Zaak C-334/01
Glencore Grain Rotterdam BV
tegen
Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung
(verzoek van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main om een prejudiciële beslissing)
«Landbouw – Gemeenschappelijke marktordening in graansector – Permanente openbare inschrijving – Graanproduct bestemd voor uitvoer naar ACS-staten – Feit waardoor termijn voor leveren van bewijs van invoer tot verbruik in bestemmingsland ingaat – Artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 2372/95 en artikel 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87»
Conclusie van advocaat-generaal J. Mischo van 23 januari 2003 I - 0000 Arrest van het Hof (Derde kamer) van 26 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Graan – Zachte tarwe – Permanente openbare inschrijving – Vrijgeven van zekerheid – Voorwaarde – Levering van bewijs van invoer tot verbruik in bestemmingsland – Termijn – Mogelijkheid van overschrijding van in verordening bepaalde termijn in geval van overmacht of verlening van bijkomende termijnen
(Verordeningen van de Commissie nr. 3665/87, art. 47, lid 2, en nr. 2372/95, art. 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje)Artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 inzake de opening van permanente openbare inschrijvingen voor de verkoop van zachte tarwe van bakkwaliteit uit de voorraden van het Franse en het Duitse interventiebureau voor uitvoer naar sommige ACS-landen gedurende het verkoopseizoen 1995/1996, moet aldus worden uitgelegd dat het bewijs van de invoer van de goederen in de betrokken ACS-staten, dat noodzakelijk is voor het vrijgeven van de zekerheid van 40 ecu/ton, overeenkomstig artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2955/94, moet worden geleverd binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, behoudens overmacht of wanneer de exporteur dat bewijs niet binnen deze termijn heeft kunnen meedelen, hoewel hij zich de nodige moeite heeft gegeven, en de bevoegde autoriteit hem bijkomende termijnen heeft . punten 44, 48-49, 51 en dictum
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
26 juni 2003 (1)
„Landbouw – Gemeenschappelijke marktordening in graansector – Permanente openbare inschrijving – Graanproduct bestemd voor uitvoer naar ACS-staten – Feit waardoor de termijn ingaat voor leveren van bewijs van invoer tot verbruik in bestemmingsland – Artikelen 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 2372/95 en 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87”
In zaak C-334/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Glencore Grain Rotterdam BV
en
Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 2372/95 van de Commissie van 10 oktober 1995 inzake de opening van permanente openbare inschrijvingen voor de verkoop van zachte tarwe van bakkwaliteit uit de voorraden van het Franse en het Duitse interventiebureau voor uitvoer naar sommige ACS-landen gedurende het verkoopseizoen 1995/1996 (PB L 242, blz. 3), en van artikel 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2955/94 van de Commissie van 5 december 1994 (PB L 312, blz. 5),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, F. Macken (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
─ Glencore Grain Rotterdam BV, vertegenwoordigd door B. Festge, Rechtsanwältin,
─ de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Glencore Grain Rotterdam BV en de Commissie ter terechtzitting van 28 november 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 17 juli 2001, ingekomen bij het Hof op 7 september daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje van verordening (EG) nr. 2372/95 van de Commissie van 10 oktober 1995 inzake de opening van permanente openbare inschrijvingen voor de verkoop van zachte tarwe van bakkwaliteit uit de voorraden van het Franse en het Duitse interventiebureau voor uitvoer naar sommige ACS-landen gedurende het verkoopseizoen 1995/1996 (PB L 242, blz. 3), en artikel 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2955/94 van de Commissie van 5 december 1994 (PB L 312, blz. 5; hierna: verordening nr. 3665/87).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Glencore Grain Rotterdam BV (hierna: Glencore) en de Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernährung (hierna: Bundesanstalt) over de weigering van laatstgenoemde om een gedeelte van de zekerheid vrij te geven die Glencore had gesteld in het kader van een openbare inschrijving voor de uitvoer van zachte tarwe naar bepaalde staten in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan (hierna: ACS-staten).
Rechtskader
De gemeenschapsregeling
Verordening (EEG) nr. 1766/92
3 Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 (PB L 349, blz. 105), bepaalt dat de door de lidstaten aangewezen interventiebureaus bepaalde graansoorten, waaronder zachte tarwe, die hun worden aangeboden en in de Gemeenschap zijn geoogst, kopen voorzover de aanbiedingen voldoen aan de gestelde voorwaarden, met name ten aanzien van kwaliteit en hoeveelheid.
4 Overeenkomstig de artikelen 5 en 23 van verordening nr. 1766/92 is de Commissie bevoegd de uitvoeringsmaatregelen betreffende de procedures en de voorwaarden voor de aan- en verkoop van graan door de interventiebureaus van de lidstaten vast te stellen.
Verordening (EEG) nr. 2131/93
5 Verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie van 28 juli 1993 tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus (PB L 191, blz. 76), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 120/94 van de Commissie van 25 januari 1994 (PB L 21, blz. 1; hierna: verordening nr. 2131/93), voorziet in twee afzonderlijke inschrijvingsprocedures: een voor de verkoop van graan op de markt van de Gemeenschap, en een voor de verkoop voor uitvoer.
6 In beide gevallen voorziet artikel 13, lid 4, van verordening nr. 2131/93 in het stellen van een zekerheid. Volgens dezelfde bepaling kunnen ingediende offertes worden gewijzigd noch ingetrokken en zijn zij slechts geldig indien zij vergezeld gaan van het bewijs dat de inschrijver een zekerheid heeft gesteld.
7 Artikel 17 van verordening nr. 2131/93 luidt: 1. De in deze verordening bedoelde zekerheden worden gesteld overeenkomstig titel III van verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie.2. De in artikel 13, lid 4, bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven voor de hoeveelheden waarvoor[...]
─ de verkoopprijs binnen de vastgestelde termijn is betaald en, bij verkoop voor uitvoer en wanneer de betaalde prijs lager is dan de minimumprijs die overeenkomstig artikel 5, leden 1, 2 en 3, bij herverkoop op de markt van de Gemeenschap in acht moet worden genomen, een zekerheid is gesteld die gelijk is aan het verschil tussen de twee prijzen.
3. De in lid 2, tweede streepje, bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven voor de hoeveelheden waarvoor[...]
─ de in artikel 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde bewijzen zijn geleverd. De zekerheid wordt evenwel vrijgegeven als de handelaar het bewijs levert dat een hoeveelheid van tenminste 1 500 ton graanproducten het douanegebied van de Gemeenschap in een zeewaardig schip heeft verlaten. [...]
[...]5. Behoudens overmacht wordt de in lid 2, tweede streepje, bedoelde zekerheid verbeurd voor de hoeveelheden waarvoor de in lid 3, tweede streepje, bedoelde bewijzen niet zijn overgelegd binnen de in artikel 47 van verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde termijn.
Verordening nr. 2372/95
8 Artikel 2 van verordening nr. 2372/95 bepaalt: Behoudens het bepaalde in deze verordening vindt de in artikel 1 bedoelde verkoop van zachte tarwe van bakkwaliteit plaats overeenkomstig de bij verordening (EEG) nr. 2131/93 vastgestelde procedures en voorwaarden.
9 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2372/95 bepaalt dat de offertes slechts in aanmerking kunnen worden genomen indien de inschrijver een schriftelijk bewijs overlegt, dat hij voor de betrokken hoeveelheid een handelscontract heeft gesloten voor de levering van zachte tarwe van bakkwaliteit voor uitvoer naar een ACS-staat of naar een aantal staten die behoren tot een van de in bijlage I vastgestelde groepen ACS-staten, en zij vergezeld gaan van een aanvraag om een uitvoercertificaat voor de betrokken bestemming.
10 Volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2372/95 verplicht het uitvoercertificaat de exporteur tot uitvoer naar de ACS-staat of de ACS-staten waarvoor de certificaataanvraag is ingediend.
11 Artikel 8 van verordening nr. 2372/95 luidt als volgt: 1. De overeenkomstig artikel 13, lid 4, van verordening (EEG) nr. 2131/93 gestelde zekerheid moet worden vrijgegeven zodra de uitvoercertificaten zijn afgegeven aan degenen aan wie is toegewezen.2. De naleving van de verplichting tot uitvoer en tot invoer in de in bijlage I vastgestelde landen van bestemming wordt gegarandeerd door een zekerheid ten bedrage van 60 ecu/ton, waarvan een bedrag van 20 ecu/ton bij de afgifte van het uitvoercertificaat wordt gesteld en het saldo ten bedrage van 40 ecu/ton vóór het afhalen van het graan.In afwijking van artikel 15, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie:
─ moet het bedrag van 20 ecu/ton worden vrijgegeven binnen 20 werkdagen na de datum waarop degene aan wie is toegewezen het bewijs levert dat de afgehaalde zachte tarwe het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten;
─ moet het bedrag van 40 ecu/ton worden vrijgegeven binnen 15 werkdagen na de datum waarop degene aan wie is toegewezen het bewijs van de invoer tot verbruik in de in artikel 5, lid 3, bedoelde ACS-staat of ACS-staten levert. Dit bewijs wordt geleverd overeenkomstig de artikelen 18 en 47 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie.
[...]
Verordening nr. 3665/87
12 Artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87 bepaalt: Het bewijs dat deze douaneformaliteiten zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:
a) het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan; die kopie of fotokopie moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die het origineel heeft geviseerd, de officiële diensten van het betrokken derde land, de officiële diensten van een van de lidstaten in het betrokken derde land of een met de betaling van de restitutie belast orgaan, of
b) een verklaring van lossing en invoer voor verbruik, opgesteld door een op internationaal vlak in controle en toezicht gespecialiseerde firma die is erkend door een lidstaat. De datum en het nummer van het douanedocument voor invoer tot verbruik moeten op de verklaring worden vermeld.
2. Indien de exporteur, na daartoe de nodige stappen te hebben ondernomen, het overeenkomstig lid 1, onder a) of b), gekozen document niet kan verkrijgen of indien er twijfels bestaan over de authenticiteit van het overgelegd document, kan het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, worden geacht te zijn geleverd door overlegging van één of meer van de volgende documenten: [...]
13 Artikel 47, leden 2 en 4, van verordening nr. 3665/87 bepaalt: 2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.[...]4. Wanneer de op grond van artikel 18 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.
Verordening (EEG) nr. 2220/85
14 Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (PB L 205, blz. 5), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1181/87 van de Commissie van 29 april 1987 (PB L 113, blz. 31; hierna: verordening nr. 2220/85), stelt blijkens artikel 1 de bepalingen vast voor de zekerheidstelling in het kader van met name de verordeningen betreffende de gemeenschappelijke marktordening in de graansector, tenzij in die verordeningen anders is bepaald.
15 Krachtens artikel 3, sub a, van verordening nr. 2220/85 wordt onder zekerheid verstaan de verzekering dat een bepaald bedrag wordt betaald of verbeurd aan een bevoegde autoriteit, als een bepaalde verplichting niet wordt nagekomen.
16 De artikelen 21, 22 en 28 van deze verordening luiden als volgt: Artikel 21 De zekerheid wordt vrijgegeven zodra het bij de specifieke verordening voorgeschreven bewijs is geleverd dat aan alle primaire, secundaire en ondergeschikte eisen is voldaan. Artikel 22 1. Een zekerheid wordt volledig verbeurd voor de hoeveelheid waarvoor een primaire eis niet is nagekomen, behalve in geval van overmacht.2. Een primaire eis wordt geacht niet te zijn nagekomen wanneer het desbetreffende bewijs niet wordt geleverd binnen de termijn die voor het leveren van dat bewijs is vastgesteld, behalve in geval van overmacht. [...]3. Wanneer binnen 18 maanden na de in lid 2 bedoelde termijn het bewijs wordt geleverd dat aan alle primaire eisen is voldaan, wordt 85 % van het verbeurde bedrag terugbetaald.Wanneer binnen 18 maanden na de in lid 2 bedoelde termijn het bewijs wordt geleverd dat aan alle primaire eisen is voldaan, maar aan de desbetreffende secundaire eis niet is voldaan, is het bedrag dat wordt terugbetaald gelijk aan het bedrag dat zou zijn vrijgegeven in een geval van toepassing van artikel 23, lid 2, verminderd met 15 % van het betrokken gedeelte van het gegarandeerde bedrag.4. Er vindt geen terugbetaling plaats wanneer het bewijs na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn van 18 maanden wordt geleverd, behalve in geval van overmacht.[...] Artikel 28 1. Wanneer geen tijdslimiet is vastgesteld voor het indienen van de bewijsstukken voor het vrijgeven van een zekerheid, geldt als uiterste termijn:
a) 12 maanden na de uiterste datum waarop alle primaire eisen moeten zijn nagekomen, of
b) wanneer een dergelijke tijdslimiet niet is vastgesteld, 12 maanden na de datum waarop alle primaire verplichtingen zijn nagekomen.
2. In geen geval mag de in lid 1 bedoelde termijn meer bedragen dan 3 jaar na de datum waarop de zekerheid voor een bepaalde transactie is gesteld, behoudens in geval van overmacht.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
17 Glencore heeft deelgenomen aan de bij verordening nr. 2372/95 geopende inschrijving. Haar werd een totale hoeveelheid van 102 359 ton zachte tarwe toegewezen en zij heeft daarbij de in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 2372/95 bedoelde zekerheid van 60 ecu/ton gesteld.
18 Volgens de aan Glencore afgegeven uitvoercertificaten was de zachte tarwe bestemd voor levering aan één of meer van de in de bijlage bij verordening nr. 2372/95 vermelde ACS-staten. De toegewezen tarwe is uitgeklaard en heeft het grondgebied van de Gemeenschap in de loop van de maanden januari tot en met maart 1996 verlaten.
19 Overeenkomstig artikel 8, lid 2, tweede alinea, eerste streepje van verordening nr. 2372/95 werd de zekerheid van 20 ecu/ton door de Bundesanstalt vrijgegeven nadat het bewijs was geleverd dat de afgehaalde goederen het douanegebied van de Gemeenschap hadden verlaten.
20 De documenten ten bewijze van de invoer tot verbruik van de goederen in de ACS-staat of ACS-staten van bestemming zijn echter pas op 24 juni 1997 bij de Bundesanstalt ingediend, dus ruim achttien maanden na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.
21 De Bundesanstalt heeft 15 % van de gestelde zekerheid van 40 ecu/ton verbeurd verklaard. Als rechtsgrondslag vermeldde zij de artikelen 22, leden 2 en 3, en 29 van verordening nr. 2220/85, in samenhang met de artikelen 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, en 2 van verordening nr. 2372/95, artikel 17, lid 5, van verordening nr. 2131/93, alsmede de artikelen 18 en 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87.
22 Nadat zij tevergeefs bezwaar had gemaakt tegen dit besluit tot gedeeltelijke verbeurdverklaring van haar zekerheid, heeft Glencore op 3 april 1998 beroep bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main ingesteld en verzocht om nietigverklaring van dat besluit.
23 Voor de verwijzende rechter heeft Glencore voornamelijk aangevoerd dat de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 vastgestelde termijn van twaalf maanden niet van toepassing is in het kader van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95. Haars inziens is de termijn van twaalf maanden van artikel 28, lid 1, sub b, van verordening nr. 2220/85 toepasselijk. De hierin bepaalde termijn gaat anders dan die van artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 niet in op de dag na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer; deze bepaling zegt eenvoudig dat het voor het vrijgeven van de zekerheid noodzakelijke bewijs moet worden geleverd binnen een termijn van twaalf maanden nadat de primaire verplichting is nagekomen.
24 De Bundesanstalt is daarentegen van mening dat artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 de rechtsgrondslag vormt van het besluit tot verbeurdverklaring van de zekerheid. Volgens deze bepaling wordt de zekerheid van 40 ecu/ton vrijgegeven binnen vijftien werkdagen na de datum waarop degene aan wie is toegewezen het bewijs van de invoer tot verbruik in de in artikel 5, lid 3, bedoelde ACS-staat of ACS-staten levert. Dit bewijs wordt geleverd overeenkomstig de artikelen 18 en 47 van verordening nr. 3665/87.
25 Van mening dat de beslechting van het bij hem aanhangige geschil de uitlegging van de artikelen 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 en 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 vereist, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: Moet artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 2372/95 van de Commissie van 10 oktober 1995 aldus worden uitgelegd, dat artikel 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 eenvoudig naar analogie moet worden toegepast, zodat de termijn van twaalf maanden voor het leveren van het bewijs van invoer in de betrokken ACS-staat pas ingaat wanneer de primaire verplichting uit hoofde van deze verordening, te weten de invoer in de ACS-staat, is nagekomen?
De prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
26 Glencore is van mening dat bij een juiste uitlegging van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 de termijn van twaalf maanden die is voorgeschreven voor het leveren van het bewijs van invoer van de zachte tarwe in de betrokken ACS-staat, pas ingaat wanneer de invoer in die staat is voltooid.
27 Volgens Glencore volgt deze uitlegging zowel uit de strekking als het doel van verordening nr. 2372/95, die een vermindering van de grote voorraden zachte tarwe van bakkwaliteit waarover het Franse en het Duitse interventiebureau beschikken, alsmede een regelmatige bevoorrading van de ACS-staten tegen stabiele prijzen beoogt.
28 Dienaangaande voert Glencore aan dat verordening nr. 2372/95, anders dan verordening nr. 3665/87, enkel voorziet in een termijn waarbinnen de goederen moeten worden uitgevoerd, maar niet uitdrukkelijk in de termijn waarbinnen de goederen in de ACS-staat van bestemming moeten worden ingevoerd. In die regeling, die slechts de uitvoer naar de ACS-staten betreft, heeft de wetgever bewust afgezien van het stellen van een termijn voor de voltooiing van de invoer in de betrokken ACS-staat, daar een termijn van twaalf maanden zeer vaak niet zou kunnen worden geëerbiedigd. Aangezien voor de invoer van zachte tarwe in de ACS-staat geen enkele termijn is vastgesteld, kan echter evenmin een termijn worden gesteld voor het leveren van het bewijs van die invoer.
29 Deze uitlegging van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 wordt ook gerechtvaardigd door het feit dat verordening nr. 2220/85 van toepassing is. De zekerheid die in het kader van uitvoer overeenkomstig verordening nr. 2372/95 moet worden gesteld, is een zekerheid in de zin van artikel 3, sub a, van verordening nr. 2220/85, en de invoer van graan in de ACS-staten van bestemming vormt een primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van laatstgenoemde verordening.
30 Aangezien evenmin een termijn is gesteld voor het voldoen aan de primaire eis, is volgens Glencore de termijn om de invoer in de lidstaat van bestemming te bewijzen, overeenkomstig artikel 28, lid 1, sub b, van verordening nr. 2220/85 twaalf maanden na de datum waarop aan de primaire verplichting, te weten de invoer in de ACS-staten van bestemming, is voldaan.
31 Glencore concludeert hieruit dat artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 niet voorziet in een termijn voor het leveren van het bewijs van de invoer in de staat van bestemming en dat de verwijzing naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87 enkel aldus kan worden uitgelegd, dat deze bepaling naar analogie, aangepast aan verordening nr. 2372/95, mag worden toegepast. De termijn van twaalf maanden zou dus pas moeten ingaan, wanneer aan de verplichting tot invoer in de ACS-staat is voldaan.
32 De Commissie is van mening dat de termijnbepalingen van artikel 47 van verordening nr. 3665/87 krachtens artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 volledig van toepassing zijn. Het bewijs van de invoer van de goederen in de betrokken ACS-staat of ACS-staten, dat noodzakelijk is voor het vrijgeven van de zekerheid, moet dus, behoudens overmacht, worden geleverd binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.
33 De bewoordingen van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 zijn volgens de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig. De bepaling bevat niets dat erop duidt dat de verwijzing naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87 zich niet ook zou uitstrekken tot de termijnbepaling van lid 2 van dat artikel, dat voorziet in een termijn van twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
34 Volgens de Commissie is het niet juist om, zoals Glencore voorstelt, een beroep te doen op de termijnbepalingen van artikel 28 van verordening nr. 2220/85. Deze verordening is immers volgens artikel 1 slechts van toepassing voorzover in de in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen vastgestelde sectoriële verordeningen niets anders is bepaald.
35 Zij betoogt ook dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de verwijzing naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87 in artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 een redactionele vergissing van de gemeenschapswetgever is. Zou dat het geval zijn, dan had hij die bepaling gemakkelijk kunnen rectificeren of wijzigen; dit is echter niet gebeurd. Bovendien verwijst ook artikel 17 van verordening nr. 2131/93 ten aanzien van de te eerbiedigen termijn voor het vrijgeven van de zekerheid naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87.
36 Hoewel het volgens de Commissie, gelet op de duidelijke en ondubbelzinnige bepalingen van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95, niet noodzakelijk is om voor de uitlegging van deze bepaling het doel van de verordening te bezien, meent zij dat dit doel haar uitlegging bevestigt. De invoer van zachte tarwe in de ACS-staten vormde immers de primaire verplichting van de begunstigden van de bij deze verordening geopende permanente inschrijving, waarvan de nakoming werd verzekerd door de in artikel 8, lid 2, bedoelde zekerheidstelling. Vaststelling van een gunstigere termijn dan de vergelijkbare termijn die in het kader van de algemene regeling van artikel 17, lid 5, van verordening nr. 2131/93 van toepassing is voor het bewijs van de invoer van de goederen in de betrokken ACS-staten, zoals Glencore verzoekt, zou in strijd zijn geweest met het belang dat deze verplichting voor het succes van verordening nr. 2372/95 in haar geheel heeft.
37 Bovendien betoogt de Commissie dat, anders dan Glencore stelt, de bepalingen van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 het evenredigheidsbeginsel niet miskennen. In de eerste plaats kan volgens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 de in lid 2 van dat artikel bepaalde termijn voor de indiening van de vereiste documenten voor het bewijs dat de douaneformaliteiten voor de invoer tot verbruik zijn vervuld, op verzoek van de exporteur worden verlengd wanneer hij moeilijkheden ondervindt om aan de termijn te voldoen. In de tweede plaats bevat artikel 22 van verordening nr. 2220/85 een getrapt sanctiestelsel voor het geval de primaire verplichtingen niet binnen de gestelde termijnen zijn nagekomen.
Antwoord van het Hof
38 Artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 bepaalt duidelijk dat het bedrag van 40 ecu/ton, te weten de zekerheid waarvan de terugbetaling in het hoofdgeding wordt betwist, wordt vrijgegeven binnen vijftien werkdagen na de datum waarop degene aan wie is toegewezen het bewijs van de invoer tot verbruik van de zachte tarwe in de betrokken ACS-staat of ACS-staten levert.
39 Die bepaling verwijst voor het leveren van dit bewijs uitdrukkelijk naar de artikelen 18 en 47 van verordening nr. 3665/87.
40 Artikel 18 van verordening nr. 3665/87 somt de documenten op die een exporteur moet overleggen voor het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld.
41 Artikel 47 van verordening nr. 3665/87, dat in titel 4 Procedure voor de restitutiebetaling is opgenomen, bepaalt in lid 2 duidelijk en ondubbelzinnig: [h]et dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
42 Artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 bevat niets dat erop duidt dat de verwijzing naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87 niet ook zou gelden voor de in lid 2 van deze laatstgenoemde bepaling gestelde termijn waarbinnen het dossier voor de terugbetaling van de zekerheid moet worden ingediend.
43 Bovendien zou de verwijzing in artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 naar artikel 47 van verordening nr. 3665/87 ter bepaling van de termijn waarbinnen het bewijs van de invoer tot verbruik moet worden geleverd, geen zin hebben wanneer niet zou worden gedoeld op de twee leden van laatstgenoemde bepaling met termijnregels, te weten de leden 2 en 4 van dit artikel 47.
44 Uit de artikelen 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 en 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 blijkt dus dat de termijn van twaalf maanden waarover een exporteur beschikt om het bewijs van de invoer tot verbruik van de zachte tarwe in de ACS-staat of ACS-staten van bestemming te leveren, ingaat op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard.
45 Het door verordening nr. 2372/95 nagestreefde doel leidt niet tot een andere uitlegging dan uit de bewoordingen van deze bepalingen duidelijk voortvloeit, maar bevestigt deze uitlegging juist volledig.
46 Uit de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2372/95 blijkt immers dat het voornaamste doel is te garanderen dat de zachte tarwe daadwerkelijk haar bestemming bereikt. Daartoe is een strikte termijn gesteld aan de vervulling van de verplichting om naar de ACS-staat of ACS-staten van bestemming uit te voeren. De in artikel 8, lid 2, van deze verordening bedoelde zekerheid draagt ertoe bij de naleving van deze termijn te verzekeren.
47 Ten slotte zijn de bepalingen van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95, anders dan Glencore betoogt, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
48 De verplichting in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 om het dossier voor het vrijgeven van de zekerheid binnen twaalf maanden na de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer in te dienen, geldt immers niet wanneer de betrokken exporteur overmacht bewijst.
49 Bovendien biedt artikel 47, lid 4, van deze verordening de nationale autoriteiten de mogelijkheid om de exporteur aanvullende termijnen toe te staan voor de overlegging van de vereiste documenten, dat wil zeggen de bewijzen van aankomst van de uitgevoerde goederen ter bestemming, wanneer hij de documenten niet binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden heeft kunnen overleggen, ofschoon hij zich de nodige moeite heeft gegeven om deze binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen (arrest van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie, C-54/95, Jurispr. blz. I-35, punt 146).
50 Het doel van artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 is dus niet om de in de gemeenschapsregeling voorziene restituties of, in een geval als in het hoofdgeding, de bij de verkoop van graan in het bezit van de interventiebureaus gestelde zekerheden automatisch aan de exporteur te onttrekken wanneer, hoewel hij zich alle inspanningen heeft getroost die van hem mochten worden verwacht, objectieve omstandigheden hem hebben belet om de vereiste documenten binnen de termijn van twaalf maanden over te leggen (arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 148).
51 In het licht van het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening nr. 2372/95 aldus moet worden uitgelegd dat het bewijs van de invoer van de goederen in de betrokken ACS-staten, dat noodzakelijk is voor het vrijgeven van de zekerheid van 40 ecu/ton, overeenkomstig artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 moet worden geleverd binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, behoudens overmacht of wanneer de exporteur dat bewijs niet binnen deze termijn heeft kunnen meedelen, hoewel hij zich de nodige moeite heeft gegeven, en de bevoegde autoriteit hem aanvullende termijnen heeft verleend.
Kosten
52 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 17 juli 2001 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) Artikel 8, lid 2, tweede alinea, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 2372/95 van de Commissie van 10 oktober 1995 inzake de opening van permanente openbare inschrijvingen voor de verkoop van zachte tarwe van bakkwaliteit uit de voorraden van het Franse en het Duitse interventiebureau voor uitvoer naar sommige ACS-landen gedurende het verkoopseizoen 1995/1996, moet aldus worden uitgelegd dat het bewijs van de invoer van de goederen in de betrokken ACS-staten, dat noodzakelijk is voor het vrijgeven van de zekerheid van 40 ecu/ton, overeenkomstig artikel 47, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2955/94 van de Commissie van 5 december 1994, moet worden geleverd binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, behoudens overmacht of wanneer de exporteur dat bewijs niet binnen deze termijn heeft kunnen meedelen, hoewel hij zich de nodige moeite heeft gegeven, en de bevoegde autoriteit hem aanvullende termijnen heeft verleend.
Puissochet
Macken
Cunha Rodrigues
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 juni 2003.
De griffier
De president van de Derde kamer
R. Grass
J.-P. Puissochet
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy