Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226)
2. Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging op basis van interne orde - Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-319/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen en J. Adda als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. van de Craen en vervolgens door A. Snoecx als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn teneinde volledig te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 73, blz. 5), en, subsidiair, die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen, V. Skouris, F. Macken en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 augustus 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn teneinde volledig te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 73, blz. 5), en, subsidiair, die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader en precontentieuze fase
2 Richtlijn 97/11 wijzigt en vervolledigt richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), ter verzekering dat laatstgenoemde richtlijn op meer geharmoniseerde en doeltreffende wijze wordt toegepast. Zij voert inzonderheid bepalingen in teneinde te waarborgen dat voor projecten waarvoor een beoordeling nodig is, een vergunning wordt aangevraagd. Zij vervolledigt eveneens de lijst van de in bijlage I van richtlijn 85/337 bedoelde projecten, die aan een beoordeling zijn onderworpen, en verduidelijkt de voorwaarden waaronder de lidstaten kunnen beslissen of de in bijlage II van dezelfde richtlijn bedoelde projecten aan een dergelijke vereiste moeten worden onderworpen.
3 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 97/11 bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 14 maart 1999 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
4 Op basis van deze laatste bepaling hebben de Belgische autoriteiten de Commissie bij brief van 8 juli 1999 in kennis gesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad van 8 juni 1999, blz. 21114; hierna: decreet van 11 maart 1999"), tot wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectenbeoordeling in het Waalse Gewest (Belgisch Staatsblad van 24 januari 1986).
5 Aangezien enkel dit decreet haar was meegedeeld heeft de Commissie krachtens artikel 226 EG het Koninkrijk België bij brief van 5 augustus 1999 in gebreke gesteld en twee maanden de tijd gegeven om opmerkingen in te dienen.
6 Bij brief van 27 oktober 1999 heeft de Belgische regering de Commissie de ordonnantie bezorgd van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 22 april 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IA [bedoeld in artikel 4] van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (Belgisch Staatsblad van 5 augustus 1999, blz. 29209; hierna: ordonnantie van 22 april 1999"), alsmede het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (Belgisch Staatsblad van 7 augustus 1999, blz. 29713; hierna: besluit van 4 maart 1999").
7 De Belgische autoriteiten hebben de Commissie bij brief van 20 december 1999 nog een ontwerp gezonden van een koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. Bij brief van dezelfde dag hebben zij de Commissie in kennis gesteld van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België (Belgisch Staatsblad van 12 maart 1999, blz. 8033; hierna: wet van 20 januari 1999"), waarvan een aantal bepalingen de effectenbeoordeling van bepaalde projecten regelen, inzonderheid in verband met het continentaal plat.
8 Toen de Commissie van de Belgische autoriteiten geen enkele andere mededeling betreffende de uitvoering van richtlijn 97/11 had ontvangen, heeft zij het Koninkrijk België bij brief van 19 mei 2000 een met redenen omkleed advies gezonden met het verzoek binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het advies de nodige maatregelen te treffen.
9 In antwoord op dat advies heeft de Belgische regering bij brief van 10 juli 2000 opnieuw de ordonnantie van 22 april 1999 en het besluit van 4 maart 1999 meegedeeld, vergezeld van een tabel met de stand van uitvoering van genoemde richtlijn in dat gewest.
10 Op 9 augustus 2000 heeft zij de Commissie een ontwerp tot uitvoering van richtlijn 97/11 in het Waalse Gewest gezonden, waarvan de goedkeuring voorzien was voor het einde van het eerste semester van 2001.
11 Op 8 december 2000 heeft de Belgische regering de Commissie een ontwerp van koninklijk besluit gezonden houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Dit op 20 december 2000 goedgekeurde besluit (Belgisch Staatsblad van 25 januari 2001, blz. 2104), alsmede het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 (Belgisch Staatsblad van 25 januari 2001, blz. 2113, hierna samen: koninklijke besluiten van 20 december 2000"), zijn door de Belgische autoriteiten aan de Commissie meegedeeld in een brief van 2 februari 2001.
12 Bij brief van 23 mei 2001 heeft de Belgische regering de Commissie de ontwerpen meegedeeld van de ministeriële besluiten die in tweede lezing door de Waalse regering zijn goedgekeurd met het oog op de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999.
13 Van mening dat de haar meegedeelde bepalingen niet de volledige uitvoering van richtlijn 97/11 op het volledige Belgische grondgebied waarborgden, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De niet-nakoming
14 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die bestond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn (zie inzonderheid arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26) en kan een lidstaat zich niet ten exceptieve beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie met name arrest van 7 december 2000, Commissie/Frankrijk, C-374/98, Jurispr. blz. I-10799, punt 13).
De uitvoering van richtlijn 97/11 door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
15 Ter uitvoering van richtlijn 97/11 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals in punt 6 van dit arrest uiteengezet, de ordonnantie van 22 april 1999 en het besluit van 4 maart 1999 vastgesteld.
16 Deze teksten zijn formeel aan de Commissie gezonden op 27 oktober 1999, nog vóór de verzending van het met redenen omkleed advies. Bovendien heeft de Commissie bij brief van 10 juli 2000 een tabel ontvangen met voor elk artikel van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, opgaaf van alle maatregelen die de gewestelijke autoriteiten hadden getroffen om daaraan te voldoen en die bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn van kracht waren.
17 De Commissie heeft evenwel noch voor het Hof, noch tijdens de precontentieuze fase de tekortkomingen aangeduid die de getroffen maatregelen aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn hadden laten bestaan met betrekking tot de uitvoering van richtlijn 97/11. Zo heeft de Commissie in repliek enkel verklaard dat genoemde maatregelen haar waren meegedeeld vóór de beslissing om de zaak aan het Hof voor te leggen, zonder er gevolgen uit te trekken en zonder op enige wijze te verduidelijken welke bepalingen van richtlijn 97/11 door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet zouden zijn uitgevoerd.
18 Maatregelen die onder de gewestelijke bevoegdheid vallen, kunnen evenwel op zich niet de volledige uitvoering van richtlijn 97/11 op dit deel van het Belgisch grondgebied waarborgen. De maatregelen van de federale autoriteiten moeten immers ook in aanmerking worden genomen om te beoordelen of de uitvoering van richtlijn 97/11 op het grondgebied van dit gewest is voltooid.
De uitvoering van richtlijn 97/11 door de Belgische federale autoriteiten
19 Blijkens de stukken was de Commissie aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, aangaande de uitvoering van richtlijn 97/11 door de Belgische federale autoriteiten alleen in het bezit van de wet van 20 januari 1999 en een ontwerp van koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
20 Zoals de Belgische regering evenwel in haar verweerschrift heeft verklaard, kon de wet van 20 januari 1999 pas in werking treden te rekenen vanaf de bekendmaking op 25 januari 2001 van de koninklijke besluiten van 20 december 2000.
21 Evenzo is het koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, pas op 20 juli 2001 goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2001 (blz. 28909), dus na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn.
22 De volledige uitvoering van richtlijn 97/11 was bijgevolg voor de aangelegenheden waarvoor de federale overheid bevoegd is, pas gewaarborgd bij de inwerkingtreding van laatstgenoemd besluit, buiten de in het met redenen omklede advies gestelde termijn.
23 Derhalve moet het beroep worden aanvaard voorzover het betrekking heeft op de uitvoering van richtlijn 97/11 door de Belgische federale autoriteiten.
De uitvoering van richtlijn 97/11 door het Vlaamse en het Waalse Gewest
24 De Belgische regering voert in haar verweerschrift aan dat het Vlaamse Gewest een belangrijk decreet voorbereidt ter uitvoering van richtlijn 97/11 alsmede van de richtlijnen 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PB L 10, blz. 13), en 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197, blz. 30). Deze regelgeving, waarover op 21 maart en 4 september 2001 aan de Commissie is geschreven, heeft vertraging opgelopen door met name de tardieve bekendmaking van de Nederlandstalige versie van richtlijn 2001/42. Volgens de Belgische regering moest de tekst van het decreet in maart 2002 in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt en moesten de uitvoeringsbesluiten in juni 2002 worden vastgesteld.
25 Aangaande het Waalse Gewest legt de Belgische regering uit dat de opstelling van de drie besluiten ter uitvoering van het Waalse decreet van 11 maart 1999, welke nodig zijn voor de inwerkingtreding van die tekst, moeilijk is gebleken wegens de ingewikkeldheid van de materie. Volgens die regering moesten genoemde besluiten aan het einde van het jaar 2001 worden vastgesteld.
26 Met deze argumenten betwist de Belgische regering bijgevolg niet de gegrondheid van de grief van de Commissie als zou de uitvoering van richtlijn 97/11 niet volledig zijn verwezenlijkt binnen de voor het Vlaamse en het Waalse Gewest voorgeschreven termijn.
27 De verklaringen van de Belgische regering aangaande de ingewikkeldheid van de materie en de praktische moeilijkheden tijdens de fase van het opstellen van de voor de uitvoering van richtlijn 97/11 noodzakelijke teksten kunnen, zoals blijkt uit de in punt 14 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet worden aanvaard.
28 In die omstandigheden is het beroep gegrond voorzover het de uitvoering van richtlijn 97/11 door het Vlaamse en het Waalse Gewest betreft.
29 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 97/11, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy