Zaak C‑349/01
Betriebsrat der Firma ADS Anker GmbH
tegen
ADS Anker GmbH
(verzoek van het Arbeitsgericht Bielefeld om een prejudiciële beslissing)
„Sociale politiek – Artikelen 4 en 11 van richtlijn 94/45/EG – Europese ondernemingsraad – Informatie en raadpleging van werknemers in ondernemingen met communautaire dimensie – Verplichting van hoofdbestuur om bepaalde informatie aan werknemersvertegenwoordigers te verstrekken”
Samenvatting van het arrest
Sociale politiek – Informatie en raadpleging van werknemers in ondernemingen met communautaire dimensie – Richtlijn 94/45 – Informatie die onontbeerlijk is voor opening van onderhandelingen tot instelling van Europese ondernemingsraad – Verzoek aan onderneming van concern die niet over die informatie beschikt – Verplichting van hoofdbestuur van concern of van fictief hoofdbestuur in zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn om die informatie te verstrekken
(Richtlijn 94/45 van de Raad, art. 4, lid 1, en lid 2, tweede alinea, en art. 11)
De artikelen 4, lid 1, en 11 van richtlijn 94/45 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, moeten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten een op hun grondgebied gevestigde onderneming, die het hoofdbestuur is van een concern met een communautaire dimensie in de zin van de artikelen 2, lid 1, sub e, en 3, lid 1, van de richtlijn, of het fictieve hoofdbestuur in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn, moeten verplichten om aan een in een andere lidstaat gevestigde andere onderneming van hetzelfde concern de informatie te verstrekken waarom haar werknemersvertegenwoordigers haar hebben verzocht, indien deze andere onderneming niet over deze informatie beschikt en deze informatie onontbeerlijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad.
(cf. punt 67 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
15 juli 2004(1)
„Sociale politiek – Artikelen 4 en 11 van richtlijn 94/45/EG – Europese ondernemingsraad – Informatie en raadpleging van werknemers in ondernemingen met communautaire dimensie – Verplichting van hoofdbestuur tot verstrekking van bepaalde informatie aan werknemersvertegenwoordigers”
In zaak C-349/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Arbeitsgericht Bielefeld (Duitsland) in het aldaar aanhangig geding tussen
Betriebsrat der Firma ADS Anker GmbH
en
ADS Anker GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4 en 11 van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 254, blz. 64),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, F. Macken (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– Betriebsrat der Firma ADS Anker GmbH, vertegenwoordigd door I. Seefried, Rechtsanwältin,
– ADS Anker GmbH, vertegenwoordigd door U. Simdorn, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack en H. Kreppel als gemachtigden,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Betriebsrat der Firma ADS Anker GmbH, ADS Anker GmbH en de Commissie ter terechtzitting van 5 december 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 24 juli 2001, ingekomen bij het Hof op 17 september daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Bielefeld krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4 en 11 van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 254, blz. 64; hierna: „richtlijn”).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Betriebsrat der Firma ADS Anker GmbH (ondernemingsraad van ADS Anker GmbH; hierna: „ondernemingsraad”) en ADS Anker GmbH (hierna: „ADS Anker”), betreffende de afwijzing door laatstgenoemde van het verzoek van de ondernemingsraad hem bepaalde informatie te verstrekken voor de oprichting van een Europese ondernemingsraad.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Volgens de elfde overweging van de considerans van de richtlijn:
„[moeten] passende voorzieningen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de werknemers van ondernemingen met een communautaire dimensie of van concerns met een communautaire dimensie naar behoren worden geïnformeerd en geraadpleegd wanneer in een andere lidstaat dan in die waarin zij werken, beslissingen worden genomen die gevolgen voor hen hebben”.
4 In de twaalfde overweging van de considerans van de richtlijn wordt bepaald dat, „teneinde te waarborgen dat de werknemers van ondernemingen of concerns die in verscheidene lidstaten actief zijn, naar behoren worden geïnformeerd en geraadpleegd, een Europese ondernemingsraad of andere adequate procedures voor grensoverschrijdende informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers dienen te worden ingesteld”.
5 De dertiende overweging van de considerans van de richtlijn luidt als volgt:
„het […] blijkt nodig een definitie van het begrip ‚zeggenschap uitoefenende onderneming’ te geven die uitsluitend voor de onderhavige richtlijn geldt, zonder dat daarmee wordt vooruitgelopen op definities van de begrippen ‚concern’ en ‚zeggenschap’ die in latere besluiten mochten worden vastgesteld”.
6 Volgens de veertiende overweging van de considerans van de richtlijn:
„[moeten] de mechanismen voor de informatie en de raadpleging van de werknemers in dergelijke ondernemingen of concerns alle in de lidstaten gelegen vestigingen of ondernemingen van de concerns omvatten, ongeacht of het hoofdbestuur van de ondernemingen of, in het geval van een concern, [dat] van de zeggenschap uitoefenende onderneming, al dan niet op het grondgebied van de lidstaten is gevestigd”.
7 In artikel 1, leden 1 en 2, van de richtlijn heet het:
„1. Met deze richtlijn wordt beoogd het recht op informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen met een communautaire dimensie en concerns met een communautaire dimensie te verbeteren.
2. Te dien einde wordt in elke onderneming met een communautaire dimensie en in elk concern met een communautaire dimensie, wanneer daarom wordt verzocht overeenkomstig de procedure van artikel 5, lid 1, een Europese ondernemingsraad of een procedure voor de informatie en raadpleging van de werknemers ingesteld met het doel genoemde werknemers in te lichten en te raadplegen overeenkomstig de voorwaarden, op de wijze en met de gevolgen als bedoeld in deze richtlijn.”
8 Artikel 2, lid 1, sub a tot en met e, van de richtlijn bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ‚onderneming met een communautaire dimensie’: een onderneming met ten minste 1 000 werknemers in de lidstaten en, in ten minste twee lidstaten, elk ten minste 150 werknemers;
b) ‚concern’: een groep bestaande uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend;
c) ‚concern met een communautaire dimensie’: een concern dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
– het heeft ten minste 1 000 werknemers in de lidstaten,
– het bestaat uit ten minste twee ondernemingen die deel uitmaken van het concern, in verschillende lidstaten,
en
– ten minste één onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een lidstaat, en ten minste een andere onderneming van het concern heeft ten minste 150 werknemers in een andere lidstaat;
d) ‚werknemersvertegenwoordigers’: de vertegenwoordigers van de werknemers volgens de wetgeving en/of de gebruiken van de lidstaten;
e) ‚hoofdbestuur’: het hoofdbestuur van de onderneming met een communautaire dimensie of, in het geval van een concern met een communautaire dimensie, van de onderneming die zeggenschap uitoefent.”
9 In artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn heet het:
„1. In deze richtlijn wordt verstaan onder ‚zeggenschap uitoefenende onderneming’: een onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming (‚de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend’), bij voorbeeld door eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
2. Onverminderd het bewijs van het tegendeel, wordt het geacht vast te staan dat een overheersende invloed kan worden uitgeoefend wanneer een onderneming, direct of indirect, ten opzichte van een andere onderneming:
a) de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit,
of
b) beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen,
of
c) meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan benoemen.”
10 Volgens artikel 3, lid 6, van de richtlijn is „de wetgeving aan de hand waarvan wordt vastgesteld of een onderneming een ‚zeggenschap uitoefenende onderneming’, die van de lidstaat waaronder die onderneming ressorteert”.
11 Artikel 4, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn bepaalt:
„1. Het hoofdbestuur is ervoor verantwoordelijk de voorwaarden te scheppen en in middelen te voorzien die nodig zijn voor de instelling van de in artikel 1, lid 2, bedoelde Europese ondernemingsraad of informatie- en raadplegingsprocedure voor de onderneming met een communautaire dimensie of het concern met een communautaire dimensie.
2. Indien het hoofdbestuur niet in een lidstaat is gevestigd, draagt de vertegenwoordiger van het hoofdbestuur in een, in voorkomend geval, aan te wijzen lidstaat de in lid 1 bedoelde verantwoordelijkheid.
Wanneer er geen vertegenwoordiger is, berust de in lid 1 bedoelde verantwoordelijkheid bij het bestuur van de vestiging of het hoofdbestuur van de onderneming van het concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat.
3. In deze richtlijn wordt (worden) de vertegenwoordiger(s) of, bij ontstentenis, het bestuur of het hoofdbestuur, beschouwd als het hoofdbestuur.”
12 Artikel 5, leden 1 en 2, van de richtlijn luidt als volgt:
„1. Teneinde de doelstelling van artikel 1, lid 1, te verwezenlijken opent het hoofdbestuur op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit ten minste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee verschillende lidstaten onderhandelingen met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad of een informatieverstrekkings- en raadplegingsprocedure.
2. Daartoe wordt er een bijzondere onderhandelingsgroep samengesteld […]”
13 Krachtens artikel 6, lid 1, van de richtlijn dienen „het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep in een geest van samenwerking te onderhandelen om [tot] een overeenkomst [te komen] over de wijze waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers wordt verwezenlijkt.”
14 In artikel 11, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn heet het:
„1. Elke lidstaat ziet erop toe dat het bestuur van de vestigingen van een onderneming met communautaire dimensie en het bestuur van de ondernemingen van een concern die op zijn grondgebied zijn gevestigd, en hun werknemersvertegenwoordigers of, in voorkomend geval, hun werknemers de in deze richtlijn omschreven verplichtingen naleven, ongeacht of het hoofdbestuur al dan niet op zijn grondgebied is gevestigd.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens over het in artikel 2, lid 1, onder a en c, bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld op verzoek van de partijen die belang hebben bij de toepassing van deze richtlijn.
3. De lidstaten treffen passende maatregelen voor het geval deze richtlijn niet wordt nageleefd[;] in het bijzonder zien zij erop toe dat er administratieve of gerechtelijke procedures bestaan om de in deze richtlijn opgenomen verplichtingen te doen naleven.”
15 In artikel 14, lid 1, van de richtlijn is vastgesteld dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen om uiterlijk op 22 september 1996 aan de richtlijn te voldoen, of dragen er uiterlijk op die datum zorg voor dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige bepalingen in werking doen treden, waarbij de lidstaten alle nodige maatregelen dienen te treffen opdat [zij] te allen tijde voor de op grond van deze richtlijn vereiste resultaten kunnen instaan. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Bepalingen van nationaal recht
16 Het Gesetz über Europäische Betriebsräte (wet op de Europese ondernemingsraden) van 28 oktober 1996 (BGBl. 1996, I, blz. 1548; hierna: „EBRG”) dient tot omzetting van de richtlijn in Duits recht.
17 Ingevolge § 2, lid 1, EBRG is deze wet van toepassing op in de Gemeenschap actieve ondernemingen die in Duitsland zijn gevestigd en op in de Gemeenschap actieve concerns waarvan de zeggenschap uitoefenende onderneming in Duitsland is gevestigd.
18 § 2, lid 2, EBRG luidt:
„Wanneer het hoofdbestuur niet in een lidstaat gelegen is, maar er voor in lidstaten gelegen bedrijven of ondernemingen een bestuur voor de desbetreffende tak bestaat, is deze wet van toepassing wanneer dit bestuur zich in Duitsland bevindt. Indien er niet een dergelijk bestuur bestaat, is deze wet van toepassing wanneer het hoofdbestuur een bedrijf of onderneming in Duitsland als zijn vertegenwoordiger aanwijst. Indien er geen vertegenwoordiger wordt aangewezen, is deze wet van toepassing indien het bedrijf of de onderneming waarbij, vergeleken met andere in de lidstaten gelegen bedrijven van de onderneming of ondernemingen van het concern, de meeste werknemers in dienst zijn, in Duitsland gelegen is. De voornoemde besturen gelden als hoofdbestuur.”
19 In § 3, lid 2, EBRG wordt het begrip „concern met een communautaire dimensie” op analoge wijze gedefinieerd als in artikel 2, lid 1, sub c, van de richtlijn.
20 In § 5 EBRG, die is vastgesteld om aan artikel 11 van de richtlijn uitvoering te geven, heet het:
„1. Het hoofdbestuur geeft een werknemersvertegenwoordigingsorgaan op verzoek inlichtingen over het gemiddeld aantal werknemers van het concern en hun verdeling over de lidstaten, de ondernemingen en bedrijven, alsook over de structuur van de onderneming of het concern.
2. Een ondernemingsraad of centrale ondernemingsraad kan zich op deze bij lid 1 toegekende aanspraak beroepen tegenover het plaatselijke bedrijfs- of ondernemingsbestuur; dit is verplicht de voor de inlichtingen vereiste informatie en documenten bij het hoofdbestuur op te vragen.”
21 In § 6 EBRG wordt het begrip „zeggenschap uitoefenende onderneming” op analoge wijze gedefinieerd als in artikel 3 van de richtlijn.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
22 Blijkens de verwijzingsbeschikking behoort ADS Anker, een in Duitsland gevestigde onderneming, tot een concern van ondernemingen met een communautaire dimensie in de zin van artikel 2, lid 1, sub c, van de richtlijn (hierna: „Anker-concern”).
23 De Nederlandse vennootschap Anker BV houdt alle aandelen van ADS Anker en andere tot het Anker-concern behorende ondernemingen in Zweden, Noorwegen, Denemarken, Finland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Oostenrijk, Frankrijk, België en Hongarije. De moedervennootschap van Anker BV, Anker Systems GmbH, is buiten het grondgebied van de lidstaten in Zwitserland gevestigd.
24 Blijkens de verwijzingsbeschikking is de onderneming van het Anker-concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat, in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn, de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming RIVA. Zij heeft ongeveer 1 000 werknemers in dienst en is eind 1999 door Anker BV overgenomen.
25 Volgens de verwijzende rechter is het hoofdbestuur van het concern hetzij de onderneming RIVA, die als fictief hoofdbestuur in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, en lid 3, van de richtlijn kan gelden, hetzij Anker BV, die het hoofdbestuur van de zeggenschap uitoefenende onderneming is in de zin van de artikelen 2, lid 1, sub e, en 3, lid 1, van de richtlijn.
26 In het Anker-concern is geen Europese ondernemingsraad noch een procedure voor informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers ingesteld.
27 De ondernemingsraad van ADS Anker heeft haar op grond van § 5, lid 2, EBRG verzocht hem de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie te verstrekken, samen met de namen van de werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun vertegenwoordigers die voor de werknemers van de ondernemingen of de daarvan afhankelijke ondernemingen bij de instelling van een Europese ondernemingsraad moeten worden betrokken.
28 ADS Anker heeft geantwoord dat zij niet aan dit verzoek kon voldoen omdat zowel de rechtstreekse moedervennootschap, Anker BV, als de moedervennootschap van het concern, Anker Systems GmbH, weigerde de gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien is zij van mening dat het EBRG niet in een aanspraak op informatie tegenover de in andere lidstaten gevestigde ondernemingen van het concern voorziet.
29 Na de afwijzing van zijn verzoek om inlichtingen heeft de ondernemingsraad een vordering bij het Arbeitsgericht Bielefeld ingediend.
30 Dit stelt vast dat een werkgever er niet kan mee volstaan de ondernemingsraad mede te delen dat hij de verlangde informatie door eigen onderzoek in het handelsregister of uit andere bron moet zien te verkrijgen. Het hoofdbestuur is er volgens het Arbeitsgericht Bielefeld juist verantwoordelijk voor het scheppen van de voorwaarden die nodig zijn voor de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure ter informatie en raadpleging van de werknemers.
31 De verwijzende rechter refereert eveneens aan het argument van ADS Anker, dat zij de gevraagde inlichtingen niet kan verstrekken aangezien Anker BV en de moedervennootschap, Anker Systems GmbH, weigeren de voor de voorlichting van de werknemers nodige informatie mede te delen.
32 Het Arbeitsgericht Bielefeld is van oordeel dat het EBRG, als nationale wet, slechts in Duitsland kan gelden en geen verplichting inhoudt voor buiten Duitsland gevestigde ondernemingen van het concern om bepaalde inlichtingen aan in Duitsland gevestigde ondernemingen te verstrekken.
33 Volgens de verwijzende rechter kan het argument van de werkgever dat hij de door de werknemers gevraagde informatie niet kan verstrekken echter niet slagen, als hij krachtens de in andere lidstaten ter omzetting van de richtlijn vastgestelde regelingen het in een andere lidstaat gevestigde hoofdbestuur kan dwingen, de vereiste informatie aan de in Duitsland gevestigde ondernemingen van het concern te geven.
34 Hij merkt evenwel op dat de richtlijn geen uitdrukkelijke bepaling bevat aangaande een dergelijke horizontale aanspraak op informatie van een onderneming van een concern tegenover het in een andere lidstaat gevestigde hoofdbestuur.
35 Van oordeel dat de oplossing van het bij hem aanhangige geding afhangt van de uitlegging van de richtlijn, heeft het Arbeitsgericht Bielefeld besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1) Is een in het Verenigd Koninkrijk […] gevestigde onderneming die als hoofdbestuur in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, en lid 3, van [de] richtlijn […] geldt, of een in […] Nederland […] gevestigde onderneming die het hoofdbestuur van de zeggenschap uitoefenende onderneming in de zin van artikel 2, lid 1, sub [e], en artikel 3, lid 1, van [de] richtlijn […] vormt, op grond van richtlijn 94/45 […], met name op grond van de artikelen 4 en 11 daarvan, verplicht om een andere in […] Duitsland gevestigde onderneming die tot hetzelfde concern behoort, inlichtingen te verstrekken over de tot het concern behorende ondernemingen en bedrijven, hun rechtsvorm, hun vertegenwoordigingsstructuren, het gemiddeld aantal werknemers van het concern, alsmede hun verdeling over de lidstaten en ondernemingen?
2) Zo ja, omvat de informatieverplichting ook de namen van de werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun vertegenwoordigers die voor de werknemers van de ondernemingen of van de daarvan afhankelijke ondernemingen bij de instelling van een Europese ondernemingsraad moeten worden betrokken?”
De prejudiciële vragen
Bij het Hof ingediende opmerkingen
36 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of het hoofdbestuur of het fictieve hoofdbestuur ingevolge de richtlijn bepaalde informatie aan een andere onderneming van het concern moet verstrekken met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad, wijzen de ondernemingsraad, de Duitse regering en de Commissie erop, dat het hoofdbestuur krachtens artikel 4 van de richtlijn ervoor verantwoordelijk is de voorwaarden te scheppen en in de middelen te voorzien die nodig zijn voor de instelling van een Europese ondernemingsraad voor de ondernemingen en concerns met een communautaire dimensie. Wil de richtlijn een nuttig effect hebben, dan moet het hoofdbestuur van een onderneming of een concern verplicht zijn, aan de werknemersvertegenwoordigers de inlichtingen te verstrekken op grond waarvan zij kunnen bepalen of in de betrokken onderneming of het betrokken concern een Europese ondernemingsraad moet worden ingesteld, en, in voorkomend geval, of de bijzondere onderhandelingsgroep kan worden samengesteld.
37 Volgens de ondernemingsraad vloeit de verplichting van het hoofdbestuur om krachtens § 5, lid 2, EBRG vorenbedoelde inlichtingen ook te verstrekken indien het zich niet binnen het territoriale toepassingsgebied van het EBRG maar in een andere lidstaat bevindt, niet alleen voort uit de richtlijn maar ook uit het doel van de instelling van een Europese ondernemingsraad: de grensoverschrijdende informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers. Indien § 5, lid 2, EBRG alleen in Duitsland zou gelden, zou het voor de werknemersvertegenwoordigers moeilijker worden om de inlichtingen voor de instelling van Europese ondernemingsraden te verkrijgen, zodat de doelstelling van de richtlijn slechts moeizaam en na tijdverlies, lange procedures en onnodige kosten zou kunnen worden gerealiseerd.
38 De Commissie is van mening dat het er voor de bij artikel 4 van de richtlijn aan het hoofdbestuur opgelegde verplichtingen weinig toe doet of de werknemers van het concern, ongeacht uit welke lidstaat, hun legitieme aanspraak op inlichtingen rechtstreeks tegenover het hoofdbestuur geldend maken dan wel – zoals in Duitsland – via een tot het concern behorende onderneming.
39 ADS Anker betoogt dat, zelfs indien de richtlijn de instelling van een Europese ondernemingsraad mogelijk dient te maken, dit er niet mag toe leiden dat een onderneming wordt verplicht een proces aan te spannen tegen de onderneming die zeggenschap over haar uitoefent.
40 Als de ondernemingsraad van de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend er niet in slaagt de voor het indienen van een verzoek in de zin van artikel 5, lid 1, van de richtlijn noodzakelijke informatie te verkrijgen van deze onderneming, omdat deze informatie daar niet beschikbaar is, heeft hij volgens ADS Anker rechtstreeks tegenover de binnen het concern zeggenschap uitoefenende onderneming aanspraak op informatie overeenkomstig de bepalingen die ter omzetting van de richtlijn in nationaal recht zijn vastgesteld.
41 Wat in de tweede plaats de aard van de informatie betreft die het hoofdbestuur of het fictieve hoofdbestuur moeten verstrekken krachtens de in de richtlijn vastgestelde informatieplicht, is zowel de ondernemingsraad als de Duitse regering van mening dat die, gelet op de strekking en het doel van de richtlijn, ruim moet worden opgevat.
42 Volgens de ondernemingsraad heeft de aanspraak op informatie betrekking op de informatie die noodzakelijk is om te bepalen of er binnen de onderneming of het concern een Europese ondernemingsraad moet worden opgericht. De werknemersvertegenwoordigers dienen ook de informatie te kunnen verkrijgen die zij nodig hebben om, met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad, overeenkomstig artikel 5 van de richtlijn een verzoek in te dienen en de daartoe vereiste bijzondere onderhandelingsgroep samen te stellen. Aangezien het verzoek tot instelling van een Europese ondernemingsraad door werknemers of hun vertegenwoordigers uit ten minste twee verschillende lidstaten moet worden ingediend, vereist de oprichting van de bijzondere onderhandelingsgroep, dat de andere werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun leden bekend zijn.
43 ADS Anker betoogt daarentegen, dat de namen van de werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun vertegenwoordigers niet absoluut noodzakelijk zijn voor de opening van de onderhandelingen voor de instelling van een Europese ondernemingsraad overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de richtlijn.
44 Met een beroep op het arrest van 29 maart 2001, Bofrost* (C-62/99, Jurispr. blz. I‑2579) stelt de Commissie dat, wanneer de namen van de werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun vertegenwoordigers die voor de werknemers van de ondernemingen of de daarvan afhankelijke ondernemingen bij de instelling van een Europese ondernemingsraad moeten worden betrokken, volgens de rechter bij wie een verzoek tot informatie aanhangig is, behoren tot de informatie die onontbeerlijk is voor de opening van de onderhandelingen tot instelling van een dergelijke ondernemingsraad of van een procedure voor de grensoverschrijdende informatie en raadpleging van de werknemers, een onderneming van dit concern de betrokken gegevens, voorzover zij erover beschikt of kan beschikken, moet verstrekken aan de interne werknemersvertegenwoordigingsorganen die daarom verzoeken.
Antwoord van het Hof
45 Volgens de elfde overweging van de considerans en artikel 1, lid 2, heeft de richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat de werknemers van ondernemingen met een communautaire dimensie of van concerns met een communautaire dimensie naar behoren worden geïnformeerd en geraadpleegd wanneer in een andere lidstaat dan in die waarin zij werken, beslissingen worden genomen die gevolgen voor hen hebben.
46 De grensoverschrijdende informatie en raadpleging van werknemers wordt in de systematiek van de richtlijn in hoofdzaak gewaarborgd door een systeem van onderhandelingen tussen het hoofdbestuur en de werknemersvertegenwoordigers (arrest Bofrost*, reeds aangehaald, punt 29, en arrest van 13 januari 2004, Kühne & Nagel, C-440/00, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40).
47 Daartoe wordt in elke onderneming met een communautaire dimensie en in elk concern met een communautaire dimensie, wanneer daarom wordt verzocht, overeenkomstig de procedure van artikel 5, lid 1, van de richtlijn een Europese ondernemingsraad of een procedure voor de informatie en raadpleging van de werknemers ingesteld.
48 Ingevolge laatstgenoemde bepaling van de richtlijn opent in geval van een concern met een communautaire dimensie het hoofdbestuur, op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit ten minste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee verschillende lidstaten, onderhandelingen met het oog op de instelling van een dergelijke Europese ondernemingsraad.
49 De bijzondere onderhandelingsgroep, die een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de richtlijn ingesteld werknemersvertegenwoordigingsorgaan is, en het hoofdbestuur dienen overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de richtlijn in een geest van samenwerking te onderhandelen om tot een overeenkomst te komen over de wijze waarop de Europese ondernemingsraad zal worden ingesteld.
50 Het Hof heeft reeds verklaard dat, wil de richtlijn nuttig effect hebben, de betrokken werknemers toegang dienen te hebben tot bepaalde informatie op grond waarvan zij kunnen beoordelen of zij recht hebben op de opening van onderhandelingen tussen het hoofdbestuur en de werknemersvertegenwoordigers, daar dit recht op informatie een noodzakelijke voorwaarde is om te kunnen uitmaken of er van een onderneming of concern met een communautaire dimensie sprake is, hetgeen zelf een voorwaarde is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een grensoverschrijdende informatie‑ en raadplegingsprocedure (reeds aangehaalde arresten Bofrost*, punten 32 en 33, en Kühne & Nagel, punt 46).
51 Wat de instelling van een dergelijke raad betreft, is het overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de richtlijn aan het hoofdbestuur om de voorwaarden te scheppen en in de middelen te voorzien die daartoe nodig zijn. Deze verantwoordelijkheid omvat de verplichting, aan de werknemersvertegenwoordigers de informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor de opening van onderhandelingen tot instelling van een Europese ondernemingsraad (zie arrest Kühne & Nagel, reeds aangehaald, punten 49 en 51).
52 Het hoofdbestuur is in de zin van artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn het bestuur van de onderneming die de zeggenschap uitoefent, te weten de onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op alle ondernemingen die in handen zijn van het concern. Deze onderneming kan op grond van deze overheersende invloed de andere tot het concern behorende ondernemingen om de informatie vragen die noodzakelijk is voor de opening van voornoemde onderhandelingen, en hen verplichten om deze informatie te verschaffen, teneinde deze informatie aan voornoemde vertegenwoordigers te kunnen mededelen (zie ook in die zin arrest Kühne & Nagel, reeds aangehaald, punten 52 en 54).
53 Om te waarborgen dat het doel van de richtlijn wordt bereikt, de werknemers een aanspraak op toegang tot deze informatie te geven, wordt daarin overigens zelfs bepaald dat, indien het hoofdbestuur buiten de lidstaten is gevestigd, de bij artikel 4, lid 1, van de richtlijn aan het hoofdbestuur toegekende verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste respectievelijk tweede alinea, wordt gedragen door de vertegenwoordiger van het hoofdbestuur in een lidstaat, dan wel, wanneer er geen vertegenwoordiger is, door het hoofdbestuur van de vestiging of van de onderneming van het concern met het grootste aantal werknemers in een lidstaat, dat wil zeggen door het fictieve hoofdbestuur.
54 De andere in de lidstaten gelegen ondernemingen van het concern zijn, om het nuttig effect van de richtlijn te verzekeren, verplicht het fictieve hoofdbestuur te helpen om de in artikel 4, lid 1, van de richtlijn bedoelde hoofdverplichting na te komen. Het recht van het fictieve hoofdbestuur om de noodzakelijke informatie te ontvangen heeft als complement dat er voor de besturen van de andere ondernemingen van het concern een verplichting bestaat om het fictieve hoofdbestuur de informatie waarover zij beschikken of kunnen beschikken, te verschaffen (arrest Kühne & Nagel, reeds aangehaald, punt 59).
55 In casu is de beslissende vraag in wezen, of het hoofdbestuur of het fictieve hoofdbestuur krachtens de richtlijn ook verplicht is, aan een onderneming waarover binnen het concern zeggenschap wordt uitgeoefend, informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de opening van onderhandelingen met het oog op de instelling van een Europese ondernemingsraad, daar het betrokken verzoek om informatie door de werknemersvertegenwoordigers is voorgelegd aan de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, en of een dergelijke onderneming ingevolge de richtlijn kan eisen dat die informatie haar wordt verstrekt.
56 Blijkens het doel en de systematiek van de richtlijn moeten de verplichtingen die ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn op het hoofdbestuur en het fictief hoofdbestuur rusten, aldus worden uitgelegd dat zij zowel de verplichting omvatten om de informatie die onontbeerlijk is voor de opening van onderhandelingen voor de instelling van een Europese ondernemingsraad, rechtstreeks aan de werknemersvertegenwoordigers te verstrekken, als de verplichting om deze informatie aan de werknemersvertegenwoordigers te verstrekken via de onderneming van het concern waaraan zij hun verzoek om informatie het eerst hebben voorgelegd.
57 Elke andere uitlegging van de verplichtingen die ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn op het hoofdbestuur of het fictief hoofdbestuur rusten, zou het door het Hof in de reeds aangehaalde arresten Bofrost* en Kühne & Nagel in herinnering gebrachte nuttig effect van de richtlijn kunnen verzwakken.
58 De richtlijn heeft immers ten doel, aan alle ondernemingen van een concern verplichtingen op te leggen die de instelling van Europese ondernemingsraden beogen te vergemakkelijken (zie in die zin het reeds aangehaalde arrest Bofrost*, punten 31 en 35). Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vereist het doel van de richtlijn dat de opgelegde verplichtingen zo worden nageleefd dat de betrokken werknemers of hun vertegenwoordigers toegang verkrijgen tot de informatie op grond waarvan zij kunnen beoordelen of zij al of niet aanspraak hebben op de opening van onderhandelingen (reeds aangehaald arrest Bofrost*, punt 38).
59 Een restrictieve uitlegging van de verplichting van artikel 4, lid 1, van de richtlijn, in die zin dat deze bepaling slechts van toepassing zou zijn wanneer de werknemersvertegenwoordigers de verzoeken om informatie rechtstreeks bij het hoofdbestuur of het fictief hoofdbestuur indienen, zou de toepassing en de draagwijdte van deze bepaling, of zelfs van de richtlijn, zonder rechtvaardiging beperken en zou de werknemers zelfs ervan kunnen weerhouden de hun door de richtlijn toegekende rechten uit te oefenen.
60 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn legt dan ook zowel de verplichting op om bepaalde informatie voor de instelling van een Europese ondernemingsraad rechtstreeks aan de werknemersvertegenwoordigers te verstrekken, als de verplichting om hun deze informatie te verstrekken via de onderneming van het concern, die een verzoek in die zin van haar werknemersvertegenwoordigers heeft ontvangen.
61 Bovendien moeten de lidstaten ingevolge artikel 14, lid 1, van de richtlijn de nodige bepalingen vaststellen op grond waarvan zij te allen tijde voor de op grond van de richtlijn vereiste resultaten kunnen instaan. Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de richtlijn treffen zij passende maatregelen voor het geval dat deze niet wordt nageleefd, en zien zij er in het bijzonder op toe dat er administratieve of gerechtelijke procedures bestaan om de in de richtlijn opgenomen verplichtingen te doen naleven. Het doel van de richtlijn impliceert dat de lidstaten verplicht zijn, de nodige maatregelen te treffen om volledig voor de nakoming van de verplichtingen van de artikelen 4, lid 1, en 11 van de richtlijn te kunnen instaan (zie in die zin arrest Kühne & Nagel, reeds aangehaald, punt 61).
62 Wat de aard van de informatie betreft die het hoofdbestuur of het fictieve hoofdbestuur krachtens deze informatieplicht moet verstrekken, vermeldt artikel 11, lid 2, van de richtlijn uitdrukkelijk de verplichting van de lidstaten, ervoor te zorgen dat de gegevens over het in artikel 2, lid 1, sub a en c, van de richtlijn bedoelde aantal werknemers door de ondernemingen beschikbaar worden gesteld op verzoek van de partijen die belang hebben bij de toepassing van de richtlijn.
63 Voorts bestaat er voor de besturen van de andere in de lidstaten gelegen ondernemingen van het concern een verplichting om de informatie waarover zij beschikken of kunnen beschikken, die onontbeerlijk is voor de opening van onderhandelingen tot instelling van een Europese ondernemingsraad, aan het fictieve hoofdbestuur te verschaffen (arrest Kühne & Nagel, reeds aangehaald, punten 64 en 69).
64 Ten slotte blijkt uit punt 58 van het onderhavige arrest dat het doel van de richtlijn vereist dat de opgelegde verplichtingen zo worden nageleefd dat de betrokken werknemers of hun vertegenwoordigers toegang verkrijgen tot de informatie op grond waarvan zij kunnen beoordelen of zij al of niet aanspraak hebben op de opening van onderhandelingen, en in voorkomend geval hun verzoek hiertoe correct kunnen formuleren (arrest Bofrost*, reeds aangehaald, punt 38).
65 Informatie over de tot het concern behorende ondernemingen en bedrijven, hun rechtsvorm en vertegenwoordigingsstructuren, het gemiddeld aantal werknemers van het concern, alsmede over hun verdeling over de verschillende lidstaten kan dus worden verlangd, voorzover deze informatie onontbeerlijk is voor het openen van de in artikel 5, lid 1, van de richtlijn bedoelde onderhandelingen voor de instelling van een Europese ondernemingsraad (zie in die zin het reeds aangehaalde arrest Kühne & Nagel, punt 70). Hetzelfde geldt voor de informatie betreffende de namen van de werknemersvertegenwoordigingsorganen en hun vertegenwoordigers die voor de werknemers van de ondernemingen of van de daarvan afhankelijke ondernemingen bij de instelling van een Europese ondernemingsraad moeten worden betrokken.
66 Het is aan de nationale rechterlijke instanties om op basis van alle gegevens waarover zij beschikken, na te gaan of de gevraagde informatie onontbeerlijk is voor het openen van de in artikel 5, lid 1, van de richtlijn bedoelde onderhandelingen.
67 Gelet op het voorgaande, moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de artikelen 4, lid 1, en 11 van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten een op hun grondgebied gevestigde onderneming, die het hoofdbestuur is van een concern met een communautaire dimensie in de zin van de artikelen 2, lid 1, sub e, en 3, lid 1, van de richtlijn, of het fictieve hoofdbestuur in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn, moeten verplichten om aan een in een andere lidstaat gevestigde andere onderneming van hetzelfde concern de informatie te verstrekken waarom haar werknemersvertegenwoordigers haar hebben verzocht, indien deze andere onderneming niet over deze informatie beschikt en deze informatie onontbeerlijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad.
Kosten
68 De kosten door de Duitse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Bielefeld bij beschikking van 24 juli 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 4, lid 1, en 11 van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, moeten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten een op hun grondgebied gevestigde onderneming, die het hoofdbestuur is van een concern met een communautaire dimensie in de zin van de artikelen 2, lid 1, sub e, en 3, lid 1, van de richtlijn, of het fictieve hoofdbestuur in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn, moeten verplichten om aan een in een andere lidstaat gevestigde andere onderneming van hetzelfde concern de informatie te verstrekken waarom haar werknemersvertegenwoordigers haar hebben verzocht, indien deze andere onderneming niet over deze informatie beschikt en deze informatie onontbeerlijk is voor de instelling van een Europese ondernemingsraad.
Skouris
Gulmann
Puissochet
Macken
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 juli 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy