Zaak C-429/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
«Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 90/219/EEG – Genetisch gemodificeerde organismen – Ingeperkt gebruik»
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 27 november 2003
Samenvatting van het arrest
1.. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van nauwkeurige omzetting – Richtlijn 90/219 – Verplichting van lidstaten om noodzaak van opstelling van rampenplan voor ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen zorgvuldig te beoordelen
(Art. 249, derde alinea, EG; richtlijn 90/219 van de Raad, art. 14, sub a)
2.. Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming opgeheven vóór verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 226 EG)
3.. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van volledige uitvoering – Bepaling die alleen betrekkingen tussen lidstaten en Commissie betreft – Bepaling die niet noodzakelijkerwijs specifieke uitvoeringsmaatregelen vereist – Bevoegdheid van Commissie, aan te tonen dat specifieke uitvoeringsmaatregelen moeten worden vastgesteld
4.. Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Noodzaak van duidelijke en nauwkeurige uitvoering
(Art. 249, derde alinea, EG)
1. Om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, moeten de lidstaten voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied zorgen. Een doeltreffende uitvoering van artikel 14, sub a, van richtlijn 90/219 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, volgens welke bepaling de bevoegde instanties zich waar nodig vóór de aanvang van een van de in deze bepaling bedoelde activiteiten ervan moeten vergewissen dat een rampenplan wordt opgesteld, veronderstelt dat de nationale regeling die instanties de verplichting oplegt, de noodzaak van het opstellen van een rampenplan van geval tot geval, naar gelang van de risico's, nauwkeurig te beoordelen, voorzover het opstellen van een dergelijk plan voor bepaalde categorieën inrichtingen niet systematisch is voorgeschreven. cf. punten 40-41
2. Het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Aangezien richtlijn 98/81 tot wijziging van richtlijn 90/219 inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen uiterlijk op 5 juni 2000 moest zijn uitgevoerd, dus voordat de termijn was verstreken die de Commissie de Franse Republiek in haar met redenen omkleed advies had gesteld, was deze lidstaat in elk geval vanaf die datum niet langer gehouden om artikel 14, sub b, eerste alinea, eerste volzin, van voornoemde richtlijn uit te voeren. Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard voorzover het betrekking heeft op deze bepaling van de richtlijn. cf. punten 56-58
3. Een bepaling (van een richtlijn) die alleen de betrekkingen tussen de lidstaten en de Commissie betreft, behoeft in beginsel niet te worden uitgevoerd. Gelet echter op de op de lidstaten rustende verplichting om de volledige naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren, heeft de Commissie het recht aan te tonen dat de naleving van de bepaling van een richtlijn die deze betrekkingen regelt, de vaststelling van specifieke uitvoeringsmaatregelen in de nationale rechtsorde vereist. Indien een lidstaat ervoor heeft gekozen het juridische kader waarbinnen de nationale autoriteiten dergelijke betrekkingen dienen te onderhouden, niet uitdrukkelijk te preciseren, is hij aansprakelijk voor eventuele niet-nakoming van de ter zake uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen. cf. punten 68-69
4. Voor de omzetting van een richtlijn in de rechtsorde van een lidstaat is vereist dat het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn verzekert, de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is, en de begunstigden in staat zijn, kennis te nemen van al hun rechten en plichten. cf. punt 83
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
27 november 2003 (1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 90/219/EEG – Genetisch gemodificeerde organismen – Ingeperkt gebruik”
In zaak C-429/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen als gemachtigde, bijgestaan door M. van der Woude en V. Landes, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. de Bergues en D. Colas, vervolgens door G. de Bergues en C. Isidoro als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 117, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/51/EG van de Commissie van 7 november 1994 betreffende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 90/219 (PB L 297, blz. 29), en artikel 249 EG, door de artikelen 14, sub a en b, 15, leden 1 en 2, 16, lid 1, en 19, leden 2 tot en met 4, van die richtlijn juist noch volledig om te zetten, en door de richtlijn niet om te zetten ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
samengesteld als volgt: V. Skouris, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, F. Macken en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 november 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 117, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/51/EG van de Commissie van 7 november 1994 betreffende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 90/219 (PB L 297, blz. 29; hierna: richtlijn), en artikel 249 EG, door de artikelen 14, sub a en b, 15, leden 1 en 2, 16, lid 1, en 19, leden 2 tot en met 4, van die richtlijn juist noch volledig om te zetten, en door de richtlijn niet om te zetten ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik.
Juridisch kader
De communautaire regelgeving
2 De richtlijn geeft regels met betrekking tot het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (hierna: GGMO's).
3 Ingeperkt gebruik wordt in artikel 2, sub c, van de richtlijn gedefinieerd als elke activiteit waarbij micro-organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij [GGMO's] worden gekweekt, opgeslagen, gebruikt, getransporteerd, vernietigd of verwijderd en waarbij fysische barrières, of een combinatie van fysische met chemische en/of biologische barrières, worden benut om het contact van die micro-organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken.
4 De richtlijn, die tot doel heeft de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen, voorziet onder meer in een indeling van GGMO's en legt de daarop toepasselijke beginselen van veiligheid, gezondheid op het werk en inperking vast.
5 Aldus deelt artikel 4 van de richtlijn GGMO's in twee groepen in naar gelang van de risico's die zij met zich meebrengen. GGMO's die aan de criteria van bijlage II bij de richtlijn voldoen, vallen onder de eerste groep (hierna: groep I), de overige onder de tweede (hierna: groep II).
6 Voorts maakt artikel 2, sub d en e, van de richtlijn een onderscheid naar gelang van het doel waarvoor GGMO's worden gebruikt. Zo worden de zogenaamde activiteiten van categorie A benut voor onderwijs, onderzoek, ontwikkeling of niet-industriële of niet-commerciële doeleinden en vinden zij op kleine schaal plaats. De overige activiteiten worden aangeduid als categorie B.
7 De richtlijn voorziet in specifieke kennisgevingsprocedures naar gelang van de groep waartoe de GGMO's behoren (groep I of II) en de categorie van de activiteit (categorie A of B). Verder onderscheidt zij twee stelsels: een vergunningstelsel voor activiteiten waaraan grote risico's verbonden zijn en waarvoor een voorafgaande vergunning van het nationale bevoegde gezag is vereist, en een meldingstelsel voor activiteiten die minder risico's opleveren. De richtlijn legt onder meer de inhoud van het kennisgevingsdossier vast, de te volgen procedure in geval van een vergunning- dan wel meldingsplicht en de verplichting om de Commissie en de andere lidstaten te informeren.
8 Artikel 14 van de richtlijn bepaalt: De bevoegde instanties dragen er waar nodig zorg voor dat, voordat een activiteit begint:
a) een rampenplan wordt opgesteld voor bescherming van menselijke gezondheid en milieu buiten de installatie bij een ongeval en de rampenbestrijdingsdiensten schriftelijk op de hoogte worden gesteld van de risico's en beseffen wat deze inhouden;
b) er op passende wijze informatie over de veiligheidsmaatregelen en de juiste handelwijze bij een ongeval wordt verschaft aan een ieder die door het ongeval kan worden getroffen, en wel zonder dat daartoe een verzoek zijnerzijds noodzakelijk is. Deze informatie dient met gepaste regelmaat te worden herhaald en bijgewerkt. Tevens dient deze informatie ter beschikking van het publiek te worden gesteld. De betrokken lidstaten verstrekken aan de andere betrokken lidstaten gelijktijdig dezelfde informatie als aan hun eigen onderdanen, zulks als uitgangspunt voor het noodzakelijke overleg in het kader van hun bilaterale betrekkingen.
9 De richtlijn is gewijzigd bij richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 (PB L 330, blz. 13). Artikel 14 van de aldus gewijzigde richtlijn luidt als volgt: De bevoegde instanties dragen er zorg voor dat, alvorens een ingeperkt gebruik begint:
a) een rampenplan voor ingeperkt gebruik wordt opgesteld, indien het falen van de inperkingsmaatregelen hetzij onmiddellijk, hetzij op termijn kan resulteren in ernstig gevaar voor personen buiten de installatie en/of voor het milieu, tenzij een dergelijk rampenplan is opgesteld uit hoofde van andere communautaire wetgeving;
b) op passende wijze informatie over de rampenplannen met inbegrip van de desbetreffende veiligheidsmaatregelen wordt verschaft aan de instanties en autoriteiten die met de gevolgen van een ongeval kunnen worden geconfronteerd, en wel zonder dat daartoe een verzoek hunnerzijds noodzakelijk is. Deze informatie wordt met de nodige regelmaat bijgewerkt. Deze informatie wordt tevens ter beschikking van het publiek gesteld.
De betrokken lidstaten verstrekken aan de andere betrokken lidstaten gelijktijdig dezelfde informatie als aan hun eigen onderdanen, zulks als uitgangspunt voor het noodzakelijke overleg in het kader van hun bilaterale betrekkingen.
10 Artikel 15 van de richtlijn bepaalt:
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gebruiker bij een ongeval de in artikel 11 bedoelde bevoegde instantie daarvan onmiddellijk op de hoogte stelt en de volgende informatie verstrekt:
─ de omstandigheden van het ongeval,
─ de identiteit en kwantiteit van de vrijgekomen genetisch gemodificeerde micro-organismen,
─ alle benodigde gegevens voor de inschatting van de effecten van het ongeval op de volksgezondheid en het milieu,
─ de getroffen noodmaatregelen.
2. Wanneer informatie is verstrekt uit hoofde van lid 1:
─ zorgen de lidstaten ervoor dat alle eventueel noodzakelijke noodmaatregelen en maatregelen op middellange en lange termijn worden genomen en waarschuwen zij onmiddellijk alle lidstaten die door het ongeval kunnen worden getroffen;
─ verzamelen de lidstaten waar mogelijk de benodigde informatie voor een volledige analyse van het ongeval en doen zij zo nodig aanbevelingen om soortgelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.
11 Artikel 16, lid 1, van de richtlijn bepaalt: De lidstaten:
a) plegen bij het opstellen en uitvoeren van rampenplannen overleg met andere lidstaten die bij een ongeval kunnen worden getroffen;
b) stellen de Commissie zo spoedig mogelijk op de hoogte van elk ongeval dat onder deze richtlijn valt en verstrekken hierbij gedetailleerde gegevens over de omstandigheden van het ongeval, de identiteit en kwantiteit van de vrijgekomen genetisch gemodificeerde micro-organismen, de getroffen noodmaatregelen en de effectiviteit daarvan, alsmede een analyse van het ongeval die vergezeld gaat van aanbevelingen om de gevolgen ervan te beperken en soortgelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen.
12 Artikel 19 van de richtlijn bepaalt:
1. De Commissie en de bevoegde instanties mogen aan derden geen vertrouwelijke informatie doorgeven waarvan krachtens deze richtlijn is kennis gegeven of die krachtens deze richtlijn anderszins is verstrekt; ook dienen zij de rechten inzake de intellectuele eigendom van de ontvangen gegevens te beschermen.
2. De kennisgever kan aangeven dat bepaalde informatie in een op grond van deze richtlijn ingediende kennisgeving vertrouwelijk moet worden behandeld, indien de openbaarmaking van deze gegevens een nadelige invloed kan hebben op zijn concurrentiepositie. In dit geval moeten aantoonbare redenen worden aangevoerd.
3. De bevoegde instantie besluit na overleg met de kennisgever welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de kennisgever op de hoogte van haar besluit.
4. De vertrouwelijkheid is in geen geval van toepassing op de volgende informatie, wanneer deze overeenkomstig de artikelen 8, 9 of 10 wordt gegeven:
─ de beschrijving van het genetisch gemodificeerde micro-organisme c.q. de genetisch gemodificeerde micro-organismen, naam en adres van de kennisgever, het doel van het ingeperkte gebruik en de plaats van gebruik;
─ de methoden en plannen met betrekking tot het toezicht op het genetisch gemodificeerde micro-organisme c.q. de genetisch gemodificeerde micro-organismen en de noodmaatregelen;
─ de conclusies met betrekking tot de te verwachten effecten, met name de pathogene effecten en/of de milieuschade.
5. Wanneer, om welke redenen dan ook, de kennisgever zijn kennisgeving intrekt, moet de bevoegde instantie de vertrouwelijkheid van de verschafte informatie respecteren.
13 Richtlijn 90/219 bepaalt in artikel 22, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 23 oktober 1991 aan deze richtlijn te voldoen. De wijzigingen als gevolg van richtlijn 94/51 betroffen uitsluitend bijlage II bij richtlijn 90/219 en moesten uiterlijk op 30 april 1995 in het nationale recht van kracht zijn. Richtlijn 98/81 is op 5 december 1998 in werking getreden. De aan de lidstaten gegunde termijn om aan de richtlijn te voldoen, is volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, ervan 18 maanden na inwerkingtreding van deze richtlijn, te weten op 5 juni 2000, verstreken.
De nationale regelgeving
14 Artikel L.511-1 van de Code de l'environnement (Franse milieuwet; JORF van 21 september 2000, bijlage blz. 38203) bepaalt: Aan de bepalingen van deze titel zijn onderworpen fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, bouwplaatsen en, meer in het algemeen, alle door natuurlijke of rechtspersonen geëxploiteerde inrichtingen die gevaar of hinder kunnen veroorzaken voor hetzij omwonenden, hetzij de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de volkshygiëne, hetzij voor de landbouw, hetzij voor de natuur- en milieubescherming, hetzij voor het behoud van gebieden en monumenten [...]
15 Artikel L.512-1, eerste alinea, van de Code de l'environnement bepaalt het volgende: Aan een vergunning van de prefect zijn onderworpen de inrichtingen die gevaar of hinder van ernstige aard kunnen veroorzaken voor de in artikel L.511-1 bedoelde belangen.
16 Artikel L.512-8 van voornoemde code bepaalt: Zijn onderworpen aan een meldingsplicht de inrichtingen die geen gevaar of hinder van ernstige aard voor de in artikel L.511-1 bedoelde belangen veroorzaken, doch niettemin dienen te voldoen aan de door de prefect uitgevaardigde algemene voorschriften, teneinde de bescherming van de in artikel L.511-1 bedoelde belangen binnen het departement te verzekeren.
17 Artikel L.512-12 van de Code de l'environnement bepaalt: Indien de bescherming van de in artikel L.511-1 vermelde belangen niet wordt gewaarborgd door inachtneming van de algemene voorschriften ter voorkoming van de hinder die wordt veroorzaakt door het in werking hebben van een meldingsplichtige inrichting, kan de prefect, in voorkomend geval op verzoek van derden-belanghebbenden, bij besluit alle noodzakelijke speciale voorschriften opleggen.Ter bescherming van de in artikel L.511-1 bedoelde belangen kan de prefect de nodige evaluaties en maatregelen ten gevolge van hetzij een ongeval of incident binnen de inrichting, hetzij de niet-inachtneming van de krachtens dit hoofdstuk geldende voorschriften, voorschrijven. Deze maatregelen worden opgelegd bij besluit dat, behoudens in spoedeisende gevallen, wordt voorafgegaan door een advies van het bevoegde departementale raadgevend comité.
18 Artikel 17 van besluit nr. 77-1133 van 21 september 1977 houdende uitvoering van besluit nr. 76-663 van 19 juli 1976 betreffende de ter bescherming van het milieu ingedeelde inrichtingen (JORF van 8 oktober 1977, blz. 4897), zoals gewijzigd bij besluit nr. 2000-258 van 20 maart 2000 (JORF van 22 maart 2000, blz. 4417; hierna: besluit nr. 77-1133), bepaalt: Het oprichten en in werking hebben van een inrichting moet voldoen aan de voorschriften van de vergunning en in voorkomend geval aan de voorschriften van nadere besluiten.[...]Aan de vergunning kan, na raadpleging van de departementale brandweer en hulpdiensten, het voorschrift worden verbonden, dat een intern actieplan voor rampen wordt opgesteld. Het interne actieplan omschrijft de organisatorische maatregelen, de wijze van optreden en de noodzakelijke middelen die de exploitant moet inzetten om het personeel, de bevolking en het milieu te beschermen.[...]De vergunning legt eveneens de noodmaatregelen vast die de exploitant onder toezicht van de politie dient te treffen en diens verplichtingen om de personen die door een ongeval kunnen worden getroffen, te waarschuwen en te informeren over de gevaren die zij lopen, de veiligheidsmaatregelen en de juiste handelwijze.
19 Artikel 2 van besluit nr. 77-1133 preciseert de inhoud van de vergunningaanvraag. De tweede alinea, punt 4, van deze bepaling luidt als volgt: [...] In voorkomend geval kan de aanvrager informatie waarvan de verspreiding volgens hem tot het vrijgeven van fabricagegeheimen leidt, in één exemplaar afzonderlijk toezenden.[...]
20 Artikel 5 van voornoemd besluit voorziet in een openbare inspraakprocedure. De laatste alinea van dit artikel bepaalt: De prefect kan op verzoek van de aanvrager of ambtshalve aan het ter inspraak gelegde en ter advisering voorgelegde dossier de gegevens onttrekken die onder meer tot het vrijgeven van fabricagegeheimen leiden of handelingen bevorderen die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de volkshygiëne.
21 Artikel 27 van besluit nr. 77-1133 bepaalt: De prefect bevestigt de ontvangst van de melding en verstrekt degene die de melding doet, een afschrift van de op de inrichting toepasselijke algemene voorschriften.De burgemeester van de gemeente waar de inrichting zal worden geëxploiteerd (in Parijs de commissaris van politie) ontvangt een afschrift van deze melding en de tekst van de algemene voorschriften. Een afschrift van de ontvangstbevestiging wordt gedurende minimaal een maand bij het gemeentehuis aangeplakt (in Parijs bij de commissaris van politie) onder vermelding van de mogelijkheid voor derden om de tekst van de algemene voorschriften ter plaatse in te zien. De burgemeester ziet erop toe, dat een proces-verbaal van de inachtneming van deze formaliteit wordt opgesteld (in Parijs de commissaris van politie).Op verzoek van de exploitant kunnen sommige bepalingen van deze bekendmaking worden uitgezonderd, indien zulks tot het vrijgeven van fabricagegeheimen zou kunnen leiden.
22 Besluit nr. 93-774 van 27 maart 1993 houdende vaststelling van de lijst van genetische modificatietechnieken en van de indelingscriteria voor GGMO's (JORF van 30 maart 1993, blz. 5714), neemt de in de richtlijn gehanteerde indeling in twee groepen (groepen I en II) over. Bovendien deelt artikel 3 van dit besluit GGMO's in vier klassen in (klasse 1 tot en met 4), waarbij de indelingscriteria van bijlage II bij richtlijn 90/219 worden overgenomen. Wat het gebruik van GGO's en GGMO's in onderzoeks- en ontwikkelings- of onderwijslaboratoria betreft, heeft de Franse Commissie voor gentechnologie een indeling van de toe te passen inperkingsniveaus gemaakt. Daarbij heeft zij vier inperkingsniveaus gedefinieerd, genaamd L1 tot en met L4, waarvoor veiligheidseisen in toenemende mate van strengheid gelden.
23 Besluit nr. 93-773 van 27 maart 1993 houdende uitvoering, met betrekking tot het gebruik voor civiele doeleinden, van artikel 6 van wet nr. 92-654 van 13 juli 1992 betreffende de controle op het gebruik en de introductie van GGO's en houdende wijziging van wet nr. 76-663 (JORF van 30 maart 1993, blz. 5712), bepaalt in artikel 2, tweede alinea, laatste volzin, dat het verzoek om toestemming de gegevens vermeldt die volgens de aanvrager vertrouwelijk moeten worden behandeld.
24 Artikel 7, deel I, van voornoemd besluit bepaalt: Wanneer de aanvraag betrekking heeft op het eerste gebruik in een laboratorium voor genetisch gemodificeerde organismen van groep II, klasse 3 en 4 [...], wordt dit in de toestemming opgenomen onder vermelding dat de aanvrager een informatiedossier ter beschikking van het publiek dient te stellen.[...]Dit dossier omvat, met uitsluiting van alle gegevens die onder het industrieel of commercieel geheim vallen of die door de wet worden beschermd of waarvan de bekendmaking nadelig zou kunnen zijn voor de belangen van de exploitant van het laboratorium of van de personen die het gebruik toepassen:
─ [...]
─ alle nuttige informatie over de indeling van genetisch gemodificeerde organismen die in de inrichting kunnen worden toegepast, en over de inperkingsmaatregelen, de middelen tot interventie in geval van rampen en de technische voorschriften waaraan de toestemming is onderworpen;
─ in voorkomend geval de samenvatting van het advies van de Commissie voor gentechnologie naar aanleiding van het verzoek om toestemming;
[...]
De precontentieuze procedure
25 De Franse regering heeft de Commissie tussen maart 1992 en juni 1998 verschillende brieven heeft gezonden, waarin zij deze in kennis heeft gesteld van de maatregelen die zij ter omzetting van de richtlijn had vastgesteld.
26 De Commissie heeft de Franse Republiek op 18 maart 1998 aangemaand, haar opmerkingen kenbaar te maken over de grief dat de richtlijn onjuist en onvolledig was omgezet.
27 Aangezien zij de antwoorden van de Franse autoriteiten niet bevredigend achtte, heeft de Commissie bij brief van 19 mei 2000 een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek uitgebracht. Hierin nodigde zij deze lidstaat uit de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan aan het met redenen omkleed advies te voldoen.
28 Vervolgens heeft de Franse regering de Commissie op 21 en 28 juli 2000 twee memoranda over de omzetting van de richtlijn gezonden.
De procedure voor het Hof
29 In repliek heeft de Commissie de grief betreffende onvolledige omzetting van artikel 15, lid 1, van de richtlijn ingetrokken, zodat zij thans concludeert dat het het Hof behage:
─ vast te stellen dat de Franse Republiek, door de artikelen 14, sub a en b, 15, lid 2, 16, lid 1, en 19, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn juist noch volledig om te zetten en door de bepalingen van de richtlijn niet om te zetten ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik, de krachtens deze richtlijn en artikel 249 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
─ de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
30 De Franse Republiek verzoekt het Hof:
─ het beroep te verwerpen, met uitzondering van de grief betreffende niet-omzetting van de richtlijn ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende inrichtingen, en
─ de Commissie in de kosten te veroordelen.
Het beroep
De grief betreffende artikel 14, sub a, van de richtlijn
Argumenten van partijen
31 Volgens de Commissie heeft artikel 14 van de richtlijn een ruime werkingssfeer in die zin dat het van toepassing is op elk gebruik van GGMO's. Naar haar mening is deze bepaling niet omgezet met betrekking tot:
─ het gebruik waarbij GGMO's van groep I of II worden ingezet voor onderwijs-, onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden;
─ het gebruik voor industriële of commerciële doeleinden door niet-vergunningplichtige inrichtingen, te weten de inrichtingen waarvoor een meldingsplicht geldt.
32 De richtlijn schrijft voor, dat waar nodig een rampenplan wordt uitgevoerd en de rampenbestrijdingsdiensten op de hoogte worden gesteld, hetgeen een beoordeling per individueel geval veronderstelt. Een correcte omzetting van de richtlijn kan niet inhouden, dat de verplichting om deze maatregelen op bepaalde vormen van gebruik of bepaalde categorieën inrichtingen toe te passen, eenvoudigweg wordt uitgesloten.
33 De Franse regering betoogt om te beginnen, dat uit de bewoordingen van artikel 14, sub a, van de richtlijn geen stelselmatige verplichting voortvloeit om een rampenplan op te stellen. Deze bepaling schrijft enkel voor, dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar nodig moeten verlangen, dat een rampenplan wordt opgesteld. Dit betekent dat het opstellen van een rampenplan geen automatisme is. Aanvaarding van een uitlegging die geen onderscheid maakt naar gelang van het risico dat de inrichting met zich brengt, zou tot gevolg hebben dat de precisering van de reikwijdte van de verplichting, welke wordt weergegeven door de uitdrukking waar nodig, eenvoudigweg vervalt. De formulering van artikel 14 van de richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/81, bevestigt dat op de bevoegde instanties slechts de verplichting rust om te onderzoeken, of een rampenplan noodzakelijk is en, zo ja, om erop toe te zien dat een dergelijk plan ook daadwerkelijk wordt opgesteld.
34 Met betrekking tot het gebruik voor industriële of commerciële doeleinden door vergunningplichtige, onder de milieuwetgeving vallende inrichtingen, beroept de Franse regering zich op artikel 17 van besluit nr. 77-1133, volgens hetwelk aan de vergunning het voorschrift kan worden verbonden dat een intern actieplan voor rampen (IOP) wordt opgesteld.
35 Met betrekking tot meldingsplichtige, onder de milieuwetgeving vallende inrichtingen, betoogt de Franse regering dat de prefecten algemene voorschriften moeten uitvaardigen voor alle categorieën meldingsplichtige inrichtingen die in hun departement zijn gevestigd. Het opstellen van een rampenplan is één van de maatregelen die in dat verband kunnen worden getroffen. De Franse regering voegt hieraan toe, dat indien de voor een categorie inrichtingen geldende algemene voorschriften niet in het opstellen van een dergelijk plan voorzien, terwijl dit voor een bepaalde inrichting van deze categorie wel noodzakelijk is, de prefect krachtens artikel L.512-12 van de Code de l'environnement de vereiste maatregelen kan nemen in de vorm van speciale voorschriften.
36 Volgens de Franse regering is het niet relevant of de mogelijkheid om voor vergunningplichtige inrichtingen het opstellen van een rampenplan voor te schrijven uitdrukkelijk wordt erkend, nu dit ten aanzien van meldingsplichtige inrichtingen valt onder de bevoegdheid om algemene of speciale voorschriften uit te vaardigen. Aangezien laatstgenoemde inrichtingen immers minder risico's met zich brengen, hoeft niet specifiek te worden voorzien in de mogelijkheid om een rampenplan voor te schrijven.
37 Hieruit volgt dat het bevoegde overheidsgezag met betrekking tot elke onder de milieuwetgeving vallende inrichting kan voorschrijven, dat de exploitant daarvan een rampenplan opstelt. De Franse regering concludeert dan ook, dat indien het voor een bepaalde inrichting noodzakelijk is een dergelijk plan op te stellen, het overheidsgezag verplicht is een voorwaarde van die aard op te leggen.
38 De Franse regering voegt hieraan toe, dat voor onderwijs- en onderzoeksinrichtingen een vergelijkbare verplichting geldt. Deze inrichtingen mogen slechts in werking zijn wanneer zij daarvoor toestemming hebben, welke toestemming per individueel geval wordt verleend. Aan deze toestemming is de verplichting verbonden om diverse voorschriften na te leven, bijvoorbeeld de voorschriften als vervat in de richtsnoeren van de Commissie voor gentechnologie, maar ook die welke zijn opgenomen in de gezamenlijke besluiten van de minister van Milieuhygiëne en de minister van Wetenschappelijk Onderzoek.
39 Ook al waren voornoemde richtsnoeren als zodanig juridisch niet verbindend, dit neemt niet weg dat de exploitant van een onderwijs- of onderzoeksinrichting op grond van de hem verleende toestemming verplicht is de daaraan verbonden voorschriften na te leven. Er bestaat dus wel degelijk een verplichting voor alle onderzoeks- en onderwijsinrichtingen met inperkingsniveau L3 of L4 om zich van een rampenplan te voorzien. Wat de onderzoeks- of onderwijsinrichtingen met inperkingsniveau L1 of L2 betreft, stelt de Franse regering dat deze niveaus een geringer risico weerspiegelen, zodat de verplichting om een rampenplan op te stellen geen stelselmatig karakter kan hebben. Een dergelijke verplichting kan, voorzover zulks noodzakelijk blijkt, aan voornoemde inrichtingen worden opgelegd als een speciaal voorschrift bij de te verlenen toestemming.
Beoordeling door het Hof
40 Er zij herinnerd aan de rechtspraak van het Hof (zie met name arrest van 28 februari 1991, Commissie/Italië, C-360/87, Jurispr. blz. I-791, blz. 13), volgens welke de lidstaten, om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied moeten zorgen.
41 Uit de formulering van artikel 14, sub a, van de richtlijn volgt dat de bevoegde instanties zich waar nodig vóór de aanvang van een van de in deze bepaling bedoelde activiteiten ervan moeten vergewissen, dat een rampenplan wordt opgesteld. De gemeenschapswetgever heeft niet bepaalde categorieën inrichtingen algemeen willen uitzonderen van de verplichting om een dergelijk plan op te stellen. Hieruit vloeit voort, dat de bevoegde instanties de noodzaak om een rampenplan op te stellen van geval tot geval, naar gelang van de respectieve risico's, moeten beoordelen. Een doeltreffende omzetting van deze bepaling veronderstelt, dat de nationale regelgeving voornoemde instanties een nauwkeurig omschreven verplichting van die strekking oplegt, voorzover het opstellen van een dergelijk plan voor bepaalde categorieën inrichtingen niet systematisch is voorgeschreven.
42 Geconstateerd moet worden, dat de Franse regeling niet aan dit vereiste voldoet.
43 Weliswaar is de prefect ten aanzien van meldingsplichtige, onder de milieuwetgeving vallende inrichtingen bevoegd om het opstellen van een rampenplan door middel van hetzij algemene, hetzij speciale voorschriften op te leggen, doch er is geen enkele bepaling die hem duidelijk ertoe verplicht, de noodzaak van het opstellen van een rampenplan te beoordelen naar gelang van de risico's van elk concreet geval.
44 Hetzelfde geldt voor de onderwijs- en onderzoeksinrichtingen met inperkingsniveau L1 of L2. De loutere mogelijkheid om deze inrichtingen door middel van speciale voorschriften ertoe te verplichten een rampenplan op te stellen, kan niet als een doeltreffende omzetting van artikel 14, sub a, van de richtlijn worden beschouwd.
45 Met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksinrichtingen met inperkingsniveau L3 of L4, betoogt de Franse regering dat het verkrijgen van toestemming de verplichting tot naleving van de voorschriften in de richtsnoeren van de Commissie voor gentechnologie behelst en dat deze voorschriften ten aanzien van onderwijs- en onderzoeksinrichtingen met een bepaald inperkingsniveau in het opstellen van een rampenplan voorzien. Doch ook al is dit inderdaad het geval, dit neemt niet weg dat de Franse regering niet heeft aangetoond dat de bevoegde instanties rechtens gehouden zijn een dergelijke verplichting aan de betrokken toestemming te verbinden. Bovendien wordt hier enkel gedoeld op de onderzoekslaboratoria en niet op alle onderwijs- of onderzoeksinrichtingen met een dergelijk inperkingsniveau.
46 Bijgevolg moet het beroep gegrond worden verklaard voorzover het betrekking heeft op artikel 14, sub a, van de richtlijn.
De grief betreffende artikel 14, sub b, eerste alinea, van de richtlijn
Argumenten van partijen
47 De Commissie brengt naar voren dat artikel 17 van besluit nr. 77-1133, dat betrekking heeft op het gebruik van GGMO's voor industriële of commerciële doeleinden, voorzover haar bekend de enige bepaling is die artikel 14, sub b, van de richtlijn in Frans recht omzet. Dit artikel 17 bepaalt, dat in de vergunning de door de exploitant te nemen noodmaatregelen kunnen worden vastgelegd en diens verplichtingen om de personen die door een ongeval kunnen worden getroffen, te waarschuwen en te informeren over de gevaren die zij lopen, de veiligheidsmaatregelen en de juiste handelwijze. Deze bepaling heeft echter uitsluitend betrekking op vergunningplichtige inrichtingen en niet op alle inrichtingen. Verder blijkt artikel 14, sub b, van de richtlijn niet te zijn omgezet met betrekking tot het gebruik voor onderwijs-, onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden.
48 Aangaande de informatieverstrekking aan het publiek betoogt de Commissie dat, gesteld al dat de algemene en speciale voorschriften waaraan deze inrichtingen kunnen worden onderworpen, in veiligheidsmaatregelen voorzien, dit niet afdoet aan het feit dat met de aan het publiek geboden mogelijkheid tot inzage van deze voorschriften, waarvan niet bekend is of hierin al dan geen veiligheidsmaatregelen zijn opgenomen, niet is voldaan aan de verplichting om deze informatie zelf automatisch ter beschikking van het publiek te stellen.
49 De Franse regering merkt op, dat de verplichting in artikel 14, sub b, van de richtlijn, zoals zij geformuleerd is, een andere is dan die waarop de grief betreffende de passage in dit artikel, sub a, ziet. Bedoelde passage heeft namelijk betrekking op de verplichting om een rampenplan op te stellen, terwijl de passage sub b ziet op de verplichting om het publiek te informeren over de veiligheidsmaatregelen en de juiste handelwijze bij een ongeval.
50 Het is evenwel moeilijk om een rampenplan te onderscheiden van de veiligheidsmaatregelen en gedragsregels die bij een ongeval moeten worden toegepast. De twee verplichtingen lijken dus nauw met elkaar samen te hangen. Deze uitlegging vindt steun in de wijziging van artikel 14 van de richtlijn ten gevolge van richtlijn 98/81. Deze wijziging heeft er in de eerste plaats toe geleid, dat de verplichting om rampenplannen aan de rampenbestrijdingsdiensten voor te leggen, is overgeheveld naar de passage sub b van dit artikel, en in de tweede plaats dat niet langer elke persoon, doch slechts de instanties en autoriteiten die door het ongeval kunnen worden getroffen, moeten worden geïnformeerd. De betrokken bepaling schept dus de verplichting om rampenplannen aan de rampenbestrijdingsdiensten voor te leggen, om de instanties en autoriteiten die getroffen kunnen worden te informeren over de belangrijkste maatregelen die daarin zijn voorzien, om deze plannen bij te werken en ze ter beschikking van het publiek te stellen.
51 Aangezien de Franse regering meent dat slechts waar nodig een rampenplan hoeft te worden opgesteld, heeft zij geen stelselmatige verplichting in het leven geroepen om de in een dergelijk plan voorziene maatregelen mee te delen aan de instanties en autoriteiten die met de uitvoering ervan zijn belast.
52 Ten aanzien van vergunningplichtige inrichtingen wordt de verplichting van artikel 14, sub b, van de richtlijn uitdrukkelijk overgenomen in artikel 17 van besluit nr. 77-1133. Ten aanzien van meldingsplichtige inrichtingen bepaalt artikel 27 van dit besluit, dat een afschrift van de ontvangstbevestiging van de op de inrichtingen toepasselijke algemene voorschriften gedurende minimaal een maand aan het gemeentehuis wordt aangeplakt onder vermelding van de mogelijkheid voor derden om de tekst van deze voorschriften ter plaatse in te zien.
53 De Franse regering brengt naar voren, dat sommige onderwijs- en onderzoeksinrichtingen, wanneer zij een verzoek om toestemming indienen, tevens zijn onderworpen aan de verplichting om een informatiedossier bij het gemeentehuis in te dienen. Overeenkomstig artikel 7, deel I, van besluit nr. 93-773 moet dit dossier omvatten alle nuttige informatie over de indeling van genetisch gemodificeerde organismen die in de inrichting kan worden toegepast, en over de inperkingsmaatregelen, de middelen tot interventie in geval van rampen en de technische voorschriften waaraan de goedkeuring is onderworpen. Voor de overige onderwijs- en onderzoeksinrichtingen kan het overheidsgezag, voorzover een rampenplan noodzakelijk is, tevens voorschrijven op welke wijze het publiek moet worden geïnformeerd.
Beoordeling door het Hof
54 Om te beginnen moet worden geconstateerd, dat de eerste volzin van artikel 14, sub b, eerste alinea, van de richtlijn doelt op de groep personen die door een ongeval kunnen worden getroffen en de derde volzin op het publiek, een ruimere kring dus, die eerstgenoemde groep omvat. Deze eerste volzin schept een verplichting om de betrokken personen te informeren zonder dat deze daarom hoeven te verzoeken. Volgens voornoemde derde volzin wordt de betrokken informatie tevens ter beschikking van het publiek gesteld, dat deze informatie dus moet kunnen raadplegen.
55 Bij richtlijn 98/81 is artikel 14, sub b, eerste alinea, eerste volzin, van de richtlijn in dier voege gewijzigd, dat de desbetreffende bepaling niet langer betrekking heeft op de personen, maar op de instanties en autoriteiten die door een ongeval kunnen worden getroffen.
56 Het is vaste rechtspraak dat het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie onder meer arrest van 31 maart 1992, Commissie/Italië, C-362/90, Jurispr. blz. I-2353, punt 10).
57 Richtlijn 98/81 moest uiterlijk op 5 juni 2000 zijn omgezet, dus voordat de termijn was verstreken die de Commissie de Franse Republiek in haar met redenen omkleed advies had gesteld. In elk geval vanaf die datum was deze lidstaat niet langer gehouden om artikel 14, sub b, eerste alinea, eerste volzin, van de richtlijn om te zetten.
58 Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard voorzover het betrekking heeft op deze bepaling van de richtlijn (zie in die zin arrest van 31 maart 1992, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 13).
59 Aangaande de grief betreffende de in artikel 14, sub b, eerste alinea, derde volzin, van de richtlijn opgenomen verplichting om informatie over de veiligheidsmaatregelen en de juiste handelwijze bij een ongeval ter beschikking van het publiek te stellen, moet worden geconstateerd dat deze verplichting is overgenomen in richtlijn 98/81, waar wordt voorgeschreven dat informatie over de rampenplannen met inbegrip van de desbetreffende veiligheidsmaatregelen ter beschikking van het publiek wordt gesteld. De Commissie betoogt terecht, dat het publiek niet in alle gevallen toegang tot deze plannen heeft, zoals ook uit de opmerkingen van de Franse regering zelf voortvloeit. Bovendien impliceert een doeltreffende omzetting van de betrokken bepaling, dat de rampenplannen als zodanig ter beschikking van het publiek staan. Nu de mogelijkheid om documenten te raadplegen die gegevens van verschillende aard bevatten ook een zoektocht vergt naar de rampenplannen, zoals de voorschriften die aan inrichtingen kunnen worden opgelegd, kan zij niet worden gezien als een doeltreffende omzetting van deze bepaling.
60 Mitsdien moet het beroep gegrond worden verklaard voorzover het betrekking heeft op artikel 14, sub b, eerste alinea, derde volzin, van de richtlijn.
De grief betreffende de artikelen 14, sub b, tweede alinea, 15, lid 2, en 16, lid 1, van de richtlijn
Argumenten van partijen
61 Volgens de Commissie heeft de omstandigheid dat krachtens de artikelen 14, sub b, tweede alinea, 15, lid 2, en 16, lid 1, van de richtlijn op de Franse autoriteiten rechtstreekse verplichtingen rusten, niet tot gevolg dat deze autoriteiten worden ontheven van de verplichting om een minimaal uitvoeringskader op nationaal niveau te creëren. Daarin moet onder meer worden bepaald, welke instanties bevoegd zijn om informatie aan de andere lidstaten te verstrekken en op welke wijze dit dient te geschieden. Dit is des te dringender, omdat deze verplichtingen er indirect toe strekken de belangen van het publiek van de andere lidstaten te beschermen.
62 De Commissie stelt dat bij gebreke van een dergelijk minimumkader de artikelen 14, sub b, tweede alinea, 15, lid 2, en 16, lid 1, van de richtlijn niet kunnen worden geacht te zijn omgezet.
63 Volgens de Franse regering brengen deze bepalingen geen enkel gevolg teweeg in de interne rechtsorde van de lidstaten. Zij regelen enkel de wijze van informatie-uitwisseling tussen de lidstaten of tussen een lidstaat en de instellingen van de Gemeenschap. Dit volgt met name uit artikel 14, sub b, tweede alinea, van de richtlijn, waarin wordt gesproken van de bilaterale betrekkingen tussen de lidstaten.
64 Ter onderbouwing van de betrokken grief zou de Commissie moeten aantonen, dat de volle werking van de richtlijn niet kan worden verzekerd zonder de toepassing van regels in de interne Franse rechtsorde. De Commissie wijst echter enkel op de noodzaak van een minimumuitvoeringskader waarin onder meer de bevoegde instanties worden aangewezen of bepaalde uitvoeringsvoorwaarden worden geformuleerd.
65 De Franse regering is van oordeel, dat in de Franse rechtsorde geen enkele maatregel hoeft te worden vastgesteld om de volle werking van de betrokken bepalingen te verzekeren.
66 Aan de daarin vervatte verplichtingen wordt haars inziens uitvoering gegeven in het kader van bilaterale contacten met de aangrenzende lidstaten en met de gemeenschapsinstellingen. Deze betrekkingen worden beheerst door een verzameling teksten waarin het onderhouden van de betrekkingen met andere staten is opgedragen aan het Ministerie van Buitenlandse zaken en de betrekkingen met de gemeenschapsinstellingen aan een interministerieel orgaan dat onder de Eerste minister ressorteert, te weten het secretariaat-generaal voor de interministeriële coördinatie van vraagstukken van Europese economische samenwerking. Deze algemene teksten preciseren, welke autoriteiten in voorkomend geval belast zijn met het verstrekken van de betrokken informatie. Aangezien de litigieuze bepalingen noch de betrekkingen tussen staat en particulieren, noch de betrekkingen tussen particulieren onderling regelen, zou geen enkele specifieke wettelijke handeling in de Franse interne orde van enig nut zijn.
67 Bovendien hadden identieke bepalingen kunnen worden opgenomen in een verordening of beschikking van de Gemeenschap in plaats van in een richtlijn. In dat geval zou geen enkele maatregel van intern recht noodzakelijk zijn geweest om de volle werking van deze bepalingen te verzekeren.
Beoordeling door het Hof
68 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat een bepaling die enkel de betrekkingen tussen de lidstaten en de Commissie regelt, in beginsel geen omzetting behoeft. Gelet echter op de op de lidstaten rustende verplichting om de volledige naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren, heeft de Commissie het recht aan te tonen dat de naleving van de bepaling van een richtlijn die deze betrekkingen regelt, de vaststelling van specifieke omzettingsmaatregelen in de nationale rechtsorde vereist (zie in die zin arrest van 24 juni 2003, Commissie/Portugal, C-72/02, Jurispr. blz. I-6597, punten 19 en 20).
69 Indien een lidstaat ervoor heeft gekozen het juridische kader waarbinnen de nationale autoriteiten dergelijke betrekkingen dienen te onderhouden, niet uitdrukkelijk te preciseren, is hij aansprakelijk voor eventuele schendingen van de ter zake uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen.
70 In casu zien de artikelen 14, sub b, tweede alinea, 15, lid 2, en 16, lid 1, van de richtlijn alle uitsluitend op de betrekkingen tussen een lidstaat en de Commissie of de andere lidstaten.
71 Wat het argument van Commissie betreft dat in de interne rechtsorde een minimumkader ter uitvoering van deze bepalingen moet worden voorzien, moet worden geconstateerd dat Commissie niet heeft gesteld dat de bevoegde Franse autoriteiten wordt belet voornoemde bepalingen ten uitvoer te leggen en de volle werking ervan te verzekeren.
72 Voor het overige heeft de Commissie niet aangetoond, dat de naleving van deze bepalingen de vaststelling van specifieke omzettingsmaatregelen in de nationale rechtsorde vereist. Haar grief strekt zich ook uit tot het geval dat artikel 15, lid 2, van de richtlijn in de praktijk zou worden nageleefd. Zij heeft evenmin argumenten aangevoerd tot staving van haar grief dat de Franse autoriteiten zich schuldig maken aan een praktijk die indruist tegen de verplichtingen bedoeld in de artikelen 14, sub b, tweede alinea, en 16, lid 1, van de richtlijn.
73 Mitsdien moet het beroep van de Commissie worden verworpen voorzover het betrekking heeft op de artikelen 14, sub b, tweede alinea, 15, lid 2, en 16, lid 1, van de richtlijn.
De grief betreffende artikel 19, leden 2 en 3, van de richtlijn
Argumenten van partijen
74 Volgens de Commissie ontbreekt in de Franse regelgeving een bepaling volgens welke de kennisgever aantoonbare redenen moet aanvoeren voor zijn verzoek om vertrouwelijke behandeling van gegevens die in zijn verzoek om toestemming staan vermeld.
75 Artikel 19 van de richtlijn, dat duidelijk tot doel heeft de kennisgever verplichtingen op te leggen en het publiek recht op informatie over het gebruik van GGMO's te geven, kan niet worden geacht te zijn omgezet door algemene bepalingen die het door de gemeenschapsbepaling gecreëerde mechanisme niet nauwgezet overnemen.
76 Evenmin blijkt uit de beschikbare gegevens dat de bevoegde instantie, na verplicht overleg met de kennisgever, een besluit neemt en hem daarvan in kennis stelt.
77 Volgens de Franse regering omschrijft artikel 2 van besluit nr. 77-1133 met betrekking tot vergunningplichtige inrichtingen de inhoud van de vergunningaanvraag die voor deze inrichtingen als kennisgeving in de zin van de richtlijn geldt. Met betrekking tot de door de aanvrager toe te passen fabricageprocédés preciseert deze bepaling dat de aanvrager [...] in voorkomend geval de informatie waarvan de verspreiding volgens hem tot het vrijgeven van fabricagegeheimen leidt, in één exemplaar en afzonderlijk [kan] toezenden. Nergens anders in de artikelen 2 of 3 van dit besluit is een dergelijk recht opgenomen.
78 De Franse regering voegt hieraan toe, dat artikel 27 van voornoemd besluit de wijze van bekendmaking regelt van de melding die voor meldingsplichtige inrichtingen als kennisgeving in de zin van de richtlijn geldt. Zij verwijst in het bijzonder naar de laatste alinea van deze bepaling.
79 Met betrekking tot onderwijs- en onderzoeksinrichtingen bepaalt artikel 2, tweede alinea, laatste volzin, van besluit nr. 93-773, dat het verzoek om toestemming de gegevens vermeldt die volgens de aanvrager vertrouwelijk dienen te blijven.
80 De kennisgever kan dus voor elke van de drie categorieën inrichtingen ten aanzien waarvan de richtlijn moet worden uitgevoerd, verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens die hij tezamen met zijn vergunningsaanvraag, zijn melding of zijn verzoek om toestemming overlegt.
81 De bevoegde instantie hoeft een gegeven niet vertrouwelijk te behandelen enkel en alleen omdat de kennisgever hierom verzoekt. Dat een dergelijk verzoek deze instantie niet bindt, blijkt uit de formulering van de betrokken nationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van de voorwaardelijke wijs in de regeling betreffende onder de milieuwetgeving vallende inrichtingen of de toevoeging van de precisering volgens [de aanvrager] in de regeling betreffende onderwijs- en onderzoeksinrichtingen. Het is dus overbodig om te preciseren, dat de bevoegde instantie beslist welke gegevens daadwerkelijk als vertrouwelijk zullen worden aangemerkt, omdat dit reeds genoegzaam volgt uit de omstandigheid dat het recht van de kennisgever beperkt is tot de vermelding van de gegevens die volgens hem vertrouwelijk moeten blijven.
82 Om dezelfde reden heeft het geen nut te preciseren, dat deze verzoeken om vertrouwelijke behandeling moeten worden gemotiveerd. Aangezien het indienen van een verzoek om vertrouwelijke behandeling van gegevens immers niet waarborgt dat dit verzoek ook daadwerkelijk wordt ingewilligd, moet de kennisgever zijn verzoek noodzakelijkerwijs motiveren, wil het kans van slagen hebben. Aangezien vertrouwelijke behandeling de uitzondering op de regel is, spreekt het volgens de Franse regering voor zich, dat een daartoe strekkend verzoek moet worden gemotiveerd.
Beoordeling door het Hof
83 Het is vaste rechtspraak, dat voor de uitvoering van een richtlijn in de rechtsorde van een lidstaat vereist is dat het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn verzekert, de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is en de begunstigden in staat zijn, kennis te nemen van al hun rechten en plichten (zie arresten van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland, C-365/93, Jurispr. blz. I-499, punt 9, en 12 juni 2003, Commissie/Luxemburg, C-97/01, Jurispr. blz. I-5797, punt 32).
84 In dit verband moet worden geconstateerd, dat noch artikel 2 van besluit nr. 77-1133 met betrekking tot vergunningplichtige inrichtingen, noch artikel 27 van dit besluit met betrekking tot meldingsplichtige inrichtingen, noch artikel 2, tweede alinea, laatste volzin, van besluit nr. 93-773 met betrekking tot onderwijs- en onderzoeksinrichtingen, duidelijk en ondubbelzinnig bepalen, dat de aanvrager aantoonbare redenen moet aanvoeren, zoals artikel 19, lid 2, tweede volzin, van de richtlijn vereist.
85 De stelling dat het verzoek om vertrouwelijkheid moet worden gemotiveerd omdat vertrouwelijkheid de uitzondering op de regel is, kan niet worden aanvaard. Ook al kan het bestaan van algemene beginselen van constitutioneel of administratief recht de omzetting door specifieke wet- of regelgeving van uit de richtlijn voortvloeiende voorschriften overbodig maken, dit neemt niet weg dat een beginsel zoals dat in casu door de Franse regering is ingeroepen, niet op voldoende bepaalde en duidelijke wijze de volledige toepassing van artikel 19, lid 2, tweede volzin, van de richtlijn verzekert. De kennisgever moet uit de tekst van de nationale regeling kunnen afleiden, aan welke eisen moet worden voldaan voor vertrouwelijke behandeling, met inbegrip van het vereiste dat aantoonbare redenen worden aangevoerd.
86 De grief betreffende de uit artikel 19, lid 3, van de richtlijn voortvloeiende verplichting tot overleg met de kennisgever is door de Franse regering met geen argument weerlegd.
87 Wat de in diezelfde bepaling opgenomen verplichting aangaat om de kennisgever op de hoogte te stellen van het besluit van de bevoegde instantie ten aanzien van de vertrouwelijk te behandelen gegevens, heeft deze regering geen enkele bepaling van Frans administratief recht genoemd die het bestuur uitdrukkelijk verplicht een dergelijk besluit mee te delen.
88 Mitsdien moet het beroep gegrond worden verklaard voorzover het betrekking heeft op artikel 19, leden 2 en 3, van de richtlijn.
De grief betreffende artikel 19, lid 4, van de richtlijn
Argumenten van partijen
89 Volgens de Commissie kan uit geen enkele bepaling van de Franse regelgeving worden afgeleid, dat artikel 19, lid 4, van de richtlijn correct is omgezet.
90 Met betrekking tot vergunningplichtige inrichtingen stelt de Franse regering, dat alle gegevens die in artikel 19, lid 4, van de richtlijn worden opgesomd, ook moeten voorkomen in de vergunningaanvraag, zodat zij in het kader van de openbare inspraak aan het publiek worden meegedeeld en dus in geen geval vertrouwelijk kunnen blijven.
91 De onderwijs- en onderzoeksinrichtingen die zich toeleggen op handelingen met GGMO's van groep II, klassen 3 en 4, zijn overeenkomstig artikel 7, deel I, van besluit nr. 93-773 verplicht een informatiedossier ter beschikking van het publiek te stellen waarin is opgenomen alle nuttige informatie over de indeling van genetisch gemodificeerde organismen die in de inrichting kunnen worden toegepast en het advies van de Commissie voor gentechnologie naar aanleiding van het verzoek om toestemming; hiermee is uitvoering gegeven aan de verplichting om ervoor te zorgen dat de evaluatie van de te verwachten effecten van de voorgenomen onderzoeken niet vertrouwelijk mag zijn.
92 De Franse regering sluit niet uit, dat haar regelgeving op sommige ondergeschikte punten zal moeten worden aangepast teneinde de volle werking van artikel 19, lid 4, van de richtlijn te verzekeren met betrekking tot meldingsplichtige inrichtingen of onderwijs- en onderzoeksinrichtingen met een inperkingsniveau van groep I, klasse 1, of groep II, klasse 2.
Beoordeling door het Hof
93 In dit verband volstaat de constatering, dat de Franse regering heeft toegegeven dat haar regelgeving met betrekking tot meldingsplichtige inrichtingen en sommige onderwijs- en onderzoeksinrichtingen moet worden aangepast om de volle werking van artikel 19, lid 4, van de richtlijn te verzekeren. Deze bepaling moet derhalve als onvolledig worden beschouwd.
94 Dit betekent dat het beroep gegrond worden verklaard voorzover het betrekking heeft op artikel 19, lid 4, van de richtlijn.
De grief betreffende gebrekkige omzetting van de richtlijn ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik
95 De Franse regering erkent in haar verweerschrift, dat ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende inrichtingen geen maatregelen ter omzetting van de richtlijn zijn vastgesteld.
96 Bijgevolg moet worden geconstateerd, dat het beroep gegrond is voorzover het betrekking heeft op de omzetting van de richtlijn ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik.
97 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geconstateerd dat de Franse Republiek, door de artikelen 14, sub a en b, eerste alinea, derde volzin, en 19, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn juist noch volledig om te zetten en door de bepalingen daarvan niet om te zetten ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
98 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dit reglement kan het Hof de proceskosten evenwel over partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Nu in casu elk van beide partijen ten dele in het ongelijk wordt gesteld, moet worden beslist dat zij elk hun eigen kosten zullen dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door de artikelen 14, sub a en b, eerste alinea, derde volzin, en 19, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/51/EG van de Commissie van 7 november 1994 betreffende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 90/219, juist noch volledig om te zetten en door de bepalingen daarvan niet om te zetten ten aanzien van bepaalde onder het Ministerie van Defensie ressorterende vormen van ingeperkt gebruik, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen draagt haar eigen kosten.
Skouris
Gulmann
Puissochet
Macken
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 27 november 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy