Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
Partijen
In zaak C-436/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 330, blz. 13), of althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 2003,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 november 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 330, blz. 13; hierna: richtlijn"), of althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 18 maanden na haar inwerkingtreding aan de richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De richtlijn is op 5 december 1998 in werking getreden.
3 Ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn delen de lidstaten de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder de richtlijn vallende gebied vaststellen.
4 Van oordeel dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn in Belgisch recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na het Koninkrijk België te hebben aangemaand, zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 17 januari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
5 Omdat uit de door de Belgische autoriteiten meegedeelde gegevens bleek dat de werkzaamheden tot omzetting van de richtlijn in Belgisch recht nog niet waren voltooid, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
6 De Belgische regering betwist niet dat zij de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd, maar betoogt dat de werkzaamheden tot uitvoering weldra voltooid zullen zijn. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zou het besluit tot uitvoering van de richtlijn reeds definitief hebben goedgekeurd. Het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest zouden zo snel mogelijk de bepalingen vaststellen die nodig zijn om de richtlijn volledig uit te voeren.
7 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arresten van 11 september 2001, Commissie/Duitsland, C-71/99, Jurispr. blz. I-5811, punt 29, en 11 oktober 2001, Commissie/Oostenrijk, C-110/00, Jurispr. blz. I-7545, punt 13).
8 In de onderhavige zaak is de richtlijn niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn uitgevoerd. Het door de Commissie ingestelde beroep moet derhalve gegrond worden geacht.
9 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy