Zaak C-330/01 P
Hortiplant SAT
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Landbouw – EOGFL – Intrekking en verzoek tot terugbetaling van financiële bijstand – Verordening (EEG) nr. 4253/88 – Artikel 24, leden 1 en 2 – Verplichting van Commissie om opmerkingen van betrokken lidstaat te vragen alvorens financiële bijstand in te trekken”
Samenvatting van het arrest
1. Economische en sociale samenhang – Structurele bijstandsverlening – Communautaire financiering – Procedure van intrekking van financiële bijstand – Verplichtingen van Commissie – Verplichting om betrokken lidstaat te vragen binnen bepaalde termijn zijn opmerkingen in te dienen – Verplichting die niet zover gaat dat voor vaststelling van beschikking tot intrekking van bijstand die opmerkingen moeten worden afgewacht
(Verordeningen van de Raad nr. 2052/88, art. 4, lid 1, en nr. 4253/88, art. 24, leden 1 en 2)
2. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
1. Met betrekking tot de vermeende noodzaak voor de Commissie om de opmerkingen van de betrokken lidstaat te verkrijgen alvorens een financiële bijstand in te trekken, schrijft artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, alleen voor dat de Commissie overgaat tot een passend onderzoek van het geval en daarbij met name aan de betrokken lidstaat of aan de autoriteiten die door deze lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen. Na dit onderzoek kan de Commissie de nodige maatregelen nemen, indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt.
Uit de bewoordingen van dit artikel blijkt niet dat bij het passend onderzoek van het geval de verplichting van de Commissie verder gaat dan het vereiste dat zij de lidstaat of de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen in te dienen. Dit wordt bevestigd door de overweging dat zowel de verwijzing naar een bepaalde termijn als de in lid 2 van dit artikel bepaalde bevoegdheid van de Commissie om een bijstand in te trekken, hun nuttige werking volledig zouden verliezen indien de Commissie verplicht zou zijn, de opmerkingen van de betrokken lidstaat af te wachten alvorens een beschikking te kunnen geven.
Het begrip partnerschap in artikel 24, lid 1, van bovengenoemde verordening en in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88, dat ziet op een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de bevoegde autoriteiten die laatstgenoemde op nationaal, regionaal, lokaal of ander niveau daartoe heeft aangewezen, vereist niet dat de Commissie vóór de vaststelling van een beschikking tot intrekking van bijstand de opmerkingen van een lidstaat moet hebben ontvangen. Evenmin kunnen deze artikelen de grondslag vormen voor een bevoegdheid op grond waarvan een lidstaat de Commissie verplichtingen zou kunnen opleggen naast die waarin artikel 24, lid 1, voorziet.
(cf. punten 29, 31-32)
2. Uit artikel 225 EG en artikel 51, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat het Hof niet bevoegd is om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht met betrekking tot die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
(cf. punt 36)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 februari 2004(1)
„Landbouw – EOGFL – Intrekking en verzoek tot terugbetaling van financiële bijstand – Verordening (EEG) nr. 4253/88 – Artikel 24, leden 1 en 2 – Verplichting van Commissie om opmerkingen van betrokken lidstaat te vragen alvorens financiële bijstand in te trekken”
In zaak C-330/01 P,
Hortiplant SAT, gevestigd te Amposta (Spanje), vertegenwoordigd door C. Fernández Vicién en I. Moreno-Tapia Rivas, abogadas,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 14 juni 2001, Hortiplant/Commissie (T-143/99, Jurispr. blz. II-1665), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J.-P. Puissochet en F. Macken (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 13 maart 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 september 2001, heeft de vennootschap Hortiplant SAT (hierna: „Hortiplant”) krachtens artikel 49 van het Statuut‑EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juni 2001, Hortiplant/Commissie (T‑143/99, Jurispr. blz. II‑1665; hierna: „bestreden arrest”). Bij dit arrest verwierp het Gerecht het beroep tot nietigverklaring dat Hortiplant had ingesteld tegen de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1999 (hierna: „bestreden beschikking”) houdende intrekking van de financiële bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, die bij beschikking C (92) 3125 van de Commissie van 3 december 1992 (hierna: „toekenningsbeschikking”) aan Hortiplant was toegekend in het kader van het project „Initiatief in de vorm van een proef- en demonstratieproject inzake een nieuwe, zeer efficiënte productiemethode voor boomkwekerijen: toepassing op sier‑ en bosbouwrassen” (hierna: „project”).
Rechtskader
2 Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 5; hierna: „verordening nr. 2052/88”) luidt:
„De actie van de Gemeenschap is bedoeld als aanvulling op of bijdrage tot de overeenkomstige acties van de lidstaten. Zij komt tot stand door nauw overleg tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de door de lidstaat aangewezen nationale, regionale, lokale of andere bevoegde autoriteiten en instanties – overeenkomstig de respectieve institutionele regelingen en gebruiken van de lidstaten, met inbegrip van de economische en sociale partners – waarbij elke partij handelt als een partner die een gemeenschappelijk doel nastreeft. Dit overleg wordt hierna ‚partnerschap’ genoemd. Het partnerschap omvat de voorbereiding, de financiering en de beoordeling vooraf van, het toezicht op en de evaluatie achteraf van de acties.
Het partnerschap eerbiedigt ten volle de respectieve institutionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke partner.”
3 Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20; hierna: „verordening nr. 4253/88”), bevat in titel IV (artikelen 14 tot en met 16) de bepalingen betreffende de behandeling van de bijstandsaanvragen, de voorwaarden om voor die financiële bijstand in aanmerking te komen en een aantal specifieke bepalingen.
4 Verordening nr. 4253/88 bevat eveneens, in artikel 21, de bepalingen betreffende de betaling van de financiële bijstand, in artikel 23, de bepalingen betreffende de financiële controle en, in artikel 24, die betreffende de vermindering, de opschorting en de intrekking van de bijstand.
5 Artikel 24 van deze verordening luidt:
„1. Indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen.
2. Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht.
3. Ieder bedrag dat tot een terugvordering wegens onverschuldigde betaling aanleiding geeft, moet aan de Commissie worden terugbetaald. Niet-terugbetaalde bedragen worden in overeenstemming met het Financieel Reglement en met de regels die de Commissie volgens de in titel VIII bedoelde procedures vaststelt, vermeerderd met de moratoire interessen.”
De feiten van het geding
6 De feiten van het geding, zoals deze blijken uit de punten 11 tot en met 27 van het bestreden arrest, kunnen worden samengevat als volgt.
7 Op 3 december 1992 kende de Commissie bij de toekenningsbeschikking overeenkomstig artikel 8, eerste en vierde streepje, van verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot het EOGFL, afdeling Oriëntatie (PB L 374, blz. 25), financiële bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toe aan Hortiplant. Deze bijstand werd toegekend in het kader van het project.
8 De Commissie heeft Hortiplant voorschotten op deze bijstand betaald tot een totaalbedrag van 512 393 ecu.
9 Naar aanleiding van een verificatie door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen op 10 februari 1997 besloot de Commissie een aantal krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 gesubsidieerde proefprojecten te controleren, omdat zij vermoedde dat een georganiseerd netwerk op bedrieglijke wijze communautaire subsidies probeerde te verkrijgen. Ook het project werd aan dergelijke controles onderworpen.
10 Op 29 en 30 september 1997 werd overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 4253/88 de uitvoering van het project ter plaatse gecontroleerd door ambtenaren van de DG’s „Landbouw” en „Financiële controle” van de Commissie en van de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding (UCLAF).
11 Bij schrijven van 3 april 1998 deelde de Commissie Hortiplant mee dat zij overeenkomstig verordening nr. 4253/88 een onderzoek naar de uitvoering van het project had ingesteld en dat de verificatie feiten aan het licht had gebracht die onregelmatigheden konden opleveren. De Commissie gaf Hortiplant een termijn van zes weken voor het geven van toelichting en voor het toezenden van gegevens uit de boekhouding en de administratie ten bewijze van de juiste uitvoering van het project, bij gebreke waarvan de reeds uitbetaalde bedragen zouden moeten worden terugbetaald en de betrokken bijstand zou worden ingetrokken.
12 Tegelijkertijd zond zij het Koninkrijk Spanje, de betrokken lidstaat in de zin van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88, een verzoek om opmerkingen. Zij voegde daarbij de aan Hortiplant gezonden brief en verzocht de Spaanse autoriteiten, binnen een termijn van zes weken de door hen opportuun geachte opmerkingen te maken.
13 Bij schrijven van 26 mei 1998 maakte Hortiplant een aantal opmerkingen omtrent de beweringen van de Commissie. De Spaanse regering heeft echter niet geantwoord op het verzoek van de Commissie.
14 Bij beschikking van 4 maart 1999 bevestigde de Commissie krachtens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 het bestaan van een aantal onregelmatigheden en trok zij krachtens artikel 24, lid 2, de aan Hortiplant toegekende financiële bijstand in.
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
15 In deze omstandigheden heeft Hortiplant bij op 12 juni 1999 neergelegd verzoekschrift bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring ingesteld.
16 Ter ondersteuning van haar beroep heeft Hortiplant vijf middelen aangevoerd. Als vierde middel voerde zij in het bijzonder aan dat de Commissie, in strijd met de rechten van de verdediging, niet had voldaan aan haar verplichting om rekening te houden met de opmerkingen van de betrokken lidstaat, met name door de bestreden beschikking vast te stellen zonder de opmerkingen van het Koninkrijk Spanje te hebben ontvangen, hetgeen in strijd is met artikel 24, leden 1 en 2, van verordening nr. 4253/88.
17 In de punten 103 tot en met 105 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dit betoog verworpen in de volgende bewoordingen::
„103 Wat ten slotte de bewering betreft dat de Commissie de opmerkingen van de betrokken lidstaat had moeten afwachten alvorens een financiële bijstand in te trekken, zij erop gewezen dat artikel 24 van verordening nr. 4253/88 alleen voorschrijft dat de Commissie overgaat tot een passend onderzoek van het geval en daarbij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen, en dat de Commissie na dit onderzoek de nodige maatregelen kan nemen, indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt.
104 Uit de formulering van dit artikel blijkt niet, dat de Commissie, indien het door haar ingestelde onderzoek een onregelmatigheid heeft bevestigd, de opmerkingen van de betrokken lidstaat moet hebben ontvangen alvorens zij de financiële bijstand kan intrekken.
105 Gezien het voorgaande moet het vierde middel worden afgewezen.”
18 Het Gerecht heeft in punt 124 van het bestreden arrest geconcludeerd dat het beroep in zijn geheel moest worden verworpen. Het heeft Hortiplant daarom overeenkomstig de vordering van de Commissie verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van de Commissie.
Conclusies van partijen
19 In haar hogere voorziening concludeert Hortiplant dat het het Hof behage, het bestreden arrest te vernietigen en het geding definitief te beslechten alsmede, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en in de kosten die in het kader van de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt.
20 De Commissie concludeert dat het het Hof behage, de hogere voorziening kennelijk ongegrond te verklaren en Hortiplant te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
Argumenten van partijen
21 Hortiplant baseert haar hogere voorziening op een onjuiste uitlegging van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88.
22 In de eerste plaats verwijt rekwirante het Gerecht dat het dit artikel niet ten volle heeft toegepast. Volgens de aan dit artikel gegeven uitlegging zijn de opmerkingen van de betrokken lidstaat eigenlijk alleen nodig indien de Commissie twijfels heeft over de regelmatigheid van de financieringen en dergelijke twijfels niet zijn bevestigd door de onderzoeken die de Commissie heeft ingesteld. Door een dergelijke uitlegging verliest de aan de Commissie opgelegde verplichting om de lidstaat vóór de vaststelling van een eindbeschikking te verzoeken haar zijn opmerkingen mee te delen, elke zin en betekenis.
23 In de tweede plaats stelt rekwirante dat het in artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 en in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88 uitdrukkelijk genoemde partnerschap, dat tot stand komt door nauw overleg tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de door deze laatste aangewezen bevoegde autoriteiten, onverenigbaar is met de vaststelling door het Gerecht dat de Commissie in bepaalde omstandigheden voorbij kon gaan aan de opmerkingen van de betrokken lidstaat.
24 Voorts stelt Hortiplant dat het Gerecht artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 overeenkomstig de rechtspraak van het Hof betreffende het Europees Sociaal Fonds had moeten uitleggen. Volgens deze uitlegging vormt de indiening van opmerkingen door de betrokken lidstaat voordat een beschikking tot vermindering van de bijstand wordt gegeven, een wezenlijk vormvoorschrift (zie arresten Hof van 11 oktober 1990, FUNOC/Commissie, C‑200/89, Jurispr. blz. I‑3669; 7 mei 1991, Oliveira/Commissie, C‑304/89, Jurispr. blz. I‑2283, en 25 mei 1993, Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie, C‑199/91, Jurispr. blz. I‑2667, en arrest Gerecht van 7 maart 1995, Socurte e.a./Commissie, T‑432/93–T‑434/93, Jurispr. blz. II‑503).
25 In de derde plaats verwijt rekwirante het Gerecht dat het ten onrechte heeft vastgesteld dat de brief van de Commissie van 3 april 1998, waarbij zij het Koninkrijk Spanje „louter uit beleefdheid” heeft verzocht, opmerkingen over deze zaak te maken, voldoet aan de krachtens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 op de Commissie rustende verplichting om de betrokken lidstaat te vragen zijn opmerkingen in te dienen.
26 De Commissie stelt dat dit middel ongegrond is. Volgens de bewoordingen van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 is het voldoende dat aan de lidstaat de mogelijkheid is geboden om binnen een redelijke termijn zijn opmerkingen over de onderzochte feiten in te dienen. Indien na het verstrijken van deze termijn geen opmerking is gemaakt, kan de Commissie de procedure voortzetten en een beschikking geven. De vaststelling van het Gerecht in de punten 103 tot en met 105 van het bestreden arrest is dus volledig in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel, dat vereist dat de verordening naar behoren wordt nageleefd zonder dat de dossiers onnodige vertraging opgelopen.
27 In de eerste plaats heeft de door Hortiplant aangehaalde rechtspraak betrekking op een ander structuurfonds en op bepalingen die duidelijk anders zijn geformuleerd. Voorts is het volgens deze rechtspraak een wezenlijk vormvoorschrift om de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen, vóór de vermindering van de bijstand zijn opmerkingen bij de Commissie in te dienen, maar niet om dergelijke opmerkingen te verkrijgen.
28 Ten slotte heeft het Gerecht volgens de Commissie terecht vastgesteld dat haar aangetekende brief met ontvangstbevestiging van 3 april 1998, waarbij de aan Hortiplant gezonden brief van diezelfde datum was gevoegd, een verzoek aan het Koninkrijk Spanje inhield om zijn opmerkingen in te dienen.
Beoordeling door het Hof
29 Met betrekking tot de vermeende noodzaak voor de Commissie om de opmerkingen van de betrokken lidstaat te verkijgen alvorens een financiële bijstand in te trekken, heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 alleen voorschrijft dat de Commissie overgaat tot een passend onderzoek van het geval en daarbij met name aan de betrokken lidstaat of aan de autoriteiten die door deze lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen. Na dit onderzoek kan de Commissie de nodige maatregelen nemen, indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt.
30 Met haar eerste grief stelt rekwirante dat het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 aldus heeft uitgelegd dat de opmerkingen van de betrokken lidstaat alleen noodzakelijk zijn, indien het passend onderzoek van het geval door de Commissie de twijfels over de regelmatigheid van de financieringen niet heeft kunnen bevestigen. Door een dergelijke uitlegging verliest de krachtens dit artikel aan de Commissie opgelegde verplichting om de betrokken lidstaat te verzoeken, binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen in te dienen, haars inziens elke nuttige werking. Uit punt 103 van het bestreden arrest volgt echter duidelijk dat binnen de gestelde termijn ingediende opmerkingen van de betrokken lidstaat deel uitmaken van een dergelijk onderzoek. Deze eerste grief berust derhalve op een partiële en onjuiste lezing van punt 104 van het bestreden arrest en moet daarom ongegrond worden verklaard.
31 Wat de tweede grief betreft, zij opgemerkt dat, gelijk het Gerecht terecht heeft vastgesteld, uit de bewoordingen van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 niet blijkt dat bij het passend onderzoek van het geval de verplichting van de Commissie verder gaat dan het vereiste dat zij de lidstaat of de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen in te dienen. Deze vaststelling wordt bevestigd door de overweging dat zowel de verwijzing naar een bepaalde termijn als de in artikel 24, lid 2, bepaalde bevoegdheid van de Commissie om een bijstand in te trekken, hun nuttige werking volledig zouden verliezen indien de Commissie verplicht zou zijn, de opmerkingen van de betrokken lidstaat af te wachten alvorens een beschikking te kunnen geven.
32 Anders dan rekwirante stelt, is het oordeel van het Gerecht ook in overeenstemming met het begrip partnerschap dat in dat artikel en in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88 wordt genoemd. Dit begrip, dat ziet op een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de bevoegde autoriteiten die laatstgenoemde op nationaal, regionaal, lokaal of ander niveau daartoe heeft aangewezen, vereist niet dat de Commissie vóór de vaststelling van een beschikking tot intrekking van bijstand de opmerkingen van een lidstaat moet hebben ontvangen. Evenmin kan artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 of artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88 de grondslag vormen voor een bevoegdheid op grond waarvan een lidstaat de Commissie verplichtingen zou kunnen opleggen naast die waarin eerstgenoemd artikel voorziet.
33 Met betrekking tot rekwirantes stelling, dat het Gerecht artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 overeenkomstig de rechtspraak van het Hof betreffende het Europees Sociaal Fonds had moeten uitleggen, zij vastgesteld dat, gelijk de Commissie in haar memorie van antwoord heeft gesteld, de reeds aangehaalde arresten van het Hof in de zaken FUNOC/Commissie, Oliveira/Commissie en Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie alsmede het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht in de zaak Socurte e.a./Commissie betrekking hadden op de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB L 289, blz. 1), waarvan de inhoud en het doel volkomen irrelevant zijn voor de uitlegging van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88. In elk geval volstaat de lezing van deze arresten voor de vaststelling dat het als een wezenlijk vormvoorschrift wordt beschouwd om de betrokken lidstaat vóór de vermindering van de bijstand in de gelegenheid te stellen, zijn opmerkingen in te dienen.
34 Hieruit volgt dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 103 en 104 van het bestreden arrest aan artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 heeft gegeven, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat deze tweede grief ongegrond moet worden verklaard.
35 Met de derde grief komt rekwirante op tegen de vaststelling en de beoordeling van de feiten op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de brief van de Commissie van 3 april 1998 aan het Koninkrijk Spanje voldeed aan de krachtens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 op de Commissie rustende verplichting om de betrokken lidstaat te vragen, zijn opmerkingen in te dienen.
36 Uit artikel 225 EG en artikel 51, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie volgt evenwel dat het Hof niet bevoegd is om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht met betrekking tot die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen (arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 24). Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs (arrest van 7 november 2002, Glencore en Compagnie Continentale/Commissie, C‑24/01 P en C‑25/01 P, Jurispr. blz. I‑10119, punt 65).
37 Daar het Gerecht evenwel, door de brief van de Commissie van 3 april 1998 aan het Koninkrijk Spanje aan te merken als een verzoek om opmerkingen in de zin van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88, de feiten niet alleen heeft beoordeeld, maar deze ook heeft gekwalificeerd, kan het Hof dit onderdeel van het middel onderzoeken (arresten van 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie, C‑39/93, Jurispr. blz. I‑2681, punt 26, en 11 juli 1996, An Taisce en WWF UK/Commissie, C‑325/94 P, Jurispr. blz. I‑3727, punt 30).
38 Aangezien als bijlage bij deze brief de aan rekwirante gerichte brief van 3 april 1998 met daarin de jegens haar geformuleerde verwijten was gevoegd, en het Koninkrijk Spanje in deze brief uitdrukkelijk werd verzocht, binnen een termijn van zes weken zijn opmerkingen bij de Commissie in te dienen, kan uit niets worden afgeleid dat het Gerecht deze brief ten onrechte als een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 4253/88 heeft aangemerkt.
39 Bijgevolg moet deze derde grief ongegrond worden verklaard.
40 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
41 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Hortiplant SAT in de kosten.
Cunha Rodrigues
Puissochet
Macken
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 februari 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy