni 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 juli 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van besluit 2001/469/EG van de Raad van 14 mei 2001 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur (PB L 172, blz. 1).
De Energy Star-overeenkomst
2 In 1992 heeft de Environmental Protection Agency (Amerikaans agentschap voor milieubescherming; hierna: EPA") een vrijwillig etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur gecreëerd, genaamd Energy Star Program". Een groot aantal fabrikanten heeft deelgenomen aan dit programma, dat de meeste van hen heeft aangemoedigd, energiebesparende functies in te voeren en de consumenten bewust te maken van het energieverlies van kantoorapparatuur in de stand-bystand. Dit programma is vervolgens uitgebreid tot onder meer huishoudapparaten, verwarmings- en koelinstallaties, consumentenelektronica, kantoorapparatuur voor persoonlijk gebruik, waterkoelers, huizenbouw en verlichting. Het Energy Star-logo is ingevoerd voor de etikettering van apparatuur die voldoet aan bepaalde in het kader van dit programma vastgestelde regels inzake energieverbruik.
3 Nadat de Commissie had vastgesteld dat dit programma reeds de norm voor de op de Amerikaanse markt verkochte kantoorapparatuur bepaalde en dat de criteria van dit programma ook in de Gemeenschap steeds meer de status van internationale norm kregen, was zij van mening dat in plaats van in de Gemeenschap een ander etiketteringsprogramma voor energie-efficiënte kantoorapparatuur te ontwikkelen, het de voorkeur verdiende het Amerikaanse Energy Star-programma in te voeren.
4 Derhalve is op 19 december 2000 te Washington de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur, ondertekend (hierna: Energy Star-overeenkomst").
5 Blijkens de preambule van deze overeenkomst wensten de overeenkomstsluitende partijen maximale energiebesparingen en milieubaten te realiseren door het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte producten te bevorderen".
6 Artikel I van de Energy Star-overeenkomst, met het opschrift Algemene beginselen", luidt:
1. Een gemeenschappelijk pakket specificaties inzake energie-efficiëntie en een gemeenschappelijk logo worden door de Partijen gebruikt met het doel samenhangende doelstellingen voor de fabrikanten vast te stellen, zodat hun individuele inspanningen een maximaal effect sorteren op het aanbod van en de vraag naar de betrokken producttypes.
2. De Partijen maken gebruik van het gemeenschappelijke logo voor het aanduiden van de in bijlage C vermelde goedgekeurde energie-efficiënte producttypes [te weten computers, beeldschermen, printers, faxapparaten, frankeerapparaten, kopieerapparaten, scanners en multifunctionele apparatuur].
3. De Partijen dragen er zorg voor dat de gemeenschappelijke specificaties een aansporing vormen voor voortdurende verbetering van de efficiëntie, waarbij rekening wordt gehouden met de meest geavanceerde technische praktijken op de markt.
4. De Partijen dragen er zorg voor dat de consumenten efficiënte producten aan de hand van het label op de markt kunnen identificeren."
7 In bijlage A bij de Energy Star-overeenkomst is een gemeenschappelijk logo vastgesteld.
8 Volgens artikel III van de Energy Star-overeenkomst wijzen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika respectievelijk de Commissie en de EPA aan als hun beheersinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze overeenkomst.
9 Krachtens artikel IV van de Energy Star-overeenkomst is elke beheersinstantie onder meer belast met de registratie van deelnemers aan het Energy Star-etiketteringsprogramma op vrijwillige basis, met het toezicht op de naleving van de in bijlage B bij deze overeenkomst vermelde richtsnoeren voor het gebruik van het logo, en met de voorlichting van de consumenten over de Energy Star-merken.
10 Op grond van artikel V, lid 1, van de Energy Star-overeenkomst kan elke fabrikant, leverancier of verkoper toetreden tot het Energy Star-etiketteringsprogramma door zich als deelnemer aan het programma aan te melden bij de beheersinstantie van een van beide Partijen bij deze overeenkomst. Volgens artikel V, lid 2, kunnen deelnemers aan dit programma gebruikmaken van het Energy Star-logo om producten aan te duiden die aan de in bijlage C bij deze overeenkomst vermelde specificaties voor energie-efficiënte apparatuur voldoen. Volgens artikel V, lid 3, wordt de registratie van een deelnemer aan dit programma door de beheersinstantie van de ene Partij erkend door de beheersinstantie van de andere Partij. Overeenkomstig lid 5 van dit artikel verstrekken de beheersinstanties elkaar alle nodige informatie en verlenen zij elkaar volledige medewerking om ervoor te zorgen dat alle producten die het gemeenschappelijke logo voeren, voldoen aan de in deze bijlage C opgenomen specificaties.
11 De artikelen VI tot en met VIII van de Energy Star-overeenkomst betreffen de coördinatie van het Energy Star-etiketteringsprogramma tussen de overeenkomstsluitende partijen, de inschrijving van de Energy Star-merken in de Gemeenschap en het toezicht door elke beheersinstantie op de naleving van de bepalingen inzake het correcte gebruik van de Energy Star-merken.
12 In artikel IX van de Energy Star-overeenkomst zijn de procedures voor wijziging van deze overeenkomst en de bijlagen A en B daarvan, alsmede voor de toevoeging van nieuwe bijlagen vermeld. Artikel X van deze overeenkomst stelt de procedures voor wijziging van de in bijlage C daarvan vervatte technische specificaties vast.
13 Blijkens artikel XI van de Energy Star-overeenkomst vallen andere milieuetiketteringsprogramma's niet onder deze overeenkomst en kunnen zij door elk van beide partijen worden ontwikkeld en vastgesteld, kan elke beheersinstantie etiketteringsprogramma's uitvoeren voor niet in bijlage C bij deze overeenkomst opgenomen producttypes, en kan geen van beide Partijen de invoer, uitvoer, verkoop of distributie van producten belemmeren uitsluitend omdat zij de energie-efficiëntiemerken van de beheersinstantie van de andere Partij voeren.
14 Krachtens artikel XII, lid 2, van de Energy Star-overeenkomst blijft deze overeenkomst van kracht gedurende een periode van vijf jaar, behoudens een eventuele verlenging. Artikel XIII, lid 1, van deze overeenkomst bepaalt dat elke overeenkomstsluitende partij deze te allen tijde kan opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving die drie maanden van tevoren moet worden toegezonden.
15 Voorts heet het in punt 1 van de na de ondertekening van de Energy Star-overeenkomst uitgewisselde diplomatieke nota's:
Om het effect van hun afzonderlijke energie-efficiëntieprogramma's voor kantoorapparatuur te maximaliseren zullen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika gebruikmaken van één pakket energie-efficiëntiespecificaties en van een gemeenschappelijk logo overeenkomstig bijlage A bij de [Energy Star-]Overeenkomst."
16 Op 1 juli 1999 heeft de Commissie bij de Raad een op artikel 133 EG in samenhang met artikel 300, lid 2, EG gebaseerd voorstel voor een besluit betreffende de sluiting van de Energy Star-overeenkomst ingediend.
17 De Raad heeft op 14 december 2000 eenstemmig het besluit tot goedkeuring van de ondertekening van de Energy Star-overeenkomst vastgesteld op de grondslag van artikel 175, lid 1, EG in samenhang met artikel 300, lid 2, EG.
18 Na gunstig advies van het Parlement heeft de Raad op 14 mei 2001 bij besluit 2001/469 de Energy Star-overeenkomst namens de Gemeenschap goedgekeurd op de grondslag van artikel 175, lid 1, EG in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, lid 3, eerste alinea, en lid 4, EG.
19 De Energy Star-overeenkomst is overeenkomstig artikel XII, lid 1, daarvan op 7 juni 2001 in werking getreden.
Het beroep
Argumenten van partijen
20 De Commissie stelt dat besluit 2001/469 op de grondslag van artikel 133 EG inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek had moeten worden vastgesteld, op grond dat de Energy Star-overeenkomst bedoeld is ter vergemakkelijking van het handelsverkeer. De overeenkomst zou de fabrikanten immers in staat stellen hun apparatuur zowel op de Europese als op de Amerikaanse markt te verhandelen met gebruikmaking van één etiket en één registratieprocedure. De fabrikanten van kantoorapparatuur besparen zich daarmee de kosten die door de invoering van afzonderlijke etiketteringsprogramma's met verschillende vereisten en registratieprocedures zouden ontstaan. Zoals de titel aangeeft, is het doel van deze overeenkomst dus de coördinatie van Europese en Amerikaanse etiketteringsprogramma's waardoor eventuele handelsbelemmeringen wegens het naast elkaar bestaan van verschillende programma's uit de weg worden geruimd.
21 De Commissie noemt verder een aantal overeenkomsten over de onderlinge erkenning van technische normen, die de Gemeenschap op de grondslag van artikel 113 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 133 EG) of artikel 133 EG met derde landen heeft gesloten.
22 Dat de deelneming aan het Energy Star-etiketteringsprogramma vrijwillig is en dat het aanbrengen van het Energy Star-logo geen voorwaarde voor het op de markt brengen van de producten is, rechtvaardigt niet het gebruik van een andere rechtsgrondslag, daar ook vrijwillig toegepaste normen handelsbelemmeringen kunnen vormen.
23 Bovendien kan volgens de Commissie een maatregel betreffende de internationale handel niet aan het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden onttrokken op de enkele grond dat daarin overeenkomstig artikel 6 EG rekening wordt gehouden met de eisen inzake milieubescherming. Mede gelet op het feit dat de invloed van de milieuvoorschriften op het handelsverkeer onder meer door de Wereldhandelsorganisatie in aanmerking wordt genomen, zou een strikte uitlegging, die de milieuaspecten van het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek zou uitsluiten, een achteruitgang betekenen uit het oogpunt van een vaste rechtspraak en gewone praktijk en zou zij afdoen aan de doelmatigheid van de gemeenschappelijke handelspolitiek.
24 De Commissie voert ook aan dat de keuze van de rechtsgrondslag voor de vaststelling van een interne gemeenschapshandeling losstaat van de keuze van de rechtsgrondslag voor de sluiting van een internationale overeenkomst door de Gemeenschap. Zo gaat het in verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (PB L 237, blz. 1), anders dan de Energy Star-overeenkomst, niet om de coördinatie van het communautaire programma met programma's van derde landen noch om de erkenning van de certificaten die door derde landen in het kader van die programma's zijn afgegeven. Dat deze verordening op de grondslag van artikel 175, lid 1, EG is vastgesteld, is dus geenszins onverenigbaar met het standpunt van de Commissie, dat de Energy Star-overeenkomst op de grondslag van artikel 133 EG had moeten worden gesloten.
25 Subsidiair stelt de Commissie dat artikel 175, lid 1, EG in geen geval de rechtsgrondslag voor de sluiting van een internationale overeenkomst kan vormen, daar deze bepaling slechts de vaststelling van interne handelingen betreft. Internationale overeenkomsten op het gebied van milieubeleid moeten op basis van artikel 174, lid 4, EG worden gesloten.
26 Volgens de Raad vallen doel en inhoud van de Energy Star-overeenkomst volledig onder het communautaire milieubeleid als bedoeld in artikel 174 EG.
27 De Energy Star-overeenkomst wil immers, althans in de eerste plaats, het energieverbruik verminderen door het aanbod en de vraag naar energie-efficiënte apparaten te bevorderen. De Raad baseert zijn uitlegging op de preambule en op artikel I, lid 1, van deze overeenkomst, alsmede op punt 1 van de naar aanleiding van deze overeenkomst uitgewisselde diplomatieke nota's.
28 De Energy Star-overeenkomst heeft daarentegen geen duidelijke gevolgen voor de internationale handel. Volgens de Raad was het Energy Star-logo namelijk al de de facto norm voor de fabrikanten. Overigens belet deze overeenkomst de overeenkomstsluitende partijen of de lidstaten niet andere etiketteringsprogramma's ter beperking van het energiegebruik in te voeren.
29 Met betrekking tot de inhoud van de Energy Star-overeenkomst stelt de Commissie, dat deze geen bepaling bevat die duidelijk verband houdt met de gemeenschappelijke handelspolitiek of rechtstreeks de bevordering van de internationale handel beoogt. Energiebesparing is immers het hoofddoel van de bepalingen van deze overeenkomst, zoals die van de artikelen IV tot en met VI en VIII tot en met X betreffende de consumentenvoorlichting, de controles en de maatregelen met het oog op een correct gebruik van het logo, de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen en de onderlinge erkenning van de registraties.
30 Tot staving van zijn opvatting voert de Raad aan, dat tal van internationale overeenkomsten op de grondslag van artikel 175 EG zijn gesloten, hoewel zij betrekking hadden op handelspolitieke vraagstukken, en dat interne communautaire maatregelen betreffende de toekenning van een milieukeur op vrijwillige basis ook op de verdragsbepalingen inzake het milieubeleid zijn gebaseerd. De Raad noemt in het bijzonder verordening (EEG) nr. 880/92 van de Raad van 23 maart 1992 inzake een communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (PB L 99, blz. 1), die op de grondslag van artikel 130 S EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 175 EG) is vastgesteld, alsmede beschikking 1999/205/EG van de Commissie van 26 februari 1999 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor personal computers (PB L 70, blz. 46). In de overwegingen van de considerans van die beschikking is juist verwezen naar de onderhandelingen over de Energy Star-overeenkomst en heet het dat de criteria binnen een periode van twee jaar dienen te worden herzien om de energie-eisen aan de technologische innovatie, marktontwikkelingen en het bovengenoemde ,Energy Star-programma aan te passen". Na de sluiting van die overeenkomst werd het niet noodzakelijk geacht, de beschikking te verlengen in het kader van de herziene regeling inzake de toekenning van de communautaire milieukeur, die is ingevoerd bij de eveneens op artikel 175 EG gebaseerde verordening nr. 1980/2000.
31 De Raad beroept zich tot staving van zijn opvatting ook op de bevoegdheid van de lidstaten tot invoering van hun eigen milieukeur, zoals Blauer Engel in Duitsland, Svanen (de Zwaan) in de Scandinavische landen en het GEA-etiket voor kantoorapparatuur in Duitsland. Indien de invoering van een milieukeur een handelspolitieke maatregel is, dan is de Gemeenschap uitsluitend bevoegd en is het optreden van de lidstaten op dit gebied onrechtmatig.
32 Met betrekking tot de subsidiaire grief dat de correcte rechtsgrondslag voor de sluiting van de Energy Star-overeenkomst in elk geval niet artikel 175, lid 1, EG maar artikel 174, lid 4, EG is, verwijst de Raad naar 's Hofs rechtspraak waaruit blijkt dat artikel 174, lid 4, EG zich ertoe beperkt de algemene doelstellingen van de Gemeenschap op milieugebied te omschrijven, terwijl artikel 175 EG de rechtsgrondslag vormt voor de gemeenschapshandelingen ter uitvoering van dit beleid (zie arresten van 14 juli 1998, Safety Hi-Tech, C-284/95, Jurispr. blz. I-4301, punt 43, en Bettati, C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 41). Advies 2/00 van 6 december 2001 (Jurispr. blz. I-9713, punten 23-25), bevestigt deze uitlegging.
Beoordeling door het Hof
33 Volgens vaste rechtspraak moet de keuze van de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling berusten op objectieve gegevens, die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling (zie met name arresten van 11 juni 1991, Commissie/Raad, C-300/89, Jurispr. blz. I-2867, punt 10, en 4 april 2000, Commissie/Raad, C-269/97, Jurispr. blz. I-2257, punt 43).
34 Indien uit het onderzoek van een gemeenschapshandeling blijkt, dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, en indien een daarvan als hoofdelement of overwegende component kan worden aangewezen, terwijl de andere slechts een ondergeschikt element is, moet de handeling op één enkele rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke het hoofddoel, het hoofdelement of de overwegende component verlangt (zie arresten van 17 maart 1993, Commissie/Raad, C-155/91, Jurispr. blz. I-939, punten 19 en 21; 23 februari 1999, Parlement/Raad, C-42/97, Jurispr. blz. I-869, punten 39 en 40, en 30 januari 2001, Spanje/Raad, C-36/98, Jurispr. I-779, punt 59).
35 Indien wordt aangetoond dat de handeling tegelijkertijd verschillende doeleinden heeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, zal die handeling bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen kunnen worden gebaseerd (zie arrest van 11 juni 1991, Commissie/Raad, reeds aangehaald, punten 13 en 17; arrest Parlement/Raad, reeds aangehaald, punten 38 en 43, en arrest van 19 september 2002, Huber, C-336/00, Jurispr. blz. I-7699, punt 31, alsmede advies 2/00, reeds aangehaald, punt 23).
36 In casu staat vast dat de Energy Star-overeenkomst, zoals met zoveel woorden uit haar titel blijkt, tot doel heeft energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma's voor kantoorapparatuur te coördineren.
37 Zoals de Commissie opmerkt, vergemakkelijkt die coördinatie noodzakelijkerwijs de handel, voorzover de fabrikanten nog slechts naar één etiketteringsnorm behoeven te verwijzen en slechts één registratieprocedure bij één beheersinstantie behoeven te doorlopen om apparatuur met het Energy Star-logo op de Europese en de Amerikaanse markt te verhandelen. Deze coördinatie is dus ontegenzeglijk een handelspolitieke maatregel.
38 Bij lezing van de preambule en van artikel I van de Energy Star-overeenkomst moet echter ook worden vastgesteld, dat het betrokken etiketteringsprogramma door bevordering van het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte producten energiebesparing beoogt te stimuleren, en dus op zich een maatregel inzake milieubeleid vormt.
39 Bijgevolg heeft de Energy Star-overeenkomst zowel een handelspolitiek doel als een milieubeschermingsdoel. Voor de vaststelling van de passende rechtsgrondslag voor de sluiting van deze overeenkomst dient derhalve te worden uitgemaakt, of deze overeenkomst hoofdzakelijk of overwegend een van de twee doeleinden nastreeft, in welk geval de handeling op één rechtsgrondslag moet worden gebaseerd, dan wel of de nagestreefde doeleinden onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene secundair en indirect is ten opzichte van de andere, in welk geval die handeling op een dubbele rechtsgrondslag moet worden gebaseerd.
40 In dit verband zij vastgesteld dat blijkens de bewoordingen van de Energy Star-overeenkomst, in het bijzonder de artikelen I en V daarvan, het Energy Star-etiketteringsprogramma in de eerste plaats beoogt de fabrikanten in staat te stellen, op grond van een procedure inzake de onderlinge erkenning van registraties, gebruik te maken van een gemeenschappelijk logo om ten behoeve van de consumenten bepaalde producten aan te duiden die aan gemeenschappelijke specificaties inzake energie-efficiëntie voldoen, en die zij op de Amerikaanse en op de communautaire markt willen verhandelen. Het gaat dus om een instrument met een rechtstreekse invloed op de handel in kantoorapparatuur.
41 Het betrokken programma moet weliswaar afhankelijk van het werkelijke gedrag van de fabrikanten en consumenten op de lange termijn een positief effect op het milieu hebben als gevolg van het lagere energieverbruik waartoe dit programma zou leiden, maar het is slechts een indirect en zijdelings effect in tegenstelling tot het effect op de handel in kantoorapparatuur dat rechtstreeks en onmiddellijk is.
42 Voorts staat weliswaar vast dat het Amerikaanse Energy Star-programma is opgezet om het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte producten te bevorderen, dus om energiebesparing in de hand te werken, en dat de uitbreiding ervan tot de Gemeenschap ontegenzeglijk tot de verwezenlijking van dat doel bijdraagt, maar dat neemt niet weg dat de Energy Star-overeenkomst zelf geen nieuwe eisen inzake energiebesparing bevat. Zij maakt namelijk enkel de aanvankelijk door de EPA vastgestelde specificaties van toepassing op zowel de Amerikaanse als de Europese markt en stelt de wijziging daarvan afhankelijk van de instemming van de twee overeenkomstsluitende partijen.
43 Derhalve moet het met de Energy Star-overeenkomst nagestreefde handelspolitieke doel als overwegend worden beschouwd, zodat het besluit tot goedkeuring daarvan op artikel 133 EG in samenhang met artikel 300, lid 3, EG had moeten worden gebaseerd.
44 Dat de deelneming aan het Energy Star-etiketteringsprogramma niet verplicht is, kan aan deze conclusie niet afdoen. Die overeenkomst is namelijk opgesteld om rechtstreeks invloed te hebben op de handel in kantoorapparatuur door die handel voor de fabrikanten te vergemakkelijken en door de consumenten in staat te stellen producten te kiezen met het laagste energieverbruik.
45 Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft vastgesteld, blijkt bovendien duidelijk uit de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die een bijlage is bij de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, die namens de Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1), dat regelingen inzake etikettering, waarvan de naleving facultatief is, de internationale handel kunnen belemmeren.
46 Het feit dat de verdragsbepalingen inzake het milieubeleid als rechtsgrondslag zijn gekozen voor de vaststelling van interne handelingen als de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000, volstaat bovendien niet als bewijs dat voor de goedkeuring van een internationale overeenkomst met een soortgelijk voorwerp dezelfde rechtsgrondslag moet worden gekozen. In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie opmerkt, artikel 133 EG betrekking heeft op de buitenlandse handel en dus hoe dan ook niet als rechtsgrondslag kan dienen voor een maatregel die uitsluitend intracommunautaire gevolgen heeft. Daar het juist om de totstandbrenging van de interne markt gaat, moet in voorkomend geval gebruik worden gemaakt van artikel 95 EG. Overigens is richtlijn 92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van huishoudelijke apparaten (PB L 297, blz. 16), vastgesteld op de grondslag van artikel 100 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG).
47 Bovendien staat het feit dat een aantal lidstaten hun eigen milieukeur hebben vastgesteld, niet eraan in de weg dat de Energy Star-overeenkomst wordt beschouwd als een onder artikel 133 EG vallende handelspolitieke maatregel, die dus valt onder een gebied waarop de Gemeenschap uitsluitend bevoegd is. De door de lidstaten vastgestelde milieukeuren, waarnaar de Raad verwijst, hebben immers juist geen betrekking op de buitenlandse handel van de Gemeenschap.
48 Gelet op een en ander, had de Raad artikel 133 EG in samenhang met artikel 300, lid 3, EG moeten kiezen als rechtsgrondslag voor het besluit betreffende de sluiting van de Energy Star-overeenkomst namens de Gemeenschap.
49 Aangezien artikel 175, lid 1, EG in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, lid 3, eerste alinea, en lid 4, EG in die handeling als enige rechtsgrondslag is vermeld, moet besluit 2001/469 dus nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, wanneer dit is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig besluit 2001/469/EG van de Raad van 14 mei 2001 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur.
2) Verwijst de Raad van de Europese Unie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy