Zaak C-329/01
The Queen, op verzoek van British Sugar plc,
tegen
Intervention Board for Agricultural Produce
[verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), om een prejudiciële beslissing]
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Verordening (EEG) nr. 2670/81 – Bewijs van uitvoer – Verordening (EEG) nr. 3719/88 – Verbetering van uitvoercertificaat – Kennelijke onjuistheid – Evenredigheidsbeginsel”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Productie buiten quota (C-suiker) – Uitvoercertificaat waarin minder dan feitelijk uitgevoerde hoeveelheid suiker wordt aangegeven, of waarvan geldigheidsduur is verstreken – Bewijs van uitvoer – Geen – Certificaatuittreksel geviseerd door douane-autoriteiten – Geen invloed
(Verordening nr. 2670/81 van de Commissie, art. 2, lid 2, sub a)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Invoer- en uitvoercertificaten – Rectificatie door bevoegde instanties van vermelding op certificaat of uittreksel ervan – Ontbreken van onjuiste vermeldingen op deze documenten – Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 3719/88 van de Commissie, art. 24, lid 2)
3. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Invoer- en uitvoercertificaten – Verbetering door bevoegde instanties – Schending van evenredigheidsbeginsel – Geen – Inmenging in beschermde belangen – Geen
(Verordening nr. 3719/88 van de Commissie, art. 24, lid 2)
4. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Productie buiten quota (C-suiker) – Wijziging van te heffen bedrag – Discretionaire bevoegdheid van nationale rechter of bevoegde instantie – Ontbreken van bewijs van onrechtmatige handelwijze – Geen
(Verordening nr. 2670/81 van de Commissie, art. 3)
5. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Productie buiten quota (C-suiker) – Uitvoer na verstrijken van geldigheidsduur van uitvoercertificaat – Verplichting tot betaling van bedrag dat verschuldigd is voor suiker die op interne markt is afgezet
(Verordening nr. 2670/81 van de Commissie, art. 3)
1. Het bewijs bedoeld in artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2670/81 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening nr. 158/96, is niet geleverd voor een feitelijk uitgevoerde hoeveelheid C-suiker, wanneer deze hoeveelheid groter is dan de totale in het uitvoercertificaat aangegeven hoeveelheid of de uitvoer plaatsvindt na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit certificaat. Dat de betrokken C-suiker het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk heeft verlaten, is in dit verband niet beslissend. Hetzelfde geldt wanneer de douane-autoriteiten een certificaatuittreksel hebben geviseerd waarin een gevraagde hoeveelheid is vermeld die niet overeenkomt met het werkelijke voornemen van de fabrikant zoals dat blijkt uit het in dier voege gewijzigde douaneaangifteformulier waarin de feitelijk uitgevoerde totale hoeveelheid suiker is vermeld.
(cf. punten 49-50, 52, dictum 1)
2. Artikel 24 van verordening nr. 3719/88 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1199/95, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde instantie geen rectificatie van de op het uitvoercertificaat of het uittreksel ervan aangegeven hoeveelheid kan verrichten wanneer in deze documenten zelf geen onjuiste vermeldingen voorkomen.
(cf. punt 56, dictum 2)
3. Bij onderzoek van artikel 24 van verordening nr. 3719/88 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1199/95, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten. Om vast te stellen of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, dient te worden nagegaan of de middelen waarmee zij het gestelde doel beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is. Niet volgehouden kan worden dat normen die op zichzelf geen inmenging in beschermde belangen inhouden, het evenredigheidsbeginsel zouden kunnen schenden. Blijkens de zeventiende overweging van de considerans van de verordening heeft artikel 24, lid 2, alleen de verbetering van vergissingen die toe te schrijven zijn aan de instantie van uitgifte, of van klaarblijkelijke onjuistheden ten doel. Dergelijke bepaling heeft geen enkele inmenging in de belangen van de fabrikanten tot gevolg en kan derhalve het evenredigheidsbeginsel niet schenden.
(cf. punten 58-60, 63, dictum 3)
4. Wanneer onbewezen blijft dat de nationale instanties onrechtmatig hebben gehandeld, kan hun weigering om certificaatuittreksels te verbeteren die geen onjuistheden bevatten, noch de nationale rechter, noch de bevoegde instantie een discretionaire bevoegdheid verlenen om het bedrag te verminderen van de heffing die moet worden toegepast krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening nr. 158/96.
(cf. punten 66-67, dictum 4)
5. Artikel 3 van verordening nr. 2670/81 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening nr. 158/96, moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op de uitvoer van C-suiker na het verstrijken van de geldigheidsduur van het desbetreffende uitvoercertificaat.
(cf. punt 73, dictum 5)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
19 februari 2004(1)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Suiker – Verordening (EEG) nr. 2670/81 – Bewijs van uitvoer – Verordening (EEG) nr. 3719/88 – Verbetering van uitvoercertificaat – Kennelijke onjuistheid – Evenredigheidsbeginsel”
In zaak C-329/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
The Queen, op verzoek van British Sugar plc
en
Intervention Board for Agricultural Produce,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker (PB L 262, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 158/96 van de Commissie van 30 januari 1996 (PB L 24, blz. 3), en over de uitlegging en geldigheid van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1199/95 van de Commissie van 29 mei 1995 (PB L 119, blz. 4),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: V. Skouris, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, F. Macken en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– British Sugar plc, vertegenwoordigd door T. Sharpe, QC, en D. Jowell, barrister, geïnstrueerd door A. Lidbetter en D. Green, solicitors,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door K. Parker, QC, en R. Haynes, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en K. Fitch als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 september 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 20 juli 2001, ingekomen bij het Hof op 4 september daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), krachtens artikel 234 EG zeven prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker (PB L 262, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 158/96 van de Commissie van 30 januari 1996 (PB L 24, blz. 3; hierna: „verordening nr. 2670/81”), en over de uitlegging en geldigheid van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 331, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1199/95 van de Commissie van 29 mei 1995 (PB L 119, blz. 4; hierna: „verordening nr. 3719/88”).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen British Sugar plc (hierna: „British Sugar”) en de Intervention Board for Agricultural Produce (hierna: „IBAP”) met betrekking tot de beslissing van IBAP om British Sugar krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 een heffing op te leggen omdat British Sugar het vereiste bewijs van uitvoer van bepaalde hoeveelheden suiker niet had verstrekt.
Toepasselijke bepalingen
3 Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 (PB L 349, blz. 105; hierna: „basisverordening”), strekt ertoe, in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (hierna: „GOM voor suiker”) de producenten van basisproducten – zoals de suikerbietenproducenten – van de Europese Gemeenschap de noodzakelijke waarborgen inzake werkgelegenheid en levensstandaard te blijven verzekeren en de bevoorrading met suiker van alle consumenten tegen redelijke prijzen veilig te stellen door stabilisatie van de suikermarkt.
4 Daartoe regelt zij de productie en de in‑ en uitvoer van suiker. De wezenlijke kenmerken van deze regeling worden verder beschreven in de punten 5 tot en met 8 van dit arrest.
5 De basisverordening geeft een omschrijving van A‑ en B‑productiehoeveelheden en stelt deze vast. Het staat aan de lidstaten deze A‑ en B‑productiehoeveelheden te verdelen over de suikerproducenten op hun grondgebied. Elke productieonderneming krijgt per verkoopseizoen (dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar) volgens bepaalde criteria een A‑ en een B‑quotum toebedeeld. De suiker die een onderneming binnen haar A‑ en B‑quota produceert, wordt respectievelijk „A‑suiker” en „B‑suiker” genoemd. Alle suiker die boven de A‑ en B‑quota wordt geproduceerd, wordt „C‑suiker”genoemd.
6 Artikel 13 van de basisverordening voorziet in een verplicht systeem van invoer‑ en uitvoercertificaten, waarvan de afgifte afhankelijk is van het stellen van een waarborg ter verzekering dat de verrichting waarvoor het certificaat werd gevraagd, zal worden uitgevoerd. Een uitvoercertificaat voor C‑suiker is geldig vanaf de dag van afgifte ervan tot het einde van de derde maand daaraanvolgend. De waarborg wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd indien de verrichting niet of slechts gedeeltelijk binnen de geldigheidsduur van het certificaat plaatsvindt.
7 C‑suiker komt niet in aanmerking voor de regeling inzake prijsondersteuning, noch voor de regeling inzake restituties bij uitvoer. Hij is evenmin onderworpen aan de voor suikerbieten vastgestelde prijzen of aan de productieheffingen. Bovendien dient C‑suiker, behoudens in de hierna beschreven omstandigheden, buiten de Gemeenschap te worden afgezet en verkocht op de wereldmarkt.
8 Artikel 26 van de basisverordening bepaalt:
„1. Onverminderd het bepaalde in lid 2, kunnen C‑suiker die niet krachtens artikel 27 naar het volgende verkoopseizoen wordt overgebracht en C‑isoglucose en C‑inulinestroop niet op de interne markt van de Gemeenschap worden afgezet en moeten zij vóór 1 januari volgend op het einde van het betrokken verkoopseizoen als zodanig worden uitgevoerd.
De artikelen 8, 9, 17 en 20 zijn niet van toepassing op deze suiker en de artikelen 9, 17 en 20 zijn niet van toepassing op deze isoglucose en inulinestroop.
2. Bij wijze van uitzondering en voorzover dit nodig is om de suikervoorziening van de Gemeenschap veilig te stellen, kan worden besloten dat artikel 20 van toepassing is op C‑suiker. In dat geval wordt terzelfder tijd besloten dat de gehele betrokken hoeveelheid C‑suiker definitief op de interne markt kan worden afgezet zonder dat het in lid 3 bedoelde bedrag wordt geheven.
3. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 41.
Zij moeten met name inhouden dat een bedrag wordt geheven op in lid 1 bedoelde C‑suiker, C‑isoglucose en C‑inulinestroop waarvan de uitvoer als zodanig binnen de gestelde termijn op een nader te bepalen datum niet is bewezen.”
9 Verordening nr. 2670/81 stelt de uitvoeringsbepalingen vast voor de suikerproductie buiten de quota. Artikel 1 bepaalt:
„1. De in artikel 26, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1785/81 bedoelde uitvoer wordt geacht te hebben plaatsgevonden indien:
a) onverminderd de overige bepalingen van deze verordening, het in artikel 2 bedoelde bewijs in het bezit is van de bevoegde instantie van de producerende lidstaat, ongeacht welke lidstaat de C‑suiker, de C‑isoglucose of de C‑inulinestroop uitvoert;
b) de betrokken uitvoeraangifte door de lidstaat van uitvoer wordt aanvaard vóór 1 januari volgend op het einde van het verkoopseizoen waarin de C‑suiker, de C‑isoglucose of de C‑inulinestroop is geproduceerd;
c) de C‑suiker, de C‑isoglucose of de C‑inulinestroop of een overeenkomstige hoeveelheid in de zin van artikel 2, lid 3, uiterlijk op de zestigste dag na 1 januari bedoeld onder b het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten;
d) het product zonder restitutie of heffing is uitgevoerd als niet-gedenatureerde witte of ruwe suiker of als stroop verkregen vóór het stadium van suiker in vaste vorm van de GN-codes 1702 60 90 en 1702 90 99 of als isoglucose in ongewijzigde staat of inulinestroop in ongewijzigde staat.
Indien niet aan alle in de eerste alinea genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de betrokken hoeveelheid C‑suiker, C‑isoglucose of C‑inulinestroop, behalve in geval van overmacht, beschouwd als te zijn afgezet op de interne markt.
[…]”
10 Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2670/81 bepaalt dat het bewijs bedoeld in artikel 1 van deze verordening „wordt geleverd door het overleggen van:
a) een overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 2630/81 [van de Commissie van 10 september 1981 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector suiker (PB L 258, blz. 16)] door de bevoegde instantie van de […] lidstaat aan de betrokken fabrikant afgegeven uitvoercertificaat;
b) de in artikel 30 en 31 van verordening (EEG) nr. 3183/80 bedoelde documenten voor het vrijgeven van de waarborg;
c) een verklaring van de fabrikant, waarin deze bevestigt dat de C‑suiker, de C‑isoglucose, of de C‑inulinestroop door hem werd geproduceerd”.
11 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 luidt als volgt:
„Op de hoeveelheden die, in de zin van artikel 1, lid 1, op de interne markt zijn afgezet, heft de betrokken lidstaat voor C‑suiker per 100 kg witte of naar gelang van het geval ruwe suiker […] een bedrag dat gelijk is aan de som van:
– de hoogste invoerrechten voor het betrokken product in de periode die het verkoopseizoen waarin de betrokken C‑suiker […] is geproduceerd en de daaropvolgende zes maanden omvat,
en
– 1,21 ecu.”
12 Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81 bepaalt dat de betrokken lidstaat vóór 1 mei volgende op 1 januari na afloop van het verkoopseizoen waarin de C‑suiker is geproduceerd aan de fabrikanten die het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag moeten betalen het totale te betalen bedrag mededeelt.
13 Bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake de regeling van invoer‑ en uitvoercertificaten in de sector suiker werden vastgesteld bij verordening (EG) nr. 1464/95 van de Commissie van 27 juni 1995 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake de regeling van invoer- en uitvoercertificaten in de sector suiker (PB L 144, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2136/95 van de Commissie van 7 september 1995 (PB L 214, blz. 19; hierna: „verordening nr. 1464/95”), die in de plaats is gekomen van verordening nr. 2630/81.
14 Artikel 4 van verordening nr. 1464/95 bepaalt:
„1. Voor C‑suiker, C‑isoglucose en C‑inulinestroop, die krachtens artikel 26, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1785/81 worden uitgevoerd, bevatten de aanvraag voor het certificaat en het certificaat zelf in vak 20 ten minste een van de volgende vermeldingen:
[…]
– uit te voeren overeenkomstig artikel 26, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1785/81
[…]
2. Het certificaat bevat in vak 22 ten minste een van de volgende vermeldingen:
[…]
– zonder restitutie of heffing uit te voeren … (hoeveelheid waarvoor dit certificaat werd afgegeven) kg
[…]
3. Lid 1 is niet van toepassing op C‑suiker waarop, krachtens artikel 26, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1785/81 de in artikel 20 van deze verordening bedoelde heffing bij uitvoer wordt toegepast.
4. De bepalingen van artikel 8, lid 4, van verordening (EEG) nr. 3719/88 zijn niet van toepassing op uitvoercertificaten voor C‑suiker, C‑isoglucose en C‑inulinestroop.”
15 Artikel 5 van verordening nr. 1464/95 luidt:
„Een uitvoercertificaat voor C‑suiker, C‑isoglucose of C‑inulinestroop mag slechts worden afgegeven nadat de betrokken fabrikant aan de bevoegde instantie het bewijs heeft geleverd dat de hoeveelheid waarvoor het certificaat wordt gevraagd of een daaraan gelijkwaardige hoeveelheid daadwerkelijk is geproduceerd boven de A‑ en B‑quota van de betrokken onderneming […]”
16 Inzake invoer‑ en uitvoercertificaten voor suiker geldt tevens verordening nr. 3719/88, die in de plaats is gekomen van verordening (EEG) nr. 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 338, blz. 1), waarnaar is verwezen in artikel 2, lid 2, sub b, van verordening nr. 2670/81. Artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3719/88 luidt:
„Het invoercertificaat, onderscheidenlijk het uitvoercertificaat, brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de opgegeven hoeveelheid van het betrokken product, behoudens overmacht, tijdens de geldigheidsduur van het certificaat in te voeren, onderscheidenlijk uit te voeren […]”
17 Volgens artikel 8, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3719/88 zijn de verplichtingen waarnaar in dit lid 1 is verwezen primaire eisen als bedoeld in artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3403/93 van de Commissie van 10 december 1993 (PB L 310, blz. 4).
18 Artikel 10 van verordening nr. 3719/88 bepaalt:
„Uittreksels van certificaten hebben voor de hoeveelheid waarvoor zij zijn afgegeven, dezelfde rechtsgevolgen als de certificaten waaraan zij zijn ontleend.”
19 Artikel 20 van deze verordening luidt:
„1. Op verzoek van de titularis van het certificaat of van de cessionaris en bij overlegging van exemplaar nr. 1 van dat document, kunnen door de bevoegde instanties van de lidstaten een of meer uittreksels daarvan worden afgegeven.
[…]
Van exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt door de instantie van afgifte van het uittreksel de hoeveelheid afgeschreven, waarvoor het uittreksel is afgegeven, vermeerderd met de tolerantie. In dat geval wordt naast de op exemplaar nr. 1 van het certificaat afgeschreven hoeveelheid de vermelding ‚uittreksel’ aangebracht.
2. Een certificaatuittreksel geeft geen recht op afgifte van nog een ander uittreksel.
[…]”
20 Artikel 21, lid 1, van verordening nr. 3719/88 bepaalt:
„Voor de bepaling van de geldigheidsduur van de certificaten wordt ervan uitgegaan dat de certificaten op de dag van de indiening van de aanvraag zijn afgegeven; die dag is in de geldigheidsduur van het certificaat begrepen.”
21 Artikel 22, lid 1, van dezelfde verordening luidt als volgt:
„Exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt overgelegd aan het douanekantoor dat:
[…]
b) wanneer het een uitvoercertificaat of een certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie betreft, de aangifte aanvaardt
– voor uitvoer uit de Gemeenschap
[…]”
22 Artikel 24 van dezelfde verordening bepaalt:
„1. De vermeldingen op de certificaten en op de certificaatuittreksels mogen na afgifte ervan niet worden gewijzigd.
2. Bij twijfel omtrent de juistheid van de vermeldingen op het certificaat of op het uittreksel, wordt het certificaat of het uittreksel, op initiatief van de belanghebbende of van de bevoegde dienst van de betrokken lidstaat, aan de instantie van afgifte van het certificaat teruggezonden.
Indien de instantie van afgifte van het certificaat oordeelt dat rectificatie gerechtvaardigd is, trekt zij hetzij het uittreksel hetzij het certificaat en de vroeger afgegeven uittreksels in en geeft onverwijld een verbeterd uittreksel of een verbeterd certificaat en de dienovereenkomstig verbeterde uittreksels af. Op deze nieuwe documenten die op elk exemplaar de vermelding ‚op … (datum) verbeterd certificaat’ of ‚op … datum) verbeterd uittreksel’ dragen, worden in voorkomend geval de vroegere afschrijvingen opgenomen.
Indien de instantie van afgifte het niet noodzakelijk acht dat tot rectificatie van het certificaat of het uittreksel wordt overgegaan, brengt zij daarop de vermelding ‚geverifieerd op … (datum) overeenkomstig artikel 24 van verordening (EEG) nr. 3719/88’ en tevens haar stempel aan.”
23 In de zeventiende overweging van de considerans van verordening nr. 3719/88 heet het
„[…] dat om redenen van goed administratief beheer de certificaten en uittreksels van certificaten na afgifte ervan niet meer mogen worden gewijzigd; dat evenwel, voor het geval in verband met een vergissing die aan de instantie van afgifte is toe te schrijven of met klaarblijkelijke onjuistheden twijfel rijst ten aanzien van de op het certificaat of het uittreksel voorkomende vermeldingen, in een procedure dient te worden voorzien die tot de intrekking van de foutieve certificaten of uittreksels en tot de afgifte van verbeterde documenten kan leiden”.
24 De artikelen 30 en 31 van verordening nr. 3719/88 luiden:
„Artikel 30
1. Aan een primaire eis wordt geacht te zijn voldaan indien het bewijs wordt geleverd:
[…]
b) bij uitvoer: dat de in artikel 22, lid 1, onder b, bedoelde aangifte voor het betrokken product is aanvaard; bovendien dient het bewijs te worden geleverd:
i) wanneer het uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap of een met uitvoer gelijkgestelde leverantie in de zin van artikel 34 van verordening (EEG) nr. 3665/87 betreft, dat het product behoudens overmacht, binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, hetzij zijn bestemming heeft bereikt in het geval van met uitvoer gelijkgestelde leveranties, hetzij, in de andere gevallen, het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten […]
[…]
Artikel 31
1. De in artikel 30 bedoelde bewijzen worden op de volgende wijze geleverd:
[…]
b) in de in artikel 30, lid 1, onder b, en lid 2, bedoelde gevallen, onverminderd lid 2: door overlegging van het overeenkomstig artikel 22 of artikel 23 geviseerde exemplaar nr. 1 van het certificaat, onderscheidenlijk exemplaar nr. 1 van het uittreksel of van de uittreksels van het certificaat.
2. Bovendien is, wanneer het uitvoer uit de Gemeenschap, een levering met een bestemming in de zin van artikel 34 van verordening (EEG) nr. 3665/87 of plaatsing onder de regeling bedoeld in artikel 38 van die verordening betreft, overlegging van een aanvullend bewijs vereist.
Dit aanvullende bewijs wordt geleverd:
a) op een door de betrokken lidstaat zelf te bepalen wijze in de gevallen waarin:
i) het certificaat is afgegeven en
ii) de aangifte als bedoeld in artikel 22, lid 1, onder b, is aanvaard en
iii) het product
– het douanegebied van de Gemeenschap verlaat […]
[…]
in dezelfde lidstaat;
[…]”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
25 Op 7 augustus 1997 vroeg British Sugar bij IBAP een uitvoercertificaat aan voor de uitvoer van 20 miljoen kilogram (vermeld in woorden en cijfers) C‑suiker. Op 8 augustus 1997 gaf IBAP een uitvoercertificaat nummer 3SG00070 af voor 20 000 ton C‑suiker (hierna: „hoofdcertificaat”), dat geldig was tot en met 30 november 1997, en waarvoor een waarborg van 43 249,74 GBP werd gesteld ter verzekering van de uitvoer van deze hoeveelheid. Diezelfde dag gaf IBAP, op verzoek van British Sugar, rechtstreeks aan haar scheepsbevrachter, Oughtred & Harrison (hierna: „O & H”), het eerste uittreksel van dit certificaat af.
De eerste litigieuze partij
26 Op 8 augustus 1997 (de datum van afgifte van het hoofdcertificaat en het eerste uittreksel ervan) vroeg British Sugar nog vier afzonderlijke uittreksels (uittreksels 2 tot en met 5) van dit certificaat aan. British Sugar verzocht op de pro forma aanvraag voor het derde uittreksel, zoals zij wel vaker deed, dat het betrokken uittreksel, net als het eerste uittreksel, rechtstreeks naar O & H zou worden gezonden.
27 De aanvraag voor het derde uittreksel van het hoofdcertificaat vermeldde in de rubriek „Gevraagde hoeveelheid”, „2 900” in cijfers en eronder, „tweeduizend negenhonderd kilogram” in woorden. British Sugar stelt dat de aanvraag voor het derde uittreksel een fout bevatte aangezien zij in werkelijkheid een uittreksel voor tweeduizend negenhonderd ton suiker en niet voor tweeduizend negenhonderd kilogram wou aanvragen. Niettemin noteerde British Sugar in haar eigen boeken een uitvoer van 2,9 ton en heeft zij op die basis certificaatuittreksels aangevraagd.
28 Op 11 augustus 1997 gaf IBAP een uittreksel af voor een hoeveelheid van 2,9 ton en schreef hij dezelfde hoeveelheid af op het door hem bewaarde hoofdcertificaat. Zoals gevraagd, werd het uittreksel van dit certificaat rechtstreeks naar O & H verzonden. British Sugar stelt dat zij het uittreksel niet gezien heeft. Ook het door IBAP bewaarde hoofdcertificaat heeft verzoekster nooit gezien.
29 IBAP weet niet wanneer de betrokken uitvoeraangifte (douaneformulier C 88) werd opgesteld, maar stelt dat dit formulier door O & H was getypt op basis van een door British Sugar verstrekte pro forma C 88. In overeenstemming met het pro forma exemplaar gaf dit formulier in vak 38 een uitvoer aan van 2 900 kg. O & H corrigeerde deze vermelding en verving ze door de vermelding „2 900 000 kg”. Verder beschreef O & H de zending als 58 000 x 50 kg (dwz 2 900 ton) met een waarde van 551 493 GBP. In vak 47, voor basisdetails over de hoeveelheid, stond in de kolom „netto hoeveelheid”, het getal 2 900 vermeld. De kolom „eenheid” was niet ingevuld. In de kolom „uitvoercertificaat” was evenwel certificaat nummer 3SG00070/03 vermeld, dat was afgegeven voor een hoeveelheid van 2 900 kg.
30 Op 14 augustus 1997 legde O & H het formulier C 88 en het certificaatuittreksel over aan HM Customs & Excise (hierna: „douane”), met een schriftelijk verzoek om toelating voor het laden van 3 000 ton suiker. O & H verzocht de douane, op de brief haar stempel aan te brengen ten bewijze dat toestemming voor het laden was verleend. De brief werd afgestempeld door de douane, met als datum 14 augustus 1997. Op formulier C 88 staat 22 augustus 1997 als datum van uitvoer van de goederen uit het Verenigd Koninkrijk, hoewel deze aangifte pas op 29 augustus door de douane werd aanvaard, nadat de mededeling dat het laden voltooid was, op die datum met vertraging was overgelegd. Het staat niet ter discussie dat de douane formulier C 88 viseerde op de dag van aanvaarding, waarbij zij haar stempel aanbracht naast een afschrijving van „Twee miljoen negenhonderdduizend kilo”. IBAP weet niet wanneer de met de hand geschreven toevoeging in vak 38 van dit formulier werd aangebracht, maar merkt op dat British Sugar stelt dat deze wijziging werd aangebracht door O & H, die wist dat British Sugar 2 900 000 kg C‑suiker wilde uitvoeren.
31 Op 22 augustus 1997 werd 2 900 ton suiker verscheept naar een bestemming buiten de Europese Unie.
32 Op 29 augustus 1997 schreef de douane „2 900 T” en „Twee miljoen negenhonderdduizend kilo” (wat overeenkomt met 2 900 ton) af op het uittreksel van het hoofdcertificaat, door er een stempel en een handtekening op aan te brengen. Hoewel het schip al op 22 augustus was uitgevaren, werd het bewijs van vertrek pas op 29 augustus daaraanvolgend verstrekt, hetgeen de vertraging bij de afschrijving verklaart, niettegenstaande de eerdere en tijdige ontvangst van de douaneaangifte en het certificaatuittreksel.
33 Formulier C 88 werd door de douane geviseerd, door het aanbrengen van een stempel in de rechterbovenhoek en op vak 38, „Netto hoeveelheid (kg)”, waarin het getal „2 900 000” vermeld stond. De douane viseerde de keerzijde van dit formulier door er een stempel op aan te brengen halverwege op de rechterzijde en in de hoek rechtsonder, en kruiste vak A 1 aan, met de vermelding „Vastgesteld dat de gespecificeerde goederen het Verenigd Koninkrijk hebben verlaten (…) voor uitvoer naar een niet-lidstaat”.
34 IBAP ontving het betrokken certificaat op 15 september 1997.
35 Bij de controle a posteriori van de betrokken uitvoerdocumenten, die op deze datum aanving, ontdekte IBAP dat formulier C 88 en misschien ook het certificaat pas na verscheping van de goederen waren ingediend, en dat de netto hoeveelheid die in vak 38 van dit formulier was aangegeven niet overeenkwam met de hoeveelheid die was vermeld in de vakken 17 en 18 van het certificaatuittreksel. Bij verschillende brieven die tussen 9 en 15 oktober 1997 aan British Sugar werden gezonden, maakte IBAP British Sugar op deze feiten attent.
36 Op 9 oktober 1997 bleven 29,525 ton op het hoofdcertificaat onbenut. Op 16 oktober 1997 werd deze hoeveelheid op die basis uitgevoerd.
37 Bij brief van 20 april 1998 verzocht British Sugar IBAP formeel om gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheden ingevolge artikel 24 van verordening nr. 3719/88, teneinde „de situatie te regulariseren en de onjuistheden recht te zetten”. IBAP heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen andere keuze had dan te weigeren enige verandering aan te brengen in het hoofdcertificaat of in een van de uittreksels ervan.
De tweede litigieuze partij
38 In de punten 33 tot en met 35 van de bijlage bij het verzoek aan het Hof om een prejudiciële beslissing heet het:
„Na het derde uittreksel werden er nog 57 uittreksels op basis van het hoofdcertificaat verstrekt, waarmee de daarop vermelde hoeveelheid opgebruikt was. Op 11 september 1997 werd aan British Sugar een uittreksel voor 298,2 ton verstrekt (46ste uittreksel, en de hoeveelheid waarop verzoeksters aanvraag betrekking had). Hoewel één partij van 140 ton overeenkomstig dit uittreksel was verscheept op 10 oktober 1997 (dat wil zeggen vóór de laatste dag van geldigheid van het hoofdcertificaat en het uittreksel), werd een tweede partij van 158,2 ton pas op 3 december 1997 verscheept (dat wil zeggen 3 dagen na de laatste dag van geldigheid van het hoofdcertificaat en het uittreksel).
De douane, als gevolmachtigde van verweerder, schreef ‚158,2 T’ en ‚Honderdachtenvijftigduizend tweehonderd kilogram’ (dwz 158,2 ton) af op het certificaatuittreksel door er een stempel en een handtekening op aan te brengen.
Met betrekking tot deze partij van 298,2 ton viseerde de douane een formulier C 88, door er in de rechterbovenhoek, alsmede op de keerzijde halverwege op de rechterzijde en in de hoek rechtsonder een stempel op aan te brengen en vak A 1, met de vermelding ‚Vastgesteld dat de gespecificeerde goederen het Verenigd Koninkrijk hebben verlaten [...] voor uitvoer naar een niet-lidstaat’ aan te kruisen.”
39 Op 9 december 1997 ontving IBAP een C 88-formulier van aangifte van uitvoer, en bij onderzoek daarvan op 11 en 12 december daaraanvolgend bleek dat op 3 december 1997 op basis van het 46ste uittreksel 158,2 ton C‑suiker was uitgevoerd na de vervaldatum van het hoofdcertificaat en het betrokken uittreksel. Kort na dit onderzoek werd British Sugar bij brief van deze onregelmatigheid op de hoogte gebracht.
De inning van het krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 verschuldigde bedrag
40 IBAP heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor de op basis van uittreksels 3 en 46 uitgevoerde hoeveelheden van British Sugar een bedrag moest vorderen als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 2670/81, wegens het niet-verstrekken van het vereiste bewijs van export van de goederen, namelijk een geldig certificaat voor de gehele uitgevoerde hoeveelheid.
41 Op 30 april 1998 heeft IBAP een bedrag gefactureerd conform artikel 3, lid 1, van genoemde verordening. Dit bedrag heeft betrekking op 3 055,3 ton, dat wil zeggen het hoofdbestanddeel van het beroep in de hoofdzaak (2 897,1 ton: 2 900 min 2,9), plus het tweede bestanddeel (158,2 ton). Het gaat om een bedrag van 1 455 520,49 GBP. Dit bedrag is aangerekend op grond van de vaststelling dat British Sugar niet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2670/81 had voldaan.
42 Op 30 april 1998 kreeg British Sugar een aanmaning om dit bedrag te betalen. Het beroep in de hoofdzaak is gericht tegen de beslissing van IBAP van 23 december 1999 om dit bedrag in te vorderen.
43 In deze omstandigheden heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court), besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1) Wanneer:
a) een handelaar een hoeveelheid C‑suiker heeft geëxporteerd die hoger is dan de hoeveelheid waarvoor met het betrokken certificaat vergunning was verleend, en/of
b) een handelaar een hoeveelheid C‑suiker heeft geëxporteerd na het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat waarbij voor deze uitvoer vergunning werd verleend, en
c) zelfs indien de betrokken C‑suiker het douanegebied van de Gemeenschap feitelijk heeft verlaten;
is dan met betrekking tot die uitgevoerde hoeveelheid of dat deel van de betrokken uitgevoerde hoeveelheid dat niet door een geldig certificaat werd gedekt, het door artikel 2, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 2670/81 vereiste bewijs geleverd?
2) Luidt in de onder vraag 1, sub a, beschreven omstandigheden het antwoord op bovenstaande vraag anders, wanneer:
a) de handelaar aan de douaneautoriteiten een douaneaangifteformulier C 88 heeft overhandigd waarop met de hand wijzigingen waren aangebracht om de feitelijk uitgevoerde hoeveelheid aan te geven, en
b) de douaneautoriteiten het betrokken certificaatuittreksel hebben geviseerd naast de van de handelaar afkomstige vermelding van de feitelijk uitgevoerde hoeveelheid suiker?
3) Luidt het antwoord op bovenstaande vraag 1 anders, wanneer wordt uitgegaan van de volgende omstandigheden:
a) de handelaar wilde een aanvraag indienen voor 2 900 ton;
b) door een vergissing van de handelaar werd een certificaatuittreksel verstrekt voor 2,9 ton, en deze 2,9 ton werd opgenomen in de boeken van zowel de Intervention Board als de handelaar;
c) het certificaatuittreksel werd, met toestemming van de handelaar, door de gevolmachtigde van de handelaar gewijzigd om correct vast te leggen dat de handelaar voornemens was 2 900 ton uit te voeren;
d) dat certificaatuittreksel werd vervolgens geviseerd door de douane om de uitvoer van 2 900 ton suiker te certificeren;
e) voor de suiker werd een C 88-uitvoercertificaat opgesteld voor 2 900 ton, dat door de douane werd afgeschreven en geviseerd;
f) 2 900 ton suiker werd feitelijk uitgevoerd;
g) vervolgens werden certificaatuittreksels aangevraagd en toegekend, waarbij ervan werd uitgegaan dat voordien slechts vergunning was verleend voor de uitvoer van 2,9 ton;
h) elk volgend certificaatuittreksel werd naar behoren afgeschreven en geviseerd en alle vermelde hoeveelheden suiker werden feitelijk geëxporteerd;
i) uiteindelijk werd 2 897,1 ton suiker meer uitgevoerd dan het oorspronkelijke certificaat toestond.
4) Is de bevoegde instantie ingevolge artikel 24 van verordening nr. 3719/88 bevoegd om het uittreksel of het certificaat, alsmede eventuele eerder verstrekte uittreksels in te trekken, en vereist deze bepaling dat de bevoegde instantie onverwijld een correct certificaat of uittreksel of eventuele afschrijvingen daarop verstrekt in de situatie waarin:
a) het certificaat of uittreksel zelf op het eerste gezicht geen kennelijke of duidelijke vergissing bevat, en de instantie die ze heeft afgegeven, zich niet zelf heeft vergist, en/of
b) de gewenste wijziging zou hebben moeten plaatsvinden na het verstrijken van de geldigheidsduur van het betrokken uittreksel of hoofdcertificaat?
c) is ter zake dienend dat de handelaar de bedoeling had een certificaatuittreksel (van een reeds verstrekt certificaat) aan te vragen voor een grotere hoeveelheid dan de hoeveelheid die hij heeft aangevraagd?
5) Indien de antwoorden op bovenstaande vragen ontkennend luiden, vormen de bepalingen van artikel 24 van verordening nr. 3719/88 van de Commissie een inbreuk op het gemeenschapsrechtelijke evenredigheids‑ en/of gelijkheidsbeginsel, nu het ontbreken van elke bevoegdheid tot wijziging van het hoofdcertificaat, het certificaatuittreksel of de eventuele afschrijvingen daarop in de hierboven beschreven situatie krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81 van de Commissie tot gevolg kan hebben dat een geldboete wordt opgelegd?
6) a) Beschikt de nationale rechter en/of de nationale autoriteit over een discretionaire bevoegdheid om het bedrag van de overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2670/81 van de Commissie op te leggen geldboete te wijzigen (verlagen)?
7) Is in de omstandigheden als bedoeld in de punten 33 tot en met 35 van de verwijzingsbeschikking [weergegeven in punt 38 van het onderhavige arrest] krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81 van de Commissie op goede gronden een geldboete opgelegd?”
De eerste drie vragen
44 De eerste drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, hebben betrekking op de uitlegging van artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2670/81.
45 Krachtens deze bepaling dient, om het bewijs als bedoeld in artikel 1 van de verordening te leveren, een overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2630/81 – dat werd vervangen door artikel 4 van verordening nr. 1464/95 – door de bevoegde instantie van de lidstaat aan de betrokken fabrikant afgegeven uitvoercertificaat te worden overgelegd.
46 In punt 43 van zijn arrest van 29 januari 1998, Südzucker (C‑161/96, Jurispr. blz. I‑281), oordeelde het Hof dat hoewel de betrokken hoeveelheid suiker het douanegebied van de Gemeenschap had verlaten, de Commissie op goede gronden had kunnen oordelen dat de overlegging van het uitvoercertificaat met de vereiste afschrijvingen en viseringen noodzakelijk is om de inachtneming van de vereisten inzake de uitvoer van C‑suiker te verzekeren. In punt 34 van dat arrest stelde het Hof dat de verplichting om de naleving van deze vereisten te bewijzen door middel van dergelijk certificaat onontbeerlijk is voor de goede werking van het quotastelsel.
47 Blijkens de negende overweging van de considerans van de basisverordening moeten de bevoegde instanties immers in staat worden gesteld het verloop van het handelsverkeer met derde landen permanent te volgen teneinde de ontwikkeling hiervan te kunnen beoordelen en eventueel de bij deze verordening voorgeschreven maatregelen te kunnen toepassen. Te dien einde werd in de afgifte van uitvoercertificaten voorzien.
48 Derhalve hebben de uitvoercertificaten voor C‑suiker niet enkel ten doel de uitgevoerde hoeveelheid en de datum van uitvoer te bewijzen, maar beogen zij eveneens de omvang en de timing van de eraan verbonden uitvoerverrichtingen in goede banen te leiden, om ongewenste effecten op de GOM voor suiker te vermijden.
49 Bijgevolg is het in artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2670/81 vastgestelde bewijs voor een hoeveelheid feitelijk uitgevoerde C‑suiker niet geleverd, wanneer deze hoeveelheid de totale in het uitvoercertificaat aangegeven hoeveelheid overschrijdt of de uitvoer plaats vindt na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit certificaat. Dat de betrokken C‑suiker het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk heeft verlaten is in dit verband niet beslissend.
50 Wat betreft het met de tweede vraag bedoelde feit dat de douaneautoriteiten het betrokken certificaatuittreksel hebben geviseerd na kennisneming van het gewijzigde douaneaangifteformulier van de fabrikant waarop de feitelijk uitgevoerde hoeveelheid suiker was vermeld, kan worden volstaan met op te merken dat de douane niet als wettelijke vertegenwoordiger van IBAP optreedt. Hoe dan ook doet de omstandigheid dat de feitelijk uitgevoerde hoeveelheid op het uittreksel van het certificaat werd afgerekend en geviseerd, niet af aan de verplichting van de fabrikant om een geldig certificaatuittreksel voor te leggen voor de feitelijk uitgevoerde hoeveelheid.
51 Ook de in de derde vraag geformuleerde veronderstellingen, waarin in detail de omstandigheden die aan de orde zijn in de tweede vraag, het feit dat de fout van de handelaar in de aanvragen voor certificaatuittreksels niet werd verbeterd, en de gevolgen hiervan zijn beschreven, doen niet af aan het antwoord dat op de eerste vraag dient te worden gegeven.
52 Op de eerste drie vragen moet dus worden geantwoord, dat het in artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2670/81 bedoelde bewijs niet is geleverd voor een feitelijk uitgevoerde hoeveelheid C‑suiker, wanneer deze hoeveelheid groter is dan de totale in het uitvoercertificaat aangegeven hoeveelheid of de uitvoer plaatsvindt na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit certificaat. Dat de betrokken C‑suiker het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk heeft verlaten, is in dit verband niet beslissend. Hetzelfde geldt als de douaneautoriteiten een certificaatuittreksel hebben geviseerd waarin een gevraagde hoeveelheid is vermeld die evenwel niet overeenkomt met de werkelijke wil van de fabrikant, zoals die blijkt uit het in dier voege gewijzigde douaneaangifteformulier dat daarin de feitelijk uitgevoerde totale hoeveelheid suiker is vermeld.
De vierde vraag
53 Een rectificatie overeenkomstig artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3719/88 vooronderstelt dat een vermelding op het uitvoercertificaat of het uittreksel ervan onjuist is.
54 Er is geen sprake van een onjuistheid in de zin van deze bepaling als de op de uittrekselaanvraag aangegeven hoeveelheid op dit uittreksel juist is overgeschreven.
55 Deze vaststelling geldt ongeacht of de vermeldingen in de aanvraag al dan niet overeenkomen met de werkelijke wil van de aanvrager. Artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3719/88 heeft immers geen betrekking op de rectificatie van aanvragen voor uitvoercertificaten of uittreksels van deze certificaten. Overigens is de instantie die deze certificaten afgeeft zelfs niet gerechtigd een certificaatuittreksel af te geven dat de uitdrukkelijk gevraagde hoeveelheid zou overschrijden, wanneer de aanvrager daar niet om heeft verzocht.
56 Op de vierde vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 24 van verordening nr. 3719/88 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde instantie geen rectificatie van de op het uitvoercertificaat of het uittreksel ervan aangegeven hoeveelheid kan verrichten wanneer in deze documenten zelf geen onjuiste vermeldingen voorkomen.
57 Daar er in omstandigheden zoals deze van het hoofdgeding geen onjuistheid bestaat in de zin van artikel 24 van verordening nr. 3719/88, behoeft niet te worden geantwoord op de vraag betreffende de gegrondheid van verbeteringen die na het verstrijken van de geldigheidsduur van het uitvoercertificaat werden verricht.
De vijfde vraag
58 Volgens de rechtspraak van het Hof, dient om vast te stellen of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, te worden nagegaan of de middelen waarmee zij het gestelde doel beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is [arresten van 9 november 1995, Duitsland/Raad, C‑426/93, Jurispr. blz. I‑3723, punt 42, en 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C‑494/01, Jurispr. blz. I‑11453, punt 122].
59 Niet gesteld kan worden dat normen die op zichzelf geen inmenging inhouden in beschermde belangen het evenredigheidsbeginsel zouden kunnen schenden.
60 Blijkens de zeventiende overweging van de considerans van verordening nr. 3719/88 heeft artikel 24, lid 2, van deze verordening enkel de verbetering van vergissingen die toe te schrijven zijn aan de instantie van uitgifte of klaarblijkelijke onjuistheden ten doel. Dergelijke bepaling heeft geen enkele inmenging in de belangen van de fabrikanten tot gevolg en kan derhalve het evenredigheidsbeginsel niet schenden.
61 Aangaande het gelijkheidsbeginsel dient te worden vastgesteld dat Britsh Sugar geen argumenten heeft aangevoerd die zouden kunnen aantonen dat artikel 24, lid 2, van verordening nr. 3719/88 zelf ongeldig zou zijn wegens schending van dit beginsel.
62 Daaraan dient te worden toegevoegd, dat wanneer tengevolge van een vergissing in een aanvraag voor een uitvoercertificaat die onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager valt, een uittreksel werd afgegeven voor een hoeveelheid die kleiner is dan gewenst, de verordening er niet aan in de weg staat dat de fabrikant de inning van een heffing op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 vermijdt door voor de ontbrekende hoeveelheid een ander certificaat aan te vragen, zodat hij de werkelijk gewenste hoeveelheid goederen kan uitvoeren.
63 Gelet op het voorgaande dient op de vijfde vraag te worden geantwoord, dat bij onderzoek van artikel 24 van verordening nr. 3719/88 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
De zesde vraag
64 Niets in de bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 2670/81 wijst erop dat de bevoegde instanties gemachtigd zijn het betrokken bedrag te wijzigen.
65 British Sugar merkt evenwel op dat IBAP, indien hij een ernstige fout zou hebben gemaakt, ingevolge het gemeenschapsrecht de sanctie niet alleen zou mogen aanpassen, maar zelfs verplicht zou zijn dit te doen.
66 Op de vraag of deze uitlegging moet worden aanvaard, behoeft niet te worden beslist. In het hoofdgeding is immers geen enkel argument aangevoerd waaruit een onrechtmatige handelwijze van IBAP kan worden afgeleid. Het enige argument dat op een onrechtmatige handelwijze van IBAP zou kunnen wijzen, is gebaseerd op diens weigering de betrokken certificaatuittreksels te verbeteren, welke handelwijze IBAP niet kan worden verweten zoals blijkt uit de punten 53 tot en met 56 van dit arrest.
67 Op het eerste onderdeel van de zesde vraag moet dus worden geantwoord, dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, noch de nationale rechter, noch de bevoegde instantie over een discretionaire bevoegdheid beschikt om het bedrag van de krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81 op te leggen heffing te verminderen.
68 Gelet op dit antwoord, moet het tweede onderdeel van deze vraag niet worden beantwoord.
De zevende vraag
69 Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in de omstandigheden als beschreven in de punten 33 tot en met 35 van de verwijzingsbeschikking (weergegeven in punt 38 van dit arrest) een bedrag kon worden geïnd krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81.
70 In dit verband zij er aan herinnerd dat de procedure van artikel 234 EG gebaseerd is op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof.
71 Het Hof is niet bevoegd over de feiten van het hoofdgeding te beslissen of de communautaire voorschriften die het heeft uitgelegd, op nationale maatregelen of situaties toe te passen, aangezien dit tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort (zie arrest van 5 oktober 1999, Lirussi en Bizzaro, C‑175/98 en C‑177/98, Jurispr. blz. I‑6881, punten 37 en 38).
72 Om de verwijzende rechter toch een nuttig antwoord te geven, dient te worden opgemerkt dat niets in verordening nr. 2670/81 de fabrikant toelaat C‑suiker uit te voeren na het verstrijken van de geldigheidsduur van het desbetreffende uitvoercertificaat. Hieraan wordt niet afgedaan door de afrekening van de uitgevoerde hoeveelheden op het certificaatuittreksel of door de visa van de douaneautoriteiten op een formulier C 88 voor de betrokken uitvoer, daar deze handelingen geen verlenging van de geldigheid van het certificaat tot gevolg hebben.
73 Op de zevende vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 3 van verordening nr. 2670/81 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op de uitvoer van C‑suiker na het verstrijken van de geldigheidsduur van het desbetreffende uitvoercertificaat.
Kosten
74 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) bij beschikking van 20 juli 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Het in artikel 2, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 158/96 van de Commissie van 30 januari 1996, bedoelde bewijs is niet geleverd voor een feitelijk uitgevoerde hoeveelheid C‑suiker, wanneer deze hoeveelheid groter is dan de totale in het uitvoercertificaat aangegeven hoeveelheid of de uitvoer plaatsvindt na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit certificaat. Dat de betrokken C‑suiker het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk heeft verlaten, is in dit verband niet beslissend. Hetzelfde geldt als de douaneautoriteiten een certificaatuittreksel hebben geviseerd waarin een gevraagde hoeveelheid is vermeld die evenwel niet overeenkomt met de werkelijke wil van de fabrikant, zoals die blijkt uit het in dier voege gewijzigde douaneaangifteformulier dat daarin de feitelijk uitgevoerde totale hoeveelheid suiker is vermeld.
2) Artikel 24 van verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer‑ en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1199/95 van de Commissie van 29 mei 1995, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde instantie geen rectificatie van de op het uitvoercertificaat of het uittreksel ervan aangegeven hoeveelheid kan verrichten wanneer in deze documenten zelf geen onjuiste vermeldingen voorkomen.
3) Bij onderzoek van artikel 24 van verordening nr. 3719/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1199/95, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
4) In omstandigheden als die van het hoofdgeding, beschikt noch de nationale rechter, noch de bevoegde instantie over een discretionaire bevoegdheid om het bedrag van de krachtens artikel 3 van verordening nr. 2670/81, zoals gewijzigd bij verordening nr. 158/96, op te leggen heffing te verminderen.
5) Artikel 3 van verordening nr. 2670/81, zoals gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op de uitvoer van C‑suiker na het verstrijken van de geldigheidsduur van het desbetreffende uitvoercertificaat.
Skouris
Gulmann
Puissochet
Macken
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 februari 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy