Zaak C-484/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
«Niet-nakoming – Richtlijn 97/43/Euratom – Bescherming van personen tegen gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling – Onvolledige uitvoering»
Conclusie van advocaat-generaal A. Tizzano van 16 januari 2003 I - 0000 Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 15 mei 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van interne orde – Ontoelaatbaarheid
(Art. 141 EA)
2.. Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 141 EA)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
15 mei 2003 (1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 97/43/Euratom – Bescherming van personen tegen gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling – Onvolledige uitvoering”
In zaak C-484/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Tricot als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Isidoro als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van richtlijn 84/466/Euratom (PB L 180, blz. 22), en in elk geval door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward en A. La Pergola, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 december 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 141, tweede alinea, EA beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van richtlijn 84/466/Euratom (PB L 180, blz. 22; hierna: richtlijn), en in elk geval door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het rechtskader
Het EGA-Verdrag
2 Volgens artikel 2, sub b, EA moet de Gemeenschap onder de in het EGA-Verdrag bepaalde voorwaarden uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor waken dat deze worden toegepast.
3 Ingevolge artikel 30, eerste alinea, EA worden hiertoe in de Gemeenschap met name basisnormen [v]oor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren vastgesteld.
4 Luidens artikel 30, tweede alinea, EA wordt onder basisnormen verstaan:
a) de met voldoende veiligheid maximaal toelaatbare doses;
b) de maximaal toelaatbare bestraling en besmetting;
c) de grondbeginselen van het medisch toezicht op de werknemers
.
5 Artikel 31 EA bepaalt op welke wijze deze basisnormen worden voorbereid en vastgesteld, terwijl artikel 32, eerste alinea, EA bepaalt dat deze normen op verzoek van de Commissie of van een lidstaat volgens de in artikel 31 EA bepaalde procedure kunnen worden herzien of geactualiseerd.
6 Artikel 33 EA ten slotte luidt als volgt: Elke lidstaat vaardigt passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uit om de vastgestelde basisnormen te doen naleven en neemt de nodige maatregelen met betrekking tot het onderwijs, de opvoeding en de beroepsopleiding.De Commissie doet alle aanbevelingen om de te dien aanzien in de lidstaten toepasselijke bepalingen met elkander in overeenstemming te brengen.Hiertoe moeten de lidstaten deze bepalingen, zoals zij van toepassing zijn bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede de latere ontwerp-bepalingen van gelijke aard aan de Commissie mededelen.De eventuele aanbevelingen van de Commissie, die betrekking hebben op de ontwerp-bepalingen, moeten worden gedaan binnen drie maanden na de mededeling van deze ontwerpen.
De richtlijn
7 De op basis van artikel 31 EGA-Verdrag vastgestelde richtlijn heeft hoofdzakelijk tot doel richtlijn 84/466/Euratom van de Raad van 3 september 1984 tot vaststelling van fundamentele maatregelen met betrekking tot de stralingsbescherming van personen die medisch worden onderzocht of behandeld (PB L 265, blz. 1) te herzien teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis omtrent stralingsbescherming. Luidens artikel 1, lid 1 vormt de richtlijn aldus een aanvulling op richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159, blz. 1) en stelt de algemene beginselen vast van de stralingsbescherming van personen met betrekking tot medische blootstelling.
8 Met betrekking tot de omzetting van de richtlijn in nationaal recht bepaalt artikel 14 van de richtlijn:
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 13 mei 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
[...]
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de voornaamste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
De precontentieuze procedure
9 Bij een brief die de Commissie op 17 april 2000 heeft ontvangen, hebben de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 33, derde alinea, EA ontwerp-bepalingen tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht aan de Commissie meegedeeld. Omtrent deze ontwerpen zijn geen aanbevelingen in de zin van artikel 33, vierde alinea, EA gedaan.
10 Omdat zij geen mededeling van de Franse autoriteiten betreffende de definitieve bepalingen ter uitvoering van de richtlijn had ontvangen, en bij gebreke van andere informatie waaruit kon worden geconcludeerd dat de Franse Republiek haar verplichtingen dienaangaande was nagekomen, heeft de Commissie op 28 juli 2000 de procedure van artikel 141 EA ingeleid door deze lidstaat een aanmaningsbrief te sturen waarin zij deze verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst ervan zijn opmerkingen over de verweten niet-nakoming te maken.
11 De Franse autoriteiten hebben op deze brief geantwoord bij schrijven van 2 oktober 2000. Hierin betoogden zij om te beginnen dat de bekendmaking van richtlijnen 96/29 en 97/43 zeer grote wijzigingen aan de bestaande wetgeving en regeling in de Code de la santé publique (Frans wetboek volksgezondheid) en de Code du travail (Frans arbeidswetwoek) had meegebracht, en dat de werklast van het Parlement de snelle vaststelling van de voor de uitvoering van deze richtlijnen noodzakelijke wetgeving bemoeilijkte of zelfs uitsloot. Bijgevolg hadden de Franse autoriteiten het Parlement voorgesteld, de Franse regering te machtigen om deze richtlijnen door middel van besluiten uit te voeren, teneinde de termijnen om wetgevend op te treden zo kort mogelijk te houden. Gelet op de termijnen voor de vaststelling van de machtigingswet en van de voor de uitvoering van de richtlijnen noodzakelijke besluiten en decreten, zou de uitvoering volgens de Franse regering evenwel slechts in de herfst van 2001 voltooid zijn.
12 Van oordeel dat de Franse Republiek de maatregelen die voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijk zijn, niet had getroffen of althans niet aan haar had meegedeeld, heeft de Commissie op 17 januari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij de lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst ervan de nodige maatregelen te nemen om aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
13 De Franse autoriteiten hebben in vier stappen op dit advies gereageerd.
14 Bij brief van 5 maart 2001, door de Commissie ontvangen op 12 maart daaraanvolgend, herinnerden de Franse autoriteiten in antwoord op het met redenen omkleed advies in wezen aan de inhoud van de ontwerpen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter omzetting van de richtlijn in nationaal recht.
15 Bij brief van 30 mei 2001 stelden zij de Commissie krachtens artikel 33 EA officieel in kennis van de in het Journal officiel de la République française van 31 maart 2001 (blz. 5056) bekendgemaakte tekst van ordonnance nº 2001-270 relative à la transposition de directives communautaires dans le domaine de la protection contre les rayonnements ionisants (besluit nr. 2001-270 betreffende de uitvoering van communautaire richtlijnen inzake de bescherming tegen ioniserende straling) van 28 maart 2001.
16 Bij brief van 20 juli 2001 deelden de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 33, derde alinea, EA een ontwerp van décret relatif à l'obligation de maintenance et au contrôle de qualité des dispositifs médicaux prévus à l'article L. 5212-1 du code de la santé publique (ontwerp van decreet betreffende de verplichting tot onderhoud en toezicht op de kwaliteit van de in artikel L. 5212-1 van het wetboek volksgezondheid bedoelde medische voorzieningen) mee.
17 Bij brief van 18 september 2001 deelden de Franse autoriteiten ten slotte de tekst mee van het in het Journal officiel de la République française van 10 maart 2001 (blz. 3869) bekendgemaakte décret nº 2001-215 modifiant le décret nº 66-450 du 20 juin 1966, relatif aux principes généraux de protection contre les rayonnements ionisants van 8 maart 2001 (decreet nr. 2001-215 tot wijziging van decreet nr. 66-450 van 20 juni 1966 houdende de algemene beginselen inzake de bescherming tegen ioniserende straling).
18 Van oordeel dat deze teksten slechts ten dele uitvoering gaven aan de richtlijn, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De niet-nakoming
19 De Commissie betoogt dat de Franse Republiek de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, omdat zij niettegenstaande het verstrijken van de in artikel 14, lid 1, van de richtlijn gestelde termijn nog niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om de richtlijn in haar interne rechtsorde om te zetten, en haar in elk geval deze maatregelen niet heeft meegedeeld.
20 De Franse regering betwist de gestelde niet-nakoming niet, doch betoogt dat de procedure voor het vaststellen van de uitvoeringsmaatregelen van ordonnance nº 2001-270 langer uitvalt dan verwacht, met name omdat het advies van bepaalde instellingen moet worden ingewonnen, en dat die maatregelen aan het Hof en de Commissie zullen worden meegedeeld zodra zij zijn vastgesteld.
21 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie met name arrest van 13 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C-286/01, Jurispr. blz. I-5463, punt 13).
22 Onder die omstandigheden dient het beroep van de Commissie gegrond te worden verklaard, aangezien niet wordt betwist dat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, welke bepalend is om uit te maken of er sprake is van een niet-nakoming (zie met name arrest van 4 juli 2002, Commissie/Griekenland, C-173/01, Jurispr. blz. I-6129, punt 7), de Franse regering niet alle voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke maatregelen had genomen.
23 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
24 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van richtlijn 84/466/Euratom, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Timmermans
Edward
La Pergola
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 mei 2003.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
C. W. A. Timmermans
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy