Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Mededinging - Administratieve procedure - Onderzoek van klachten - Buitensporig lange duur - Gevolgen
2. Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van aan Gerecht voorgelegde bewijzen - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
3. Hogere voorziening - Middelen - Ontvankelijkheid - Voorwaarden
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
Samenvatting
1. Een buitensporig lange duur van de behandeling van een klacht over een schending van de mededingingsregels kan in beginsel geen invloed hebben op de inhoud van de uiteindelijke beschikking van de Commissie. Behalve in uitzonderlijke omstandigheden kan dit namelijk geen wijziging brengen in de materiële elementen die, naar gelang van het geval, al dan niet een inbreuk op de mededingingsregels aantonen dan wel rechtvaardigen dat de Commissie geen onderzoek instelt.
( cf. punt 34 )
2. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen - voorzover uit de hem overgelegde processtukken niet blijkt dat zijn bevindingen feitelijk onjuist zijn - en om deze feiten te waarderen. De waardering van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening, behoudens in geval van verkeerde voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijsmiddelen.
( cf. punt 41 )
3. Een hogere voorziening moet niet alleen nauwkeurig de gewraakte onderdelen aangeven van het arrest waarvan vernietiging wordt gevorderd, maar ook de juridische argumenten die specifiek aan die vordering ten grondslag liggen.
( cf. punt 44 )
Partijen
In zaak C-1/01 P,
Asia Motor France SA, gevestigd te Chemille (Frankrijk), in staat van faillissement,
André François Bach, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van het bedrijf van Jean-Michel Cesbron, wonende te Chemille,
Monin automobiles SA, in staat van faillissement, gevestigd te Bourg-de-Péage (Frankrijk),
allen vertegenwoordigd door J.-C. Fourgoux, advocat, en domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 26 oktober 2000, Asia Motor France e.a./Commissie, (T-154/98, Jurispr. blz. II-3453), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marenco en F. Siredey-Garnier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Europe auto services SA (EAS), gevestigd te Livange (Luxemburg),
verzoekster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, kamerpresident, R. Schintgen, (rapporteur) en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 januari 2001, hebben Asia Motor France SA, A.-F. Bach, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van het bedrijf van J.-M. Cesbron, en Monin automobiles SA krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 26 oktober 2000, Asia Motor France e.a./Commissie (T-154/98, Jurispr. blz. II-3453; hierna: bestreden arrest"), waarbij hun beroepen - strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 juli 1998 tot afwijzing van de klachten van rekwiranten en van Europe auto services SA (hierna: EAS") over onderling afgestemde praktijken die volgens hen in strijd waren met artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) (hierna: litigieuze beschikking"), en tot verlening van akte aan rekwiranten dat zij zich het recht voorbehielden om schadevergoeding te vorderen - zijn verworpen.
Feiten
2 Rekwiranten en EAS hielden zich bezig met de invoer en de verhandeling in Frankrijk van voertuigen van Japanse merken die in andere lidstaten van de Gemeenschap, zoals België en Luxemburg, in het vrije verkeer waren gebracht. Zij verkeren thans in staat van faillissement.
3 Van oordeel dat hij het slachtoffer was van een ongeoorloofde mededingingsregeling van vijf importeurs van Japanse auto's in Frankrijk, te weten Sidat Toyota France, Mazda France Motors, Honda France, Mitsubishi Sonauto en Richard Nissan SA, diende een van de verzoekers in de procedure voor het Gerecht, te weten J.-M. Cesbron, op 18 november 1985 bij de Commissie een klacht in over schending van onder meer artikel 85 EG-Verdrag.
4 Op 29 november 1988 dienden rekwiranten en EAS een nieuwe klacht tegen dezelfde vijf importeurs in. Blijkens punt 4 van het bestreden arrest stelden de klagers in het bijzonder, dat deze importeurs van Japanse auto's zich jegens de Franse administratie hadden verbonden, op de Franse binnenlandse markt niet meer auto's te verkopen dan 3 % van het aantal voertuigen dat in het voorafgaande kalenderjaar op het gehele Franse grondgebied in de kentekenregistratie was opgenomen. Deze importeurs zouden hebben afgesproken, dit quotum onderling te verdelen volgens een vooraf vastgestelde verdeelsleutel, en elke andere onderneming uit te sluiten die in Frankrijk Japanse auto's van andere merken wilde distribueren dan die welke werden gedistribueerd door de partijen bij de gestelde mededingingsregeling.
5 Het eerste beroep dat rekwiranten en EAS bij het Gerecht instelden, onder meer strekkende tot vaststelling dat de Commissie had nagelaten jegens hen een beschikking te geven op grond van artikel 85 van het Verdrag, werd door het Gerecht verworpen bij arrest van 18 september 1992, Asia Motor France (T-28/90, Jurispr. blz. II-2285) op grond dat op de conclusies van het verzoekschrift niet meer hoefde te worden beslist nu de Commissie rekwiranten en EAS bij brief van 5 december 1991 in kennis had gesteld van haar beschikking tot afwijzing van hun klachten.
6 Uit punt 13 van het bestreden arrest blijkt voorts, dat een van de redenen voor de afwijzing van de klachten de overweging was, dat de gedragingen van de vijf aangeklaagde importeurs een onderdeel vormden van het beleid van de Franse overheid ter zake van de invoer van Japanse auto's in Frankrijk en dat de Franse overheid in het kader van dat beleid niet alleen het totale aantal voertuigen dat jaarlijks werd toegelaten, maar ook de verdeelsleutel daarvoor bepaalde.
7 Bij arrest van 29 juni 1993, Asia Motor France e.a. (T-7/92, Jurispr. blz. II-669, hierna: Asia Motor France II") verklaarde het Gerecht de beschikking van 5 december 1991 nietig voorzover zij betrekking had op artikel 85 van het Verdrag.
8 Na in punt 48 van dat arrest te hebben overwogen dat de verklaring van de Franse autoriteiten dat de marktdeelnemers bij de uitvoering van de door de Franse overheid ingestelde regeling over geen enkele autonomie beschikten, door geen enkel schriftelijk bewijs werd gestaafd, concludeerde het Gerecht in punt 55 dat de beschikking van 5 december 1991, voorzover zij de klachten afwees op de grond dat de betrokken marktdeelnemers over geen enkele autonomie of speelruimte" beschikten, terwijl klagers die grond met nauwkeurige en uitvoerige, aan de Commissie voorgelegde bewijselementen hadden bestreden, een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten bevatte, die had geleid tot een dwaling ten aanzien van het recht met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op de gedragingen van de betrokken importeurs.
9 Naar aanleiding van het arrest Asia Motor France II stelde de Commissie een hernieuwd onderzoek in, onder meer bij de Franse autoriteiten. Vervolgens deelde zij rekwiranten en EAS bij brief van 13 oktober 1994 mee, dat zij hun klachten opnieuw verwierp. Deze beschikking berustte op dezelfde overwegingen als de in punt 6 van de onderhavige beschikking genoemde.
10 Bij arrest van 18 september 1996, Asia Motor France (T-387/94, Jurispr. blz. II-961, hierna: Asia Motor France III") verklaarde het Gerecht deze nieuwe beschikking nietig voorzover daarbij de klachten van rekwiranten en van EAS waren afgewezen.
11 In dit arrest stelde het Gerecht achtereenvolgens vast dat:
- de Franse autoriteiten zelf hadden bevestigd, dat geen bepaling van Frans recht de importeurs van Japanse auto's in het Franse moederland de in de klachten gelaakte handelwijze had voorgeschreven (punt 64);
- de Commissie aan haar beschikking van 13 oktober 1994, voorzover deze betrekking had op de klachten over de invoer van Japanse voertuigen in het Franse moederland, dezelfde elementen ten grondslag had gelegd als waarop zij in haar beschikking van 5 december 1991 de conclusie had gebaseerd, dat de betrokken marktdeelnemers over geen enkele autonomie of speelruimte" beschikten (punt 66);
- geen enkel gegeven uit het dossier de conclusie toeliet dat inderdaad indirecte druk op de importeurs was uitgeoefend door hun erkenning in te trekken of door hen uit te sluiten van de regeling van de toelating per type voor nieuwe modellen, en dat deze kwestie tijdens de administratieve procedure noch bij de Franse autoriteiten, noch bij de importeurs in het Franse moederland was onderzocht (punt 68);
- de Commissie ter terechtzitting had gepreciseerd dat het besluit van de Franse administratie om geen andere Japanse merken dan die van de vijf betrokken importeurs toe te laten, een bestanddeel was van de regeling die was ingevoerd om de doordringing van Japanse auto's op de Franse markt in het moederland te beperken tot 3 % van die markt, en kon worden beschouwd als de tegenprestatie" voor de aanvaarding door de importeurs van het door de administratie wenselijk geachte beleid, hetgeen op het eerste gezicht het bestaan van door de Franse autoriteiten uitgeoefende onweerstaanbare druk leek uit te sluiten (punt 69).
12 Uit het voorgaande concludeerde het Gerecht, dat de beschikking [van 13 oktober 1994] bij gebreke van nieuwe elementen betreffende de in het Franse moederland toepasselijke invoerregeling, niet berust op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat de Franse autoriteiten eenzijdig onweerstaanbare druk hebben uitgeoefend op de betrokken ondernemingen om deze ertoe te brengen de in de klachten gelaakte handelwijze te volgen" (punt 70). Ook concludeerde het, dat bij gebreke van bewijzen voor het bestaan van onweerstaanbare druk [...] waardoor de importeurs zouden zijn gedwongen een beperking van hun invoer te aanvaarden, [...] de handelwijze van de importeurs die zich richten naar de wensen van de Franse administratie, daarbij rekening houdend met alle relevante gevaren en voordelen, als de uitoefening van een commerciële keuze [dient] te worden beschouwd" (punt 71, tweede volzin).
13 Tegen deze achtergrond besliste het Gerecht, dat de Commissie de feiten kennelijk onjuist had gewaardeerd door uit de haar ter beschikking staande gegevens af te leiden dat de handelwijze van de in het Franse moederland erkende importeurs zo weinig autonoom was, dat zij daarom niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag viel (punt 71, eerste volzin).
14 Na het arrest Asia Motor France III verrichtte de Commissie nader onderzoek met betrekking tot de klachten van rekwiranten en EAS. Gezien de antwoorden van de aangeklaagde importeurs op inlichtingenverzoeken van de Commissie, deelde de Commissie de opstellers van de klachten bij brief van 16 juli 1998 de litigieuze beschikking mee.
15 Blijkens punt 52 van het bestreden arrest berustte laatstgenoemde beschikking in het bijzonder op de volgende overwegingen:
[...] ,gedurende de betrokken periode heeft de Franse overheid telkens aan het begin van het jaar voor elk van de officiële importeurs het aantal voertuigen vastgesteld dat zij mochten invoeren. De verdeling van het globale quotum van 3 % kwam dus geheel voor de verantwoording van de Franse overheid. In tegenstelling tot hetgeen klagers beweren, heeft de verdeling niet op initiatief van de importeurs plaatsgevonden; dezen hebben zich moeten houden aan de verkoopquota die eenzijdig door de overheid waren opgelegd. Het blijkt dus dat er wat de verdeling van het globale quotum betreft, geen wilsovereenstemming is geweest tussen de vijf importeurs en dus ook geen overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1. (punt 6)
[...] ,de Franse overheid heeft geen druk uitgeoefend op de groep importeurs om onderling tot overeenstemming te komen inzake de naleving van het globale quotum van 3 %, maar zij heeft iedere importeur afzonderlijk onder druk gezet om zich aan een door de overheid zelf bepaald deel te houden. Om haar doel te bereiken was het niet nodig dat de importeurs onderling met elkaar in contact stonden. (punt 12)"
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
16 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 september 1998, hebben rekwiranten en EAS nietigverklaring verzocht van de litigieuze beschikking en hebben zij het Gerecht verzocht hun akte te verlenen dat zij zich het recht voorbehouden om vergoeding van de geleden schade te vorderen..
17 Bij beschikking van 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie (T-154/98, Jurispr. blz. II-1703) heeft het Gerecht dit beroep ontvankelijk verklaard, voorzover het klaagde over een kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG).
18 In het bestreden arrest heeft het Gerecht allereerst in de punten 42 tot en met 45 het door rekwiranten en EAS voor het eerst bij repliek voorgedragen middel, inhoudende dat de termijn die de Commissie nodig heeft gehad voor een beslissing op hun klachten, veel te lang was geweest en dat de Commissie daardoor inbreuk had gemaakt op het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces (zie onder meer arrest van het Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 21), niet-ontvankelijk verklaard omdat dit een nieuw middel betrof dat in de loop van de procedure was voorgedragen
19 Naar aanleiding van het argument van rekwiranten en EAS dat het Gerecht de schending van dat beginsel ambtshalve behoort te onderzoeken omdat het een grondrecht betreft dat wordt gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM") en dat ingevolge artikel F, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans na wijziging, artikel 6, leden 1 en 2, EU) door de Unie moet worden geëerbiedigd, merkt het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest op, dat het ambtshalve kan onderzoeken of wezenlijke vormvoorschriften en inzonderheid door de communautaire rechtsorde verleende procedurele waarborgen zijn geschonden. Omdat het Gerecht echter al had moeten beslissen, welke middelen in het verzoekschrift regelmatig waren voorgedragen (zie beschikking Asia Motor France e.a./Commissie van 21 mei 1999, reeds aangehaald), behoefde naar zijn oordeel in casu niet tot een dergelijk ambtshalve onderzoek te worden overgegaan.
20 In punt 48 van het bestreden arrest merkte het Gerecht vervolgens op, dat het in het kader van een beroep ex artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) niet aan de gemeenschapsrechter is om een der partijen akte te verlenen van het feit dat deze zich het recht voorbehoudt om een schadevordering in te stellen. Dienovereenkomstig verklaarde het de desbetreffende vordering niet-ontvankelijk.
21 Ten slotte onderzocht het de gegrondheid van de twee middelen die het in zijn voornoemde beschikking Asia Motor France e.a./Commissie ontvankelijk had verklaard.
22 In verband met het middel betreffende een kennelijke beoordelingsfout bespreekt het Gerecht in de punten 79, 80, 81 en 84 van het bestreden arrest een aantal nieuwe gegevens die de Commissie had verzameld tijdens haar nadere onderzoek na het arrest Asia Motor France III. In punt 85 leidt het hieruit af, dat de conclusie van de Commissie dat de klachten van verzoekers wegens het ontbreken van een mededingingsregeling als bedoeld in artikel 85, lid 1, van het Verdrag ongegrond zijn, op objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen berust.
23 In punt 87 van het bestreden arrest voegt het Gerecht hieraan toe, dat de nieuwe gegevens die bij het nadere onderzoek na het arrest Asia Motor France III waren verzameld, overigens een nieuw licht konden werpen op de elementen waaraan het Gerecht in zijn arresten Asia Motor France II en Asia Motor France III een grote bewijskracht had toegekend voor het bestaan van een vermoedelijke wilsovereenstemming.
24 In het bijzonder met betrekking tot het in punt 69 van het arrest Asia Motor France III vermelde feit dat de vijf betrokken importeurs een tegenprestatie" hadden genoten in de vorm van het besluit van de Franse overheid om geen andere Japanse merken te erkennen dan die van de betrokken importeurs, oordeelde het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest, dat de door de Commissie ter terechtzitting gegeven verklaring, dat de Franse overheid op die manier het gevoerde beleid minder onaangenaam wilde maken, in redelijkheid kan worden aanvaard".
25 Met betrekking tot de klacht dat de Commissie - in strijd met artikel 176 van het Verdrag - niet de maatregelen had genomen die noodzakelijk waren ter uitvoering van het arrest Asia Motor France III, heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie naar aanleiding van het arrest Asia Motor France III en in het bijzonder van het in punt 69 daarvan geuite verwijt dat zij niet bij de Franse overheid of bij de importeurs in het Franse moederland had nagegaan of de overheid inderdaad druk had uitgeoefend op de importeurs om een beperking van hun invoer te aanvaarden, die importeurs nu juist had verzocht om haar onder meer bewijsmateriaal te leveren, dat zij aan een dergelijke druk hadden blootgestaan en deze niet hadden kunnen weerstaan. Het Gerecht heeft hieraan toegevoegd dat de bewering dat de vragen die de Commissie daartoe aan die importeurs had gesteld in haar inlichtingenverzoeken, niet adequaat of tendentieus zouden zijn geweest, moest worden afgewezen nu die vragen klaarblijkelijk waren geformuleerd met inachtneming van de motivering van het arrest Asia Motor France III, terwijl uit de motivering van dat arrest niet kon worden afgeleid dat de Commissie in het kader van haar nadere onderzoek ook inlichtingen had moeten inwinnen bij de Franse autoriteiten.
26 In punt 104 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bovendien het argument dat de bij dit nadere onderzoek verkregen gegevens niet relevant zouden zijn en door de Commissie niet serieus zouden zijn geanalyseerd, verworpen, daarbij verwijzend naar de punten 78-90 van dat arrest waarin het reeds had vastgesteld dat die gegevens, tezamen met de gegevens waarover de Commissie reeds beschikte, rechtens genoegzaam haar conclusie konden wettigen dat de door rekwiranten en EAS ingediende klachten moesten worden afgewezen wegens het ontbreken van een bij artikel 85, lid 1, van het Verdrag verboden mededingingsregeling.
27 Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.
De hogere voorziening
28 In hun hogere voorziening vorderen rekwiranten vernietiging van het bestreden arrest, nietigverklaring van de litigieuze beschikking en veroordeling van de Commissie in de kosten.
29 Rekwiranten voeren twee middelen aan, te weten schending van grondrechten en kennelijke feitelijke en juridische dwaling, verdraaiing van feiten, tegenstrijdigheden, ontoereikende motivering en schending van artikel 176 EG-Verdrag".
30 Verder stellen zij dat niet valt in te zien wat het Gerecht belette om rekwiranten akte te verlenen, dat zij zich [het recht] voorbehielden om een aparte schadevergoedingsactie in te stellen op grond van artikel 288 EG".
31 De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen en rekwiranten in de kosten te verwijzen.
Beoordeling door het Hof
32 Ingevolge artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof een hogere voorziening, wanneer deze kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Het eerste middel
33 Het eerste middel klaagt, dat het Gerecht de gestelde schending van het beginsel van de redelijke termijn niet ambtshalve heeft behandeld en dat het daarmee het vereiste van een eerlijk proces heeft miskend, dat onder meer in artikel 6, lid 1, EVRM is neergelegd en door het Hof in punt 21 van het reeds genoemde arrest Baustahlgewebe is erkend als een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.
34 Het Hof heeft evenwel reeds uitgemaakt dat een buitensporig lange duur van de behandeling van een klacht over een schending van, onder meer, artikel 85, lid 1, van het Verdrag in beginsel geen invloed kan hebben op de inhoud van de uiteindelijke beschikking van de Commissie. Behalve in uitzonderlijke omstandigheden kan dit namelijk geen wijziging brengen in de materiële elementen die, naar gelang van het geval, al dan niet een inbreuk op de mededingingsregels aantonen dan wel rechtvaardigen dat de Commissie geen onderzoek instelt (beschikking van 13 december 2000, SGA/Commissie, C-39/00 P, Jurispr. blz. I-11201, punt 44).
35 In het licht hiervan heeft het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest terecht besloten om de beweerdelijk onredelijk lange duur van de procedure voor de Commissie niet ambtshalve te onderzoeken.
36 Het eerste middel moet daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel
37 In hun tweede middel stellen rekwiranten dat de arresten Asia Motor France II en Asia Motor France III, waartegen de Commissie geen hogere voorziening heeft ingesteld, een verzameling bevindingen en redeneringen bevatten met een zodanige precedentwerking, dat ze niet kunnen worden genegeerd, verdraaid of tegengesproken". Zij verwijzen in dit verband naar een aantal passages uit die arresten waaruit zou blijken dat moest worden aangetoond, dat de aangeklaagde importeurs geen enkele autonomie bezaten" en niet over enige speelruimte beschikten", dat er geen wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waren die deze importeurs verplichtte hun marktaandeel te beperken, en dat die importeurs op basis van een commerciële beslissing" deelnamen aan een regeling" waarin de beslissing van de Franse overheid om geen andere Japanse automerken toe te laten dan die van genoemde importeurs, een tegenprestatie" vormde voor hun eigen verbintenissen" tot zelfbeperking.
38 Door in het bestreden arrest de uitleg van de Commissie ter terechtzitting te aanvaarden, dat de Franse overheid met dit besluit om geen andere Japanse automerken toe te laten, haar beleid minder onaangenaam wilde maken", heeft het Gerecht de in de twee voorafgaande arresten opgebouwde basis eenvoudigweg van tafel geveegd". Aldus heeft het feiten kennelijk onjuist juridisch gekwalificeerd, een oneigenlijke betekenis toegekend aan woorden waarvan de betekenis niet lichtvaardig mag worden verdraaid, zoals ,regeling, ,tegenprestatie, ,verbintenis [...] of ,commerciële beslissing" en heeft het zichzelf tegengesproken alsof het niets had beslist en er geen juridische of feitelijke gegevens waren waarmee rekening moest worden gehouden", aldus rekwiranten.
39 Met dit middel verwijten rekwiranten het Gerecht in wezen, dat het de bevindingen van de arresten Asia Motor France II en Asia Motor France III niet heeft bevestigd en de litigieuze beschikking niet naar het voorbeeld van de eerdere beschikkingen van 5 december 1991 en 13 oktober 1994 nietig heeft verklaard wegens een onjuiste waardering van de feiten ten gevolge waarvan de Commissie tot een onjuiste rechtsopvatting is gekomen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op de gedragingen van de betrokken importeurs.
40 Blijkens punt 22 van de onderhavige beschikking heeft het Gerecht in het bestreden arrest echter de nieuwe gegevens duidelijk vermeld die de Commissie had verzameld tijdens haar onderzoek na het arrest Asia Motor France III, op grond waarvan de Commissie naar zijn oordeel de klachten van rekwiranten ditmaal terecht als ongegrond had afgewezen.
41 Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen - voorzover uit de hem overgelegde processtukken niet blijkt dat zijn bevindingen feitelijk onjuist zijn - en om deze feiten te waarderen. De waardering van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van verkeerde voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijsmiddelen (zie arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie, C-237/98 P, Jurispr. blz. I-4549, punt 35, en beschikking van 13 december 2000, Sodima/Commissie, C-44/00 P, Jurispr. blz. I-11231, punt 38).
42 Rekwiranten hebben op geen enkele wijze de juistheid betwist van de nieuwe gegevens waarop het Gerecht zijn oordeel heeft gebaseerd dat de Commissie bij de litigieuze beschikking de klachten uiteindelijk terecht heeft afgewezen.
43 Het tweede middel moet daarom eveneens kennelijk ongegrond worden verklaard.
De weigering van het Gerecht om rekwiranten akte te verlenen, dat zij zich het recht voorbehouden om een vordering tot schadevergoeding tegen de Commissie in te stellen
44 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking, dat een hogere voorziening niet alleen nauwkeurig de gewraakte onderdelen moet aangeven van het arrest waarvan vernietiging wordt gevorderd, maar ook de juridische argumenten die specifiek aan die vordering ten grondslag liggen (beschikking Sodima/Commissie, reeds aangehaald, punt 39).
45 Rekwiranten beperken zich tot de opmerking, dat niet valt in te zien wat het Gerecht belette om rekwiranten akte te verlenen, dat zij zich [het recht] voorbehielden om een aparte schadevergoedingsactie in te stellen op grond van artikel 288 [...] EG". Daarmee voldoen zij niet aan het in het vorige punt genoemde vereiste.
46 De hogere voorziening moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard voorzover zij is gericht tegen de weigering van het Gerecht om rekwiranten akte te verlenen, dat zij zich het recht voorbehouden om een vordering tot schadevergoeding tegen de Commissie in te stellen.
47 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond is en bijgevolg met toepassing van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie veroordeling van rekwiranten in de kosten heeft gevorderd en rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Asia Motor France SA, A.-F. Bach, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van het bedrijf van J.-M. Cesbron, en Monin automobiles SA worden verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy