Zaak C-356/01
Republiek Oostenrijk
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Ecopuntensysteem voor transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk – Weigering van Commissie om aantal ecopunten voor 2001 te verminderen – Wettigheid»
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 november 2003
Samenvatting van het arrest
Vervoer – Wegvervoer – Bijzondere regeling voor transitovrachtvervoer door Oostenrijk – Ecopuntensysteem voor vrachtwagens – Transitoritten – Bewijslast rustend op Oostenrijkse autoriteiten – Instellen van ecodoosje door bestuurder bij binnenkomen van Oostenrijk – Relevantie – Grenzen
(Protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, art. 11, lid 2, sub c; verordening nr. 3298/94 van de Commissie, art. 2, leden 2 en 5) Om te vallen onder het ecopuntensysteem voor het transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk, dat is ingesteld bij protocol nr. 9 van de Toetredingsakte van 1994, betreffende vervoer over de weg en per spoor alsmede gecombineerd vervoer in Oostenrijk, moet de betrokken rit Oostenrijk doorkruisen en een begin- en eindpunt buiten het Oostenrijkse grondgebied hebben, wat inhoudt dat het bewijs dient te worden geleverd dat de vrachtwagen het land is binnengekomen én het daarna heeft verlaten. Uit artikel 2, leden 2, eerste alinea, en 5 van verordening nr. 3298/94 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem voor transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk, volgt dat het aan de Oostenrijkse autoriteiten staat om een systeem in te voeren ter controle van niet alleen het binnen- maar ook het buitenrijden van het Oostenrijkse grondgebied door de vrachtwagens. Wanneer de bestuurders verkeerde inlichtingen hebben verstrekt doordat het ecodoosje van hun vrachtwagens onjuist was ingesteld, staat het aan de Oostenrijkse autoriteiten, die door de gemeenschapsregeling belast zijn met het beheer van dit systeem, dergelijke fouten recht te . punten 44-47, 50
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
20 november 2003 (1)
„Ecopuntensysteem voor het transitoverkeer van vrachtwagens door Oostenrijk – Weigering van Commissie om aantal ecopunten voor 2001 te verminderen – Wettigheid”
In zaak C-356/01,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt en M. Wolfcarius als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster, ondersteund door Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing als gemachtigde, bijgestaan door J. Sedemund, Rechtsanwalt,
interveniënte,
betreffende het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 juli 2001 houdende weigering om een ontwerpverordening in te dienen tot verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001, en subsidiair, van het besluit van de Commissie van dezelfde datum om alle resterende ecopunten voor het jaar 2001 te verdelen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: V. Skouris, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), J.-P. Puissochet, R. Schintgen en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting, gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 10 juli 2003, tijdens welke de Republiek Oostenrijk werd vertegenwoordigd door H. Dossi, de Commissie door C. Schmidt en de Bondsrepubliek Duitsland door W.-D. Plessing, bijgestaan door T. Lübbig, Rechtsanwalt,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 20 september 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Republiek Oostenrijk verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 juli 2001 houdende weigering om een ontwerpverordening in te dienen tot verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001, en subsidiair, van het besluit van de Commissie van dezelfde datum om alle resterende ecopunten voor het jaar 2001 te verdelen (hierna: bestreden besluiten).
Toepasselijke bepalingen
2 Protocol nr. 9 betreffende vervoer over de weg en per spoor, alsmede gecombineerd vervoer in Oostenrijk, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: protocol) voert een bijzondere regeling in voor het transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk.
3 Artikel 1, sub c, van het protocol omschrijft transitovervoer door Oostenrijk als vervoer over Oostenrijks grondgebied van en naar een plaats buiten Oostenrijk.
4 Artikel 1, sub e, van het protocol omschrijft transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk als transitovervoer door Oostenrijk met vrachtwagens, ongeacht of zij met of zonder lading rijden.
5 Krachtens artikel 1, sub g, van het protocol is onder bilaterale rit te verstaan een internationale vervoerrit met een voertuig waarbij het begin- of eindpunt in Oostenrijk en het eind- of beginpunt respectievelijk in een andere lidstaat is gelegen, alsmede vervoerritten zonder lading in verband met voornoemde ritten.
6 Artikel 11, lid 2, van het protocol luidt:
a) de totale NO x -uitstoot van vrachtwagens in transito op Oostenrijks grondgebied wordt tussen 1 januari 1992 en 31 december 2003 met 60 % verlaagd volgens de tabel in bijlage 4.
b) De verlaging van de totale NO x -uitstoot van vrachtwagens wordt geadministreerd via een ecopuntensysteem. Volgens dit systeem moet elke vrachtwagen in transito op Oostenrijks grondgebied een aantal ecopunten hebben dat overeenstemt met het niveau van de NO x -uitstoot van dat type vrachtwagen (ingeschreven op grond van zijn Conformity of Production (COP)-niveau, afgeleid van de type-goedkeuring). De toewijzing van de punten en de werking van het stelsel worden in bijlage 5 beschreven.
c) Indien het aantal transitoritten in een jaar het voor 1991 bepaalde referentieaantal met meer dan 8 % overschrijdt, treft de Commissie, volgens de procedure van artikel 16, passende maatregelen overeenkomstig bijlage 5, punt 3.
[...]
7 Aangezien het aantal transitoritten door Oostenrijk in 1991 1 490 900 bedroeg, ligt de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol bedoelde drempel op 1 610 172 transitoritten.
8 Artikel 11, lid 6, eerste alinea, van het protocol bepaalt: De Commissie neemt overeenkomstig de procedure van artikel 16 gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en technische kwesties betreffende de toepassing van dit artikel. Deze maatregelen treden in werking op de datum van toetreding van Oostenrijk.
9 Ingevolge artikel 16 van het protocol wordt de Commissie bijgestaan door een Comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten (hierna: ecopuntencomité). Dit artikel preciseert ook de werkwijze van dit comité.
10 Krachtens artikel 11, lid 6, van het protocol heeft de Commissie verordening (EG) nr. 3298/94 van 21 december 1994 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen betreffende de procedures inzake het ecopuntensysteem, de verdeling van de ecopunten en de toepassing van artikel 11 van Protocol nr. 9 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (PB L 341, blz. 20) vastgesteld. Deze verordening is gewijzigd bij de verordeningen (EG) nrs. 1524/96 van de Commissie van 30 juli 1996 (PB L 190, blz. 13), 609/2000 van de Commissie van 21 maart 2000 (PB L 73, blz. 9), en 2012/2000 van de Raad van 21 september 2000 (PB L 241, blz. 18), die door het arrest van het Hof van 11 september 2003, Oostenrijk/Raad (C-445/00, Jurispr. blz. I-8549) gedeeltelijk is nietig verklaard. In het hierna volgende betoog wordt met verordening nr. 3298/94 deze aldus gewijzigde verordening bedoeld.
11 Aanvankelijk werd de uitvoering van het ecopuntensysteem door middel van papieren formulieren (ecokaarten) gecontroleerd.
12 Bij verordening nr. 1524/96 stelde de Commissie een elektronisch controlesysteem in dat bestond uit een elektronisch apparaat, ecodoosje genoemd, dat op het voertuig is gemonteerd en waarmee automatisch ecopunten kunnen worden gedebiteerd.
13 Ten tijde van de vaststelling van de bestreden besluiten werden ongeveer 95 % van de ecopunten elektronisch geregistreerd.
14 Artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 3298/94 bepaalt: De bestuurder van een vrachtwagen heeft op het grondgebied van Oostenrijk aan boord en stelt op verzoek van de controle-instanties te allen tijde ter controle beschikbaar:[...]
b) hetzij een op het motorvoertuig gemonteerde elektronische inrichting waarmee automatisch ecopunten kunnen worden gedebiteerd, hierna ecodoosje genoemd.
15 Artikel 1, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3298/94 luidt: Ecodoosjes worden vervaardigd, geprogrammeerd en geïnstalleerd overeenkomstig de in bijlage F vervatte algemene technische specificaties. De bevoegde autoriteiten in iedere lidstaat worden gemachtigd de ecodoosjes goed te keuren, te programmeren en te installeren.
16 Bijlage F bij verordening nr. 3298/94 luidt met name als volgt: TransitoverklaringHet ecodoosje moet een faciliteit hebben om aan te geven dat voor de rit geen ecopunten behoeven te worden betaald.Deze faciliteit moet op het ecodoosje duidelijk zichtbaar zijn voor controledoeleinden; als alternatief moet het mogelijk zijn het ecodoosje in een bepaalde beginstand te zetten. In ieder geval moet ervoor worden gezorgd dat voor de evaluatie in het systeem alleen de status op het tijdstip van het binnenrijden in rekening wordt gebracht.
17 Artikel 2, leden 2 en 5, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 bepalen:
2. Indien het voertuig is uitgerust met een ecodoosje, wordt, na bevestiging dat het voertuig een transitorit uitvoert waarvoor ecopunten vereist zijn, een aantal ecopunten, overeenkomstig de in het ecodoosje van het voertuig opgeslagen informatie over NO x -emissie, afgetrokken van het aan de lidstaat waarin het voertuig is geregistreerd, totaal aantal toegekende ecopunten. Dit gebeurt met behulp van door de Oostenrijkse autoriteiten verschafte en bediende infrastructuur.
Bij met een ecodoosje uitgeruste voertuigen die bilaterale ritten uitvoeren, wordt het ecodoosje vóór het binnenrijden van Oostenrijks grondgebied zodanig ingesteld dat blijkt dat een niet-transitorit wordt uitgevoerd.[...]
5. [...]
Indien daarentegen het voertuig met een ecodoosje is uitgerust, stellen de Oostenrijkse autoriteiten de nodige informatie ter beschikking van een aangemelde autoriteit in de lidstaat waar het voertuig is geregistreerd, binnen 48 uur nadat een transitorit is uitgevoerd. Deze informatie wordt ook de Commissie ter beschikking gesteld.
18 Artikel 3, leden 2 en 3, van verordening nr. 3298/94 luiden:
2. Ononderbroken vervoer waarbij de Oostenrijkse staatsgrens eenmaal per spoor ─ ongeacht of het gewoon vervoer per spoor dan wel gecombineerd vervoer betreft ─ en daarvoor of daarna over de weg wordt overschreden, wordt niet als transitogoederenvervoer over de weg door Oostenrijk in de zin van artikel 1, sub e, van Protocol nr. 9, doch als een bilaterale rit in de zin van artikel 1, sub g, van dat Protocol beschouwd.
3. Onverminderd artikel 3, lid 2, wordt ononderbroken transitovervoer door Oostenrijk waarbij gebruik wordt gemaakt van een van de hierna genoemde spoorwegterminals, als een bilaterale rit beschouwd:
Fürnitz/Villach Süd, Sillian, Innsbruck/Hall, Brennersee, Graz.
19 Artikel 14 van verordening nr. 3298/94 ten slotte bepaalt: Voor een rit zijn geen ecopunten verschuldigd, indien het voertuig een vollewagenlading lost of inneemt in Oostenrijk en er in het voertuig passende documentatie voorhanden is om dit te kunnen aantonen, ongeacht de routes die het voertuig neemt om Oostenrijk binnen te komen en te verlaten.
Feiten
20 Bij brief van 19 maart 2001 deelde de Republiek Oostenrijk aan de Commissie de voorlopige statistieken mee inzake alle als transitoritten aangegeven ritten tijdens het jaar 2000, en wees zij erop dat dit aantal meer dan 8 % hoger was dan het referentieaantal van 1 490 900 voor het jaar 1991.
21 Bij brief van 3 april 2001 deed de Republiek Oostenrijk de Commissie haar definitieve statistieken voor het jaar 2000 toekomen, welke deze overschrijding bevestigden. Blijkens deze statistieken waren er in dat jaar 1 696 794 aangegeven transitoritten, wat neerkomt op een overschrijding van het referentieaantal voor het jaar 1991 met 13,81 %.
22 De Commissie bereidde een voorstel voor een verordening voor tot verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001. Tijdens de vergaderingen van het ecopuntencomité die op 19, 24 en 25 april 2001 en op latere data plaatsvonden, maakten andere lidstaten evenwel bezwaren tegen het door Oostenrijk meegedeelde aantal ritten, omdat het volgens hen niet om daadwerkelijk afgelegde ritten ging.
23 Meer in het bijzonder werden twijfels geformuleerd over drie soorten ritten: 9 210 ritten in het kader van gecombineerd vervoer ( rollende Landstraße), 92 816 ritten waarvoor geen uitreisinformatie beschikbaar is, en 54 386 ritten die via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden. Na aftrek van deze ritten vermeldden de statistieken van de Oostenrijkse autoriteiten slechts 1 540 382 echte transitoritten, wat minder is dan de drempel van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol, namelijk 1 610 172 ritten. De Commissie heeft bijgevolg haar voorstel voor een verordening ingetrokken.
24 Bij brief van 17 juli 2001 nodigde de Republiek Oostenrijk krachtens artikel 232, tweede alinea, EG de Commissie uit om bij het ecopuntencomité een voorstel voor een verordening in te dienen tot verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001.
25 Op 25 juli 2001 besliste de Commissie dat zij geen verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001 zou voorstellen en dat zij alle resterende ecopunten voor het jaar 2001 zou verdelen. Bij brief van 26 juli 2001 lichtte het commissielid belast met het vervoer, Loyola de Palacio, de Oostenrijkse regering van de litigieuze besluiten in.
26 In deze omstandigheden heeft de Republiek Oostenrijk het onderhavige beroep ingesteld.
Conclusies van partijen
27 De Republiek Oostenrijk concludeert dat het den Hove behage:
─ nietig te verklaren het besluit van de Commissie van 25 juli 2001 houdende weigering om een ontwerpverordening in te dienen tot verlaging van het aantal ecopunten voor het jaar 2001;
─ subsidiair, nietig te verklaren het besluit van de Commissie van 25 juli 2001 om alle resterende ecopunten voor het jaar 2001 te verdelen;
─ de Commissie in de kosten te verwijzen.
28 De Commissie, ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, die bij beschikking van de president van het Hof van 5 maart 2002 tot interventie is toegelaten, concludeert dat het den Hove behage:
─ het beroep ongegrond te verklaren;
─ de Republiek Oostenrijk in de kosten te verwijzen.
Het beroep
Argumenten van partijen
29 De Oostenrijkse regering erkent dat 9 210 ritten in het kader van gecombineerd vervoer niet moeten worden meegeteld in het totaal van de 1 696 794 aangegeven transitoritten voor het jaar 2000. Zij stelt evenwel dat na aftrek van deze ritten het totaal 1 687 584 bedraagt, wat 113 % van het referentieaantal voor het jaar 1991 is en nog steeds meer is dan de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol vastgestelde drempel.
30 Deze regering betwist dat de als transitoritten aangegeven ritten waarvoor geen uitreisinformatie bestaat, en de als transitoritten aangegeven ritten die via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden, moeten worden afgetrokken van het totale aantal ritten voor het jaar 2000.
31 In dit verband stelt zij dat het protocol geen juridische omschrijving bevat van het begrip transitorit zoals vermeld in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol. Volgens deze regering is het derhalve duidelijk dat het aantal relevante ritten moet worden berekend op basis van de ritten die door de vrachtwagenbestuurders bij het binnenrijden van Oostenrijk als transitoritten worden aangegeven. Dit zogenaamd aangiftebeginsel is volgens haar door het gemeenschapsrecht ingesteld bij artikel 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94. Luidens deze bepaling wordt, bij met een ecodoosje uitgeruste voertuigen die bilaterale ritten uitvoeren, het ecodoosje vóór het binnenrijden van Oostenrijks grondgebied zodanig ingesteld dat blijkt dat een niet-transitorit wordt uitgevoerd.
32 Deze bepaling betekent volgens haar dat een vrachtwagenbestuurder, vooraleer hij het Oostenrijks grondgebied binnenrijdt, op het ecodoosje moet aanklikken of hij een van ecopunten vrijgestelde rit uitvoert dan wel een transitorit die aan het ecopuntensysteem is onderworpen.
33 Op basis van artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 kan er van worden uitgegaan dat alle betrokkenen de bepalingen van deze verordening naleven. Wanneer een rit als transitorit wordt aangegeven, kan de Republiek Oostenrijk er bijgevolg van uitgaan dat deze aangifte voldoet aan de vereisten van deze verordening. Het gedrag van andere deelnemers aan het ecopuntensysteem dat strijdig is met het gemeenschapsrecht, kan niet aan de Republiek Oostenrijk worden verweten.
34 De Oostenrijkse regering betwist de uitlegging dat zij bij geschillen het bewijs moet leveren dat het wél om een transitorit gaat, en niet om een van ecopunten vrijgestelde rit die bedrieglijk als transitorit is aangegeven. Een dergelijke uitlegging is volgens haar in strijd met het aangiftebeginsel.
35 Wat de ritten betreft waarvoor geen uitreisinformatie bestaat, is de aangifte van de bestuurder bij het binnenrijden van het Oostenrijkse grondgebied volgens haar het enige relevante criterium om uit te maken of er al dan niet sprake is van een transitorit. Gelet op het aangiftebeginsel, was de Republiek Oostenrijk verplicht om de 92 816 als transitoritten aangegeven ritten waarvoor geen uitreisinformatie bestaat, als transitoritten in de statistieken van de ecopunten op te nemen.
36 De Republiek Oostenrijk is volgens haar evenmin verplicht aan te tonen dat elke als transitorit aangegeven rit die via dezelfde grenspost het land is binnen- en buitengereden, daadwerkelijk een transitorit is. Gelet op het aangiftebeginsel, moest de Republiek Oostenrijk derhalve de 54 386 als transitoritten aangegeven ritten die via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden, als transitoritten in de ecopuntenstatistieken opnemen.
37 De Commissie stelt dat enkel de daadwerkelijk gereden transitoritten in rekening moeten worden gebracht en dat enkel deze bepalend zijn voor de overschrijding van de in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol bedoelde drempel. Artikel 1, sub c, van het protocol omschrijft transitovervoer door Oostenrijk als vervoer over Oostenrijks grondgebied van en naar een plaats buiten Oostenrijk. Aangezien dat vervoer uit meerdere afzonderlijke ritten bestaat, geldt dezelfde omschrijving ook voor transitoritten. Aldus omschreven is het duidelijk dat de indeling als transitorit zowel van het beginpunt als van het eindpunt van de betrokken vrachtwagen afhangt.
38 Welnu, de Republiek Oostenrijk legde volgens de Commissie geen statistieken of bewijsstukken over inzake het binnen- en buitenrijden van vrachtwagens die aan het ecopuntensysteem zijn onderworpen. In deze omstandigheden kan de Commissie niet veronderstellen dat de drempel van artikel 11, lid 2, sub c, is overschreden en is zij bijgevolg niet verplicht de ecopunten voor het jaar 2001 te verlagen.
39 De Duitse regering ondersteunt de argumenten van de Commissie en voegt er een omstandige uiteenzetting aan toe over de gebreken van het elektronisch controlesysteem voor ecopunten van de Oostenrijkse autoriteiten.
Beoordeling door het Hof
40 Vooraf moet worden vastgesteld dat de aftrek van de 9 210 ritten gecombineerd vervoer van het totaal van de transitoritten die de Oostenrijkse autoriteiten voor het jaar 2000 opgaven, geen voorwerp van geschil meer uitmaakt, aangezien de Republiek Oostenrijk heeft erkend dat deze ritten niet als transitoritten meetellen.
41 Het onderhavige geschil gaat derhalve uitsluitend over de vraag of de 92 816 ritten waarvoor geen uitreisinformatie bestaat, en de 54 386 ritten die via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden, als transitoritten meetellen om uit te maken of, in het kader van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol, het referentieaantal voor het jaar 1991 in het jaar 2000 met meer dan 8 % is overschreden.
42 In dit verband omschrijft artikel 1, sub c, van het protocol transitovervoer door Oostenrijk als vervoer over Oostenrijks grondgebied van en naar een plaats buiten Oostenrijk. Hieruit blijkt duidelijk dat de indeling als transitovervoer zowel van het beginpunt als van het eindpunt van de vrachtwagens afhangt, welke twee punten buiten het Oostenrijkse grondgebied moeten liggen.
43 Aangezien het aldus omschreven transitovervoer bestaat uit meerdere afzonderlijke ritten, gelden dezelfde overwegingen noodzakelijkerwijs voor individuele ritten als bedoeld in artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol.
44 Om onder het ecopuntensysteem van het protocol te vallen, moeten de betrokken ritten dus Oostenrijk doorkruisen en een begin- en eindpunt buiten het Oostenrijkse grondgebied hebben, wat inhoudt dat het bewijs wordt geleverd dat de vrachtwagen het land is binnengekomen én het daarna heeft verlaten.
45 Blijkens artikel 2, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3298/94 wordt een bepaald aantal ecopunten bij een met een ecodoosje uitgerust voertuig afgetrokken na bevestiging dat het voertuig een transitorit uitvoert waarvoor ecopunten vereist zijn. Het is duidelijk dat de Oostenrijkse autoriteiten dit moeten bevestigen, aangezien de laatste zin van deze alinea bepaalt dat dit gebeurt met behulp van door de Oostenrijkse autoriteiten verschafte en bediende infrastructuur.
46 Deze uitlegging wordt gestaafd door artikel 2, lid 5, van dezelfde verordening, dat de Oostenrijkse autoriteiten verplicht de nodige informatie ter beschikking van zowel de autoriteiten in de lidstaat van herkomst van de vrachtwagen als de Commissie te stellen.
47 Hieruit volgt dat het aan de Oostenrijkse autoriteiten staat om een systeem in te voeren ter controle van niet alleen het binnen- maar ook het buitenrijden van het Oostenrijkse grondgebied door vrachtwagens die via dit grondgebied transitoritten uitvoeren.
48 Het door de Oostenrijkse regering aangehaalde artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3298/94 doet niet af aan deze uitlegging.
49 Deze bepaling preciseert alleen maar hoe de vrachtwagenbestuurder uit technisch oogpunt het ecodoosje van het voertuig moet instellen bij het binnenkomen van het Oostenrijkse grondgebied. Zo is de bestuurder verplicht zich ervan te vergewissen dat het ecodoosje in de stand transito staat wanneer hij aan een transitorit begint in de zin van het gemeenschapsrecht, en in de stand bilaterale rit in de andere gevallen.
50 Wanneer de bestuurder verkeerde inlichtingen heeft verstrekt doordat het ecodoosje van zijn vrachtwagen onjuist was ingesteld, staat het aan de Oostenrijkse autoriteiten, die door de gemeenschapsregeling belast zijn met het beheer van dit systeem, dergelijke fouten recht te zetten.
51 Hieruit volgt dat de relevante bepalingen van gemeenschapsrecht geen grond bieden voor het door de Oostenrijkse regering aangevoerde aangiftebeginsel, volgens hetwelk een rit als een transitorit in de zin van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol kan worden aangemerkt louter op basis van de instelling van het ecodoosje bij het binnenkomen van de vrachtwagen op het Oostenrijkse grondgebied.
52 In casu brengen ritten die via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden, op het eerste gezicht geen doortocht van het Oostenrijkse grondgebied met zich, wat noodzakelijk is om in het kader van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol als rit te worden aangemerkt die onder het ecopuntensysteem valt. Vastgesteld moet worden dat de Oostenrijkse regering geen enkel bewijselement heeft aangebracht dat aan deze beoordeling zou kunnen afdoen.
53 De ritten waarvan het binnenkomen is aangegeven, maar waarover geen uitreisinformatie bestaat, lijken op het eerste zicht ritten met eindpunt in Oostenrijk, die in het kader van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol uitgesloten zijn van het ecopuntensysteem. Welnu, ook hier moet worden vastgesteld dat de Oostenrijkse regering geen enkel bewijselement in tegenovergestelde zin heeft aangebracht.
54 Blijkens het voorgaande heeft de Oostenrijkse regering geen enkel bewijselement overgelegd waarmee kan worden aangetoond dat de twee soorten ritten, namelijk deze waarover geen uitreisinformatie bestaat en deze welke via dezelfde grenspost het land zijn binnen- en buitengereden, daadwerkelijk transitoritten zijn voor de toepassing van artikel 11, lid 2, sub c, van het protocol. Het beroep van de Republiek Oostenrijk is bijgevolg ongegrond en moet worden verworpen.
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Oostenrijk in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dient de Duitse Bondsrepubliek haar eigen kosten te dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Republiek Oostenrijk in de kosten.
3) Verstaat dat de Duitse Bondsrepubliek haar eigen kosten zal dragen.
Skouris
Cunha Rodrigues
Puissochet
Schintgen
Macken
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 november 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy