Zaak C-467/01
Ministero delle Finanze
tegen
Eribrand SpA, voorheen Eurico Italia SpA
(verzoek van de Corte d'appello di Genova om een prejudiciële beslissing)
«Restituties bij uitvoer – Artikelen 47 en 48 van verordening (EEG) nr. 3665/87 – Toestaan van bijkomende termijnen»
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 14 januari 2003 I - 0000 Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 19 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Restituties bij uitvoer – Overlegging van bewijsstukken – Overschrijding van voorgeschreven termijn – Toestaan van bijkomende termijnen – Duur ervan valt onder beoordelingsvrijheid van nationale autoriteiten
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 47, lid 4, en 48, lid 2)
2.. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Restituties bij uitvoer – Overlegging van bewijsstukken – Overschrijding van voorgeschreven termijn – Bevoegdheid van lidstaten om bijkomende termijnen toe te staan – Recht van marktdeelnemer op beroep in rechte tegen afwijzende beslissing – Toepassing van nationaal recht – Grenzen
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 47, lid 4)
1. Aangezien verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1829/94, geen beperking stelt aan de duur van de bijkomende termijnen die krachtens artikel 47, lid 4, van deze verordening aan de exporteur kunnen worden toegestaan voor de overlegging van documenten betreffende de uitvoerverrichting, staat het aan de bevoegde nationale autoriteiten om de duur van deze termijnen vast te stellen naar gelang van de specifieke omstandigheden van elk geval, inzonderheid rekening houdend met de inspanningen van de exporteur die om een bijkomende termijn verzoekt, de aard van de objectieve moeilijkheden waarmee deze wordt geconfronteerd, en de periode die redelijkerwijs nodig is om deze moeilijkheden te overwinnen. cf. punt 48, dictum 1
2. Artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1829/94, geeft de exporteur geen recht op een bijkomende termijn van een bepaalde duur voor de overlegging van documenten betreffende de uitvoerverrichting, waarop hij rechtstreeks voor de nationale rechter aanspraak zou kunnen maken. Niettemin mag de uitoefening van een aan de bevoegde nationale autoriteiten verleende beoordelingsbevoegdheid om bijkomende termijnen toe te staan niet de grenzen overschrijden die volgen uit het doel van deze bepaling. Het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vereist echter dat de exporteur de mogelijkheid heeft van een beroep in rechte tegen de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten krachtens artikel 47, lid 4, van de reeds aangehaalde verordening, waarbij hem bijkomende termijnen zijn geweigerd. Het staat aan de rechtsorde van elke lidstaat om onder eerbiediging van de beginselen van doeltreffendheid en van gelijkwaardigheid zoals omschreven door het gemeenschapsrecht, de voorwaarden en modaliteiten van dat beroep in rechte bepalen. cf. punten 58, 60, 63, dictum 2
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
19 juni 2003 (1)
„Restituties bij uitvoer – Artikelen 47 en 48 van verordening (EEG) nr. 3665/87 – Toekenning van bijkomende termijnen”
In zaak C-467/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Corte d'appello di Genova (Italië), in het aldaar aanhangige geding tussen
Ministero delle Finanze,
en
Eribrand SpA, voorheen Eurico Italia SpA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 47 en 48 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/94 van de Commissie van 26 juli 1994 (PB L 191, blz. 5),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
─ Eribrand SpA, vertegenwoordigd door S. Turci en M. Turci, avvocati,
─ de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Colomb als gemachtigden,
─ de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Niejahr en A. Aresu als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 15 november 2001, ingekomen bij het Hof op 6 december daaraanvolgend, heeft de Corte d'appello di Genova krachtens artikel 234 EG vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 47 en 48 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1829/94 van de Commissie van 26 juli 1994 (PB L 191, blz. 5; hierna: verordening nr. 3665/87).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Ministero delle Finanze (Italiaanse ministerie van Financiën) en Eribrand SpA (hierna: Eribrand), voorheen Eurico Italia SpA, over de uitbetaling van restituties overeenkomstig verordening nr. 3665/87 voor de uitvoer door deze vennootschap in 1995 van drie partijen rijst naar Israël.
Toepasselijke bepalingen
3 Verordening nr. 3665/87 is op 1 januari 1988 in werking getreden en is verschillende keren gewijzigd totdat zij is ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11). Deze laatste verordening is op 24 april 1999 in werking getreden en is vanaf 1 juli 1999 van toepassing. Krachtens artikel 54, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 800/1999 blijft verordening nr. 3665/87 evenwel van toepassing op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer vóór 1 juli 1999 is aanvaard.
4 Overeenkomstig artikel 1 gold verordening nr. 3665/87 onder meer voor de uitvoer van rijst.
5 Artikel 47 van verordening nr. 3665/87 bepaalde:
1. De restitutie wordt slechts op uitdrukkelijk verzoek van de exporteur betaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
[...]
2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
[...]
4. Wanneer de op grond van artikel 18 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.
5. Het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet vergezeld van bewijsstukken, en het in lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen, moeten binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend.
[...]
6 Artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87 luidde als volgt: Wanneer het bewijs dat aan alle in de communautaire regeling vervatte vereisten is voldaan, binnen zes maanden na de in artikel 47, leden 2, 4 en 5, bedoelde termijnen wordt geleverd, is het te betalen restitutiebedrag gelijk aan 85 % van de restitutie die zou zijn betaald indien aan alle vereisten was voldaan.
7 Artikel 18 van verordening nr. 3665/87, genoemd in artikel 47, lid 4, daarvan, preciseerde aan de hand van welke documenten het bewijs moest worden geleverd dat de formaliteiten voor invoer tot verbruik van landbouwproducten in het betrokken derde land zijn vervuld. Deze bepaling is verschillende keren gewijzigd om verkrijging door de exporteur van de bewijzen voor invoer tot verbruik in een derde land te vereenvoudigen.
8 Artikel 22, lid 1, van die verordening bepaalde: Zodra de aangifte ten uitvoer is aanvaard, schieten de lidstaten op verzoek van de exporteur het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk voor, op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, verhoogd met 15 %.De lidstaten kunnen bepalen onder welke voorwaarden om vooruitbetaling van een deel van de restitutie kan worden verzocht.
9 Artikel 23, lid 1, van diezelfde verordening luidde: Wanneer het voorschot hoger is dan het werkelijk voor de betrokken uitvoer of voor een equivalente uitvoer verschuldigde bedrag, betaalt de exporteur het verschil tussen deze beide bedragen terug, verhoogd met 15 % van dat verschil.Wanneer evenwel als gevolg van overmacht:
─ de overeenkomstig deze verordening vereiste bewijzen om voor de restitutie in aanmerking te komen, niet kunnen worden geleverd,
of
─ het product op een andere bestemming komt dan die waarvoor het voorschot is berekend,
wordt geen betaling van het door de 15 % verhoging gevormde bedrag gevorderd.
10 Voorts was de voorlaatste overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 als volgt geformuleerd: Overwegende dat om redenen van goed administratief beheer dient te worden geëist, dat het verzoek en alle andere, voor de uitbetaling van de restitutie nodige documenten binnen een redelijke termijn worden ingediend, behalve in geval van overmacht, met name indien deze termijn niet in acht kan worden genomen ingevolge niet aan belanghebbende te wijten ambtelijke vertraging.
11 Gepreciseerd dient te worden dat de artikelen 49 en 50 van verordening nr. 800/1999 voor het grootste gedeelte de inhoud van de artikelen 47 en 48 van verordening nr. 3665/87 overnemen zonder daarin wezenlijke wijzigingen aan te brengen. Artikel 49, lid 5, van verordening nr. 800/1999 dat overeenkomt met artikel 47, lid 5, van verordening nr. 3665/87 preciseert: Indien deze aanvragen evenwel worden ingediend binnen zes maanden na deze termijn, is het bepaalde in artikel 50, lid 2, eerste alinea, van toepassing.
12 Artikel 50, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 800/1999 komt overeen met artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
13 In de maanden maart en april 1995 heeft Eribrand drie partijen rijst naar Israël uitgevoerd, welke in de haven van Ravenna (Italië) op schepen zijn geladen met als bestemming de haven van Haïfa (Israël).
14 In juli 1995 betaalde de Italiaanse overheid Eribrand ongeveer 33 miljoen ITL als voorschot op het bedrag van de restituties bij uitvoer waarom zij had verzocht.
15 Hoewel Eribrand de Israëlische verkrijger herhaaldelijk daarom had verzocht, liet hij na haar het douanecertificaat van inklaring te zenden dat nodig is als bewijs voor de invoer tot verbruik van de waar in Israël. Eribrand zag in dat zij niet in staat zou zijn de in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 vastgestelde termijn van twaalf maanden voor het overleggen van deze documenten te eerbiedigen, en heeft daarom op 6 maart 1996 bij het Ministero delle Finanze twee verzoeken om bijkomende termijnen ingediend. Deze verzoeken zijn tijdig ingediend, dat wil zeggen binnen de termijn van artikel 47, lid 5, van die verordening.
16 Bij brieven van 19 oktober 1996 heeft het Ministero delle Finanze deze verzoeken afgewezen. Het merkte enerzijds op dat Eribrand, toen zij om bijkomende termijnen verzocht, nog over zes maanden beschikte om de ontbrekende documenten over te leggen. Het stelde anderzijds vast dat deze documenten nog steeds niet waren overgelegd en dat de maximale termijnen van de artikelen 47, lid 2, en 48, lid 2, van verordening nr. 3665/87 ondertussen waren verstreken. Bijgevolg was het Ministero delle Finanze van oordeel dat de verzoeken om betaling van de restituties bij uitvoer niet konden worden toegewezen.
17 Op 18 december 1996 heeft het Eribrand voorts verzocht het aan haar uitbetaalde voorschot terug te betalen. Aangezien de daarna ingestelde beroepen van deze vennootschap op 16 september 1997 werden verworpen, heeft zij het geëiste bedrag inderdaad terugbetaald, te weten het ontvangen bedrag verhoogd met 15 %.
18 Pas nadat Eribrand door tussenkomst van de Italiaanse ambassade in Israël en het plaatselijke bureau van het Istituto per il Commercio Estero (instituut voor buitenlandse handel; hierna: ICE) actie had ondernomen, en nadat zij de zaak aan Italiaanse advocaten, bijgestaan door Israëlische advocaten, had toevertrouwd, slaagde zij erin de douanecertificaten van inklaring te verkrijgen. Op 3 december 1997 heeft zij deze aan het Ministero delle Finanze overgelegd.
19 Op 4 december 1997 stelde Eribrand beroep in bij het Tribunale di Genova (Italië) en vorderde zij veroordeling van het Ministero delle Finanze om haar een bedrag van ongeveer 103 miljoen ITL te betalen ter zake van restituties bij uitvoer die haar verschuldigd zouden zijn.
20 Bij vonnis van 3 februari 2000 verwierp het Tribunale di Genova de door het Ministero delle Finanze opgeworpen exceptie van materiële en territoriale onbevoegdheid en wees het op basis van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 het verzoek van Eribrand toe. Het oordeelde dat de onderneming haar recht heeft doen gelden op heropening van de termijnen voor indiening van het document betreffende de vrijgave voor het verkeer, dat zij niet heeft kunnen indienen binnen de termijn van twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, hoewel zij zich de nodige moeite had gegeven om dat document te verkrijgen (wat in casu is bewezen omdat Eurico al het mogelijk heeft gedaan door tussenkomst te vragen van de diplomatieke vertegenwoordiging en van het ICE, om van de Israëlische douane een vervangend document te verkrijgen).
21 Het Ministero delle Finanze heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Corte d'appello di Genova.
22 Volgens de verwijzingsbeschikking betwist het Ministero delle Finanze, wat het hoofdgeding ten gronde betreft, de uitlegging van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 door het Tribunale di Genova. Het betoogt dat de bijkomende termijn die krachtens deze bepaling kan worden toegekend, tot slechts zes maanden is beperkt, omdat de maximale termijn voor de overlegging van de door de gemeenschapsregeling vereiste documenten in geen geval langer dan 18 maanden kan zijn. Dit blijkt uit artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87, dat bepaalt dat wanneer de noodzakelijke bewijzen binnen zes maanden na de in artikel 47, leden 2, 4 en 5, van deze verordening bedoelde termijnen worden geleverd, het te betalen restitutiebedrag gelijk is aan 85 % van de restitutie die zou zijn betaald indien aan alle vereisten was voldaan. Het Ministero merkt op dat het dossier voor de betaling van de restituties door Eribrand pas ongeveer 32 maanden na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer is aangevuld.
23 Eribrand betoogt dat de door de Italiaanse overheid verdedigde uitlegging de exporteur wie geen verwijt treft het recht ontneemt op restituties indien de belemmering voor de verkrijging van de door de communautaire regeling vereiste documenten langer blijft bestaan dan de termijn van zes maanden die kan worden verleend. Volgens haar kan uit artikel 48 van verordening nr. 3665/87 niet worden afgeleid dat voor de in artikel 47, lid 4, daarvan voorziene toekenning van bijkomende termijnen een maximale duur geldt noch dat de totale duur van de termijnen om bedoelde documenten over te leggen niet langer mag zijn dan 18 maanden.
24 De Corte d'appello di Genova heeft, gelet op de door partijen voor haar aangevoerde argumenten en het belang van de uitlegging van de gemeenschapsregeling voor de beslechting van het bij haar aanhangige geschil, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
1) Moet ─ op grond van het bepaalde in de artikelen 47, lid 4, en 48 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten ─ worden aangenomen dat:
a) de bijkomende termijnen die aan de exporteur kunnen worden toegestaan in geen geval de maximale duur van 18 maanden kunnen overschrijden, dan wel
b) de vermindering met 15 % alleen geldt voor het geval van overschrijding met meer dan zes maanden van de gewone termijn en van de eventueel aan de exporteur toegestane bijkomende termijn?
2) Indien de uitlegging sub b in de voorgaande vraag juist is, bestaan er dan op grond van de twee genoemde artikelen maximale tijdslimieten ─ gelet op de verschillende factoren, waaronder de in de motivering van deze beschikking genoemde factoren die in gemeenschapsrechtelijk opzicht van belang kunnen zijn ─ waarbinnen bijkomende termijnen kunnen worden toegestaan?
3) Indien de uitlegging sub b in de eerste vraag juist is, welke zijn dan de maximale tijdslimieten en welke zijn bijgevolg de bijkomende termijnen op grond van de twee hiervoor genoemde bepalingen?
4) Indien de uitlegging sub b in de eerste vraag juist is, kan dan de particulier op grond van de twee hiervoor genoemde artikelen een juridisch beschermde aanspraak geldend maken op vaststelling van bijkomende termijnen van een bepaalde duur (die gelet op de moeilijkheden om zich de vereiste documenten te verschaffen als redelijk wordt beschouwd)?
5) Indien de uitlegging sub b in de eerste vraag juist is, kan dan de nationale rechter op grond van de twee hiervoor genoemde artikelen ─ in het geval de overheid geen bijkomende termijn heeft toegestaan ─ het recht van de exporteur (die de nodige moeite heeft gedaan om zich de documenten te verschaffen en deze binnen de termijn van 12 maanden als bedoeld in artikel 47, lid 2, van die verordening over te leggen) op bijkomende termijnen erkennen en de duur daarvan bepalen naar gelang van de tijd die metterdaad gemoeid was met het verkrijgen en overleggen van de vereiste documenten?
De eerste drie vragen
25 Met de eerste drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of voor de bijkomende termijnen die kunnen worden toegekend krachtens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87, gelet op de artikelen 47 en 48 daarvan, maximale tijdslimieten gelden en zo ja, welke deze limieten zijn, dan wel of ook na het verstrijken van de totale termijn van 18 maanden dergelijke bijkomende termijnen kunnen worden toegekend voor de overlegging van documenten ten bewijze dat aan de douaneformaliteiten voor de invoer tot verbruik is voldaan.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
26 Eribrand, de Franse regering en de Commissie, die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, zijn van mening dat wat de overlegging van in artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 bedoelde documenten betreft, in dit artikel geen enkele tijdslimiet is gesteld aan de duur van de bijkomende termijnen die krachtens deze bepaling aan de exporteur kunnen worden toegekend. Het staat aan de nationale overheden om de duur van deze bijkomende termijnen vast te stellen naar gelang van de specifieke behoeften van elke exporteur. Hiervoor moet de overheid onder meer rekening houden met de inspanningen van de exporteur die om de bijkomende termijn verzoekt, de rechtvaardigingsgronden die hij tot staving van zijn verzoek aanvoert, en de periode die redelijkerwijs nodig is om de door hem aangevoerde moeilijkheden te overwinnen.
27 Eribrand maakt bezwaar tegen het standpunt van de Italiaanse overheid, die betoogt dat in geen geval bijkomende termijnen van meer dan zes maanden mogen worden toegekend, en dat zelfs indien een verlenging zou worden toegekend, de restituties bij uitvoer hoe dan ook met 15 % zouden moeten worden verlaagd. Eribrand meent dat deze uitlegging van de gemeenschapsregeling niet alleen onjuist is, maar tevens in strijd is met de doeleinden van het stelsel van restitutie bij uitvoer alsmede met de beginselen van billijkheid, gelijkheid, evenredigheid en gewettigd vertrouwen.
28 Volgens Eribrand betreft de verwijzing in artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87 naar de termijn van artikel 47, lid 4, daarvan het geval waarin de exporteur de eventueel door de overheid toegekende bijkomende termijn niet zou hebben nageleefd. Wanneer bijkomende termijnen overeenkomstig dat artikel 47 zijn toegekend, mag de exporteur de documenten nog na het verstrijken van die termijnen overleggen, voorzover de vertraging niet de termijn van zes maand van artikel 48, lid 2, sub a, overschrijdt, en in dat geval op straffe van een verlaging van 15 % van het bedrag van de restitutie die zou zijn betaald indien aan alle vereisten was voldaan.
29 Eribrand beroept zich op de punten 146 tot en met 148 van het arrest van 21 januari 1999, Duitsland/Commissie (C-54/95, Jurispr. blz. I-35), waaruit blijkt dat artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 juist tot doel heeft te voorkomen dat een marktdeelnemer die geen enkel verwijt treft en die zich heeft ingespannen om de douanedocumenten te verkrijgen, automatisch het recht op restituties wordt ontnomen, enkel omdat hij er niet in is geslaagd binnen de gestelde termijn het bewijs te leveren van een transactie die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het zou niet in overeenstemming met deze doelstelling zijn om een marktdeelnemer die de vertraging waarmee de vereiste documenten zijn overgelegd objectief kan rechtvaardigen, met 15 % verlaging van de restituties te bestraffen.
30 De Franse regering betoogt dat uit de bewoordingen van artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87 volgt dat de uitlegging volgens welke de exporteur, om zijn rechten te doen gelden, over een termijn beschikt van maximaal 18 maanden vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, onjuist is. Het gebruik van het voegwoord en wijst erop dat de termijnen van artikel 47, leden 2, 4 en 5, achtereenvolgens moeten zijn doorlopen opdat de termijn van zes maanden in artikel 48, lid 2, sub a, ingaat.
31 Volgens deze regering leidt een uitlegging van de artikelen 47 en 48 van verordening nr. 3665/87 die in een simpele optelling van de twee termijnen bestaat, de ene van twaalf maanden en de andere van zes maanden, tot miskenning van de doeleinden van deze verordening. Die uitlegging zou enerzijds tot gevolg hebben dat de aan de lidstaten erkende beoordelingsbevoegdheid wordt opgeheven ten aanzien van de duur van de termijn(en) die zij kunnen toekennen aan de exporteur die zich moeite heeft getroost. Anderzijds ontneemt deze uitlegging de exporteur ingeval van overschrijding van de termijn van 18 maanden automatisch elke mogelijkheid om zijn rechten te doen gelden.
32 De Franse regering betoogt dat de consequenties van een dergelijke uitlegging volledig in tegenspraak zijn met de rechtspraak van het Hof. Het Hof heeft immers in de punten 146 en volgende van zijn arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, herinnerd aan het beginsel van discretionaire bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om na te gaan of de exporteur een inspanning heeft gedaan en om te beslissen of zij hun bevoegdheid moeten uitoefenen om een bijkomende termijn toe te staan.
33 De verplichting van deze autoriteiten om de situatie van elke exporteur in concreto te beoordelen brengt volgens de Franse regering een plicht mee om vertragingsmanoeuvres af te straffen door de gevraagde bijkomende termijnen te weigeren aan de exporteur die niet de nodige inspanningen heeft gedaan. In deze context zijn de nationale autoriteiten tevens gehouden ervoor te zorgen dat de exporteur die zich wel de nodige inspanning heeft getroost, niet wordt benadeeld door omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend. Dit is met name het geval wanneer de importeur in het derde land niet tijdig de vereiste documenten heeft verstrekt.
34 De Franse regering brengt in herinnering dat krachtens artikel 22, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 de exporteur die om betaling van een voorschot op het bedrag van de restitutie verzoekt, gehouden is een zekerheid te stellen die gelijk is aan het bedrag daarvan, verhoogd met 15 %. Zij beklemtoont dat deze bepalingen de exporteur aanzetten tot nauwgezetheid, aangezien het in strijd is met zijn belangen om te talmen met het overleggen van de vereiste douanedocumenten.
35 Wat de duur van de bijkomende termijnen betreft die de nationale autoriteiten kunnen toekennen aan de nauwgezette exporteur, merkt de Franse regering op dat die nergens in verordening nr. 3665/87 is vastgelegd. De voorlaatste overweging van haar considerans bevat daarvoor echter bepaalde aanwijzingen.
36 Volgens de Commissie stelt artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87 de normale termijn voor de indiening van de documenten met betrekking tot dossiers inzake restituties bij uitvoer op twaalf maanden vast, om de exporteurs ertoe aan te zetten hun verplichtingen onverwijld te vervullen en om te vermijden dat de bevoegde nationale autoriteiten die dossiers voor onbepaalde tijd open moeten houden. In die context is het redelijk en billijk om van deze regel af te wijken wanneer een exporteur zich heeft ingespannen om de vereiste documenten te verkrijgen en over te leggen, maar er niet in is geslaagd deze termijn in acht te nemen om redenen die hem niet kunnen worden toegerekend. Zij merkt op dat artikel 47, lid 4, uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om bijkomende termijnen toe te kennen en dat de exporteur die daarvan gebruik wil maken, tijdig een verzoek daartoe moet indienen bij die autoriteiten. Zij verwijst in dit verband tevens naar de voorlaatste overweging van de considerans van genoemde verordening.
37 De Commissie meent dat tegen deze uitlegging geen argument kan worden ontleend aan artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87, dat enkel voorziet in een nieuwe uitsteltermijn van zes maanden bovenop de reeds toegekende normale en bijkomende termijnen. Zij betoogt bovendien dat artikel 49 van verordening nr. 800/1999 dezelfde formulering behoudt als die van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87.
38 Voorts blijft de bij artikel 48, lid 2, sub a, voorziene verlaging van 15 % van het restitutiebedrag volledig van toepassing wanneer de exporteur de vereiste documenten na het verstrijken van de toegekende bijkomende termijnen, maar binnen de uitsteltermijn van zes maanden, overlegt. Het gaat dus om een soort sanctie voor de exporteur die een verlenging van de gewone termijn van twaalf maanden heeft verkregen, maar de noodzakelijke documenten toch nog te laat heeft overgelegd, ook al wordt deze vertraging niet voldoende ernstig geacht om het volledige verlies van het recht op restitutie bij uitvoer te rechtvaardigen.
Antwoord van het Hof
39 Krachtens verordening nr. 3665/87 is de betaling van de restitutie bij uitvoer met name afhankelijk van de overlegging door de exporteur van een of meerdere in artikel 18 van deze verordening genoemde documenten, ten bewijze dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land, dat in voorkomend geval in de aangifte ten uitvoer is vermeld, zijn vervuld.
40 Volgens artikel 47, lid 2, van deze verordening beschikt de exporteur, behalve in geval van overmacht, over een termijn van twaalf maanden vanaf de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer om bij de bevoegde nationale autoriteiten een verzoek om restitutie en alle andere voor betaling daarvan noodzakelijke documenten over te leggen. Een dergelijke termijn houdt rekening met het belang van de overheden van de lidstaten om de dossiers inzake restitutie bij uitvoer binnen een redelijke termijn af te sluiten, in het bijzonder wanneer overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 3665/87 voorschotten op het bedrag van de restituties zijn betaald [zie in die zin, met betrekking tot overeenkomstige bepalingen in verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 317, blz. 1) die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 3665/87 gold, arrest van 12 juli 1990, Philipp Brothers, C-155/89, Jurispr. blz. I-3265, punt 39].
41 De communautaire regeling neemt echter ook in aanmerking dat het voor de exporteurs moeilijk kan blijken de douanedocumenten van de autoriteiten van derde landen van invoer te verkrijgen, omdat zij geen enkele druk op die autoriteiten kunnen uitoefenen (arrest Philipp Brothers, reeds aangehaald, punt 27).
42 In dit verband geeft artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 de nationale autoriteiten de mogelijkheid de betrokken exporteur bijkomende termijnen toe te kennen, mits laatstgenoemde de nodige moeite heeft gedaan om zich de vereiste documenten te verschaffen en deze binnen de termijn van twaalf maanden van lid 2 van dit artikel over te leggen. Zoals het Hof in punt 148 van het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Commissie heeft geoordeeld, is dat voorschrift bedoeld om de exporteur niet automatisch de in de gemeenschapsregeling voorziene restituties te ontnemen, wanneer hij zich alle inspanningen heeft getroost die van hem mochten worden verwacht, maar door objectieve omstandigheden niet in staat was de vereiste documenten binnen de termijn van twaalf maanden over te leggen.
43 Voorts moet worden opgemerkt dat volgens de voorlaatste overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 niet aan de exporteur toe te rekenen ambtelijke vertragingen gevallen van overmacht kunnen vormen die de niet-naleving van de termijn van twaalf maanden van artikel 47, lid 2, van deze verordening kunnen rechtvaardigen.
44 Bovendien volgt uitdrukkelijk uit artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87 dat zelfs buiten het geval waarin de exporteur overmacht in de zin van deze verordening aanvoert, de niet-naleving van genoemde termijn van twaalf maanden niet noodzakelijk het volledige verlies impliceert van de restitutie waarop hij aanspraak kon maken. Deze bepaling schrijft immers voor dat, wanneer alle door de communautaire regeling vereiste documenten binnen zes maanden na het verstrijken van, met name, de in artikel 47, lid 2, bedoelde termijn aan de bevoegde nationale autoriteiten zijn verschaft, het te betalen restitutiebedrag gelijk is aan 85 % van de restitutie die zou zijn betaald indien aan alle vereisten was voldaan.
45 Met betrekking tot de vraag of genoemd artikel 48, lid 2, sub a, van verordening nr. 3665/87 echter een beletsel vormt voor de toekenning van bijkomende termijnen waarmee een totale termijn van 18 maanden vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer kan worden overschreden, zij opgemerkt dat de bewoordingen van deze bepaling geen enkele beperking bevatten met betrekking tot de duur van de bijkomende termijnen die krachtens artikel 47, lid 4, van deze verordening kunnen worden toegekend. Uit de uitdrukkelijke verwijzing naar de termijnen van artikel 47, leden 2, 4 en 5, blijkt integendeel dat een exporteur waaraan overeenkomstig genoemd lid 4 een bijkomende termijn is toegekend, nog beschikt over een periode van zes maanden na het verstrijken van deze termijn om zijn dossier te vervolledigen en aldus de uitbetaling te verkrijgen van 85 % van de restitutie die had moeten worden betaald indien aan alle vereisten was voldaan.
46 De verlaging met 15 % die in een dergelijk geval wordt toegepast op het totale bedrag van de restitutie, beoogt juist het feit te bestraffen dat de exporteur niet kan bewijzen dat de vertraging waardoor de bijkomende termijn voor de overlegging van de documenten wordt overschreden, niet aan hem is toe te rekenen. Derhalve moet worden vastgesteld dat indien de exporteur aantoont dat hij zich de nodige inspanningen heeft getroost om de documenten te verkrijgen en over te leggen, de gemeenschapsregeling niet voorziet in een sanctie ten aanzien van hem.
47 Opgemerkt zij voorts dat de vaststelling van maximale tijdslimieten voor de bijkomende termijnen die kunnen worden toegekend aan de nauwgezette exporteur ─ en met name het feit dat de totale termijn van 18 maanden vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer niet zou mogen worden overschreden ─, de discretionaire bevoegdheid van de nationale autoriteiten aanzienlijk zou verkleinen en in strijd zou zijn met de doelstelling van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87. Deze bepaling maakt het op zich mogelijk de bescherming van het belang van de exporteur om alle restituties waarop hij recht heeft te verkrijgen, te verzoenen met de bescherming van het belang van de overheid om dossiers inzake uitvoerhandelingen niet voor onbepaalde duur open te houden.
48 Derhalve moet worden vastgesteld, dat uit de artikelen 47 en 48 van verordening nr. 3665/87 niet blijkt dat voor de bijkomende termijnen die krachtens artikel 47, lid 4 kunnen worden toegekend, maximale tijdslimieten gelden waaraan de bevoegde nationale autoriteiten zich moeten houden.
49 Bijgevolg moet op de eerste drie vragen worden geantwoord, dat verordening nr. 3665/87 geen beperking stelt aan de duur van de bijkomende termijnen die krachtens artikel 47, lid 4, van deze verordening aan de exporteur kunnen worden toegestaan. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om de duur van deze termijnen vast te stellen naar gelang van de specifieke omstandigheden van elk geval, inzonderheid rekening gehouden met de inspanningen van de exporteur die om een bijkomende termijn verzoekt, de aard van de objectieve moeilijkheden waarmee hij wordt geconfronteerd, en de periode die redelijkerwijs nodig is om deze moeilijkheden te overwinnen.
De vierde en de vijfde vraag
50 Met zijn vierde en vijfde vraag, die eveneens tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen wat de strekking is van de rechterlijke bescherming die de exporteur moet worden verleend, wanneer de bevoegde nationale autoriteiten ten onrechte weigeren hem krachtens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 een bijkomende termijn toe te kennen. Hij vraagt in wezen of de nationale rechter aan de exporteur het recht kan toekennen op een bijkomende termijn van een bepaalde duur en zelf de duur daarvan kan vaststellen naar gelang van de tijd die metterdaad gemoeid is met de verkrijging en de overlegging van de vereiste documenten.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
51 Volgens Eribrand volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de overheid ten onrechte heeft verzuimd de in artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 bedoelde bijkomende termijnen toe te kennen, de nationale rechter het recht van de exporteur kan erkennen om die te verkrijgen en de duur daarvan kan bepalen op basis van de tijd die metterdaad nodig is om zich de vereiste documenten te verschaffen en ze over te leggen. Zij beroept zich in dit verband op de arresten van 15 oktober 1987, Heylens e.a. (222/86, Jurispr. blz. 4097), 19 juni 1990, Factortame e.a. (C-213/89, Jurispr. blz. I-2433), en 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie (C-97/91, Jurispr. blz. I-6313).
52 De Franse regering staat op het standpunt dat indien alle elementen op grond waarvan de bijkomende termijn mag worden toegekend, verenigd zijn, de nationale autoriteiten gehouden zijn de nauwgezette exporteur een dergelijke termijn toe te kennen. Zou worden erkend dat de nationale autoriteiten in deze omstandigheden het recht hebben om een bijkomende termijn te weigeren, dan zou dit er volgens deze regering op neerkomen dat die autoriteiten een arbitraire bevoegdheid hebben.
53 Bijgevolg moet de nauwgezette exporteur die meent dat de bevoegde nationale autoriteiten hem in strijd met artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 bijkomende termijnen hebben geweigerd, zich voor de nationale rechter op deze bepaling kunnen beroepen. De exporteur moet in het kader van de nationale rechtsregels in staat zijn nietigverklaring te verkrijgen van het besluit waarbij die autoriteiten hem ten onrechte een bijkomende termijn hebben geweigerd. Die autoriteiten zijn dan verplicht een nieuw besluit vast te stellen dat voldoet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht.
54 De Franse regering meent dat daarentegen noch verordening nr. 3665/87 noch het gemeenschapsrecht meer in het algemeen, de nationale rechter verplichten zelf de duur van de bijkomende termijn vast te stellen die nodig is om de vereiste documenten te verkrijgen en over te leggen. Volgens vaste rechtspraak is het bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling, hoe dan ook een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
55 Volgens deze regering kan de omstandigheid dat de rechtsorde van een lidstaat niet bepaalt dat de nationale rechter zich in de plaats van de overheid kan stellen om zelf de duur van de bijkomende termijn vast te stellen, niet worden aangemerkt als een omstandigheid waardoor de uitoefening van de rechten die een nauwgezette exporteur aan artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 ontleent, in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
56 De Commissie staat op het standpunt dat de exporteur op basis van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 geen werkelijk recht op het verkrijgen van bijkomende termijnen kan doen gelden. Zij beklemtoont dat deze bepaling preciseert dat dergelijke termijnen hem kunnen [...] worden toegestaan.
57 Haars inziens beschikken de bevoegde nationale autoriteiten bij de behandeling van het verzoek om bijkomende termijnen over een discretionaire bevoegdheid in overeenstemming met de bestuurlijke gebruiken van de lidstaten. Het staat dus aan hen om meer in het bijzonder na te gaan of de door de exporteur tot staving van zijn verzoek aangevoerde gevallen van overmacht reëel en relevant zijn, te beoordelen of de exporteur zich inderdaad de nodige moeite heeft getroost bij zijn pogingen om de vereiste documenten te verkrijgen en over te leggen, alsmede de eventuele duur te bepalen van de bijkomende termijnen die kunnen worden toegestaan.
58 Indien de exporteur bij de bevoegde nationale rechter beroep instelt tegen het besluit waarbij hem bijkomende termijnen zijn geweigerd, meent de Commissie op basis van een vaste rechtspraak dat deze rechter over dezelfde controlebevoegdheid beschikt ─ waaronder onder meer de mogelijkheid van een substitutiecontrole ─ als die waarover hij in de nationale rechtsorde beschikt in soortgelijke gevallen van weigering door die autoriteiten om aan nationale marktdeelnemers bijkomende termijnen toe te staan. Deze procedure mag voor de exporteur dus niet minder gunstig zijn dan die welke in vergelijkbare nationale gevallen van toepassing is.
Antwoord van het Hof
59 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 de exporteur geen recht geeft op een bijkomende termijn van een bepaalde duur, waarop hij rechtstreeks voor de nationale rechter aanspraak zou kunnen maken. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, bepaalt dit voorschrift dat de exporteur [...] bijkomende termijnen [kunnen] worden toegestaan en laat het de bevoegde nationale autoriteiten dus een beoordelingsmarge wat de toekenning van de bijkomende termijn en de duur daarvan betreft.
60 Niettemin heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitoefening van een aldus aan de bevoegde nationale autoriteiten verleende beoordelingsbevoegdheid niet de grenzen mag overschrijden die volgen uit het doel van artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87, dat erin bestaat om de exporteur die zich de nodige moeite heeft gegeven, niet automatisch de in de gemeenschapsregeling voorziene restituties te ontnemen (arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 148). Voorts volgt uit punt 49 van het onderhavige arrest dat die autoriteiten bij de vaststelling van de termijn die zij verlenen, rekening moeten houden met de specifieke omstandigheden van elk geval, inzonderheid de inspanningen van de exporteur die om een bijkomende termijn verzoekt, de aard van de objectieve moeilijkheden waarmee hij wordt geconfronteerd, en de periode die redelijkerwijs nodig is om deze moeilijkheden te overwinnen.
61 Vervolgens moet worden opgemerkt dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is (zie met name arrest van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18; arrest Heylens e.a., reeds aangehaald, punt 14, en arrest van 11 januari 2001, Siples, C-226/99, Jurispr. blz. I-277, punt 17), vereist dat de exporteur de mogelijkheid heeft van een beroep in rechte tegen het krachtens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87 genomen besluit van de bevoegde nationale autoriteiten. De lidstaten moeten immers zorgen voor een effectieve rechterlijke controle op de naleving van de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht (arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 19).
62 Volgens vaste rechtspraak van het Hof gelden voor deze rechterlijke controle bij ontbreken van communautaire voorschriften de regels van nationaal recht. Daarbij dienen evenwel de door het gemeenschapsrecht getrokken grenzen in acht te worden genomen in dier voege, dat de voorziene modaliteiten de uitvoering van de gemeenschapsregeling in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel), en dat bij de toepassing van nationaal recht niet mag worden gediscrimineerd vergeleken met procedures ter beslechting van soortgelijke nationale geschillen (gelijkwaardigheidsbeginsel) (zie met name arresten van 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a., 205/82─215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 19; 16 juli 1998, Oelmühle en Schmidt Söhne, C-298/96, Jurispr. blz. I-4767, punt 24, en 24 september 2002, Grundig Italiana, C-255/00, Jurispr. blz. I-8003, punt 33).
63 Hieruit volgt, dat de vraag of de nationale rechter zich moet beperken tot een toetsing van de door de bevoegde nationale autoriteiten genomen beslissing, dan wel of hij zelf de duur mag vaststellen van de bijkomende termijn die laatstgenoemden ten onrechte aan de exporteur hadden geweigerd, moet worden beantwoord volgens de regels van nationaal recht die gelden in vergelijkbare gedingen van zuiver nationaal recht, met dien verstande dat een doeltreffende controle van die beslissing in ieder geval moet worden verzekerd.
64 Mitsdien moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord, dat de exporteur niet rechtstreeks voor de nationale rechter een recht op een bijkomende termijn van een bepaalde duur kan doen gelden. Hij moet echter de mogelijkheid hebben van een beroep in rechte tegen de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten krachtens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87. Het staat aan de rechtsorde van elke lidstaat om onder eerbiediging van de beginselen van doeltreffendheid en van gelijkwaardigheid zoals omschreven door het gemeenschapsrecht, de voorwaarden en modaliteiten van dat beroep in rechte bepalen.
Kosten
65 De kosten door de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Corte d'appello di Genova bij beschikking van 15 november 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/94 van de Commissie van 26 juli 1994, stelt geen beperking aan de duur van de bijkomende termijnen die krachtens artikel 47, lid 4, van deze verordening aan de exporteur kunnen worden toegestaan. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om de duur van deze termijnen vast te stellen naar gelang van de specifieke omstandigheden van elk geval, inzonderheid rekening gehouden met de inspanningen van de exporteur die om een bijkomende termijn verzoekt, de aard van de objectieve moeilijkheden waarmee hij wordt geconfronteerd, en de periode die redelijkerwijs nodig is om deze moeilijkheden te overwinnen.
2) De exporteur kan niet rechtstreeks voor de nationale rechter een recht op een bijkomende termijn van een bepaalde duur doen gelden. Hij moet echter de mogelijkheid hebben van een beroep in rechte tegen de beslissing van de bevoegde nationale autoriteiten krachtens artikel 47, lid 4, van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1829/94. Het staat aan de rechtsorde van elke lidstaat om onder eerbiediging van de beginselen van doeltreffendheid en van gelijkwaardigheid zoals omschreven door het gemeenschapsrecht, de voorwaarden en modaliteiten van dat beroep in rechte bepalen.
Wathelet
Jann
Rosas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 juni 2003.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy