Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-372/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door J. Faltz als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1), en in elk geval door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Wathelet (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 september 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1), en in elk geval door deze maatregelen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 34 van richtlijn 98/8 moesten de lidstaten binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan deze richtlijn te voldoen, dat wil zeggen uiterlijk 14 mei 2000, en de Commissie hiervan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar zij geen mededeling van het Groothertogdom Luxemburg betreffende de uitvoering van de richtlijn had ontvangen, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na het Groothertogdom Luxemburg in de gelegenheid te hebben gesteld om zijn opmerkingen te maken en bij gebreke van een antwoord van de Luxemburgse autoriteiten, heeft de Commissie op 24 januari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijn te voldoen.
4 Daar zij geen enkele mededeling ontving dat de omzetting van richtlijn 98/8 was voltooid, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
5 De Commissie herinnert aan de verplichtingen die krachtens artikel 249, derde alinea, EG op de lidstaten rusten en stelt dat het Groothertogdom Luxemburg alle maatregelen had moeten nemen die nodig waren om binnen de gestelde termijn aan richtlijn 98/8 te voldoen.
6 Het Groothertogdom Luxemburg stelt dat de omzetting van richtlijn 98/8 in nationaal recht in volle gang is en binnenkort moet zijn afgerond.
7 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26).
8 In casu staat vast dat het Groothertogdom Luxemburg niet de nodige maatregelen heeft genomen om binnen de daartoe gestelde termijn aan het met redenen omkleed advies te voldoen.
9 Het beroep van de Commissie is daarom gegrond.
10 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy