Zaak C‑332/01
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Begrotingsjaren 1996 tot en met 1999 – Beschikking 2001/557/EEG – Katoen, olijfolie, krenten en rozijnen, schapen‑ en geitenvlees”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Beginselen – Uitgaven in overeenstemming met gemeenschapsregels – Controleverplichting van lidstaten
2. Handelingen van de instellingen – Verordeningen – Verordening die specifieke controlemaatregelen voorschrijft – Ontbreken van beoordelingsvrijheid van lidstaten – Niet-uitvoering – Rechtvaardiging – Grotere doeltreffendheid van ander controlesysteem – Ontoelaatbaarheid
3. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Procedure van goedkeuring van rekeningen – Doel – Financiële correctie die geen sanctie vormt
4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking betreffende goedkeuring van rekeningen in verband met door EOGFL gefinancierde uitgaven
5. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Representativiteit van gecontroleerde steekproeven – Invloed van keuze van geografische basis
(Verordening nr. 3887/92 van de Commissie, art. 6, leden 1, 3 en 4)
6. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Toekenning van premie ten behoeve van schapen‑ en geitenvleesproducenten – Identificatie van overgebrachte dieren vóór uitbesteding voor verzorging – Begrip „uitbesteding voor verzorging” – Strekking
(Verordening nr. 2700/93 van de Commissie, art. 1, lid 3, tweede alinea)
1. Op het gebied van communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het EOGFL hebben verricht, moeten de autoriteiten van de lidstaten een betrouwbaar en operationeel controlesysteem invoeren, dat in dier voege is opgezet dat leemten worden voorkomen. In dit verband kan het argument dat het ontbreken van controle aan een tijdelijk personeelsgebrek is toe te schrijven, niet in aanmerking worden genomen.
(cf. punt 50)
2. De lidstaten dienen de bij een verordening vastgestelde specifieke controlemaatregelen toe te passen zonder dat behoeft te worden onderzocht of zij terecht stellen dat een ander controlesysteem doeltreffender is, zelfs wanneer reeds alternatieve controles zijn georganiseerd
(cf. punt 62)
3. De niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG en de procedure van goedkeuring van de EOGFL-rekeningen streven verschillende doelstellingen na en worden door verschillende regels beheerst. In laatstgenoemde procedure moet de Commissie een financiële correctie toepassen wanneer uitgaven waarvoor om financiering wordt verzocht, niet overeenkomstig de gemeenschapsregels zijn verricht. Met een dergelijke financiële correctie wordt vermeden dat bedragen die niet voor financiering van een door de betrokken gemeenschapsregeling nagestreefd doel zijn gebruikt, ten laste van het EOGFL komen. Die correctie vormt dus geen sanctie.
(cf. punt 63)
4. In de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen tot stand komen, moet de motivering van een beschikking als toereikend worden beschouwd wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te kunnen brengen.
(cf. punt 67)
5. Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, bepaalt met betrekking tot de geografische basis van de bemonstering dat de controles ter plaatse ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen betreffen, en dat deze steekproef moet bestaan uit een bepaald percentage van de steunaanvragen „dieren”. Die bepaling preciseert echter niet of het minimumpercentage met betrekking tot een district of tot het gehele land moet worden berekend.
In dit verband wordt de representativiteit van de steekproeven beter gewaarborgd, indien zij op het niveau van de districten in plaats van op het niveau van het gehele land worden genomen. Het zou immers in strijd zijn met de doelstelling van een doeltreffende verificatie dat bepaalde districten waarin een aanzienlijke hoeveelheid van de betrokken producten wordt geproduceerd, geheel of gedeeltelijk aan de controles zouden kunnen ontsnappen, wanneer het nationale gemiddelde van de steekproeven meer dan het vastgestelde percentage bedraagt.
(cf. punten 109, 111)
6. Het begrip „uitbesteding voor verzorging” in het kader van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2700/93 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de premie ten behoeve van schapen‑ en geitenvleesproducenten, dat tot doel heeft de identificatie van de overgebrachte dieren te waarborgen voordat zij met andere dieren worden vermengd, moet aldus worden uitgelegd, dat het ook geldt voor de gevallen waarin de dieren wegens de gemeenschappelijke exploitatie van kudden van verschillende eigenaren met andere worden vermengd.
Het wezenlijke kenmerk van een uitbesteding van dieren voor verzorging is immers dat dieren van verschillende oorsprong bij elkaar worden gezet en dat het nagenoeg onmogelijk wordt ze van elkaar te onderscheiden indien zij niet vooraf zijn gemerkt.
(cf. punt 142)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
9 september 2004(1)
„EOGFL – Goedkeuring van rekeningen – Begrotingsjaren 1996 tot en met 1999 – Beschikking 2001/557/EEG – Katoen, olijfolie, krenten en rozijnen, schapen- en geitenvlees”
In zaak C-332/01,betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG,ingesteld op 3 september 2001,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en I. Chalkias als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 november 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 2004,
het navolgende
Arrest
1 De Helleense Republiek verzoekt om nietigverklaring van beschikking 2001/557/EG van de Commissie van 11 juli 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB L 200, blz. 28; hierna: „bestreden beschikking”), voor het gedeelte dat haar betreft.
Toepasselijke bepalingen
De financiering van de uitgaven ten laste van het EOGFL
2 Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1; hierna: „verordening nr. 729/70”), bepaalt in de artikelen 1, lid 2, sub b, en 3, lid 1, dat het EOGFL, afdeling Garantie, de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.
3 Artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 luidt:
„[…]
c) de Commissie neemt een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over het daaraan te geven gevolg.
Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om inleiding van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen; de resultaten daarvan worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt overgemaakt en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen.
De Commissie bepaalt de te onttrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.
Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. […]”
4 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 729/70 bepaalt:
„De lidstaten verstrekken aan de Commissie alle inlichtingen die voor de goede werking van het [EOGFL] nodig zijn. Zij nemen alle maatregelen die kunnen dienen ter vergemakkelijking van de controles – verificaties ter plaatse daaronder begrepen – die de Commissie doelmatig acht in het kader van het beheer van de communautaire financiering.
De lidstaten geven de Commissie kennis van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, welke zij ter uitvoering van de communautaire besluiten met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben vastgesteld, voor zover deze besluiten financiële gevolgen voor het [EOGFL] hebben.”
5 Volgens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 729/70 krijgen de door de Commissie voor de verificaties ter plaatse gemachtigde functionarissen inzage van de boeken en alle andere documenten betreffende de door het [EOGFL] gefinancierde uitgaven.
6 Verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), stelt met name de verplichtingen vast van de coördinerende instanties die als enige vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat jegens de Commissie optreden. Die instanties moeten alle nodige boekhoudkundige gegevens ter beschikking van de Commissie stellen in zodanige vorm dat de diensten van de Commissie de vereiste controles kunnen verrichten.
7 In de bijlage bij verordening nr. 1663/95 zijn de administratieve en boekhoudkundige voorschriften vastgelegd waaraan de betaalorganen van de lidstaten zich moeten houden om een doeltreffende controle op de ontvankelijkheid van de steunaanvragen en de conformiteit van de desbetreffende betalingen met de communautaire voorschriften te garanderen.
8 Document nr. VI/5330/97 van de Commissie van 23 oktober 1997 bevat de richtsnoeren die de instelling zal volgen bij de toepassing van financiële correcties in het kader van de goedkeuring van rekeningen van het EOGFL. Volgens deze richtsnoeren past de Commissie, wanneer het werkelijke bedrag van de onregelmatige betalingen niet kan worden vastgesteld en de door de Gemeenschap geleden verliezen dus niet kunnen worden gekwantificeerd, forfaitaire financiële correcties toe, die in de regel 2 %, 5 %, 10 % of 25 % van de gedeclareerde uitgaven bedragen, afhankelijk van de grootte van het risico van verliezen.
9 Blijkens dit document worden in deze richtsnoeren twee categorieën van controles onderscheiden:
– „Essentiële controles zijn de fysieke en de administratieve controles die vereist zijn om essentiële punten te verifiëren, in het bijzonder het bestaan van het object van de aanvraag, de hoeveelheid of het aantal, en de kwalitatieve voorwaarden zoals onder meer de inachtneming van termijnen, oogstvoorwaarden, aanhoudperioden, enz. Zij worden ter plaatse uitgevoerd en vinden plaats door toetsing aan objectieve gegevens zoals een grondkadaster.”
– „Aanvullende controles zijn de administratieve handelingen die vereist zijn om de aanvragen correct te verwerken, zoals nagaan of de aanvragen binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend, verifiëren of voor hetzelfde object niet tweemaal een aanvraag is ingediend, risicoanalyse, de toepassing van sancties en adequate controle op de inachtneming van de procedures.”
10 In dit verband is in document nr. VI/5330/97 bepaald:
„Wanneer een of meer essentiële controles niet zijn uitgevoerd, dan wel zo gebrekkig of sporadisch zijn uitgevoerd dat aan de hand daarvan niet kan worden nagegaan of de aanvraag in aanmerking komt, of een onregelmatigheid niet wordt voorkomen, is een correctie van 10 % gerechtvaardigd, aangezien redelijkerwijs kan worden gesteld dat de kans op algemene benadeling van het [EOGFL] groot was.
Wanneer alle essentiële controles zijn uitgevoerd, maar qua aantal, frequentie of grondigheid niet in overeenstemming waren met de voorschriften, is een correctie van 5 % gerechtvaardigd, aangezien redelijkerwijs kan worden gesteld dat zij niet voldoende garanties boden inzake de rechtmatigheid van de aanvragen en dat er voor het [EOGFL] een aanzienlijk risico was.
Wanneer een lidstaat de essentiële controles adequaat heeft uitgevoerd, maar een of meer aanvullende controles volledig achterwege heeft gelaten, is een correctie van 2 % gerechtvaardigd, gelet op de kleinere kans op benadeling van het [EOGFL] en het minder ernstige karakter van de inbreuk.
[…]
Wanneer evenwel een lidstaat een controlesysteem helemaal niet of slechts zeer gebrekkig toepast en er aanwijzingen zijn van onregelmatigheden op grote schaal en nalatigheid bij het bestrijden van onregelmatige of frauduleuze praktijken, is een correctie van 25 % gerechtvaardigd, aangezien dan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het feit dat de gegadigden de mogelijkheid hebben om ongestraft onrechtmatige aanvragen in te dienen tot uitzonderlijk grote verliezen voor het [EOGFL] zal leiden.”
De sector katoen
11 Artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1201/89 van de Commissie van 3 mei 1989 houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen (PB L 123, blz. 23), zoals met name gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1437/96 van de Commissie van 23 juli 1996 (PB L 184, blz. 29; hierna: „verordening nr. 1201/89”), bepaalt:
„Iedere katoenproducent moet jaarlijks behoudens overmacht vóór een door de betrokken lidstaat vastgestelde datum en uiterlijk 1 juli een aangifte van het ingezaaide areaal indienen.
Voor het jaar 1996 geldt in Griekenland evenwel 1 augustus in plaats van 1 juli.”
12 In artikel 12, lid 1, sub a, van verordening nr. 1201/89 is bepaald:
„De door de producerende lidstaat aangewezen instantie verifieert […] door middel van een ter plaatse steekproefsgewijze uitgevoerde controle van ten minste 5 % van de aangiften van het ingezaaide areaal, of deze juist zijn.”
De olijfoliesector
13 Ingevolge artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 154/75 van de Raad van 21 januari 1975 tot instelling van een olijfoliedossier in de olijfolieproducerende lidstaten (PB L 19, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3453/80 van de Raad van 22 december 1980 (PB L 360, blz. 15; hierna: „verordening nr. 154/75”), moeten de betrokken lidstaten een olijfoliedossier samenstellen dat betrekking heeft op alle olijfboomgaarden op hun grondgebied.
14 Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 154/75 bepaalt dat het olijfoliedossier het, voor elke boomgaard, mogelijk moet maken vast te stellen:
– de totale met olijfbomen beplante oppervlakte, met de kadastrale nummers van de percelen waaruit zij bestaat,
– het totaal aantal olijfbomen,
– de namen van de eigenaars van ieder perceel,
– de indeling van de met olijfbomen beplante oppervlakten naar monocultuur en gemengde teelt,
– de indeling van de olijfbomen naar ras,
– de toegepaste teeltwijze,
– de ouderdom van de olijfbomen, de stand van cultuur en productie,
– het aantal olijfbomen in bevloeiingscultuur.
15 Dezelfde bepaling heeft de termijn voor de samenstelling van het olijfoliedossier in Griekenland op 31 oktober 1988 bepaald.
16 Ingevolge artikel 16, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de productiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB L 208, blz. 3), moet iedere producerende lidstaat zorgen voor de vorming en permanente bijwerking van een geautomatiseerd bestand van gegevens over de olijventeelt en de olijfolieproductie.
17 Volgens artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3061/84 van de Commissie van 31 oktober 1984 houdende uitvoeringsbepalingen van de productiesteunregeling voor olijfolie (PB L 288, blz. 52), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 98/89 van de Commissie van 17 januari 1989 (PB L 14, blz. 14; hierna: „verordening nr. 3061/84”), nemen de lidstaten de basisgegevens van het olijventeeltkadaster in het computerbestand op zodra deze gegevens beschikbaar zijn.
18 In artikel 11, lid 2, van verordening nr. 3061/84 is bepaald dat het computerbestand vóór 31 oktober 1990 volledig gebruiksklaar moet zijn.
De sector krenten en rozijnen
19 In artikel 3 van verordening (EEG) nr. 2911/90 van de Commissie van 9 oktober 1990 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van steun voor de teelt van bepaalde druivenrassen waarvan de druiven worden gedroogd (PB L 278, blz. 35), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2475/94 van de Commissie van 13 oktober 1994 (PB L 264, blz. 6) en bij verordening (EG) nr. 2614/95 van de Commissie van 9 november 1995 (PB L 268, blz. 7) (hierna: „verordening nr. 2911/90”), wordt vastgesteld welke inlichtingen en gegevens in de teeltaangiften moeten worden vermeld.
20 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2911/90 bepaalt:
„De teeltaangifte wordt uiterlijk op 30 april van elk jaar voor het volgende verkoopseizoen […] ingediend […]
[…]”
21 Artikel 3, lid 2, van die verordening preciseert:
„In de teeltaangifte moeten ten minste de volgende gegevens worden vermeld:
a) naam, voornaam en adres van de aanvrager;
b) de oppervlakte van de percelen waarop druiven worden geteeld voor verwerking tot het betrokken product of de betrokken producten (in hectare en are) en de kadastrale aanduiding van de percelen of een aanduiding die door de met de controle van het areaal belaste instantie als gelijkwaardig is erkend;
c) het ras van de geteelde druiven, waarbij voor sultaninen ook melding moet worden gemaakt van eventuele aantasting door fylloxera of van het feit dat het perceel minder dan vijf jaar geleden is heraangeplant;
d) een verklaring van de teler dat voor de betrokken percelen of de daarop geoogste producten geen steun is aangevraagd op grond van andere regelingen, inzonderheid van verordening (EEG) nr. 797/85;
e) een oogstraming;
f) de juridische positie en exploitatievorm van het bedrijf.”
22 Artikel 6 van verordening nr. 2911/90 omschrijft de door de lidstaten te verrichten controles. Artikel 6, lid 2, eerste alinea, bepaalt:
„De lidstaat organiseert overeenkomstig lid 3 controles ter plaatse die, voor het ressort van elke bevoegde administratieve eenheid, betrekking hebben op een representatief percentage van de teeltaangiften. Dit percentage mag niet kleiner zijn dan 10, maar wordt verhoogd tot ten minste 15 wanneer wordt geconstateerd dat een significant aantal aangiften vals is.”
23 Verordening (EG) nr. 1456/97 van de Commissie van 25 juli 1997 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 1997/1998, van de steun voor de teelt van druiven, bestemd voor de productie van bepaalde variëteiten van krenten en rozijnen (PB L 199, blz. 4), stelt de minimumopbrengsten vast waaronder geen steun kan worden verleend. Volgens artikel 1, lid 3, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om deze minimumopbrengst te verifiëren.
24 Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179, blz. 1), somt de in de inventaris van het productiepotentieel opgenomen gegevens op. Volgens artikel 16, lid 2, mag een lidstaat bepalen dat de inventaris op regionale basis kan worden opgesteld. In dit geval moeten evenwel alle regionale inventarissen uiterlijk op 31 december 2001 zijn opgesteld.
25 Verordening (EG) nr. 1621/1999 van de Commissie van 22 juli 1999 houdende bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad wat betreft de steun voor de teelt van druiven die bestemd zijn voor de productie van bepaalde krenten‑ en rozijnenvariëteiten (PB L 192, blz. 21), die met ingang van het verkoopseizoen 1999/2000 in de plaats is gekomen van verordening nr. 2911/90, heeft vervangen, bepaalt in artikel 2, lid 3:
„Voor het beheer van de steunregeling wordt een geïnformatiseerde alfanumerieke database tot stand gebracht, die ‚database’ wordt genoemd en die de in artikel 4 en artikel 8, lid 4, bedoelde gegevens bevat. Het alfanumerieke systeem voor de identificatie van de percelen is dat van het in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad bedoelde systeem, indien nodig zodanig aangevuld dat het het volledige onder deze steunregeling vallende wijngaardareaal bestrijkt.”
26 In artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1621/1999 is bepaald:
„De lidstaten moeten de in artikel 2, lid 4, bedoelde database tot stand hebben gebracht vóór het begin van het verkoopseizoen 2002/2003. Gedurende de verkoopseizoenen 1999/2000, 2000/2001 en 2001/2002 geldt in plaats van de verplichte inschrijving in de database de verplichting om een aanvraag tot inschrijving in de database overeenkomstig artikel 4, lid 2, in te dienen vóór 1 september 1999; de referenties met betrekking tot de oppervlakte en de identificatie van de percelen zijn de kadastrale omschrijvingen of andere door de met de oppervlaktecontrole belaste instantie als gelijkwaardig erkende gegevens.”
De sector schapen- en geitenvlees
27 Artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), bepaalt:
„Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld ten aanzien van de steunaanvragen, moet de steunaanvraag ‚dieren’ alle nodige gegevens bevatten, en met name:
– de identificatie van het bedrijfshoofd,
[…]
– het aantal en de soort dieren waarvoor steun wordt aangevraagd,
– in voorkomend geval de verbintenis van het bedrijfshoofd om deze dieren op zijn bedrijf aan te houden gedurende de periode die daarvoor is voorgeschreven, en de plaats of plaatsen waar deze dieren gedurende deze periode zullen worden gehouden, alsmede in voorkomend geval de desbetreffende periode of perioden en, wanneer het gaat om runderen, hun identificatienummer; indien deze plaats gedurende deze periode wordt gewijzigd, moet het bedrijfshoofd de bevoegde instantie daarvan vooraf schriftelijk in kennis stellen,
– in voorkomend geval het individuele maximum voor de betrokken dieren,
[…]
– een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun.
[…]”
28 In artikel 6 van deze verordening is bepaald:
„1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
[…]
3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:
– 10 % van de steunaanvragen ‚dieren’ of van de deelnemingsverklaringen,
[…]
4. De aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, worden door de bevoegde instantie met name aan de hand van een risicoanalyse en van een element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen bepaald. Bij de risicoanalyse wordt rekening gehouden met:
– de steunbedragen,
– het aantal percelen, de oppervlakte of het aantal dieren waarvoor de steun wordt aangevraagd,
– de ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar,
– de constateringen bij controles in de voorgaande jaren,
– andere door de lidstaten te bepalen omstandigheden.
[…]”
29 Artikel 10, lid 5, van verordening nr. 3887/92 luidt:
„Indien het bedrijfshoofd door oorzaken die verband houden met natuurlijke omstandigheden die het leven van dieren in kuddeverband kenmerken, zich niet kan houden aan zijn verbintenis om de voor een premie aangemelde dieren aan te houden gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, wordt het recht op de premie gehandhaafd voor het aantal feitelijk in aanmerking komende dieren die gedurende de voorgeschreven periode zijn aangehouden, op voorwaarde dat het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk van dat feit in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen nadat de vermindering van het aantal van de betrokken dieren is vastgesteld.”
30 Artikel 12 van die verordening is geformuleerd als volgt:
„Van elk controlebezoek moet een verslag worden opgemaakt waarin met name de volgende gegevens worden vermeld: de redenen voor het bezoek, de aanwezige personen, het aantal bezochte percelen, de gemeten percelen, de gebruikte meettechnieken, het aantal en de soort van de dieren die aanwezig bleken te zijn en eventueel het identificatienummer van deze dieren.
Het bedrijfshoofd of diens vertegenwoordiger mag dit verslag ondertekenen, waarbij hij in voorkomend geval ten minste zijn aanwezigheid bij de controle bevestigt of waarbij hij zijn opmerkingen ter zake vermeldt.”
31 Artikel 1, lid 3, eerste en tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2700/93 van de Commissie van 30 september 1993 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de premie ten behoeve van schapen- en geitenvleesproducenten (PB L 245, blz. 99), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 279/94 van de Commissie van 8 februari 1994 (PB L 37, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2700/93”), luidt:
„De periode waarvoor de producent de verplichting aangaat het aantal ooien en/of geiten waarvoor de premie wordt aangevraagd, op zijn bedrijf […] te houden, is een periode van 100 dagen die ingaat op de laatste dag van de in lid 2 bedoelde periode voor de indiening van de aanvragen.
Voordat alle of een deel van de ooien en/of geiten waarvoor de premie wordt aangevraagd voor verzorging worden uitbesteed tijdens de periode gedurende welke de dieren moeten worden gehouden, moeten deze dieren worden geïdentificeerd. [...]”
32 Artikel 4 van verordening nr. 2700/93 bepaalt:
„1. De controles ter plaatse worden uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3887/92 en het toegepaste permanent registratiesysteem voor de mutaties binnen het schapenbestand moet aan de bepalingen van artikel 4 van richtlijn 92/102/EEG [van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (PB L 355, blz. 32)] voldoen.
Voor het verkoopseizoen 1994 mag evenwel een lidstaat, die het in de eerste alinea bedoelde registratiesysteem nog niet heeft ingevoerd, een registratiesysteem toepassen dat van de beslagen op elk tijdstip een duidelijk beeld van de werkelijke situatie biedt. […]
[…]
2. De lidstaten stellen voor elk verkoopseizoen een lijst op van schapenvleesproducenten die schapenmelk en zuivelproducten op basis van schapenmelk in de handel brengen. […]”
33 Volgens artikel 9, tweede alinea, is verordening nr. 2700/93 van toepassing vanaf het verkoopseizoen 1994.
Feiten en procesverloop
34 De redenen voor de onregelmatigheid van de in de bestreden beschikking bedoelde verrichtingen zijn samengevat in het syntheseverslag nr. AGRI/17537/01-FR-def. van de Commissie van 19 juni 2001 (hierna: „syntheseverslag”).
35 Met betrekking tot de sector katoen heeft de Commissie voor het verkoopseizoen 1995/1996 vastgesteld dat in de departementen Serrai en Drama geen controle ter plaatse van de aangiften van het met katoen ingezaaide areaal heeft plaatsgevonden, terwijl ingevolge artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1201/89 een dergelijke controle op ten minste 5 % van de aangiften van het ingezaaide areaal betrekking moet hebben. De Commissie heeft ook vastgesteld dat in december 1996 tot en met maart 1997 de controles van het ingezaaide areaal te laat zijn uitgevoerd. Zij heeft wegens al die fouten dus een forfaitaire correctie van 10 % toegepast, hetgeen overeenkomt met een bedrag van 4 163 259 550 GRD.
36 Met betrekking tot de olijfoliesector hebben de in Griekenland verrichte controles een aantal gebreken in het controlesysteem aan het licht gebracht, waarvan het ontbreken van het olijventeeltkadaster en geautomatiseerde bestanden de belangrijkste waren. Nadat de Griekse autoriteiten in 1999 inlichtingen over de uitgevoerde verbeteringen hadden verstrekt, hebben de diensten van de Commissie tijdens een bilaterale bijeenkomst van 23 september 1999 te Brussel verklaard dat zij tevreden waren over de uitgevoerde verbeteringen, maar dat die de waargenomen gebreken niet konden verhelpen. Bijgevolg heeft de Commissie een financiële correctie van 5 % toegepast op de voor de begrotingsjaren 1997 en 1998 gedeclareerde uitgaven (die betrekking hebben op de verkoopseizoenen 1995/1996 respectievelijk 1996/1997), hetgeen neerkwam op een bedrag van 17 308 535 972 GRD.
37 Aangaande de sector krenten en rozijnen heeft de Commissie na het onderzoek dat zij in 1998 in het departement Heraklion heeft ingesteld, drie reeksen van tekortkomingen vastgesteld: om te beginnen tekortkomingen in de controles van het beteelde areaal en betreffende de vraag of de druiven voor gemeenschapssteun in aanmerking kwamen; vervolgens tekortkomingen in de controles van de minimumopbrengst alsmede van de vraag of het druivenras voor steun in aanmerking kwam, en ten slotte tekortkomingen in de vaststelling en de toepassing van het controlesysteem. Op basis van de eerste twee reeksen van tekortkomingen heeft de Commissie een financiële correctie van 5 % van de voor de begrotingsjaren 1997, 1998 en 1999 gedeclareerde uitgaven voor het departement Heraklion opgelegd. Wegens de derde reeks van tekortkomingen is op de uitgaven voor geheel Griekenland voor dezelfde begrotingsjaren een correctie van 2 % toegepast. Die correcties leveren een totaalbedrag van 3 144 838 970 GRD op.
38 Wat betreft de sector schapen- en geitenvlees, heeft de Commissie zich na de twee in 1997 en 1998 verrichte controles op het standpunt gesteld dat het in Griekenland toegepaste controlesysteem voor de schapen- en geitenvleespremie niet strookte met de communautaire regeling en diverse lacunes vertoonde, zoals het ontbreken van een registratiesysteem voor de mutaties binnen het schapenbestand, de zeer geringe frequentie van de controles ter plaatse in bepaalde departementen, de onbetrouwbaarheid van de statistische gegevens van de inspecties, de slechte kwaliteit van de controleverslagen, de vertragingen bij de gegevensverwerking, de niet-toepassing van het beginsel van de risicoanalyse, het niet-meedelen van de plaats waar de dieren worden gehouden, het niet-merken van het vee en het feit dat verliezen louter mondeling werden gemeld. Op die basis heeft de Commissie met betrekking tot de voor 1995, 1996 en 1997 gedeclareerde uitgaven een correctie van 25 % vastgesteld voor de uitgaven betreffende het departement Rethymnon (Kreta) wegens het volledig ontbreken van controle, van 10 % voor een aantal andere departementen en van 5 % voor de rest van het nationale grondgebied, waarbij het totaalbedrag van die correcties 11 863 933 000 GRD bedroeg.
39 Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie de in de punten 35 tot en met 38 van het onderhavige arrest vermelde bedragen op grond van hun onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht aan communautaire financiering onttrokken.
40 Met het onderhavige beroep verzoekt de Helleense Republiek het Hof om nietigverklaring of althans wijziging van de bestreden beschikking voorzover die financiële correcties haar daarbij zijn opgelegd.
41 De Commissie verzoekt het Hof om verwerping van het beroep en verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten.
De correctie inzake de productiesteun voor katoen
Argumenten van partijen
42 Volgens de Griekse regering geeft de Commissie een onjuiste uitlegging aan artikel 12, lid 1, sub a, van verordening nr. 1201/89, voorzover dit een controle verlangt van 5 % van de aangiften van het met katoen ingezaaide areaal niet in elk departement maar op nationaal niveau, zoals in Griekenland is gebeurd. De verordening vereist weliswaar dat de controles het mogelijk dienen te maken om door middel van een representatieve steekproef na te gaan of de aangiften van het ingezaaide areaal waar en juist zijn, naar niets wijst erop dat het departement de administratieve referentie-eenheid is.
43 Volgens de Commissie moet de vraag of de controle representatief is, worden onderzocht met betrekking tot elke administratieve regio waarin katoen wordt geteeld, daar de controle de juistheid van de aangiften beoogt te waarborgen. Die aangiften zouden evenwel onbetrouwbaar zijn indien de controles in bepaalde regio’s met een hoge productie volledig ontbraken. Het door de Helleense Republiek niet-betwiste ontbreken van controles in de twee betrokken departementen zou dus een hoge risicofactor voor de communautaire middelen vormen.
44 Met betrekking tot de haar verweten vertragingen bij de uitvoering van de controles stelt de Griekse regering dat verordening nr. 1201/89 voor het verrichten van de controles ter plaatse niet voorziet in termijnen waarvan de overschrijding tot financiële correcties zou leiden. De controle kan niet alleen tot november, maar ook tot maart of april van het jaar volgend op het oogstjaar worden verricht, mits deze plaatsheeft wanneer de katoenstengels nog op het perceel aanwezig zijn. Bovendien zouden de vertragingen in casu het resultaat zijn van overmacht, namelijk stakingen.
45 Volgens de Commissie hadden de controles vóór de oogst, dat wil zeggen uiterlijk in oktober, moeten zijn verricht. Bovendien zou de aankondiging van een staking overmacht uitsluiten.
Beoordeling door het Hof
46 Volgens artikel 12, lid 1, sub a, van verordening nr. 1201/89 dient de aangewezen instantie over te gaan tot „een ter plaatse steekproefsgewijze uitgevoerde controle van ten minste 5 % van de aangiften”.
47 Met het vereiste dat de controle ten minste 5 % van de aangiften betreft, beoogt die bepaling te bereiken dat de controle representatief is. Daarin wordt niet gepreciseerd dat in Griekenland die 5 % met betrekking tot elk departement en niet met betrekking tot grotere administratieve regio’s moet worden bepaald. Volgens die bepaling daarentegen moet de vereiste controle „steekproefsgewijs” worden verricht.
48 Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier hadden de Griekse autoriteiten tijdens het verkoopseizoen 1995/1996 als steekproef 1 101 van de 10 874 aangiften in het departement Serrai en 325 van de 3 222 aangiften in het departement Drama geselecteerd. Vaststaat echter dat tijdens dat verkoopseizoen in die departementen geen controle ter plaatse is verricht.
49 Bijgevolg is in die departementen in strijd met de vereisten van artikel 12, lid 1, sub a, van verordening nr. 1201/89 geen steekproefsgewijze controle uitgevoerd.
50 Met betrekking tot het argument van de Griekse regering, dat het ontbreken van controle in die twee departementen tijdens het verkoopseizoen 1995/1996 een eenmalige gebeurtenis was die aan een tijdelijk personeelsgebrek was toe te schrijven, zij eraan herinnerd dat de autoriteiten van de lidstaten een betrouwbaar en operationeel controlesysteem moeten invoeren, dat in dier voege is opgezet dat het optreden van dergelijke leemten wordt voorkomen (zie in die zin arrest van 9 januari 2003, Griekenland/Commissie, C-157/00, Jurispr. blz. I-153, punt 18).
51 Wat betreft de te late uitvoering van de controles van het met katoen ingezaaide areaal, die de Commissie tijdens het verkoopseizoen 1995/1996 heeft vastgesteld, zij eraan herinnerd dat de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat hij daadwerkelijk controles heeft verricht en, in voorkomend geval, dat de verklaringen van de Commissie onjuist zijn (arrest Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punt 17).
52 Blijkens de aan het Hof verstrekte inlichtingen hebben de Griekse autoriteiten ondanks herhaalde verzoeken van de Commissie niet tijdig informatie verstrekt en ook geen document overgelegd waaruit bleek dat die controles vóór of na de oogst in het betrokken verkoopseizoen zijn uitgevoerd.
53 Bijgevolg moet het argument van de Griekse regering inzake de te late controle van het areaal worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden uitgemaakt of het strookte met artikel 12, lid 1, sub a, van verordening nr. 1201/89 indien die controle in de maanden na de oogst en niet daarvoor was uitgevoerd, en zonder dat behoeft te worden onderzocht of een staking een geval van overmacht kan vormen dat de te late uitvoering van die controle rechtvaardigt.
54 Gelet op een en ander, moeten alle argumenten van de Griekse regering inzake de financiële correctie die met betrekking tot de productiesteun voor katoen is toegepast, worden afgewezen.
De correctie inzake de productiesteun voor olijfolie
Eerste middel: schending van artikel 5, lid 2, sub c, vierde alinea, van verordening nr. 729/70
Argumenten van partijen
55 Volgens de Griekse regering is de toepassing van een financiële correctie van 5 % op de voor de begrotingsjaren 1997 en 1998 gedeclareerde uitgaven in strijd met artikel 5, lid 2, sub c, vierde alinea, van verordening nr. 729/70, omdat de Commissie de bevindingen tijdens de controles van 20 tot en met 24 mei 1996 naar die begrotingsjaren heeft geëxtrapoleerd op de enkele grond dat de ─ reeds in 1996 verweten ─ nalatigheid bij de invoering van het olijventeeltkadaster en van het geautomatiseerde bestand van olijfoliegegevens niet was verholpen. De correctie is des te minder gegrond daar het ontbreken van een olijventeeltkadaster door het gebruik van een ander, even betrouwbaar controlesysteem kan worden gecompenseerd. Bovendien heeft de Commissie de procedure misbruikt daar een niet-nakomingsprocedure passender was geweest voorzover de correctie eerder als een sanctie wegens vertraging bij de samenstelling van het kadaster is op te vatten.
56 De Commissie voert aan dat de niet-samenstelling van het olijventeeltkadaster niet noodzakelijkerwijs het voorwerp van een beroep wegens niet-nakoming moet zijn, en dat in het kader van de uitgaven van het EOGFL een dergelijke financiële correctie niet is aan te merken als een sanctie. De correctie kan niet lager zijn dan 5 %, aangezien het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand een pijler van het communautaire controlesysteem vormen.
Beoordeling door het Hof
57 Er zij aan herinnerd dat de Helleense Republiek volgens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 154/75 uiterlijk op 31 oktober 1988 het olijventeeltkadaster moest samenstellen.
58 Vaststaat dat de Helleense Republiek die termijn niet in acht heeft genomen en dat in het begrotingsjaar 1998 het olijventeeltkadaster nog niet was samengesteld.
59 Overeenkomstig de verordeningen nrs. 2261/84 en 3061/84 moest de Helleense Republiek het geautomatiseerde bestand van olijfoliegegevens vóór 31 oktober 1990 invoeren.
60 De Helleense Republiek heeft die termijn niet in acht genomen en in het begrotingsjaar 1998 was het geautomatiseerde bestand nog niet ingevoerd.
61 In die omstandigheden staat het niet aan de Commissie om andere bewijzen te leveren van het ontbreken van het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand voor de in casu betrokken begrotingsjaren 1997 en 1998 dan die welke zij daartoe had verzameld voor het begrotingsjaar 1996, maar moet de betrokken lidstaat aantonen dat hij sinds het begrotingsjaar 1996 het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand inderdaad heeft ingevoerd (zie in die zin arrest Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18). Daar de Helleense Republiek die bewijzen niet heeft geleverd, was een financiële correctie in dat opzicht gerechtvaardigd.
62 Zelfs wanneer alternatieve controles waren georganiseerd, moet eraan worden herinnerd dat de lidstaten de bij een verordening vastgestelde specifieke controlemaatregelen dienen toe te passen zonder dat behoeft te worden onderzocht of zij terecht stellen dat een ander controlesysteem doeltreffender is (zie arrest van 21 maart 2002, Spanje/Commissie, C-130/99, Jurispr. blz. I-3005, punt 87).
63 Met betrekking tot het argument van de Griekse regering dat een niet-nakomingsprocedure ter bestraffing van de te late invoering van het olijventeeltkadaster passender was geweest, moet eraan worden herinnerd dat de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG en de procedure van goedkeuring van de EOGFL-rekeningen verschillende doelstellingen nastreven en door verschillende regels worden beheerst. In laatstgenoemde procedure moet de Commissie een financiële correctie toepassen wanneer uitgaven waarvoor om financiering wordt verzocht, niet overeenkomstig de gemeenschapsregels zijn verricht. Met een dergelijke financiële correctie wordt vermeden dat bedragen die niet voor de financiering van een door de betrokken gemeenschapsregeling nagestreefd doel zijn gebruikt, ten laste van het EOGFL komen. Anders dan de Griekse regering stelt, vormt zij dus geen sanctie (zie arrest van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie, C-247/98, Jurispr. blz. I-1, punten 13 en 14).
64 Bijgevolg moet het eerste middel betreffende de productiesteun voor olijfolie ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: ontbrekende of ontoereikende motivering van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
65 De Griekse regering voert een motiveringsgebrek aan dat schending van artikel 253 EG oplevert, op grond dat de Commissie de inspanningen ter verbetering van het controle- en betalingssysteem van de productiesteun voor olijfolie niet in aanmerking heeft genomen. Verschillende controles zouden zijn ingevoerd, zoals de verplichting voor de olijfolieproducenten tot indiening van een drievoudig gecontroleerde teeltaangifte waarop de olijfbomen en hun locatie zijn vermeld, de verplichting voor de oliefabrieken om een „verklaring van de maandelijkse situatie van [hun] activiteit” te verstrekken, en de zogenoemde „sociale controle”, die wordt verricht door middel van het aanplakken van lijsten van olijfolieproducenten en hun kenmerken (identiteit, aanvraag en teeltaangifte), die door de olijfolieproducenten zelf worden geverifieerd. Volgens de Griekse regering dient geen van de betrokken uitgaven aan de financiering te worden onttrokken; de overblijvende onvolkomenheden zijn op zijn minst alleen maar plaatselijk en van administratieve aard en kunnen volgens het evenredigheidsbeginsel geen correctie van meer dan 2 % rechtvaardigen.
66 Volgens de Commissie rechtvaardigen de uitgevoerde verbeteringen niet dat het bedrag van de correctie voor de begrotingsjaren 1997 en 1998 van 5 % tot 2 % wordt teruggebracht. Zij voert aan dat zolang de twee belangrijkste controlefactoren, te weten het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand, niet zijn ingevoerd, het risico van verliezen voor de Commissie groot is en de correcties gerechtvaardigd zijn.
Beoordeling door het Hof
67 Inzake de motiveringsplicht is het vaste rechtspraak dat in de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, de motivering van een beschikking als toereikend moet worden beschouwd wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen (arresten van 18 mei 2000, België/Commissie, C-242/97, Jurispr. blz. I-3421, punt 95, en 24 januari 2002, Frankrijk/Commissie, C-118/99, Jurispr. blz. I-747, punt 54).
68 In casu blijkt uit het dossier dat de Griekse regering betrokken is geweest bij de voorbereiding van de bestreden beschikking. Het ontbreken van het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand had immers tijdens eerdere verkoopseizoenen tot financiële correcties geleid, en voor de betrokken verkoopseizoenen zijn de redenen waarom de Commissie een financiële correctie wilde toepassen, met name tijdens de bilaterale bespreking van 23 september 1999, die in het kader van de bemiddelingsprocedure is gehouden, en in het syntheseverslag uiteengezet.
69 In die omstandigheden moet de motivering van de bestreden beschikking toereikend worden geacht.
70 Aangaande het percentage van 5 %, dat de Commissie voor de berekening van de correctie inzake de productiesteun voor olijfolie heeft toegepast, moet worden vastgesteld dat het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand fundamentele bestanddelen van het communautaire controlesysteem van de steunmaatregelen zijn. Zolang die niet zijn ingevoerd, is het in beginsel gerechtvaardigd het correctiepercentage van 10 % toe te passen als bedoeld in de richtsnoeren van de Commissie in document nr. VI/5330/97.
71 De Commissie heeft echter erkend dat de sinds 1996 door de Griekse autoriteiten vastgestelde maatregelen verbeteringen zijn, maar dat zij niet even doelmatig zijn als het door de gemeenschapsregeling voorziene controlesysteem. Zij heeft het bijgevolg passend geacht het correctiepercentage van 10 % tot 5 % te verlagen.
72 Volgens de richtsnoeren van de Commissie mag het correctiepercentage echter niet lager zijn dan 5 % zolang het olijventeeltkadaster en het geautomatiseerde bestand niet zijn ingevoerd, aangezien dit essentiële bestanddelen van het communautaire controlesysteem zijn. De tegenargumenten van de Griekse regering moeten dus worden afgewezen.
73 Bijgevolg moet dit tweede middel betreffende de productiesteun voor olijfolie ongegrond worden verklaard.
De correctie inzake de productiesteun voor krenten en rozijnen
Eerste middel: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 en van de artikelen 2 en 13, lid 1, van verordening nr. 1621/1999, alsmede gebrekkige motivering wegens onjuiste beoordeling van de feiten
Argumenten van partijen
74 Wat betreft de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen in de controles van het beteelde areaal en betreffende de vraag of krenten en rozijnen voor steun in aanmerking komen, voert de Griekse regering aan dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 en de artikelen 2 en 13, lid 1, van verordening nr. 1621/1999 de lidstaten uitdrukkelijk de bevoegdheid toekennen om in plaats van kadastrale omschrijvingen andere door de met die controles belaste instantie als gelijkwaardig erkende gegevens te gebruiken als de referenties met betrekking tot de oppervlakte en de identificatie van de percelen waar de krenten en rozijnen worden geproduceerd. In elk geval werd het ontbreken van bepaalde kadastergegevens gecompenseerd door de gegevens die sinds twaalf jaar bij de directies van plattelandsontwikkeling zijn bijgehouden.
75 Volgens de Commissie waarborgen de door de Griekse regering genoemde maatregelen de regelmatigheid van de uitgaven niet op dezelfde wijze als het kadaster, daar met name objectieve gegevens over de erkenning van de oppervlakten ontbreken. Zij wijst er overigens op dat de correcties geen verband houden met de niet-samenstelling van het wijngaardkadaster, maar met de lokalisatie van het areaal en de identificatie van de percelen, die in strijd met artikel 13 van verordening nr. 1621/1999 zijn verricht.
76 Volgens de Griekse regering heeft de vaststelling van aanvullende instructies en modelformulieren door het directoraat-generaal Beheer van de markten voor landbouwproducten het mogelijk gemaakt het ontbreken van geleidedocumenten inzake de vorm van de percelen en de opmeting daarvan te compenseren; het ontbreken daarvan was overigens slechts een administratief verzuim.
77 De Commissie stelt dat dit ontbreken van documenten niet kan worden beschouwd als een louter administratief verzuim, maar als een ernstige tekortkoming waardoor het niet mogelijk is op een concrete basis controles te verrichten.
Beoordeling door het Hof
78 De met het onderhavige middel bedoelde financiële correctie heeft betrekking op de begrotingsjaren 1997, 1998 en 1999, dus de verkoopseizoenen 1996/1997, 1997/1998 en 1998/1999. Verordening nr. 1493/1999 is volgens artikel 82, tweede alinea, ervan met ingang van 1 augustus 2000 van toepassing. Volgens artikel 16, tweede alinea, van verordening nr. 1621/1999 is deze met ingang van het verkoopseizoen 1999/2000 van toepassing. Bijgevolg kan de gegrondheid van de betrokken financiële correctie niet worden beoordeeld aan de hand van die twee verordeningen, die niet van toepassing zijn op de periode waarop de feiten van het onderhavige geding betrekking hebben.
79 Bijgevolg moet het onderhavige middel worden afgewezen, voorzover het op de bepalingen van die verordeningen is gebaseerd.
80 Voor het overige zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2911/90, die op de relevante periode van toepassing is, bepaalt dat in de teeltaangifte, die met het oog op de toekenning van de productiesteun voor krenten en rozijnen is opgesteld, met name moet worden vermeld „de oppervlakte van de percelen waarop druiven worden geteeld voor verwerking tot het betrokken product of de betrokken producten […] en de kadastrale aanduiding van de percelen of een aanduiding die door de met de controle van het areaal belaste instantie als gelijkwaardig is erkend”.
81 De Griekse regering voert in wezen aan, dat ook zonder een kadaster de door de Griekse autoriteiten ingevoerde maatregelen een controle waarborgden die gelijkwaardig is aan de controle die het kadaster mogelijk maakt.
82 Tijdens de controles ter plaatse heeft de Commissie echter een reeks van tekortkomingen vastgesteld betreffende de controles van het areaal en de vraag of de druiven voor steun in aanmerking komen. Het syntheseverslag noemt met name de volgende tekortkomingen. De informatie over het areaal in de controleverslagen en in de teeltaangiften strookte niet met de feitelijke situatie ter plaatse. Het terrein was niet gemarkeerd om de identificatie van het vermelde areaal te vergemakkelijken en het was onmogelijk om de percelen zonder hulp van de begunstigde te identificeren. Bovendien was er geen bewijsstuk waarin de vorm van de beweerdelijk opgemeten percelen of de meetgegevens nauwkeurig waren omschreven. Een aantal inspecteurs kende hun taakomschrijving niet. De controleverslagen waren na de datum van de levering van de druiven gedateerd. Ten slotte klopten de controleverslagen van de nationale inspecteurs perfect met de aangiften van de begunstigden, terwijl de door de Commissie verrichte controles ter plaatse in nagenoeg alle gevallen een afwijking te zien gaven.
83 Indien sprake is van een reeks van tekortkomingen die zo ernstig zijn als door de Commissie zijn vastgesteld, dient de betrokken lidstaat gedetailleerd en volledig te bewijzen dat de Commissie zich vergist. Die lidstaat kan de bevindingen van de Commissie niet weerleggen zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem (zie arrest van 9 januari 2003, Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punten 17 en 18).
84 In casu moet worden vastgesteld dat de Griekse regering niet heeft bewezen dat zij een betrouwbaar en operationeel controlesysteem had ingevoerd, en ook niet heeft aangetoond dat de bevindingen van de Commissie onjuist waren.
85 Bijgevolg moet dit eerste middel betreffende de productiesteun voor krenten en rozijnen ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: onjuiste beoordeling van de feiten en motiveringsgebrek
Argumenten van partijen
86 Wat betreft de door de Commissie vastgestelde tekortkomingen in de controles van de minimumopbrengst en de voor steun in aanmerking komende druivenrassen, voert de Griekse regering aan dat de producenten niet in staat waren de bij artikel 3, lid 2, sub e, van verordening nr. 2911/90 vereiste oogstramingen te verstrekken op de in artikel 3, lid 1, voorgeschreven datum, te weten 30 april, daar een dergelijke raming op die datum voorbarig was. Bijgevolg zijn in de betrokken periode kruiscontroles verricht om na te gaan of de minimumopbrengst in acht was genomen. Die controles hebben in drie fasen plaatsgevonden: om te beginnen een controle ter plaatse, vervolgens kruiscontroles van de verkoopgegevens en ten slotte steekproefsgewijze controles op de plaatsen waar de druiven worden verpakt en geperst. De Commissie heeft dus de feiten onjuist beoordeeld en bijgevolg de bestreden beschikking in strijd met artikel 253 EG ontoereikend gemotiveerd.
87 Volgens de Commissie is niet bewezen dat die drievoudige controle werkelijk plaats heeft gehad. Na de inspecties is echter gebleken dat er geen doelmatige controle ter plaatse was die kon waarborgen dat de steun uitsluitend was uitbetaald voor voor steun in aanmerking komende druivenrassen die de beoogde minimumopbrengst hadden bereikt, en dat de lagere minimumopbrengst inderdaad was toe te schrijven aan de ongunstige weersomstandigheden. Bovendien hebben de Griekse autoriteiten geen bewijs geleverd dat de druiven waren gedroogd en dat zij niet voor andere doeleinden dan de productie van krenten en rozijnen werden gebruikt.
Beoordeling door het Hof
88 De Griekse regering betwist om te beginnen niet dat de ontvangers van de betrokken steun de bij artikel 3, lid 2, sub e, van verordening nr. 2911/90 vereiste oogstramingen niet hebben overgelegd.
89 Verder heeft die regering niet aangetoond, dat inderdaad controles zijn uitgevoerd die de naleving waarborgen van de voorgeschreven minimumopbrengst voor elk druivenras dat voor toekenning van productiesteun voor krenten en rozijnen in aanmerking komt.
90 Bijgevolg heeft de Griekse regering niets aangevoerd dat de beoordeling van de Commissie kan weerleggen, zodat het tweede middel betreffende productiesteun voor krenten en rozijnen ongegrond moet worden verklaard.
Derde middel: feitelijk onjuiste beoordeling van de Commissie
Argumenten van partijen
91 De Griekse regering betwist de correctie van de Commissie met betrekking tot de vaststelling en toepassing van het controlesysteem, voorzover de vastgestelde tekortkomingen en de daaruit voortvloeiende correctie algemeen het gehele interne controlesysteem van het betaalorgaan betreffen en niet uitsluitend de steunregeling voor krenten en rozijnen. Volgens haar hadden de diensten van de Commissie het betaalorgaan kunnen controleren en hadden zij niet uit een controle van de steunregeling kunnen afleiden dat de bijlage van verordening nr. 1663/95 in haar geheel niet was toegepast.
92 Bovendien was het controlesysteem versterkt en werd in twee fasen aan de samenstelling van het wijnkadaster gewerkt, waarvan de tweede fase reeds ver gevorderd was.
93 Hieruit volgt dat de Commissie de gegevens waarop die correctie berust, onjuist heeft beoordeeld, zodat de correctie nietig moet worden verklaard.
94 Volgens de Commissie zijn de door de Griekse regering gestelde verbeteringen pas na de vaststelling van een ministeriële circulaire van 23 februari 1999 toegepast, en blijkt daaruit dat de vroegere regeling een risico voor de gemeenschapsbegroting vormde. Bovendien golden de door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen vastgestelde gebreken in het interne controlesysteem alle departementen, zodat de correctie van 2 % gerechtvaardigd is. Dat die gebreken ook andere landbouwregelingen betreffen, kan het ontbreken van een correctie in de sector krenten en rozijnen niet rechtvaardigen.
Beoordeling door het Hof
95 Blijkens het syntheseverslag heeft de Commissie bij door haar in het departement Heraklion verrichte verificaties gebreken in het controlesysteem van de productiesteun voor krenten en rozijnen vastgesteld. Volgens de Commissie waren die gebreken te extrapoleren naar alle Griekse departementen, daar landelijk hetzelfde systeem werd toegepast.
96 Volgens dit verslag zijn de bevindingen van de Commissie in het departement Heraklion dus naar de andere Griekse departementen geëxtrapoleerd, maar zijn zij niet naar andere uitgavengebieden dan die van de productiesteun voor krenten en rozijnen uitgebreid. Voorzover de Griekse regering met het onderhavige middel stelt dat die bevindingen op andere sectoren dan die van krenten en rozijnen zijn toegepast, is dit middel bijgevolg ongegrond.
97 Met betrekking tot de bewering van de Commissie dat de in het departement Heraklion vastgestelde gebreken zich in het gehele land herhaalden, heeft de Griekse regering niets aangevoerd dat die bewering kan weerleggen. Om te beginnen betwist die regering niet de juistheid van de bevindingen van de Commissie in het departement Heraklion. Door haar betoog op de in het nationale systeem aangebrachte verbeteringen te baseren, erkent die regering overigens stilzwijgend dat het voorgaande systeem gebrekkig was. Ten slotte kunnen die verbeteringen, daar zij na de betrokken verkoopseizoenen zijn aangebracht, de in die verkoopseizoenen vastgestelde tekortkomingen niet verhelpen.
98 Bijgevolg moet het derde middel betreffende de productiesteun voor krenten en rozijnen ongegrond worden verklaard.
De correcties met betrekking tot de sector schapen- en geitenvlees
99 De Griekse regering betwist met zeven middelen de correcties betreffende de premie voor schapen- en geitenvleesproducenten. Het eerste middel ziet op de correctie van de voor het departement Rethymnon gedeclareerde uitgaven met 25 %. Het tweede tot en met het zevende middel betreffen de correctie van de voor een aantal andere departementen gedeclareerde uitgaven met 10 %.
Eerste middel: schending van het evenredigheidsbeginsel, overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie en motiveringsgebrek
Argumenten van partijen
100 Wat betreft de op de voor het departement Rethymnon gedeclareerde uitgaven toegepaste correctie van 25 %, stelt de Griekse regering schending van het evenredigheidsbeginsel, overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie en ontoereikende motivering van de bestreden beschikking. Nadat bij het controlebezoek van 1997 was gebleken dat tussen 1995 en 1997 in het departement Rethymnon zeer weinig of zelfs geen controles ter plaatse waren uitgevoerd, hebben de Griekse autoriteiten onverwijld alle betalingen van de premie voor de schapen- en geitenvleesproducenten in het departement Rethymnon opgeschort om een grondige controle te verrichten. Zo is in 1998 99,6 % van de producenten van Rethymnon gecontroleerd en zijn procentueel meer premieaanvragen afgewezen. Daarom is de conclusie van de Commissie dat er tot 1997 sprake was van ernstige onzorgvuldigheden bij de toekenning van de premies, op niets gebaseerd en kan zij geen grond opleveren voor een financiële correctie van 25 %.
101 Volgens de Commissie hebben er in het departement Rethymnon in drie opeenvolgende jaren, namelijk 1995, 1996 en 1997, nagenoeg geen controles plaatsgevonden. Derhalve heeft niet alleen de toename van de afwijzingen in 1998 tot de correctie van 25 % geleid, maar wel de bevindingen tijdens de controles ter plaatse. De toename van de afwijzingen heeft de verdenkingen van de Commissie alleen maar bevestigd.
Beoordeling door het Hof
102 De door de Commissie in haar document nr. VI/5330/97 vastgestelde richtsnoeren voorzien in een correctie van 25 % wanneer de uitvoering van het controlesysteem geheel ontbreekt of ernstige gebreken vertoont en er aanwijzingen bestaan voor zeer frequente onregelmatigheden en onzorgvuldigheden bij de bestrijding van onregelmatige en frauduleuze praktijken.
103 Blijkens de stukken is de betrokken correctie ingegeven door het feit dat van 1995 tot en met 1997 in het departement Rethymnon zeer weinig of zelfs geen controles ter plaatse hadden plaatsgevonden. Dit vormt een zeer gebrekkige uitvoering van het controlesysteem en duidt op een zekere onzorgvuldigheid bij de bestrijding van onregelmatige en frauduleuze praktijken, zodat volgens de richtsnoeren van de Commissie ter zake de toepassing van een correctie van 25 % gerechtvaardigd is.
104 De door de Griekse regering aangevoerde toename van de controles en van de afwijzingen van steunaanvragen in 1998, is opgetreden na de door de betrokken correctie beoogde periode en is bijgevolg niet geschikt om de ongegrondheid daarvan te bewijzen. Dat het percentage van afgewezen aanvragen in 1998 plotseling is gestegen nadat de Griekse autoriteiten nagenoeg alle producenten van het departement Rethymnon hadden gecontroleerd, bevestigt integendeel dat de uitvoering van het controlesysteem in de voorgaande jaren ernstige gebreken vertoonde.
105 Bijgevolg moet dit eerste middel betreffende de premie voor schapen‑ en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92
Argumenten van partijen
106 Volgens de Griekse regering heeft de Commissie er geen rekening mee gehouden dat de Griekse autoriteiten haar voor bepaalde departementen gecorrigeerde statistische gegevens voor 1995 en 1996 ter vervanging van de aanvankelijk ingediende onjuiste gegevens hebben verstrekt. Bijgevolg is de financiële correctie van 10 % voor die departementen niet gerechtvaardigd. Bovendien voert die regering aan dat artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92 een controle van 10 % niet in elk departement maar op landelijk niveau vereist. Dat in de departementen Rethymnon en Chania de controles ter plaatse in het betrokken verkoopseizoen niet het minimumpercentage van 10 % hebben bereikt, is niet onrechtmatig daar de landelijk verrichte controles dit percentage wél hadden bereikt.
107 De Commissie betoogt dat ingevolge verordening nr. 3887/92 een representatieve controle moet worden uitgevoerd. Om de doeltreffendheid van de controles te waarborgen, moet de steekproef 10 % van de steunaanvragen voor elk departement betreffen.
Beoordeling door het Hof
108 Wat de statistische gegevens voor 1995 en 1996 betreft, blijkt uit de aan het Hof overgelegde inlichtingen niet dat de door de Griekse regering genoemde gecorrigeerde gegevens juist waren, en ook niet dat zij in overeenstemming met de communautaire regeling zijn ingediend. De Griekse regering heeft in dit verband niet het bewijs geleverd van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem, zoals zij verplicht was (zie arrest van 9 januari 2003, Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18).
109 Met betrekking tot de geografische basis van de bemonstering is het waar dat volgens artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3887/92 „de controles ter plaatse […] ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen [betreffen]. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste […] 10 % van de steunaanvragen ‚dieren’ […]”. Erkend moet worden dat die bepaling niet preciseert of het minimumpercentage met betrekking tot elk departement of tot het gehele land moet worden berekend.
110 In artikel 6, lid 1, van die verordening is evenwel bepaald dat de controles „worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd”. Evenzo worden volgens artikel 6, lid 4, van die verordening „de aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, […] door de bevoegde instantie met name aan de hand van een risicoanalyse en van een element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen bepaald”. Hieruit volgt dat artikel 6 van verordening nr. 3887/92 beoogt dat de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen door middel van met name de representativiteit van de gecontroleerde steekproeven doeltreffend wordt geverifieerd.
111 Het ligt voor de hand dat de representativiteit van de steekproeven beter wordt gewaarborgd, indien zij op het niveau van de departementen in plaats van op het niveau van het gehele land worden genomen. Het zou immers in strijd zijn met de doelstelling van een doeltreffende verificatie dat bepaalde departementen waarin een aanzienlijke hoeveelheid van de betrokken producten wordt geproduceerd, geheel of gedeeltelijk aan de controles zouden kunnen ontsnappen, wanneer het nationale gemiddelde van de steekproeven meer dan 10 % bedraagt. Volgens de doelstelling en de systematiek van verordening nr. 3887/92 moet derhalve artikel 6, lid 3, eerste streepje, daarvan aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde steekproef ten minste 10 % van de steunaanvragen in elk betrokken departement dient te betreffen.
112 Verder stelt de Commissie, zonder op dit punt te zijn weersproken, dat de Griekse autoriteiten voor de controles ter plaatse zelf in een steekproef van 10 % voor elk departement voorzien.
113 In die omstandigheden moet het tweede middel betreffende de premie voor schapen‑ en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Derde middel: onjuiste uitlegging van artikel 12 van verordening nr. 3887/92
Argumenten van partijen
114 Wat betreft de onbetrouwbaarheid van de statistische gegevens van de inspecties in de jaren 1995 tot en met 1997, stelt de Griekse regering dat de Commissie zich op een alleenstaand geval heeft gebaseerd, waarbij de datum van de controleverslagen aangaf dat in een enkele dag 30 inspecties waren verricht, terwijl die verslagen niet door de gecontroleerde producent waren ondertekend. De reden hiervoor is evenwel de werkdruk die de leider van de controleteams ertoe heeft aangezet de verslagen na meerdere controledagen te ondertekenen en te dateren. Wat de ondertekeningen betreft, bepaalt artikel 12 van verordening nr. 3887/92, dat het bedrijfshoofd het controleverslag mag maar niet moet ondertekenen.
115 Volgens de Commissie gaat het niet om een alleenstaand geval, aangezien soortgelijke voorbeelden zowel in 1998 als op andere gebieden dan die van schapen- en geitenvlees zijn geconstateerd. Bovendien blijkt uit het feit dat de betrokken verslagen niet door de producenten waren ondertekend, dat zij niet tijdens de inspectie zijn opgesteld, waardoor aan de kwaliteit van de uitgevoerde controles kan worden getwijfeld.
Beoordeling door het Hof
116 Artikel 12 van verordening nr. 3887/92 biedt het bedrijfshoofd weliswaar de mogelijkheid om het controleverslag te ondertekenen, maar houdt voor hem geen verplichting in. Het ontbreken van de ondertekening vormt dus op zich geen onregelmatigheid.
117 Toch is het bij de betrokken controles vastgestelde ontbreken van ondertekeningen een aanwijzing die samen met de andere vastgestelde onregelmatigheden bij de Commissie terecht een ernstige en redelijke twijfel heeft doen rijzen over de controles van de Griekse autoriteiten.
118 In die omstandigheden dient de Griekse regering volgens de rechtspraak van het Hof uiterst gedetailleerd en volledig te bewijzen dat zij de controles daadwerkelijk heeft verricht (zie arrest van 9 januari 2003, Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punten 16 en 17).
119 Daar de Griekse regering in casu dit bewijs niet heeft geleverd, moet het derde middel betreffende de premie voor schapen- en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Vierde middel: onjuiste beoordeling van de feiten
Argumenten van partijen
120 Volgens de Griekse regering is de invoering van een permanent registratiesysteem voor de mutaties binnen het veebestand al naargelang de lidstaat en zijn topografie meer of minder moeilijk. Het Griekse grondgebied verkeert in dit opzicht in een bijzonder ongunstige positie, daar de kudden zich in regio’s met hoge en middelhoge bergen of op moeilijk toegankelijke eilanden bevinden.
121 De Commissie voert aan dat volgens de geldende regeling een dergelijk registratiesysteem sinds 1995 had moeten bestaan, terwijl de invoering daarvan in 2001 nog niet was voltooid.
122 Volgens de Griekse regering is de beoordeling van de Commissie dat een risicoanalyse overeenkomstig artikel 6, lid 4, van verordening nr. 3887/92 ontbrak, onjuist aangezien die analyse in alle departementen schriftelijk werd opgesteld, zij het niet op de computer.
123 Volgens de Commissie is in geen van de gecontroleerde departementen aangetoond dat de risicoanalyse zelfs maar handmatig is verricht.
124 Wat ten slotte de in de communautaire regeling niet voorziene aanvaarding van de mondelinge verliesmelding betreft, stelt de Griekse regering dat het slechts om uitzonderlijke gevallen uit het verleden gaat.
125 De Commissie brengt daartegen in dat de Griekse regering niet het bewijs heeft geleverd dat de vereiste inlichtingen zijn verstrekt.
Beoordeling door het Hof
126 Ingevolge artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2700/93 in samenhang met artikel 4 van richtlijn 92/102 moeten de lidstaten met ingang van het verkoopseizoen 1994 een permanent registratiesysteem voor de mutaties binnen het schapenbestand toepassen, met dien verstande dat enkel voor dit verkoopseizoen een overgangsmaatregel geldt waardoor een minder duur systeem kan worden gebruikt. Hieruit volgt dat dit registratiesysteem uiterlijk tijdens het verkoopseizoen 1995 gebruiksklaar had moeten zijn.
127 De Griekse regering betwist niet dat zij een dergelijk registratiesysteem niet heeft ingevoerd, zoals de Commissie heeft vastgesteld.
128 Met betrekking tot de in artikel 6, lid 4, van verordening nr. 3887/92 bedoelde risicoanalyse zij eraan herinnerd dat een lidstaat de bevindingen van de Commissie niet kan weerleggen zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem (zie arrest van 9 januari 2003, Griekenland/Commissie, reeds aangehaald, punt 18)
129 In casu heeft de Griekse regering dat bewijs niet geleverd, zodat de bevindingen van de Commissie met betrekking tot het ontbreken van een risicoanalyse niet zijn weerlegd.
130 Bovendien bepaalt artikel 10, lid 5, van verordening nr. 3887/92 dat, indien het bedrijfshoofd zich niet kan houden aan zijn verbintenis om de voor een premie aangemelde dieren aan te houden gedurende de voorgeschreven periode, het recht op de premie wordt gehandhaafd, „op voorwaarde dat het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk van dat feit in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen nadat de vermindering van het aantal van de betrokken dieren is vastgesteld”.
131 In casu betwist de Griekse regering niet dat zij in strijd met die bepaling mondelinge verliesmeldingen heeft geaccepteerd.
132 Bijgevolg moet het vierde middel betreffende de premie voor schapen‑ en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Vijfde middel: onjuiste uitlegging van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3887/92
Argumenten van partijen
133 Met betrekking tot de vaststelling van de Commissie dat de vermelding van de plaats waar de dieren worden gehouden, in de premieaanvragen onnauwkeurig is, voert de Griekse regering aan dat de plaatsnaam was vermeld, aangezien er in Griekenland geen kadaster is. Een dergelijke vermelding strookt met artikel 5, lid 1, vierde streepje, van verordening nr. 3887/92, dat alleen de vermelding van „de plaats of plaatsen waar deze dieren gedurende deze periode zullen worden gehouden”, en niet een uitvoerige beschrijving daarvan vereist.
134 Volgens de Commissie hebben haar controleurs geen uitvoerige beschrijving verlangd van de plaats waar deze dieren worden gehouden, maar alleen een duidelijke vermelding daarvan. Dat is echter niet gebeurd. In dit verband volstaat de enkele vermelding van de gemeente waar het bedrijf zich bevindt niet ter verificatie van de plaats waar de dieren worden gehouden, daar dit een andere plaats kan zijn dan die waar het bedrijf zich bevindt.
Beoordeling door het Hof
135 Artikel 5, lid 1, vierde streepje, van verordening nr. 3887/92 voorziet ingeval het bedrijfshoofd zich ertoe heeft verbonden om de dieren op zijn bedrijf aan te houden gedurende de voorgeschreven periode, in de vermelding van „de plaats of plaatsen waar deze dieren gedurende deze periode zullen worden gehouden”. Gelet op de systematiek en het doel van deze bepaling, moet worden aangenomen dat de verlangde aanduiding zo duidelijk moet zijn dat de controleautoriteiten de precieze plaats waar de dieren worden gehouden, kunnen verifiëren.
136 Gelet op de aan het Hof voorgelegde bewijselementen, moet worden vastgesteld dat de Griekse regering niet heeft bewezen dat aan de controleautoriteiten inlichtingen zijn verstrekt die aan deze eis van duidelijkheid voldeden.
137 Bijgevolg moet het vijfde middel betreffende de premie voor schapen‑ en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Zesde middel: onjuiste uitlegging van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2700/93
Argumenten van partijen
138 Met betrekking tot het merken van dieren, stelt de Griekse regering dat dit volgens artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2700/93 alleen verplicht is indien de dieren voor verzorging worden uitbesteed. In de gevallen die zijn gecontroleerd, waren de dieren niet voor verzorging uitbesteed, maar was er sprake van een gemeenschappelijke exploitatie van kudden van verschillende eigenaren.
139 Volgens de Commissie is het merken ingevoerd om de dieren gemakkelijk herkenbaar te maken wanneer zij met dieren van andere kudden samen zijn. De gemeenschappelijke exploitatie van kudden van verschillende eigenaren is in Griekenland zeer gebruikelijk en geeft bij de identificatie van de dieren dezelfde problemen als bij de uitbesteding voor verzorging.
Beoordeling door het Hof
140 Artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2700/93 bepaalt: „Voordat alle of een deel van de ooien en/of geiten waarvoor de premie wordt aangevraagd voor verzorging worden uitbesteed tijdens de periode gedurende welke de dieren moeten worden gehouden, moeten deze dieren worden geïdentificeerd.”
141 Volgens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 279/94, waarbij deze bepaling in verordening nr. 2700/93 is opgenomen, „dient ervoor te worden gezorgd, dat, in geval van uitbesteding voor verzorging, de overgebrachte dieren worden geïdentificeerd”.
142 Bijgevolg heeft die bepaling tot doel de identificatie van de overgebrachte dieren te waarborgen voordat zij met andere dieren worden vermengd. Het wezenlijke kenmerk van een uitbesteding van dieren voor verzorging is dat dieren van verschillende oorsprong bij elkaar worden gezet en dat het nagenoeg onmogelijk wordt ze van elkaar te onderscheiden indien zij niet vooraf zijn gemerkt. Dit is ook een kenmerk van de gemeenschappelijke exploitatie van de dieren van verschillende eigenaren. Om het nuttig effect van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2700/93 te waarborgen, moeten voor de gemeenschappelijke exploitatie dezelfde waarborgen gelden. Bijgevolg moet het begrip „uitbesteding voor verzorging” in het kader van die bepaling aldus worden uitgelegd, dat het ook geldt voor de gevallen waarin de dieren wegens de gemeenschappelijke exploitatie van kudden van verschillende eigenaren met andere worden vermengd.
143 Bijgevolg moet het zesde middel betreffende de premie voor schapen‑ en geitenvleesproducenten ongegrond worden verklaard.
Zevende middel: onjuiste uitlegging van artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70
Argumenten van partijen
144 Volgens de Griekse regering heeft de weigering van de Commissie om bepaalde uitgaven in de sector schapen- en geitenvlees te financieren, in strijd met artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 betrekking op uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van haar verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. Daar de controles van de Commissie in 1997 en 1998 hebben plaatsgevonden en de schriftelijke mededeling van de resultaten daarvan in 1998 is geschied, is die periode van 24 maanden in 1996 geëindigd. De correctie zou dus ten onrechte ook uitgaven voor 1995 betreffen.
145 De Commissie voert aan dat krachtens artikel 5 van verordening nr. 729/70 de termijn van 24 maanden ingaat met de mededeling van de resultaten van de verificaties. De betrokken bevindingen betreffen de periode 1995, 1996 en 1997, die deze termijn van 24 maanden vóór de mededeling van de resultaten van de verificaties niet overschrijdt. In casu is de schriftelijke mededeling bij brief van 22 juli 1997 en niet in 1998 gedaan.
Beoordeling door het Hof
146 Artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70, luidt: „Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. […]”
147 De Commissie heeft het Hof een brief overgelegd, die in de Griekse versie op 22 juli 1997 is gedateerd, en waarbij zij de Griekse autoriteiten in kennis heeft gesteld van de onregelmatigheden die bij haar verificaties ter plaatse in de sector schapen- en geitenvlees zijn vastgesteld. Volgens de inhoud ziet die brief op onregelmatigheden niet alleen in 1996 en 1997, maar ook in 1995. Uit die brief volgt duidelijk dat de Commissie voornemens was, bepaalde uitgaven op basis van de daarin weergegeven bevindingen aan de communautaire financiering te onttrekken. Bovendien is daarin uitdrukkelijk vermeld dat met die brief de termijn van 24 maanden als bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 begint te lopen. De Griekse regering betwist niet dat zij die brief heeft ontvangen.
148 Bijgevolg is de mededeling van de resultaten van de verificaties in de zin van die bepaling bij de brief van 22 juli 1997 verricht. Derhalve konden de financiële correcties van de premie voor de schapen- en geitenvleesproducenten op goede gronden in 1995 gedane uitgaven betreffen.
149 Bijgevolg moet het zevende middel betreffende die premie ongegrond worden verklaard.
150 Gelet op een en ander, moet het beroep van de Helleense Republiek in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
151 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Daar de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Het beroept wordt verworpen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy