Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Precontentieuze procedure - Doel - Afbakening van voorwerp van geschil
(Art. 226 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming - Precontentieuze procedure - Met redenen omkleed advies dat geen rekening houdt met in antwoord op aanmaningsbrief meegedeelde opmerkingen - Invloed op ontvankelijkheid - Grenzen
(Art. 226 EG)
Samenvatting
$$1. De precontentieuze procedure van artikel 226 EG heeft tot doel de lidstaat de gelegenheid te geven aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen te voldoen of nuttig verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven. Het regelmatig verloop daarvan vormt een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de betrokken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geding duidelijk is omschreven.
( cf. punten 16-17 )
2. Aangezien er geen enkele bepaling is volgens welke in het kader van een beroep wegens niet-nakoming inzake niet-omzetting van een richtlijn, de niet-naleving van de door de Commissie gestelde termijn voor een antwoord op de aanmaning de opmerkingen van de lidstaat niet-ontvankelijk maakt, dient de Commissie in het met redenen omkleed advies aan te geven hoe zij de na die termijn ontvangen opmerkingen beoordeelt, alvorens te preciseren welke grieven zij handhaaft.
Wanneer een lidstaat in zijn antwoord enkel stelt dat in de toekomst omzettingsmaatregelen zullen worden vastgesteld, heeft de omstandigheid dat de Commissie die opmerkingen niet in aanmerking neemt, geen invloed op de afbakening van het voorwerp van het geding, zodat dit het de lidstaat niet onmogelijk maakt de inbreuk te beëindigen en zijn rechten van de verdediging niet schendt.
In die omstandigheden kan het met redenen omkleed advies niet worden geacht een wezenlijk gebrek te vertonen dat het beroep niet-ontvankelijk maakt.
( cf. punten 19-21 )
Partijen
In zaak C-362/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door D. J. O'Hagan als gemachtigde, bijgestaan door D. McGuinness, SC, en D. R. Phelan, BL, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat Ierland, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77, blz. 36), of door de Commissie niet daarvan in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J.-P. Puissochet (rapporteur), M. Wathelet en C. W. A. Timmermans, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 september 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 september 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB L 77, blz. 36), of door haar niet daarvan in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 16, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 98/5 luidt:
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 maart 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis."
De precontentieuze procedure
3 Daar de Commissie door Ierland niet in kennis was gesteld van maatregelen voor de omzetting van richtlijn 98/5 in nationaal recht, maande zij de Ierse regering overeenkomstig artikel 226 EG bij brief van 8 augustus 2000 aan, binnen een termijn van twee maanden opmerkingen in te dienen.
4 De Ierse regering beantwoordde deze aanmaning bij brief van 16 januari 2001, die de Commissie heeft ontvangen op 17 januari daaraanvolgend, dus meer dan drie maanden na het verstrijken van de haar gestelde termijn van twee maanden. In het antwoord werd in wezen gesteld dat de ontwerpen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter omzetting van richtlijn 98/5 nog steeds ter studie waren en dat die bepalingen in beginsel begin 2001 van kracht zouden worden.
5 Op 24 januari 2001 bracht de Commissie aan Ierland een met redenen omkleed advies uit, waarbij zij het verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan richtlijn 98/5 te voldoen. In punt 3 van het advies stelde de Commissie met name, dat zij van de Ierse regering tot op heden nog geen officieel antwoord [had] ontvangen". De Commissie was dan ook van mening, dat Ierland nog geen enkele omzettingsmaatregel had vastgesteld of meegedeeld, en dat dit het uitbrengen van een met redenen omkleed advies rechtvaardigde.
6 De Ierse regering beantwoordde het met redenen omkleed advies bij brief van 29 januari 2001, waarin zij eraan herinnerde dat zij haar opmerkingen bij de Commissie had ingediend, en waarbij zij een kopie voegde van haar brief van 16 januari 2001. Dit tweede antwoord bracht de Commissie geen enkel nieuw element ter kennis.
7 De Commissie ontving naderhand geen andere informatie.
De ontvankelijkheid
8 In haar verzoekschrift stelt de Commissie primair dat Ierland zijn verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de daarvoor gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om richtlijn 98/5 uit te voeren. Zij wijst erop, dat Ierland deze grief niet betwist.
9 In haar verweerschrift stelt de Ierse regering evenwel dat het tegen haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk is omdat de Commissie de voorwaarden voor het uitbrengen van een met redenen omkleed advies niet geëerbiedigd heeft. De Commissie heeft in het met redenen omkleed advies ten onrechte gesteld, dat de aanmaningsbrief niet was beantwoord. Zij herinnert eraan dat zij de aandacht van de Commissie op deze onregelmatigheid heeft gevestigd, en meent dat de Commissie, in plaats van beroep in te stellen bij het Hof, eerst haar opmerkingen in aanmerking had moeten nemen en in een nieuw met redenen omkleed advies had moeten uiteenzetten waarom zij het antwoord van de Ierse autoriteiten ontoereikend achtte. Tot staving daarvan verwijst de Ierse regering met name naar de beschikking van het Hof van 11 juli 1995, Commissie/Spanje (C-266/94, Jurispr. blz. I-1975, punten 24-26), betreffende een beroep wegens niet-nakoming dat in dezelfde omstandigheden was ingesteld, en waarin het Hof heeft geoordeeld dat de precontentieuze procedure onregelmatig was, zodat het beroep van de Commissie kennelijk niet-ontvankelijk was.
10 Zij voegt daaraan toe, dat de Commissie in het verzoekschrift erkent dat de precontentieuze procedure onregelmatig was.
11 In repliek stelt de Commissie in de eerste plaats dat de opmerkingen van de Ierse regering haar niet tijdig ter kennis zijn gebracht, daar zij pas lang na het verstrijken van de in de aanmaningsbrief gestelde termijn van twee maanden zijn verzonden. De Commissie meent dat zij het antwoord van de Ierse regering buiten beschouwing mocht laten, nu het vlak vóór het uitbrengen van het advies is ontvangen".
12 In de tweede plaats meent de Commissie dat zo de opmerkingen van de Ierse regering al tijdig zouden zijn ingediend, zij haar niet hadden kunnen overtuigen dat er geen sprake was van niet-nakoming. Derhalve stelt de Commissie dat het uitbrengen van een met redenen omkleed advies hoe dan ook gerechtvaardigd was, en dat het door haar niet ontkende verzuim om die opmerkingen in aanmerking te nemen, er niet toe leidt dat het tegen Ierland ingestelde beroep niet-ontvankelijk is.
13 De Commissie meent in de derde plaats dat in casu geen sprake is van de omstandigheden op grond waarvan het Hof in de beschikking Commissie/Spanje het beroep wegens niet-nakoming niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de Commissie heeft het Hof daarin niet beslist dat een beroep tegen een lidstaat niet-ontvankelijk moet worden geacht wanneer de door die lidstaat ingediende opmerkingen niet in aanmerking zijn genomen, maar heeft het het beroep slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van het bestaan van nationale maatregelen die de betrokken richtlijn ten dele omzetten, en voorzover het Koninkrijk Spanje had geantwoord binnen de in de aanmaningsbrief van de Commissie gestelde termijn. In deze zaak ontbreken die twee elementen.
14 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, anders dan de Commissie lijkt te stellen, de gegrondheid van het met redenen omkleed advies - zo die al aangetoond zou zijn - geenszins een gebrek in de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure kan helen.
15 De procedure van artikel 226 EG omvat twee fasen, de precontentieuze, administratieve fase en de fase voor het Hof.
16 De precontentieuze procedure heeft tot doel de lidstaat de gelegenheid te geven aan de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen te voldoen of nuttig verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven (arrest van 2 februari 1988, Commissie/België, 239/85, Jurispr. blz. 305, punt 13; beschikking Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 16, en arrest van 13 december 2001, Commissie/Frankrijk, C-1/00, Jurispr. blz. I-9989, punt 53).
17 Het regelmatig verloop van de precontentieuze procedure vormt een door het EG-Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de betrokken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geding duidelijk is omschreven (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 53).
18 De precontentieuze procedure heeft dus de volgende drie doelstellingen: de lidstaat de mogelijkheid te bieden de eventuele inbreuk te beëindigen, hem in staat te stellen zijn rechten van de verdediging uit te oefenen en het voorwerp van het geding af te bakenen met het oog op een mogelijke adiëring van het Hof.
19 Vaststaat, dat de Commissie de opmerkingen van de Ierse regering heeft ontvangen zeven dagen voor zij haar een met redenen omkleed advies uitbracht. Niets in het gemeenschapsrecht bepaalt dat de niet-naleving van de door de Commissie gestelde termijn voor een antwoord op de aanmaning de opmerkingen van de lidstaat niet-ontvankelijk maakt. In beginsel diende de Commissie in het met redenen omkleed advies dus aan te geven hoe zij die opmerkingen beoordeelde, alvorens de grieven te preciseren die zij zou handhaven, in plaats van ten onrechte te stellen dat zij van Ierland geen officieel antwoord had gekregen.
20 De Commissie heeft het de lidstaat echter niet onmogelijk gemaakt de inbreuk te beëindigen en heeft zijn rechten van de verdediging niet geschonden; dat zij de opmerkingen van Ierland niet in aanmerking heeft genomen, had bovendien geen invloed op de afbakening van het voorwerp van het geding. Blijkens punt 4 van dit arrest heeft Ierland in zijn antwoord op de aanmaningsbrief van de Commissie immers enkel gesteld, dat in de toekomst omzettingsmaatregelen zouden worden vastgesteld die toentertijd nog ter studie waren.
21 Hoe betreurenswaardig de precontentieuze procedure ook mag zijn verlopen, het met redenen omkleed advies kan in die omstandigheden niet worden geacht een wezenlijk gebrek te vertonen dat het beroep van de Commissie wegens niet-nakoming niet-ontvankelijk maakt.
22 Derhalve is het beroep van de Commissie ontvankelijk.
De niet-nakoming
23 Nu richtlijn 98/5, betreffende de uitoefening van het beroep van advocaat, zoals de Ierse regering erkent, niet binnen de gestelde termijn is omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
24 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat Ierland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien Ierland in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, is Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Ierland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy