Zaak C‑460/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden
„Niet-nakoming – Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 en 2454/93 – Extern communautair douanevervoer – Douaneautoriteiten – Procedures voor inning van invoerrechten – Termijnen – Niet-inachtneming – Eigen middelen van Gemeenschappen – Terbeschikkingstelling – Termijn – Niet-inachtneming – Vertragingsrente – Betrokken lidstaat – Niet-betaling”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 13 juli 2004
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 april 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Vrij verkeer van goederen – Communautair douanevervoer – Extern communautair douanevervoer – Overtredingen of onregelmatigheden – Verplichtingen van lidstaten – Niet-inachtneming van termijnen voor procedures tot inning van invoerrechten – Niet-nakoming
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 218, lid 3, en 221, lid 1; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 379, lid 2)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Boeking op credit van rekening van Commissie – Te late boeking – Niet-nakoming – Verplichting tot betaling van vertragingsrente
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, art. 2 en 11, nr. 2913/92, art. 218, lid 3, en 221, lid 1)
1. In het kader van de regeling voor het communautaire douanevervoer komt een lidstaat die niet uiterlijk op de derde dag na de termijn gesteld in de artikelen 218, lid 3, en 221, lid 1, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek, overgaat tot boeking van de douaneschuld en de overige rechten, wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na verzending van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer, de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92.
Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt immers reeds dat de lidstaten verplicht zijn om tot inning over te gaan bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn van drie maanden. Deze uitlegging is tevens noodzakelijk om te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
(cf. punten 69, 94 en dictum)
2. In het kader van de regeling voor het communautaire douanevervoer betekent de met de artikelen 218, lid 3, en 221, lid 1, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek strijdige te late kennisgeving van het bedrag van de invoerrechten aan de aangever van een douaneschuld door een lidstaat, noodzakelijkerwijs een vertraging in de vaststelling van het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, en verplicht elke te late boeking van eigen middelen op de rekening van de Commissie ingevolge artikel 11 van deze verordening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie.
(cf. punten 85, 91, 94 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
14 april 2005 (*)
„Niet-nakoming – Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 en 2454/93 – Communautair douanevervoer – Douaneautoriteiten – Procedures voor inning van invoerrechten – Termijnen – Niet-inachtneming – Eigen middelen van Gemeenschappen – Terbeschikkingstelling – Termijn – Niet-inachtneming – Vertragingsrente – Betrokken lidstaat – Niet-betaling”
In zaak C‑460/01,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 28 november 2001,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Wilms en H. M. H. Speyart als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.‑F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 mei 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2004,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschrift verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door tussen 1 januari 1991 en 31 december 1995
– wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na het verzenden van de kennisgeving, door het douanekantoor van vertrek, dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer, niet uiterlijk op de derde op die termijn volgende dag over te gaan tot het boeken en innen van de betrokken douaneschuld en andere heffingen, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels, die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltermijnen (PB L 124, blz. 1),
– de hiermee verband houdende eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie te stellen, en
– te weigeren de daarmee verband houdende achterstandsrente te betalen,
heeft verzuimd de verplichtingen na te komen die op hem rusten krachtens artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 107, blz. 1), artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 132, blz. 1), en artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”), alsmede de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1).
De toepasselijke regeling
Het communautaire douanerecht
2 In de periode waarop dit beroep betrekking heeft, 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995, waren achtereenvolgens verschillende, zij het inhoudelijk identieke, regelingen van toepassing.
3 Wat het extern communautair vervoer betreft, golden in 1991 en 1992 verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 474/90 van 22 februari 1990 (PB L 51, blz. 1; hierna: „verordening nr. 222/77”), en verordening nr. 1062/87, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2560/92 van de Commissie van 2 september 1992 (PB L 257, blz. 5; hierna: „verordening nr. 1062/87”). In de loop van 1993 golden verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (PB L 262, blz. 1) en verordening nr. 1214/92, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3712/92 van de Commissie van 21 december 1992 (PB L 378, blz. 15; hierna: „verordening nr. 1214/92”).
4 Wat de regeling van de douaneschuld betreft, golden van begin 1991 tot eind 1993 verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (PB L 201, blz. 15), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 4108/88 van de Raad van 21 december 1988 (PB L 361, blz. 2; hierna: „verordening nr. 2144/87”), en verordening (EEG) nr. 597/89 van de Commissie van 8 maart 1989 tot vaststelling van enige nadere bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 2144/87 (PB L 65, blz. 11).
5 Op het gebied van berekening en inning van de douaneschuld gold tot 1 januari 1994 verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in‑ of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1).
6 Bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) werd een codificatie van de toepasselijke regeling op het gebied van het communautaire douanerecht doorgevoerd. Het douanewetboek is nader uitgewerkt in de uitvoeringsverordening. Deze teksten gelden sinds 1 januari 1994.
7 Daar in de periode waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, de achtereenvolgens toepasselijke regelingen van douanerecht inhoudelijk identiek waren, verwijzen partijen in hun betoog voor het Hof uitsluitend naar de bepalingen die vanaf 1 januari 1994 van kracht waren, namelijk het douanewetboek en de uitvoeringsverordening. Daarom geeft de volgende tabel alleen een opsomming van de in de litigieuze tijdvakken achtereenvolgens toepasselijke bepalingen. De tekst van de bepalingen van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening wordt weergegeven na deze tabel.
Kalenderjaren 1991 en 1992
Kalenderjaar 1993
Kalenderjaren 1994 en 1995
artikel 1, lid 2, van verordening nr. 222/77
artikelen 1 en 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 2726/90
artikel 91, lid 1, sub a, en lid 2, sub a, van het douanewetboek
artikel 13 van verordening nr. 222/77
artikel 11, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 2726/90
artikel 96, lid 1, sub a, van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, sub c, van verordening nr. 2144/87
artikel 203 van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, sub d, van verordening nr. 2144/87
artikel 204 van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1854/89
artikel 217, lid 1, van het douanewetboek
artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1854/89
artikel 218, lid 3, van het douanewetboek
artikel 4 van verordening nr. 1854/89
artikel 219 van het douanewetboek
artikelen 6, lid 1, en 7 van verordening nr. 1854/89
artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek
artikel 26, leden 1 en 3, van verordening nr. 222/77
artikel 22, leden 1 en 4, van verordening nr. 2726/90
artikel 356, leden 1 en 5, van de uitvoeringsverordening
artikel 36, lid 3, van verordening nr. 222/77
artikel 34, lid 3, van verordening nr. 2726/90
artikel 378 van de uitvoeringsverordening
artikel 11 bis van verordening nr. 1062/87
artikel 49 van verordening nr. 1214/92
artikel 379 van de uitvoeringsverordening
artikel 11 ter van verordening nr. 1062/87
artikel 50 van verordening nr. 1214/92
artikel 380 van de uitvoeringsverordening
Het douanewetboek
8 Artikel 91, leden 1, sub a, en 2, sub a, van het douanewetboek bepaalt:
„1. De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:
a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;
[...]
2. Het in lid 1 bedoelde vervoer geschiedt:
[...] met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer
[...]”
9 Artikel 96, lid 1, sub a en b, van het douanewetboek bepaalt:
„De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:
a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;
b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.”
10 Artikel 203 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
– indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;
– de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;
– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;
alsmede,
– in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.”
11 Artikel 204 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst,
of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.
3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.”
12 Artikel 215 van het douanewetboek bepaalt:
„1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.
2. Indien de in lid 1 bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid.
3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is beëindigd, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:
– op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst,
of
– op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling zijn binnengekomen.
4. Indien evenwel uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld reeds op een eerder tijdstip was ontstaan, toen de goederen zich op een andere plaats bevonden, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waarvan kan worden vastgesteld dat zij zich daar bevonden op het vroegste tijdstip waarvan het bestaan van de douaneschuld kan worden vastgesteld.”
13 Artikel 217, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”
14 Artikel 218, lid 3, van het douanewetboek luidt als volgt:
„Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan die bedoeld in lid 1, dient het overeenkomstige bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn:
a) het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen,
en
b) de schuldenaar aan te wijzen.”
15 Artikel 219 van het douanewetboek bepaalt:
„1. De in artikel 218 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd:
a) hetzij om redenen die met de administratieve organisatie van de lidstaten verband houden, met name in geval van een gecentraliseerde comptabiliteit;
b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven.
De aldus verlengde termijnen mogen niet meer dan veertien dagen bedragen.
2. De in lid 1 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.”
16 Artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voorzover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan.”
17 Artikel 236, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.”
De uitvoeringsverordening
18 Artikel 356, leden 1 en 5, van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. De goederen worden, onder overlegging van het document T1, aan het kantoor van bestemming aangebracht.
[...]
5. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn aan het kantoor van bestemming worden aangebracht en het niet naleven van deze termijn te wijten is aan omstandigheden welke ten genoegen van het kantoor van bestemming kunnen worden aangetoond en die niet zijn toe te schrijven aan de vervoerder of de aangever, wordt deze laatste geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen.”
19 Artikel 378 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het wetboek, geacht te zijn begaan:
– in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert,
of
– in de lidstaat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven,
tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat van vertrek of in de lidstaat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.
3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1, kan worden vastgesteld in welke lidstaat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke overeenkomstig lid 2 als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd). De aanvankelijk geïnde rechten en heffingen worden terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd.
4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van toepassing zijn in de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen.”
20 Artikel 379 van de uitvoeringsverordening luidt als volgt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”
21 Artikel 380 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer in de zin van artikel 378, lid 1, wordt onder meer ten genoegen van de douaneautoriteiten geleverd:
a) door overlegging van een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt document, waarin wordt verklaard dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406, bij de toegelaten geadresseerde werden aangebracht. Dit document dient de identificatie van de goederen te bevatten;
of
b) door overlegging van een in een derde land ter zake van de aangifte ten verbruik afgegeven douanedocument, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient voor conform te worden gewaarmerkt, hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door de autoriteiten van het betrokken derde land, hetzij door de autoriteiten van een lidstaat. Dit document dient de identificatie van de betrokken goederen te bevatten.”
22 In artikel 859 van de uitvoeringsverordening is bepaald:
„De volgende vormen van verzuim worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het wetboek, voorzover:
– zij geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhouden,
– zij geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en
– alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld:
1) het overschrijden van de termijnen binnen welke de goederen een van de douanebestemmingen die voorzien zijn in het kader van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling moeten hebben gevolgd, wanneer, op daartoe tijdig gedaan verzoek, de termijn zou zijn verlengd;
2) het overschrijden van de termijn voor het aanbieden van onder een regeling voor douanevervoer geplaatste goederen bij het kantoor van bestemming, wanneer deze aanbieding achteraf alsnog plaatsvindt;
3) de behandeling van goederen in tijdelijke opslag of van onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen zonder voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten, indien, op daartoe gedaan verzoek, toestemming voor deze behandelingen zou zijn verleend;
4) het gebruik van onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste goederen in andere omstandigheden dan in de vergunning vermeld, voorzover, op daartoe gedaan verzoek, voor dit gebruik onder dezelfde regeling toestemming zou zijn verleend;
5) het zonder toestemming wegvoeren van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, indien deze goederen desgevraagd bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangeboden;
6) het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, dan wel het binnenbrengen van deze goederen in een vrije zone of een vrij entrepot, zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld;
7) de overdracht zonder kennisgeving aan de douanedienst van goederen die in verband met hun bijzondere bestemming een gunstige tariefbehandeling hebben gekregen, wanneer deze goederen de betrokken bestemming nog niet hebben gevolgd, op voorwaarde dat:
a) de voorraadadministratie van de overdrager melding maakt van deze overdracht;
b) de cessionaris houder is van een vergunning met betrekking tot de goederen in kwestie.”
Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen
23 Artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24) bepaalt:
„De ontvangsten uit:
a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten;
vormen eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd.”
24 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 luidt als volgt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”
25 Artikel 6, leden 1 en 2, sub a en b, van deze verordening bepaalt:
„1. Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen.
2. a) De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde sub b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding [gewoonlijk ‚boekhouding A’ genaamd] opgenomen.
b) Vastgestelde rechten die niet in de sub a bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen de sub a vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding [gewoonlijk ‚boekhouding B’ genaamd] opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.”
26 In artikel 9, lid 1, van deze verordening is bepaald:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die lidstaat aanwijst, is geopend.
Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.”
27 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1552/89 bepaalt:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 88/376 [...] geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld.
Voor de volgens artikel 6, lid 2, sub b, in een specifieke boekhouding opgenomen rechten moet de boeking echter uiterlijk geschieden op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de inning van de rechten.”
28 Artikel 11 van de verordening bepaalt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
De regeling voor de berekening van de termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltijden
29 In verordening nr. 1182/71 zijn regels gesteld die behoudens andersluidende bepalingen van toepassing zijn op de termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden die zijn bepaald bij rechtshandelingen van de Raad en de Commissie. Daar in het douanewetboek en de uitvoeringsverordening geen andersluidende bepalingen staan, zijn de bepalingen van verordening nr. 1182/71 in casu van toepassing.
De precontentieuze procedure
30 De diensten van de Commissie hebben van 10 tot en met 14 januari 1994 in Nederland een controle verricht op de procedures die in het douanedistrict Rotterdam waren gevolgd voor het communautair douanevervoer.
31 Bij brief van 6 juni 1994 heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten het naar aanleiding van die controle opgestelde verslag gezonden en hun aandacht gevraagd voor het feit dat er bij de toepassing van artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening en van de overeenkomstige daarvóór geldende bepalingen vertragingen waren vastgesteld bij het vaststellen en dus ook het ter beschikking stellen van de uit invoer voortvloeiende eigen middelen van de Gemeenschappen.
32 De Commissie wijst er in dit verband op dat artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening voorziet in een maximale termijn van elf maanden tussen het opstellen van een T1 document en het meedelen aan de aangever dat het betrokken T1 document nog niet is gezuiverd. Door hierbij de drie maanden van artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening op te tellen, kwamen de controleurs van de Commissie uit op een maximale termijn van veertien maanden tussen het opstellen van een T1 document en de verplichte inning van de betrokken rechten door de douaneautoriteiten wanneer dit document nog niet is gezuiverd. Volgens het controleverslag heeft het Rotterdamse douanedistrict zich niet aan die termijn gehouden, daar bij de controle is vastgesteld dat een groot deel van de niet-gezuiverde documenten meer dan veertien maanden oud was.
33 Bij brief van 24 februari 1995 hebben de Nederlandse autoriteiten de uitleg die de Commissie geeft aan de relevante bepalingen, betwist. Bij brief van 28 april 1995 heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat zij bij haar bezwaren bleef.
34 In die brief benadrukt de Commissie ook dat de toepasselijke communautaire regeling de lidstaten geen enkele ruimte laat om de vorenbedoelde termijn van veertien maanden te verlengen. Voorts herhaalt zij haar eerder gedane verzoek om overlegging van de gegevens betreffende te laat gezuiverde T1 documenten in het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995.
35 In hun antwoord van 30 augustus 1995 hebben de Nederlandse autoriteiten de door de Commissie gevraagde inlichtingen verstrekt. Op basis van deze inlichtingen hebben de diensten van de Commissie de rente berekend die was verschuldigd krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89. Daarbij zijn zij ervan uitgegaan dat de kennisgeving bedoeld in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening op de laatste dag van de elfde maand na het geldig maken van het betrokken T1 document was verzonden, zodat de boeking van de corresponderende douaneschuld ten laatste aan het einde van de veertiende maand na die geldigmaking had moeten plaatsvinden.
36 Bij brief van 17 december 1996, die de bijzonderheden van deze berekeningen bevat, heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten verzocht 5 323 395,06 NLG aan vertragingsrente aan haar over te maken vóór de laatste werkdag van de tweede maand volgend op de verzending van dit verzoek, dat wil zeggen vóór 23 februari 1997.
37 Bij brief van 1 oktober 1997 hebben de Nederlandse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat zij weigerden op dit verzoek in te gaan. Zij hebben daarbij gewezen op de eerder door hen ingenomen standpunten en op het feit dat de Commissie niet heeft gereageerd op de in hun brief van 30 augustus 1995 aangevoerde argumenten.
38 Bij brief van 18 februari 1999 heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten een ingebrekestelling gezonden, waarop die hebben gereageerd bij brief van 22 april 1999.
39 Op 2 februari 2000 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarop de Nederlandse autoriteiten hebben gereageerd bij brief van 28 maart 2000.
40 Daar de Commissie dit antwoord niet bevredigend vond, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
41 De eerste grief van de Commissie betreft schending van artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening, die geldt sinds 1 januari 1994, en van de overeenkomstige bepalingen die tussen 1 januari 1991 en 31 december 1993 van toepassing waren, namelijk artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1062/87, respectievelijk artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 1214/92, op grond dat het Koninkrijk der Nederlanden tussen 1 januari 1991 en 31 december 1995 niet tijdig is overgegaan tot boeking en inning van de douaneschuld in gevallen van te late zuivering van extern communautair douanevervoer.
42 Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Nederlandse autoriteiten dat zij in strijd hebben gehandeld met de artikelen 2, 9 en 10 van verordening nr. 1552/89, op grond dat zij niet tijdig de met deze douaneschuld overeenkomende eigen middelen ter beschikking van de Commissie hadden gesteld.
43 De derde grief betreft schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 wegens niet-tijdige betaling van de desbetreffende vertragingsrente.
De grief inzake schending van artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1062/87, artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 1214/92 en artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening
Argumenten van partijen
44 De Commissie stelt dat artikel 96 van het douanewetboek, alsook de artikelen 356 en 379 van de uitvoeringsverordening, een dwingend tijdpad vaststellen voor de handelingen die door de aangever en door de kantoren van vertrek en van bestemming moeten worden verricht in het kader van een extern communautair douanevervoer, met name wanneer een door een dergelijk vervoer gedekte zending niet binnen de bij de geldigmaking van de aangifte vastgestelde termijn wordt aangebracht bij het kantoor van bestemming.
45 De Commissie merkt op dat in het kader van dit tijdpad:
– de aangever verplicht is de betrokken zending ongeschonden en binnen de op het T1 document vermelde termijn aan te brengen bij het douanekantoor van bestemming [artikel 96, lid 1, sub a, van het douanewetboek en artikel 356, leden 1 en 5, van de uitvoeringsverordening];
– indien dit niet binnen deze termijn gebeurt, het douanekantoor van vertrek ingevolge artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening binnen elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte de aangever van het verzuim op de hoogte moet stellen,
en
– op de datum van deze kennisgeving een termijn van drie maanden begint te lopen, waarin de aangever nog een laatste kans heeft om bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer.
46 Dit bewijs moet volgens artikel 380 van de uitvoeringsverordening worden geleverd door middel van gewaarmerkte documenten waaruit blijkt dat de goederen hetzij bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, hetzij in een derde land ten verbruik zijn aangegeven. In de praktijk zal het doorgaans gaan om een door het kantoor van bestemming geviseerd en aan de aangever verstrekt exemplaar van het T1-document.
47 Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, moet de bevoegde lidstaat overgaan tot de inning van de rechten en andere heffingen ingevolge artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening. Deze termijn van drie maanden is volgens de Commissie niet alleen bindend voor de aangever, maar ook voor de lidstaat waaronder het douanekantoor van vertrek ressorteert.
48 Wat het tijdstip van boeking van de douaneschuld betreft, wijst de Commissie erop dat overeenkomstig artikel 217, lid 1, van het douanewetboek de lidstaten de rechten voortvloeiend uit een douaneschuld moeten berekenen en boeken zodra zij over de noodzakelijke gegevens beschikken. Ter bepaling van het tijdstip waarop de termijn voor verplichte boeking voor de lidstaten ingaat, is in artikel 218 van het douanewetboek het tijdstip gekozen waarop de betrokken lidstaat „in staat is” om én de schuldenaar aan te wijzen én het bedrag van de schuld te berekenen. De boeking moet dan plaatsvinden binnen de in de artikelen 218 en 219 van het douanewetboek gestelde termijn van twee dagen, eventueel te verlengen tot maximaal veertien dagen.
49 De Commissie merkt op dat uiterlijk op de eerste werkdag van de vijftiende maand volgend op de datum van geldigmaking van het T1-document, of zoveel eerder als het kantoor van vertrek de kennisgeving van niet-zuivering heeft gezonden, dit kantoor over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn om de betrokken belastingschuld te berekenen [artikelen 217, lid 1, en 218, lid 3, sub a, van het douanewetboek] en om de identiteit van de schuldenaar, in dit geval de aangever, vast te stellen [artikel 218, lid 3, sub b, van het douanewetboek].
50 Volgens de artikelen 218 en 219 van het douanewetboek moet de schuld binnen twee dagen worden geboekt, of onder sommige omstandigheden binnen veertien dagen, zodat de betrokken lidstaat uiterlijk op de derde, respectievelijk vijftiende dag van de vierde maand volgend op het verzenden van de kennisgeving bedoeld in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening tot boeking van de douaneschuld dient over te gaan.
51 Behoudens de mogelijke verlenging uit hoofde van artikel 219 van het douanewetboek heeft de lidstaat derhalve geen discretionaire bevoegdheid die hem in staat zou stellen om te bepalen wanneer hij dient over te gaan tot het boeken van de betrokken douaneschuld. Ingevolge artikel 221, lid 1, van het douanewetboek dient de lidstaat na de boeking trouwens onmiddellijk over te gaan tot het innen door mededeling van het bedrag van de schuld aan de schuldenaar. Deze boeking wordt logischerwijs onmiddellijk gevolgd door de inning, ook al specificeert artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening niet of dit al dan niet spoedig moet geschieden.
52 Het Koninkrijk der Nederlanden betwist de stelling dat uit de in onderling verband te lezen artikelen 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening en 218, lid 3, van het douanewetboek volgt dat een lidstaat verplicht is, de verschuldigde rechten direct te boeken binnen twee dagen na het verstrijken van de termijn van drie maanden die ingaat met het verzenden van de kennisgeving van niet-zuivering. De termijn van drie maanden bedoeld in artikel 379, lid 2, is een proceduretermijn en geen bindende termijn. De door de Commissie verdedigde tegengestelde opvatting is in strijd met de bewoordingen van de betrokken bepalingen, eerbiedigt de rechten van de justitiabelen niet en stuit op onoverkomelijke praktische moeilijkheden.
53 In de eerste plaats merkt de Nederlandse regering met betrekking tot de bewoordingen van de betrokken bepalingen op dat volgens artikel 218, lid 3, van het douanewetboek de termijn van twee dagen pas ingaat als de douaneautoriteiten „in staat zijn het bedrag te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen”, hetgeen meer omvat dan het louter beschikken over de gegevens. Uit het feit dat in de praktijk vaak vrijwel direct na het verstrijken van de termijn van drie maanden kán worden geboekt, kan niet worden afgeleid dat het verstrijken van deze termijn principieel als startpunt voor de termijn van twee dagen moet gaan gelden.
54 Ook artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening geeft uitsluitend aan dat de „bevoegde lidstaat overgaat tot inning” van het verschuldigde bedrag aan rechten. Deze woorden hebben niet dezelfde betekenis als het „boeken” door de „douaneautoriteiten” in artikel 218, lid 3, van het douanewetboek. Het betreft hier twee verschillende bepalingen met twee verschillende adressaten en de termijn van laatstgenoemd artikel kan dan ook niet klakkeloos worden overgeplant naar artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening.
55 Wat in de tweede plaats de vereisten inzake de eerbiediging van de rechten van de justitiabelen betreft, stelt de Nederlandse regering dat uit artikel 379 van de uitvoeringsverordening volgt dat de douaneautoriteiten pas na afloop van de termijn van drie maanden of, in voorkomend geval, eerder voorzover het desbetreffende bewijs is geleverd, kunnen beoordelen of de regeling communautair douanevervoer regelmatig is beëindigd, waar een eventuele onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, of er al dan niet een douaneschuld is ontstaan en welke lidstaat tot inning bevoegd is. Anders gezegd, pas na bestudering van het door de aangever aangedragen bewijsmateriaal beschikken de douaneautoriteiten over „de nodige gegevens” in de zin van artikel 217 van het douanewetboek om de douaneschuld te kunnen berekenen en boeken. Een beoordeling die binnen twee dagen dient plaats te vinden, inclusief het berekenen van het bedrag aan rechten, zou geen recht doen aan de vereiste zorgvuldigheid en dus inbreuk maken op de rechten van de justitiabelen.
56 Een systeem waarbij de douaneautoriteiten overgaan tot het onmiddellijk boeken van het bedrag aan rechten, om dit bedrag vervolgens weer terug te geven indien blijkt dat de aangever toch het bewijs van een regelmatig douanevervoer heeft geleverd, zou een onacceptabele belasting voor de aangever betekenen, te meer nu blijkt dat in het overgrote deel van de gevallen het niet de aangevers zijn die schuldig zijn aan de vermoede onregelmatigheid in het douanevervoer, maar de douaneautoriteiten van het kantoor van bestemming dan wel de begunstigden van de lading.
57 In de derde plaats stelt de Nederlandse regering dat het onmogelijk is de betrokken termijnen te halen, daar de zuivering een massaal proces is en het binnen een termijn van twee dagen niet mogelijk is al het bewijsmateriaal betrekking hebbend op alle documenten te beoordelen en vervolgens de belastingschuldige aan te wijzen en het „bedrag aan rechten” vast te stellen. In de praktijk worden stukken van uiteenlopende aard aangeboden. Bijgevolg kan het vaststellen óf er een douaneschuld is ontstaan, het eventuele doorzenden van het dossier naar de bevoegde lidstaat, het vaststellen wie de belastingschuldige is, het berekenen van het „bedrag aan rechten voortvloeiend uit de douaneschuld” en tot slot het zenden van een uitnodiging tot betaling, niet binnen twee dagen afgehandeld worden.
Beoordeling door het Hof
58 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Nederlandse regering niet de feiten betwist die de Commissie heeft vastgesteld met betrekking tot de douaneschulden die zijn ontstaan als gevolg van onder de regeling extern communautair douanevervoer begane onregelmatigheden, welke douaneschulden in het tijdvak waarop het beroep betrekking heeft, 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995, niet door de Nederlandse douaneautoriteiten zijn geïnd binnen de in artikel 218 van het douanewetboek gestelde termijn van twee dagen na het verstrijken van de in artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening en de voorheen toepasselijke overeenkomstige bepalingen gestelde termijn van drie maanden. Anders dan de Commissie, is de Nederlandse regering evenwel van mening dat zij, door de inning eerst enkele maanden na het verstrijken van deze termijn van drie maanden aan te vangen, niet in strijd heeft gehandeld met de voor haar uit het communautaire douanerecht voortvloeiende verplichtingen.
59 In dit verband moet worden opgemerkt dat ingevolge artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk meedeelt aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
60 Weliswaar heeft het Hof in het arrest van 14 november 2002, SPKR (C‑112/01, Jurispr. blz. I‑10655, punt 40), geoordeeld dat de overschrijding van de termijn van elf maanden op zich niet de invordering van de douaneschuld bij de aangever belet, maar het heeft in punt 34 van dat arrest ook opgemerkt dat deze termijn geldt voor de administratieve autoriteiten en tot doel heeft te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door deze autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap. Derhalve heeft, zoals de Nederlandse regering overigens erkent, de inachtneming van deze termijn van elf maanden weliswaar geen gevolgen voor de opeisbaarheid van de douaneschuld, maar heeft zij voor de lidstaten wel een bindend karakter, gelet op hun communautaire verplichtingen met betrekking tot de terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
61 Voorts wordt overeenkomstig artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening in de in lid 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs kan worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, „gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning” van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen.
62 In de punten 24 en 25 van het arrest van 20 januari 2005, Honeywell Aerospace (C‑300/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Hof geoordeeld dat uit de tekst van de artikelen 378, lid 1, en 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening volgt dat de kennisgeving, door het kantoor van vertrek aan de aangever, van de termijn waarbinnen het gevraagde bewijs kan worden geleverd, verplicht is en moet voorafgaan aan de inning van de douaneschuld. Deze termijn beoogt de belangen van de aangever te beschermen door hem een termijn van drie maanden te verlenen om in voorkomend geval het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Derhalve kan de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, de invoerrechten slechts innen wanneer hij de aangever erop heeft gewezen dat hij over drie maanden beschikt om het gevraagde bewijs te leveren en wanneer dat bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.
63 Uit het voorgaande volgt dat indien, zoals in casu, de in geding zijnde zendingen niet aan het kantoor van bestemming zijn aangeboden en de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, niet kan worden vastgesteld, het kantoor van vertrek dit in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap zo spoedig mogelijk dient mee te delen aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer. In deze kennisgeving moet de aangever worden meegedeeld dat hij beschikt over een termijn van drie maanden waarbinnen bij het kantoor van vertrek ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs kan worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, „gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning” van de douaneschuld.
64 Dit is de context waarin artikel 217, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, door de douaneautoriteiten dient te worden „berekend” zodra zij „over de nodige gegevens beschikken” en „door deze autoriteiten in de boekhouding [...] dient te worden geregistreerd”.
65 Volgens artikel 218, lid 3, van het douanewetboek dient het „overeenkomstige bedrag aan rechten” te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten „in staat zijn het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen en de douaneschuldenaar aan te wijzen”. Op grond van artikel 219 van het douanewetboek kan deze termijn worden verlengd tot maximaal veertien dagen, hetzij om redenen die verband houden met de administratieve organisatie van de lidstaten, hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven. Ingevolge artikel 221, lid 1, van het douanewetboek dient het bedrag van de rechten „onmiddellijk na de boeking [...] aan de schuldenaar te worden medegedeeld”.
66 In het kader van het onderhavige beroep verwijt de Commissie de Nederlandse douaneautoriteiten in wezen dat zij niet binnen twee dagen na het verstrijken van de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening gestelde termijn van drie maanden tot inning van de douaneschuld zijn overgegaan. Meer bepaald verwijt zij hun, niet te zijn overgegaan tot boeking van het overeenkomstige bedrag aan rechten overeenkomstig artikel 218, lid 3, van het douanewetboek, noch tot mededeling van het bedrag aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 221, lid 1, van het douanewetboek.
67 De Nederlandse regering daarentegen stelt dat de lidstaten niet verplicht zijn om onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn van elf maanden bedoeld in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, over te gaan tot de inning van de douaneschuld. Deze laatste termijn kan volgens haar niet worden opgevat als een bindende termijn.
68 Deze stelling dient te worden verworpen.
69 Zoals de Commissie terecht betoogt, volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening dat de lidstaten verplicht zijn om tot inning over te gaan bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn van drie maanden. Deze uitlegging is tevens noodzakelijk om te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
70 Ook is deze uitlegging niet onverenigbaar met artikel 221, lid 3, van het douanewetboek, dat mededeling van het bedrag van de te betalen rechten toestaat tot drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Deze bepaling is immers speciaal bedoeld om de rechtszekerheid te garanderen door een maximumtermijn te stellen voor de mededeling van het bedrag van de douaneschuld aan de schuldenaar. Deze bepaling doet echter niet af aan de verplichtingen ten opzichte van de Gemeenschap die voor het overige voor de douaneautoriteiten uit de bepalingen van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening voortvloeien teneinde een snelle en eenvormige toepassing van de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld te verzekeren in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
71 Overeenkomstig de artikelen 217, lid 1, 218, lid 3, en 219 van het douanewetboek moet de boeking van het bedrag overeenkomend met douaneschulden als de in geding zijnde, plaatsvinden binnen twee dagen, eventueel te verlengen tot maximaal veertien dagen. Voorts moet de mededeling van het met die schulden overeenkomende bedrag aan de debiteur volgens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek plaatsvinden onmiddellijk na de boeking. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten over de noodzakelijke gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag van de schuld te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen. Anders dan de Nederlandse regering betoogt, is dit ten laatste het geval bij het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening.
72 Wat allereerst de vaststelling van het bestaan van een douaneschuld betreft, moet worden opgemerkt dat wanneer, zoals in de gevallen waarop dit beroep betrekking heeft, de zendingen onder extern communautair douanevervoer niet binnen de door het kantoor van vertrek gestelde termijn aan het kantoor van bestemming zijn aangeboden, de douaneschuld wordt geacht te zijn ontstaan en de aangever wordt verondersteld daarvan de debiteur te zijn. In een dergelijk geval, en wanneer de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan niet kan worden vastgesteld, moet het kantoor van vertrek overeenkomstig artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening daarvan aan de aangever mededeling doen vóór het verstrijken van een termijn van elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
73 Ingevolge artikel 379, lid 2, eerste en tweede volzin, moet deze kennisgeving de termijn van drie maanden vermelden waarover de aangever beschikt om de regelmatigheid van het douanevervoer te bewijzen. Zoals is opgemerkt in punt 62 van dit arrest, kunnen de bevoegde douaneautoriteiten de schuld slechts innen wanneer zij de aangever erop hebben gewezen dat hij over drie maanden beschikt om het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer te leveren, en dat bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.
74 Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, is er evenwel geen reden om te concluderen dat de beoordeling van de voor de regelmatigheid van het douanevervoer overgelegde bewijzen, die in artikel 380 van de uitvoeringsverordening niet-uitputtend zijn opgesomd, zelfs al zouden zij op de laatste dag van eerdergenoemde termijn van drie maanden zijn overgelegd, een uitzondering op het bepaalde in de artikelen 218 en 219 van het douanewetboek rechtvaardigt voor de boeking van de bedragen van de rechten en de mededeling daarvan aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 221, lid 1, van het douanewetboek.
75 Wat vervolgens de vaststelling van de schuldenaar van de douaneschuld betreft, moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 379, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening na afloop van deze termijn van drie maanden de aangever wordt beschouwd als degene die belastingplichtig is voor de douaneschuld, ongeacht de mogelijkheid om anderen aansprakelijk te stellen, waarvoor volgens de Nederlandse regering meer tijd nodig is. Uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van drie maanden zijn de douaneautoriteiten derhalve duidelijk in staat, de aangever aan te wijzen als schuldenaar van de douaneschuld.
76 Wat voorts de vaststelling van het bedrag van de rechten betreft, moet erop worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 62 van haar conclusie heeft uiteengezet, zelfs al kan men van het kantoor van vertrek niet verlangen dat het het bedrag van de met de douaneschuld overeenkomende rechten bij invoer stelselmatig voor elk vervoer berekent zodra de aangifte van douanevervoer wordt gedaan, op welk moment dit kantoor in beginsel beschikt over de voor berekening van die rechten noodzakelijke gegevens, er hoe dan ook niets aan in de weg staat dat die berekening wordt gemaakt zodra aan de aangever wordt meegedeeld dat hij drie maanden tijd heeft om het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer te leveren, dat wil zeggen uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van elf maanden bedoeld in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
77 Wat ten slotte het bepalen van de douaneautoriteiten betreft die bevoegd zijn om tot inning van de douaneschuld over te gaan, bevat artikel 378, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening een vermoeden van bevoegdheid van de lidstaat van het kantoor van vertrek. Binnen de in artikel 379, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van drie maanden kan het bewijs dat de overtreding in een andere staat is begaan, door de aangever worden geleverd. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is er geen aanleiding voor de conclusie dat de beoordeling van de daartoe overgelegde documenten, al zouden die op de laatste dag van de termijn van drie maanden worden overgelegd, niet kan plaatsvinden met inachtneming van de termijn van twee dagen na het einde van de termijn van drie maanden, welke in voldoende gemotiveerde bijzondere gevallen nog met twaalf dagen kan worden verlengd tot maximaal veertien dagen.
78 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het betoog van de Nederlandse regering dat de termijn van drie maanden slechts een indicatieve termijn is en dat de inningsprocedure niet per se bij het verstrijken van deze termijn behoeft te worden ingeleid op grond dat de bevoegde douaneautoriteiten bij het verstrijken van deze termijn feitelijk niet in staat zouden zijn om de procedure tot inning van de douaneschuld onmiddellijk aan te vangen, dient te worden verworpen.
79 Ten slotte brengt, anders dan de Nederlandse regering stelt, de kennisgeving van het bedrag van de schuld aan de aangever onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van drie maanden geen onevenredig zware belasting mee voor de aangever. Indien immers later blijkt dat het communautair douanevervoer regelmatig en binnen de gestelde termijnen is verlopen of te laat is beëindigd zonder verdere onregelmatigheden, kan de aangever terugbetaling van de betaalde bedragen verkrijgen, hetgeen sinds de vaststelling van het douanewetboek uitdrukkelijk is geregeld in artikel 236, lid 1, daarvan, wanneer is aangetoond dat, overeenkomstig artikel 204, lid 1, van het douanewetboek juncto artikel 859 van de uitvoeringsverordening, dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling.
80 De eerste grief moet dan ook gegrond worden verklaard, zowel gelet op de bepalingen van het douanewetboek en van de uitvoeringsverordening, als op die van de in wezen identieke regelingen die voordien in het tijdvak waarop het beroep betrekking heeft, van toepassing waren.
De grief inzake schending van de artikelen 2, 9 en 10 van verordening nr. 1552/89
Argumenten van partijen
81 Volgens de Commissie is deze grief een onvermijdelijke consequentie van de in het kader van de eerste grief beschreven inbreuk. De artikelen 9 en 10 van verordening nr. 1552/89 stellen termijnen waarbinnen de op grond van artikel 2 van deze verordening vastgestelde eigen middelen ter beschikking van de Commissie worden gesteld door deze middelen te boeken op het credit van de rekening welke door de lidstaten op naam van de Commissie is geopend.
82 Zij merkt dienaangaande op dat volgens artikel 2 van verordening nr. 1552/89 de vaststelling van het recht van de Gemeenschap op eigen middelen plaatsvindt zodra de desbetreffende debiteur door de betrokken lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag, terwijl deze kennisgeving in beginsel geschiedt zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend. Deze voorwaarden zijn identiek aan die welke artikel 217 van het douanewetboek stelt voor de boeking van een douaneschuld, ook al spreekt dit artikel niet van „vaststelling” maar van „boeking”. Door de boeking is immers het bestaan van een douaneschuld vastgesteld die, doordat zij deels eigen middelen betreft, toepasselijkheid van verordening nr. 1552/89 meebrengt.
83 De boeking van de douaneschuld impliceert dus ook automatisch de vaststelling van de desbetreffende eigen middelen. Een te late boeking leidt aldus automatisch tot een te late vaststelling, die weer onvermijdelijk tot een te late terbeschikkingstelling leidt. Door de in geding zijnde eigen middelen ten onrechte te laat vast te stellen, heeft het Koninkrijk der Nederlanden die middelen dus ook te laat ter beschikking van de Commissie gesteld.
84 Het Koninkrijk der Nederlanden merkt op dat bij gebreke van te late boeking van een douaneschuld ook niet kan worden gesproken van te late terbeschikkingstelling van eigen middelen aan de Commissie. Niet alle gegevens waren bekend ten tijde van het verstrijken van de termijn van drie maanden, zodat er geen boekingsplicht op grond van artikel 218 van het douanewetboek kon bestaan en dus ook geen verplichting om een kennisgeving aan de belastingplichtige te sturen. Er was dus ook geen sprake van de vaststelling van een recht op eigen middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1552/89, zodat er geen terbeschikkingstelling aan de Commissie behoefde plaats te vinden binnen twee dagen na het verstrijken van de termijn van drie maanden in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1552/89.
Beoordeling door het Hof
85 De met de artikelen 221, lid 1, en 218, lid 3, van het douanewetboek strijdige te late kennisgeving van het bedrag van de overeenkomstige rechten, zoals die bij het onderzoek van de eerste grief is gebleken, betekent noodzakelijkerwijs een vertraging in de vaststelling van het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1552/89. Overeenkomstig deze bepaling wordt dit recht immers vastgesteld „zodra” de belastingschuldige door de bevoegde dienst in kennis is gesteld van het verschuldigde bedrag, welke kennisgeving moet plaatsvinden zodra de belastingschuldige bekend is, en het bedrag van het recht door de ter zake bevoegde douaneautoriteiten kan worden berekend met inachtneming van de toepasselijke communautaire bepalingen, in casu het douanewetboek en de uitvoeringsverordening.
86 Ingevolge artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1552/89 boekt iedere lidstaat op de in artikel 10 van die verordening aangegeven wijze de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe is geopend op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die lidstaat heeft aangewezen. Volgens lid 1, eerste alinea, van laatstgenoemd artikel geschiedt de boeking van de eigen middelen uiterlijk op de eerste werkdag na de negentiende dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1552/89 is vastgesteld.
87 Er zij op gewezen dat het Koninkrijk der Nederlanden niet het bedrag betwist van de desbetreffende eigen middelen die volgens de Commissie als gevolg van de vertraging in de procedure tot inning van de douaneschuld te laat zijn geboekt op het credit van de rekening welke daartoe is geopend op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat het heeft aangewezen.
88 In deze omstandigheden is ook de tweede grief gegrond.
De grief inzake schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89
Argumenten van partijen
89 De Commissie stelt dat eveneens in strijd is gehandeld met artikel 11 van verordening nr. 1552/89, volgens hetwelk te late boeking op haar rekening door de lidstaten, verplicht tot het betalen van vertragingsrente, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het in geding zijnde tijdvak heeft nagelaten om haar de over de hoofdschuld verschuldigde vertragingsrente ter beschikking te stellen.
90 Het Koninkrijk der Nederlanden stelt dat, aangezien er geen sprake is van te late terbeschikkingstelling van eigen middelen als gevolg van te late boeking van de douaneschuld in de zin van het douanewetboek of de uitvoeringsverordening, er geen rente verschuldigd is op grond van artikel 11 van verordening nr. 1552/89.
Beoordeling door het Hof
91 Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van die verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie (zie met name arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 38, en 12 juni 2003, Commissie/Italië, C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punt 44).
92 Derhalve geeft de in het kader van de tweede grief geconstateerde te late boeking van de eigen middelen op de rekening van de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89 recht op vertragingsrente, waarvan het Koninkrijk der Nederlanden noch de hoogte betwist, noch het feit dat zij niet is betaald.
93 De derde grief is derhalve eveneens gegrond.
94 Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het Koninkrijk der Nederlanden tussen 1 januari 1991 en 31 december 1995, door
– niet uiterlijk op de derde dag na de termijn gesteld in respectievelijk de artikelen 3, lid 3, en 6, lid 1, van verordening nr. 1854/89 en de artikelen 218, lid 3, en 221, lid 1, van het douanewetboek, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening nr. 1182/71, over te gaan tot boeking van de douaneschuld en overige rechten, wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na verzending van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer,
– de hiermee verband houdende eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie te stellen, en
– te weigeren de daarmee verband houdende vertragingsrente te betalen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1062/87, artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 1214/92, en artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 2454/93, alsmede de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89.
Kosten
95 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het, overeenkomstig de vordering van de Commissie, te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door tussen 1 januari 1991 en 31 december 1995
– niet uiterlijk op de derde dag na de termijn gesteld in respectievelijk de artikelen 3, lid 3, en 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in‑ of bij uitvoer, en de artikelen 218, lid 3, en 221, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, of zoveel later als voortvloeit uit toepassing van verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels, die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs‑ en vervaltermijnen, over te gaan tot boeking van de douaneschuld en overige rechten, wanneer de aangever van een extern communautair douanevervoer niet binnen drie maanden na verzending van de kennisgeving door het douanekantoor van vertrek dat de zending niet tijdig is aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, het bewijs heeft geleverd van de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer,
– de hiermee verband houdende eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie te stellen, en
– te weigeren de daarmee verband houdende vertragingsrente te betalen,
is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 11 bis, lid 2, tweede alinea, tweede volzin, van verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2560/92 van de Commissie van 2 september 1992, artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3712/92 van de Commissie van 21 december 1992, en artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, alsmede de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy