Zaak C-501/01
Koninkrijk der Nederlanden
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
«Nietigverklaring van beschikking 2001/739/EG van Commissie van 17 oktober 2001 betreffende totaalbedrag van financiële bijdrage van Gemeenschap voor uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 »
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 26 juni 2003 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 6 november 2003
Samenvatting van het arrest
1.. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles – Financiële bijdrage van Gemeenschap aan acties van lidstaten op veterinair gebied – Spoedmaatregelen in geval van uitbraak van bepaalde dierziekten – Controlebevoegdheid van Commissie – Omvang – Financiële correctie bij ontoereikendheid van vastgestelde maatregelen – Betwisting door betrokken lidstaat – Bewijslast
(Beschikking 90/424 van de Raad)
2.. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles – Financiële bijdrage van Gemeenschap aan acties van lidstaten op veterinair gebied – Spoedmaatregelen in geval van uitbraak van bepaalde dierziekten – Correctie van financiële bijdrage van Gemeenschap – Grenzen – Financiële bijdrage voor uitroeiing klassieke varkenspest in Nederland – Lineaire korting – Evenredigheidsbeginsel – Schending – Geen
(Beschikking 90/424 van de Raad; beschikkingen 2000/362 en 2001/739 van de Commissie)
1. In het kader van de toepassing van beschikking 90/424 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied beschikken de lidstaten over een zekere beoordelingsmarge ten aanzien van de keuze van de voor de bestrijding van een epizoötie te treffen maatregelen en de wijze waarop deze worden uitgevoerd, en kan de Commissie dienaangaande haar eigen oordeel niet in plaats van dat van de betrokken lidstaat stellen. Heeft de Commissie echter met inachtneming van deze beoordelingsmarge vastgesteld dat een lidstaat de ziekte onvoldoende heeft bestreden, en dat een financiële correctie moet worden toegepast, dan is het de taak van die lidstaat, te bewijzen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. cf. punt 20
2. De correctie van de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de bestrijding van de klassieke varkenspest op grond van beschikking 90/424 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied mag niet verder gaan dan de meerkosten die de tekortkomingen van de door de betrokken lidstaat getroffen maatregelen ten laste van de gemeenschapsbegroting hebben veroorzaakt en waarvoor de betrokken lidstaat instaat. Anderzijds moet de Commissie, aangezien zij communautaire middelen niet op ongerechtvaardigde wijze mag uitgeven, ervoor waken dat zij, wanneer zij een dergelijke financiële correctie toepast, de communautaire bijdrage niet te weinig kort ten opzichte van de vastgestelde tekortkomingen. Aangezien de vaststelling van tekortkomingen in een situatie als de onderhavige dikwijls op schattingen van feitelijke elementen en op conclusies op basis van representatieve steekproeven berust, moet de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de financiële correctie een aanzienlijke beoordelingsvrijheid worden toegekend. Deze vrijheid moet evenwel steeds met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel worden gebruikt. Meer in het bijzonder kan met betrekking tot beschikking 2001/739 betreffende het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 niet worden gesteld dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden toen zij een lineaire correctie toepaste en de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor het jaar 1998 met 25 % verminderde, in navolging van het percentage vastgesteld bij beschikking 2000/362 betreffende het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1997, ook al is het juist dat de tekortkomingen die de Commissie voor 1998 heeft vastgesteld, geringer waren dan die betreffende 1997. Ofschoon de Commissie om budgettaire redenen twee verschillende beschikkingen heeft moeten geven betreffende de kosten met betrekking tot telkens één begrotingsjaar, gaat het immers om een en dezelfde epidemie. De kosten van het jaar 1998 houden dus verband met die van het jaar 1997. In deze omstandigheden lijkt het niet onredelijk, voor beide begrotingsjaren hetzelfde correctiepercentage te kiezen. cf. punten 31-37, 39
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
6 november 2003 (1)
„Nietigverklaring van beschikking 2001/739/EG van Commissie van 17 oktober 2001 betreffende totaalbedrag van financiële bijdrage van Gemeenschap voor uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998”
In zaak C-501/01,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster, C. Wissels en J. G. M. van Bakel als gemachtigden,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2001/739/EG van de Commissie van 17 oktober 2001 betreffende het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 (PB L 277, blz. 28), voorzover bij de bepaling van het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in 1998 in Nederland een korting van 25 % op de aan veehouders betaalde schadeloosstelling wordt toegepast,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting, gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 26 maart 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 december 2001, heeft het Koninkrijk der Nederlanden krachtens artikel 230 EG verzocht om nietigverklaring van beschikking 2001/739/EG van de Commissie van 17 oktober 2001 betreffende het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 (PB L 277, blz. 28; hierna: bestreden beschikking), voorzover bij de bepaling van het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in 1998 in Nederland een korting van 25 % op de aan veehouders betaalde schadeloosstelling wordt toegepast.
De communautaire regeling
2 De bestreden beschikking bepaalt: Artikel 1Het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 wordt vastgesteld op 6 277 156 EUR.Artikel 2Het in lid 1 genoemde bedrag wordt uitbetaald zodra deze beschikking is vastgesteld.Artikel 3Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.
3 De overwegingen van de considerans van deze beschikking luiden:
(1) In 1997 en 1998 heeft zich in Nederland een epizoötie van klassieke varkenspest voorgedaan. Het uitbreken van deze ziekte vormt een ernstige bedreiging voor de varkensstapel van de Gemeenschap. Om deze ziekte zo snel mogelijk te helpen uitroeien, kan de Gemeenschap financiële bijstand verlenen ter vergoeding van de door de lidstaat gedane uitgaven.
(2) In verband met de uitbraken van klassieke varkenspest in 1997 heeft de Commissie beschikking 2000/362/EG betreffende het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in Nederland in 1997 gegeven. Deze beschikking voorzag in de betaling van een bedrag ten belope van 109 937 795 EUR.
(3) Op 10 september 1999 heeft Nederland een aanvraag ingediend om alle uitgaven te vergoeden die in het land zijn gedaan in verband met de uitbraken van klassieke varkenspest in 1998. Op verzoek van de Commissie heeft Nederland meer informatie ter zake meegedeeld op 6 december 1999, op 7 februari en op 21 april 2000.
(4) De Commissie heeft nagegaan of alle veterinairrechtelijke voorschriften van de Gemeenschap en alle voorwaarden voor financiële bijstand van de Gemeenschap in acht zijn genomen.
(5) Op grond van de resultaten van deze controles komen niet alle uitgaven voor bijstand in aanmerking. Deze constatering wordt bevestigd door een speciaal verslag van de Rekenkamer over klassieke varkenspest en is in overeenstemming met beschikking 2000/362/EG.
(6) De opmerkingen van de Commissie bij de door Nederland ingediende aanvraag zijn op 11 december 2000 officieel ter kennis gebracht van de Nederlandse autoriteiten.
(7) Het totaalbedrag van de communautaire bijdrage voor de uitgaven in verband met de uitbraken van klassieke varkenspest in Nederland in 1998 moet nu worden vastgesteld.
(8) Krachtens artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad moeten veterinaire en fytosanitaire maatregelen die volgens de communautaire voorschriften worden uitgevoerd, worden gefinancierd door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Voor controledoeleinden zijn de artikelen 8 en 9 van verordening (EG) nr. 1258/1999 van toepassing.
(9) Het Permanent Veterinair Comité heeft geen gunstig advies uitgebracht. Daarom heeft de Commissie op 19 juni 2001 overeenkomstig artikel 41 van beschikking 90/424/EEG een voorstel betreffende de te nemen maatregelen ingediend bij de Raad, die hierover binnen drie maanden een besluit moest nemen.
(10) De Raad heeft binnen deze termijn echter geen besluit genomen; derhalve moeten de maatregelen nu door de Commissie worden vastgesteld.
4 De bestreden beschikking is gebaseerd op artikel 3, inzonderheid de leden 2 en 5, van beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (PB L 224, blz. 19), laatstelijk gewijzigd bij beschikking 2001/572/EG van de Commissie van 28 juli 2001 (PB L 203, blz. 16; hierna: beschikking 90/424).
5 Artikel 3 van beschikking 90/424 bepaalt:
1. Dit artikel is van toepassing wanneer zich op het grondgebied van een lidstaat een van de volgende ziekten voordoet:
─ [...]
─ klassieke varkenspest,
─ [...]
2. De betrokken lidstaat komt voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van de ziekte in aanmerking, op voorwaarde dat de onverwijld toegepaste maatregelen ten minste de isolering van het bedrijf bij vermoedelijke ziekte omvatten, alsmede, direct na de officiële bevestiging van de ziekte:
─ het slachten van de dieren van de voor de ziekte vatbare soorten die lijden aan de ziekte of ermee besmet zijn, dan wel er vermoedelijk aan lijden of ermee besmet zijn, en destructie van die dieren, en in geval van aviaire influenza, destructie van de eieren,
─ destructie van besmet voer of van besmet materiaal, voorzover dat niet overeenkomstig het derde streepje kan worden ontsmet,
─ reiniging en ontsmetting van het bedrijf en van het aldaar aanwezige materieel, alsook insectenverdelging op het bedrijf en op het materieel,
─ instelling van beschermingsgebieden,
─ toepassing van voorschriften waarmee het risico van verspreiding van de infecties kan worden voorkomen,
─ vaststelling van een termijn die in acht moet worden genomen vóór het opnieuw opnemen van dieren op het bedrijf na het slachten,
─ onmiddellijke en passende schadeloosstelling van de veehouders.
2 bis. De betrokken lidstaat komt eveneens voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap in aanmerking wanneer bij het uitbreken van een haard van een van de in lid 1 genoemde ziekten twee of meer lidstaten nauw samenwerken bij de beheersing van die epizoötie, met name bij de tenuitvoerlegging van het epizoötiologisch onderzoek en van de maatregelen inzake het toezicht op de ziekte. Over de specifieke financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt, onverminderd de in het kader van de desbetreffende gemeenschappelijke marktordeningen vastgestelde maatregelen een besluit genomen volgens de procedure van artikel 41.
3. De betrokken lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten, overeenkomstig de communautaire wetgeving, onverwijld in kennis van de toegepaste maatregelen inzake kennisgeving en uitroeiing en de resultaten daarvan. De situatie wordt in het kader van het bij besluit 68/361/EEG opgerichte Permanent Veterinair Comité, hierna 'Comité' te noemen, zo spoedig mogelijk onderzocht. Over de specifieke financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt, onverminderd de in het kader van de desbetreffende gemeenschappelijke marktordeningen vastgestelde maatregelen, een besluit genomen volgens de procedure van artikel 41.
4. Indien voortzetting van in lid 2 bedoelde maatregelen gezien de ontwikkeling van de situatie in de Gemeenschap wenselijk blijkt, kan volgens de procedure van artikel 40 een nieuw besluit inzake de financiële bijdrage van de Gemeenschap worden genomen, die meer kan bedragen dan 50 % als bepaald in lid 5, eerste streepje. Bij de goedkeuring van dat besluit kan ook worden bepaald welke maatregelen, naast de in lid 2 bedoelde, door de betrokken lidstaat dienen te worden genomen om het welslagen van de actie te waarborgen.
5. Onverminderd de in het kader van de gemeenschappelijke ordeningen der markten te nemen maatregelen ter ondersteuning van de markten, beloopt de zo nodig in verschillende tranches verdeelde financiële bijdrage van de Gemeenschap:
─ 50 % van de kosten die door de lidstaat zijn gemaakt voor de schadeloosstelling van de eigenaars voor het slachten, de destructie van de dieren en, eventueel, van de producten ervan, het reinigen, de insectenverdelging en het ontsmetten van het bedrijf en het materiaal, en de destructie van besmet voer en materiaal, als bedoeld in lid 2, tweede streepje;
─ 100 % van de kosten van het geleverde vaccin en 50 % van de kosten voor het verrichten van de inenting, indien overeenkomstig lid 4 tot inenting is besloten.
6 Artikel 41 van beschikking 90/424 luidt:
1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Comité deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een lidstaat, onverwijld in bij het Comité.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter naar gelang van de urgentie van de betrokken aangelegenheid kan vaststellen. Het advies wordt uitgebracht met de meerderheid van stemmen die voor de aanneming van de besluiten, die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen, in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten overeenkomstig genoemd artikel gewogen. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
3.
a) De Commissie stelt de voorgenomen maatregelen vast indien deze met het advies van het Comité in overeenstemming zijn.
b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie bij de Raad onverwijld een voorstel betreffende de te nemen maatregelen in. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Indien na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel bij de Raad is ingediend, door deze geen besluit is genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld en onmiddellijk toegepast.
7 Artikel 9 van richtlijn 80/217/EEG van de Raad van 22 januari 1980 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van klassieke varkenspest (PB L 47, blz. 11), in de versie van richtlijn 91/685/EEG van de Raad van 11 december 1991 (PB L 377, blz. 1; hierna: richtlijn 80/217), bepaalt:
1. Zodra de diagnose van klassieke varkenspest bij varkens op een bedrijf officieel is bevestigd, stelt de bevoegde autoriteit een beschermingsgebied in met een straal van ten minste 3 km en een toezichtsgebied met een straal van ten minste 10 km rond de plaats waar de uitbraak zich heeft voorgedaan.
[...]
4. In het beschermingsgebied gelden de volgende maatregelen:
a) alle bedrijven worden zo spoedig mogelijk geïnventariseerd; na de instelling van het gebied worden deze bedrijven binnen zeven dagen door een officiële dierenarts bezocht;
b) verplaatsing en vervoer van varkens over openbare of particuliere wegen worden verboden; dit verbod geldt niet voor de doorvoer van varkens over de weg of per trein, op voorwaarde dat de dieren niet worden uitgeladen en dat nergens halt wordt gehouden. Er kan evenwel, volgens de procedure van artikel 16, van deze bepalingen worden afgeweken voor slachtvarkens van buiten het beschermingsgebied die op weg zijn naar een in dat gebied gelegen slachthuis;
c) vrachtwagens en andere voertuigen en uitrusting voor het vervoer van varkens of ander vee en van mogelijkerwijze besmet materiaal (zoals voeder, mest, drijfmest, enz.), die binnen het beschermingsgebied worden gebruikt, mogen
i) een bedrijf binnen het beschermingsgebied,
ii) het beschermingsgebied,
iii) een slachthuisniet verlaten zonder te zijn gereinigd en ontsmet overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit vastgestelde voorschriften. In deze voorschriften is met name bepaald dat geen enkele vrachtwagen of geen enkel voertuig waarmee varkens zijn vervoerd, het gebied mag verlaten zonder door de bevoegde autoriteit te zijn geïnspecteerd;
d) dieren van een andere soort mogen niet in of buiten een bedrijf worden gebracht zonder toestemming van de bevoegde autoriteit;
e) elk geval van varkenssterfte of -ziekte op een bedrijf wordt gesignaleerd aan de bevoegde autoriteit die de nodige onderzoeken verricht om de eventuele besmetting met klassieke varkenspest te constateren;
f) varkens mogen niet buiten het bedrijf waar zij worden gehouden, worden gebracht binnen 21 dagen na voltooiing van de in artikel 10 bedoelde voorlopige reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden van het besmette bedrijf; na 21 dagen kan toestemming worden verleend om varkens buiten het betrokken bedrijf te brengen:
i) rechtstreeks naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis dat bij voorkeur gelegen is in het beschermingsgebied of het toezichtsgebied, op voorwaarde dat
─ alle varkens op het bedrijf onderzocht zijn;
─ de voor slachting te vervoeren varkens klinisch onderzocht zijn, waarbij onder meer de lichaamstemperatuur van een aantal varkens is gemeten;
─ elk varken voorzien is van een oormerk;
─ het vervoer plaatsvindt in door de bevoegde autoriteit verzegelde voertuigen.
De voor het slachthuis bevoegde autoriteit wordt in kennis gesteld van het voornemen om varkens naar dat slachthuis te verzenden.Bij aankomst in het slachthuis worden de varkens gescheiden gehouden van andere varkens en apart geslacht. De voor het vervoer van de varkens gebruikte voertuigen en het materiaal worden onmiddellijk gereinigd en ontsmet.[...]
8. In afwijking van het bepaalde in lid 4, onder f, en in lid 6, onder f, mag de bevoegde autoriteit toestaan dat varkens buiten een bedrijf worden gebracht, naar een destructiebedrijf om daar te worden gedestrueerd, of naar een andere plaats om daar te worden gedood en vervolgens te worden verbrand of begraven. Deze dieren moeten steekproefsgewijs worden onderzocht op de aanwezigheid van het klassieke-varkenspestvirus, waarbij de in bijlage IV vastgestelde criteria voor het nemen van bloedmonsters in acht moeten worden genomen.
De nodige voorzorgen moeten worden genomen om verspreiding van het virus ten gevolge van dit vervoer te voorkomen, met name door het reinigen en ontsmetten van de vrachtwagens na elke rit.
9. Indien de in lid 4, onder f, en lid 6, onder f, vastgestelde verbodsbepalingen langer dan 30 dagen worden gehandhaafd in verband met nieuwe ziektegevallen, en indien als gevolg daarvan het verder onderbrengen van de varkens problemen oplevert, kan de bevoegde autoriteit, indien de eigenaar een met redenen omkleed verzoek daartoe heeft ingediend, toestemming verlenen om de varkens van een bedrijf in het beschermingsgebied, respectievelijk het toezichtsgebied, af te voeren, op voorwaarde dat
a) de officiële dierenarts de feiten heeft geconstateerd;
b) alle varkens op het bedrijf zijn onderzocht;
c) de af te voeren varkens klinisch zijn onderzocht, waarbij onder meer de lichaamstemperatuur van een aantal varkens is gemeten;
d) elk varken is voorzien van een oormerk;
e) het bedrijf van bestemming gelegen is in het beschermingsgebied of in het toezichtsgebied.
De nodige voorzorgen moeten worden genomen om verspreiding van het virus ten gevolge van dit vervoer te voorkomen, met name door het reinigen en ontsmetten van de vrachtwagens na elke rit.
8 Artikel 14 ter van richtlijn 80/217 bepaalt dat elke lidstaat volgens bepaalde criteria een rampenplan opstelt, waarin wordt aangegeven welke nationale maatregelen moeten worden uitgevoerd in geval van een uitbraak van klassieke varkenspest. Deze plannen moeten uiterlijk op 1 januari 1993 worden ingediend bij de Commissie, die deze onderzoekt en, na eventuele wijzigingen, goedkeurt.
9 Richtlijn 80/217 is inmiddels vervangen door richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PB L 316, blz. 5).
Feiten
10 Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie het bedrag van de bijdrage van de Gemeenschap aan de kosten van de bestrijding van de klassieke varkenspest in 1998 in Nederland op een duidelijk lager niveau vastgesteld dan uit de door Nederland ingediende declaratie voortvloeit. Nederland had een totaalbedrag van 63 077 783, 93 NLG gedeclareerd, waarvan 22 455 339,57 NLG betrekking had op de schadeloosstelling die het aan de door de epizoötie getroffen veehouders heeft betaald. De Commissie heeft de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de schadeloosstelling beperkt tot 8 256 604,57 NLG. Zij heeft dus een korting van 25 % toegepast.
11 Blijkens het dossier was er in 1997 in Nederland sprake van een crisissituatie als gevolg van een epidemie van klassieke varkenspest. In 1998, het jaar waarin deze epidemie zich in de eindfase bevond, hebben zich vijf uitbraken van klassieke varkenspest voorgedaan (in tegenstelling tot 424 uitbraken in 1997). Er zijn 68 bedrijven preventief geruimd, waarvan vier op basis van slechts één serologisch positief monster. In totaal werden in 1998, 52 548 dieren geruimd. De in 1998 getroffen maatregelen waren vooral gericht op het herstel van een normale situatie, met name door zoveel mogelijk maatregelen te treffen die ervoor moesten zorgen dat de varkenssector na uitroeiing van de klassieke varkenspest weer normaal zou kunnen functioneren.
12 Blijkens de bestreden beschikking legt de Commissie aan de financiële correctie een aantal bezwaren ten grondslag. Zo verwijt zij Nederland dat het aantal dieren waarvoor onder de noemer jonge zeugen een schadeloosstelling is gevraagd, een veelvoud was van het normale aandeel jonge zeugen op een bedrijf; dat voor alle zeugen gezamenlijk schadeloosstellingen zijn betaald die gemiddeld 9,4 % boven de tarieven in de schalen van DLV (ministerie van Landbouw en Visserij) lagen; dat voor bedrijven met alleen mestvarkens het gewicht 12,2 % te hoog was geschat; dat op bedrijven die op de dag van de schatting zijn geruimd, het geschatte gewicht van de diervoeders 17 % boven het totaalgewicht van diezelfde diervoeders, gewogen in het destructiebedrijf, lag, en dat door het herwaarderingssysteem het totaalbedrag van de aan de varkenshouders uitgekeerde schadeloosstelling met 15,5 % is gestegen.
13 Volgens de brief van de heer Coleman, directeur-generaal van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming van de Commissie, van 11 december 2000, waarnaar de zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking verwijst, heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdend met de omvang en het repetitieve en systematische karakter van de onregelmatigheden alsmede met het feit dat de uitbraken van de klassieke varkenspest die zich in 1997 en 1998 in Nederland hebben voorgedaan, deel uitmaken van dezelfde epidemie en de kosten van het jaar 1998 dus verband houden met die van 1997, een forfaitaire correctie van 25 % gerechtvaardigd was. Voorts wordt in deze brief gepreciseerd dat de conclusies van de Commissie gebaseerd zijn op een studie van de financiële gegevens betreffende het geheel van de schadevergoedingsdossiers van de veehouders, en dat er geen extrapolatie heeft plaatsgevonden op basis van de zes geselecteerde dossiers.
De procedure voor het Hof
14 Omdat het van mening is dat de bestreden beschikking onjuist is, heeft het Koninkrijk der Nederlanden het onderhavige beroep ingesteld, waarin het concludeert dat het het Hof behage:
1. de bestreden beschikking nietig te verklaren, voorzover bij de bepaling van het totaalbedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van klassieke varkenspest in 1998 in Nederland een korting van 25 % op de aan veehouders betaalde schadeloosstelling wordt toegepast,
2. de Commissie te verwijzen in de kosten.
15 De Commissie concludeert dat het het Hof behage, het beroep ongegrond te verklaren en het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
Opmerkingen vooraf
16 Tot staving van haar beroep voert de Nederlandse regering vijf middelen aan. In de eerste plaats berust de bestreden beschikking op een onjuiste feitelijke grondslag (eerste middel). In de tweede plaats heeft de Commissie met de vaststelling van de bestreden beschikking het recht geschonden. Beschikking 90/424 biedt immers niet de mogelijkheid, een correctie op de financiële bijdrage van de Gemeenschap toe te passen, in elk geval niet zoals de Commissie dat heeft gedaan (eerste onderdeel van het tweede middel). Ook heeft de Commissie de feitelijke gegevens juridisch onjuist geïnterpreteerd (tweede onderdeel van het tweede middel). Voorts stelt de Nederlandse regering dat de bestreden beschikking het evenredigheidsbeginsel schendt (derde middel). Het ontbreken van een uitdrukkelijke en in voldoende duidelijke juridische bewoordingen geformuleerde rechtsgrondslag voor de toepassing van een financiële correctie levert voorts een schending van het rechtszekerheidsbeginsel op (vierde middel). Ten slotte is de Nederlandse regering van mening dat de bestreden beschikking, gelet op artikel 253 EG, ontoereikend is gemotiveerd (vijfde middel).
17 Met het eerste onderdeel van het tweede middel en het vierde middel wordt de mogelijkheid om krachtens artikel 3, leden 2 en 5, van beschikking 90/424 een forfaitaire of andere correctie toe te passen op de financiële bijdrage van de Gemeenschap ter discussie gesteld. Daar het bestaan van een dergelijke mogelijkheid een voorafgaande voorwaarde voor het onderzoek van de andere middelen vormt, moet dit eerst worden onderzocht.
Het eerste onderdeel van het tweede middel en het vierde middel
18 Het eerste onderdeel van het tweede middel en het vierde middel in deze zaak zijn gelijk aan het eerste onderdeel van het tweede middel en het vierde middel in de zaak die tot het arrest van heden, Nederland/Commissie (C-293/00, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft geleid. Aangezien deze middelen in die zaak (zie de punten 20-30) zijn afgewezen en de Nederlandse regering met betrekking tot de onderhavige zaak geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd, moeten deze middelen om dezelfde redenen worden afgewezen.
Het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel
19 In het kader van het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt de Nederlandse regering dat de Commissie de feiten die haars inziens de financiële correctie rechtvaardigen, onjuist heeft vastgesteld en geïnterpreteerd.
20 Gelijk in de punten 32 tot en met 34 van het arrest Nederland/Commissie, reeds aangehaald, is vastgesteld, beschikken de lidstaten over een zekere beoordelingsmarge ten aanzien van de keuze van de voor de bestrijding van een epizoötie te treffen maatregelen en de wijze waarop deze worden uitgevoerd, en kan de Commissie dienaangaande haar eigen oordeel niet in plaats van dat van de betrokken lidstaat stellen. Heeft de Commissie echter met inachtneming van deze beoordelingsmarge vastgesteld dat een lidstaat de ziekte onvoldoende heeft bestreden, en dat een financiële correctie moet worden toegepast, dan is het de taak van die lidstaat, te bewijzen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
21 De Nederlandse regering verwijt de Commissie dat zij zich slechts op zes schadeloosstellingsdossiers heeft gebaseerd om daaruit een aantal algemene conclusies over de vaststelling van de schadeloosstelling van de door de epizoötie getroffen varkenshouders te trekken. Na een grondig onderzoek van elk van deze zes dossiers concludeert deze regering dat in geen van deze dossiers alle door de Commissie aangevoerde bezwaren zijn vastgesteld (namelijk een te groot aandeel jonge zeugen, te hoge schadeloosstellingen, te hoge schatting van het gewicht van de varkens, abnormaal gewicht van de diervoeders en tekortkomingen van het herwaarderingssysteem). Vijf van deze dossiers vertonen slechts een zeer beperkt aantal onregelmatigheden (slechts één of twee en, wat belangrijker is, het bezwaar dat de herwaardering tot overcompensatie ten opzichte van de marktprijs heeft geleid, komt slechts in één dossier voor). Volgens de Nederlandse regering dient daarom te worden vastgesteld dat het standpunt van de Commissie dat de door haar geconstateerde onregelmatigheden een repetitief en systematisch karakter hadden, feitelijke grondslag mist.
22 Voorts is de Nederlandse regering van mening dat de Commissie het begrip passende schadeloosstelling onjuist heeft geïnterpreteerd. Daar dit begrip noch in richtlijn 80/217 noch in beschikking 90/424 noch in enige andere communautaire regeling is gedefinieerd, beschikken de lidstaten over een discretionaire bevoegdheid bij de invulling ervan, binnen de door het doel en de strekking van de toepasselijke communautaire regeling bepaalde grenzen.
23 De advocaat-generaal heeft in de punten 137 tot en met 149 en 184 tot en met 194 van haar conclusie gedetailleerd uiteengezet waarom zij van mening is dat de Commissie bij de bezwaren die zij met betrekking tot de bestrijding van de klassieke varkenspest in 1998 heeft aangevoerd, geen blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout.
24 Het Hof sluit zich daarbij aan.
25 Derhalve moeten het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Het derde middel
26 In het kader van haar derde middel stelt de Nederlandse regering dat de bestreden beschikking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Argumenten van partijen
27 Volgens de Nederlandse regering bestaat er grote onevenwichtigheid tussen de door de Commissie vastgestelde (dan wel als zodanig gekwalificeerde) tekortkomingen bij de bepaling van de schadeloosstellingen die aan de in 1998 door de klassieke varkenspest getroffen boeren zijn betaald enerzijds en de financiële correctie die zij heeft toegepast anderzijds.
28 In elk geval is het disproportioneel om een generieke korting op te leggen op basis van gegevens die door middel van een niet-representatieve steekproef zijn verzameld. Daar de Commissie, in tegenstelling tot 1997, jegens de Nederlandse autoriteiten geen blijk heeft gegeven van bezwaren van technische aard, is het bovendien disproportioneel om voor 1998 dezelfde korting toe te passen als voor het voorgaande jaar.
29 De Nederlandse regering wijst in dit verband op de verschillen tussen beide jaren. Gelet op de crisissituatie begin 1997, werd prioriteit gegeven aan de goede werking van de veterinaire organisatie bij de bestrijding van de ziekte. Vanaf midden 1997 werd in nauw overleg met de Commissie verscherpte aandacht gegeven aan de administratieve organisatie. In 1998, toen de epidemie in haar eindfase was, waren de maatregelen gericht op herstel van een normale situatie.
30 De Commissie stelt dat het om een en dezelfde epizoötie van klassieke varkenspest ging. De bezwaren van administratieve en financiële aard zijn dezelfde gebleven, zodat het gerechtvaardigd was, voor beide tijdvakken hetzelfde kortingspercentage toe te passen. Zij herinnert eraan dat de financiële correctie veel lager is dan de meerkosten die de vastgestelde tekortkomingen hebben meegebracht en die door de gemeenschapsbegroting worden gedragen.
Beoordeling door het Hof
31 De correctie op de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de bestrijding van de klassieke varkenspest mag niet verder gaan dan de meerkosten die de tekortkomingen ten laste van de gemeenschapsbegroting hebben veroorzaakt en waarvoor de betrokken lidstaat de verantwoordelijkheid op zich moet nemen.
32 Anderzijds moet de Commissie, aangezien zij communautaire middelen niet op ongerechtvaardigde wijze mag uitgeven, ervoor waken dat zij, wanneer zij een dergelijke financiële correctie toepast, de communautaire bijdrage niet te weinig kort ten opzichte van de vastgestelde tekortkomingen.
33 Aangezien de vaststelling van tekortkomingen in een situatie als de onderhavige dikwijls op schattingen van feitelijke elementen en op conclusies op basis van representatieve steekproeven berust, moet de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de financiële correctie een aanzienlijke beoordelingsvrijheid worden toegekend. Het gebruik van deze vrijheid moet evenwel steeds met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel geschieden.
34 Het is juist dat de tekortkomingen die de Commissie voor 1998, het jaar waar het in deze zaak om gaat, heeft vastgesteld, geringer waren dan die betreffende 1997, het jaar waar het in de zaak Nederland/Commissie, reeds aangehaald, om ging. Het is eveneens juist dat de Commissie op een bepaald moment van plan was een financiële correctie van slechts 15 % toe te passen, en dat zij pas later heeft besloten, hetzelfde percentage toe te passen als voor het jaar 1997, namelijk 25 %.
35 Gelijk de heer Coleman in zijn bovengenoemde brief van 11 december 2000 evenwel heeft uiteengezet, gaat het om een en dezelfde epidemie. De kosten van het jaar 1998 houden dus verband met die van het jaar 1997.
36 Aangezien de epidemie zich over twee begrotingsjaren heeft uitgestrekt, heeft de Commissie om budgettaire redenen twee verschillende beschikkingen moeten geven betreffende de kosten met betrekking tot telkens één begrotingsjaar (1997 in de zaak Nederland/Commissie, reeds aangehaald, en 1998 in deze zaak).
37 In deze omstandigheden lijkt het niet onredelijk, voor beide begrotingsjaren hetzelfde correctiepercentage te kiezen. Dit geldt temeer daar niet kon worden bewezen dat het voor 1998 toegepaste percentage het bedrag overschrijdt van de schade die door de niet-inachtneming van de in de communautaire regeling gestelde voorwaarden is ontstaan, en waarvoor Nederland de financiële verantwoordelijkheid moet dragen.
38 Aangezien de forfaitaire correctie die de Commissie heeft toegepast, bovendien niet in een vast bedrag bestaat, maar in een percentage van de financiële bijdrage van de Gemeenschap, die voor 1997 ongeveer 110 miljoen euro bedroeg en voor 1998 ongeveer 6,3 miljoen euro, kan de omstandigheid dat de voor 1998 geconstateerde tekortkomingen geringer waren dan die welke voor 1997 waren geconstateerd, op zich niet de vaststelling van eenzelfde percentage voor beide begrotingsjaren op losse schroeven zetten.
39 Rekening houdend met de beoordelingsmarge waarover de Commissie bij de vaststelling van het percentage van de financiële correctie beschikt, kan daarom niet worden gesteld dat zij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden toen zij een lineaire correctie toepaste en de financiële bijdrage van de Gemeenschap dus ook voor het jaar 1998 met 25 % verminderde.
40 Derhalve moet het derde middel worden afgewezen.
Het vijfde middel
41 Volgens de Nederlandse regering is de bestreden beschikking niet naar behoren gemotiveerd en is daarbij dus niet voldaan aan de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht.
Argumenten van partijen
42 De Nederlandse regering stelt dat op basis van de in de bestreden beschikking gegeven informatie niet kan worden vastgesteld op welke rechtsgrondslag of op welke andere juridische elementen de Commissie haar bezwaren baseert.
43 De Commissie betwist dat de motiveringsplicht niet is nagekomen. Zij beklemtoont dat de omvang van de motiveringsplicht mede wordt bepaald door de mate waarin de adressaat van de beschikking bij de totstandkoming ervan betrokken is geweest. In casu heeft er, net als in de procedure van goedkeuring van de rekeningen van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), een uitvoerige correspondentie plaatsgevonden tussen de diensten van de Commissie en de Nederlandse autoriteiten.
44 Zij voegt hieraan toe dat de rechtsgrondslag duidelijk is aangegeven en dat de argumenten van de Commissie voor de toepassing van een korting worden genoemd in de vierde, de vijfde en de zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking. Deze argumenten zijn nader uitgewerkt in bovengenoemde brief van de heer Coleman van 11 december 2000.
Beoordeling door het Hof
45 Er zij aan herinnerd dat de door artikel 253 EG vereiste motivering weliswaar de redenering van de gemeenschapsinstelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, doch dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd [zie met name arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C-491/01, Jurispr. blz. I-11453, punt 165].
46 Bij de beantwoording van de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen, moet overigens niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de aangevochten handeling, doch ook op de context waarin zij is vastgesteld, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen [arrest British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, reeds aangehaald, punt 166].
47 Dit geldt temeer wanneer de lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de bestreden handeling en dus de redenen kent die aan deze handeling ten grondslag liggen (zie, met betrekking tot de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen, arrest van 1 oktober 1998, Nederland/Commissie, C-27/94, Jurispr. blz. I-5581, punt 36, en, met betrekking tot de totaal toegestane visvangsten, arrest van 25 oktober 2001, Italië/Raad, C-120/99, Jurispr. blz. I-7997, punt 29).
48 In casu is het Koninkrijk der Nederlanden nauw betrokken geweest bij de voorbereiding van de bestreden beschikking en kende het dus de redenen waarom de Commissie van mening was dat zij de betrokken bedragen in aftrek kon brengen. In dergelijke omstandigheden is het niet nodig, in de eindbeschikking de redenering tot in de details te herhalen en moet een beknopte motivering toereikend worden geacht. De bestreden beschikking voldoet aan deze vereisten.
49 Aangezien er dus geen sprake is van een ontoereikende motivering, moet het vijfde middel worden afgewezen.
50 Aangezien alle middelen zijn afgewezen, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
51 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten.
Timmermans
Edward
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 november 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy