Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Aanvang
[EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea, EG); Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 43; Statuut-EGA van het Hof van Justitie, art. 44]
2. Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Stuiting - Voorwaarden - Schadevordering of verzoek om maatregelen van instructie voor nationale rechter - Daarvan uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea, EG); Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 43 en 46, eerste alinea; Statuut-EGA van het Hof van Justitie, art. 44 en 47, eerste alinea]
Samenvatting
1. Uit artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag (thans artikel 288, tweede alinea, EG) en artikel 44 van het Statuut-EGA van het Hof van Justitie, dat geheel gelijkluidend is aan artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, volgt dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en het daaruit voortvloeiende recht op schadevergoeding moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten het bestaan van een onrechtmatige handeling van de communautaire instellingen, werkelijke schade en een causaal verband tussen beide. In het geval van de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid kan de verjaringstermijn dus niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd.
( cf. punten 29-30 )
2. Afgezien van de omstandigheid dat artikel 43 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie en artikel 44 van het Statuut-EGA van het Hof van Justitie alleen over stuiting van de verjaring spreken, blijkt uit de tekst van deze bepalingen dat in de twee daarin genoemde gevallen een beroep moet zijn ingesteld bij het Hof of het Gerecht, die deze bepalingen moeten toepassen krachtens artikel 46, eerste alinea, respectievelijk artikel 47, eerste alinea, van deze statuten. Daarentegen kan een soortgelijke vordering voor een nationale rechter, dit wil zeggen een schadevergoedingsactie, of een verzoek om maatregelen van instructie, zoals het verzoek een deskundige te benoemen, of een bij een nationale rechter ingediend verzoek om conservatoire maatregelen geen stuitende werking hebben.
( cf. punt 56 )
Partijen
In zaak C-136/01 P,
Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi Snc, gevestigd te Ispra (Italië), vertegenwoordigd door F. Venuti, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 17 januari 2001, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/EGA (T-124/99, Jurispr. blz. II-53), strekkende tot vernietiging van deze beschikking,
andere partij bij de procedure:
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, vertegenwoordigd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op haar beurt vertegenwoordigd door H. Speyart en P. Stancanelli als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), kamerpresident, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 maart 2001, heeft Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi Snc (hierna: Autosalone") krachtens artikel 50, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EGA hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 17 januari 2001, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/EGA (T-124/99, Jurispr. blz. II-53; hierna: bestreden beschikking"), waarbij het Gerecht haar verzoek om vast te stellen dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van de overstroming die in de nacht van 1 op 2 juni 1992 te Ispra heeft plaatsgevonden, en om deze Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van deze schade, niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Rechtskader
2 Artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA, dat krachtens artikel 47 van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, bepaalt:
De vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, hetwelk de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden bepaald in artikel 146; de tweede alinea van artikel 148 is van overeenkomstige toepassing."
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
3 De feiten en de voorgeschiedenis van het geding worden in de bestreden beschikking beschreven als volgt:
2 In de nacht van 1 op 2 juni 1992 werd de gemeente Ispra getroffen door een hevig noodweer, dat zware overstromingen veroorzaakte die met name schade veroorzaakten aan het eigendom van verzoekster.
3 De overstroming van verzoeksters eigendom vond plaats na het overlopen van een afvoerkanaal in het stadsdeel van Ispra waarin het eigendom van verzoekster is gelegen. Dit afvoerkanaal loopt langs verzoeksters eigendom, volgt dan een kort onoverdekt traject, waarna het eerst uitmondt in een tunnel die onder een spoorlijn doorloopt, en vervolgens in een afvoerpijp onder het terrein dat toebehoort aan het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (hierna: ,GCO) van de EGA.
4 Door deze overstroming heeft verzoekster een aanzienlijke schade geleden, die door de door haar ingeschakelde deskundige in diens rapport van 14 oktober 1993 wordt geraamd op 1 245 000 000 Italiaanse lire (ITL).
5 Bij aangetekende brief van 17 juni 1992 eiste verzoekster van het GCO vergoeding van de schade die zij had geleden als gevolg van het feit dat het afvoerkanaal waarvan de afvoerpijp onder het GCO doorliep het afval- en regenwater niet had kunnen afvoeren, doordat een door het GCO in de monding van het afvoerkanaal aangebracht rooster verstopt was geraakt door het met het afgevoerde water meegevoerde afval.
6 Op 20 juli 1992 antwoordde het GCO dat zijn diensten de nodige verificaties uitvoerden om het bestaan van aansprakelijkheid als gevolg van de betrokken overstroming te kunnen vaststellen.
7 Op 22 februari 1993 stelde de verzekeringsmaatschappij van het GCO, de Cigna Insurance Company of Europe SA, beroep in bij het Tribunale di Varese, strekkende tot het gelasten van een technische expertise betreffende de situatie ter plaatse en de toestand en de staat van de door de overstroming getroffen goederen, met het oog op de vaststelling van aansprakelijkheid van het GCO jegens de omwonenden. Bij beschikking van het Tribunale di Varese van 27 maart 1993 werd deze expertise opgedragen aan de deskundige Speroni, die binnen 90 dagen zijn rapport moest uitbrengen.
8 Het door Speroni opgestelde deskundigenrapport werd op 10 mei 1995 neergelegd ter griffie van het Tribunale di Varese. In dit rapport wordt onder meer verklaard:
,Uit de op de betrokken plaats verzamelde informatie blijkt dat op het tijdstip van de overstroming de instijgschacht stroomafwaarts van de spoorlijn voorzien was van een stevig metalen rooster, dat diverse door het water meegevoerde materialen (planken, boomstammen) tegenhield, waardoor de afvoer verstopt raakte en stroomopwaarts overstromingen ontstonden.
9 Bij akte van 28 februari 1996 stelde verzoekster krachtens het nationale recht voor het Tribunale di Varese beroep tot schadevergoeding in tegen de Commissie. Die zaak, in het kader waarvan de Commissie de niet-ontvankelijkheid van de betrokken vordering heeft aangevoerd, was op het moment van indiening van het verweerschrift van de Commissie in de onderhavige zaak nog aanhangig."
Het beroep bij het Gerecht
4 In deze omstandigheden heeft Autosalone op 21 mei 1999 beroep bij het Gerecht ingesteld. Zij verzocht vast te stellen dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aansprakelijk is voor de geleden schade, en deze laatste dus te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1 245 000 000 ITL, vermeerderd met compenserende interessen en rente over dit bedrag.
5 In haar verweerschrift stelde de Commissie in wezen dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens verjaring van de eraan ten grondslag liggende vordering. Volgens artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA verjaren vorderingen die op niet-contractuele aansprakelijkheid zijn gebaseerd, namelijk vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven (arrest Hof van 27 januari 1982, Birra Wührer e.a./Raad en Commissie, 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Jurispr. blz. 85, punt 10). In casu ving de verjaring dus aan op 1 juni 1992.
6 Autosalone verklaarde daarentegen dat zij pas na ontvangst, op 10 mei 1995, van het door Speroni opgestelde deskundigenrapport kennis heeft genomen van de oorzaken van de door haar geleden schade. Vóór deze datum had zij onmogelijk op de hoogte kunnen zijn van de aan die schade ten grondslag liggende feiten of van het causale verband daartussen, aangezien zij enerzijds te goeder trouw de uitkomst van de door verweerster aangevraagde expertise heeft afgewacht en anderzijds geen toegang had tot het complex van het GCO.
7 Voorts wees Autosalone erop dat in de door de Commissie aangehaalde rechtspraak wordt gepreciseerd dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voortvloeit uit de combinatie van drie factoren: een onrechtmatige handeling, schade en een causaal verband, aldus punt 10 van het arrest Birra Wührer e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald. Die aansprakelijkheid vloeit dus niet voort uit het loutere bestaan van een onrechtmatige handeling. Derhalve kan de verjaringstermijn evenmin aanvangen door het plaatsvinden van deze enkele gebeurtenis.
8 Bovendien betoogde Autosalone dat de brief van het GCO van 20 juli 1992 en de op het verzoek van de Cigna Insurance Company of Europe SA van 10 maart 1993 geëntameerde expertiseprocedure, die eindigde met de indiening van het rapport van Speroni op 10 mei 1995, moeten worden beschouwd als handelingen waardoor de verjaring is gestuit.
De bestreden beschikking
9 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
10 Deze beschikking berust met name op de volgende overwegingen:
21 Volgens artikel 44 van het Statuut-EGA van het Hof verjaart de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid tegen de Gemeenschap vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.
22 De overstroming die de door verzoekster geleden schade heeft veroorzaakt, vond plaats in de nacht van 1 op 2 juni 1992.
23 De door verzoekster aangehaalde rechtspraak, volgens welke de verjaringstermijn van een aansprakelijkheidsactie niet kan aanvangen voordat alle voorwaarden voor het ontstaan van een schadevergoedingsplicht zijn vervuld, beoogt de invoering van een criterium volgens hetwelk, wanneer de aansprakelijkheid van de Gemeenschap haar oorsprong vindt in een normatieve handeling, de schade die het voorwerp vormt van een vordering tot schadevergoeding, moet zijn geconcretiseerd. In dit geval kan de verjaringstermijn derhalve niet aanvangen voordat de schadelijke gevolgen van de handeling zijn ingetreden. Deze rechtspraak betekent dus niet dat wordt afgestapt van het in artikel 44 van het Statuut-EGA genoemde doorslaggevende criterium van het schadeveroorzakende feit - in casu de overstromingen van 1 en 2 juni - doch bevat in wezen slechts een precisering van dit criterium voor het, van het onderhavige geval fundamenteel verschillende geval waarin een beroep wordt ingesteld tot vergoeding van schade die verzoekers kunnen lijden als gevolg van de inwerkingtreding van een op communautair niveau vastgestelde normatieve handeling.
24 Zelfs wanneer deze rechtspraak op het onderhavige geval van toepassing zou zijn, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat niet wordt betwist dat de overstroming die de oorzaak vormt van de door verzoekster geleden schade, zich heeft voorgedaan in de nacht van 1 op 2 juni 1992, en dat de schade onmiddellijk is ingetreden. Verder moet erop worden gewezen, dat uit de brief van verzoekster van 17 juni 1992 aan het GCO blijkt dat zij op dat moment al over voldoende kennis over de omstandigheden in verband met de drie voorwaarden voor aansprakelijkheid beschikte om reeds terstond schadevergoeding te eisen van de Gemeenschap. Het feit dat verzoekster ten tijde van de verzending van deze brief meende nog niet over voldoende bewijsmateriaal te beschikken om de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het kader van een procedure in rechte te kunnen aantonen, kan derhalve de verjaring niet stuiten. Zou dit wel het geval zijn, dan zou er verwarring worden gecreëerd tussen het formele criterium betreffende de aanvang van de verjaringstermijn en de vaststelling dat is voldaan aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid, iets waarover uiteindelijk alleen kan worden beslist door de rechter die wordt verzocht om een eindoordeel in de zaak ten principale.
25 Wat verzoekers stelling aangaande de stuiting van de verjaring betreft, zij opgemerkt dat deze verjaring volgens artikel 44 van het Statuut-EGA wordt gestuit, hetzij door een bij de gemeenschapsrechter ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, gericht tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap, met dien verstande evenwel dat in het laatste geval de stuiting alleen intreedt indien na dit verzoek binnen de in artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) en artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG) - die overeenkomen met de artikelen 146 en 148 EGA-Verdrag, waarnaar bovengenoemd artikel van ['s Hofs] Statuut-EGA verwijst - gestelde termijnen beroep wordt ingesteld [...]
26 De brieven en procedures waarvan verzoekster melding maakt, kunnen duidelijk niet worden beschouwd als een bij het Hof of het Gerecht ingesteld beroep. Bovendien is na geen van de tot de Commissie gerichte handelingen binnen de gestelde termijnen beroep ingesteld. De op 2 juni 1992 aangevangen verjaringstermijn is derhalve op geen enkel moment gestuit overeenkomstig de vereisten van artikel 44 van ['s Hofs] Statuut-EGA (zie, in die zin, beschikking [van het Gerecht van 4 augustus 1999], Fratelli Murri/Commissie, [T-106/98, Jurispr. blz. II-2553], punt 30).
27 Bovendien had verzoekster in casu binnen de bij artikel 44 van ['s Hofs] Statuut-EGA gestelde termijnen ook nog een beroep tot schadevergoeding kunnen instellen na de ontvangst van het rapport van de deskundige Speroni op 10 mei 1995. Zij achtte dit op dat moment echter niet opportuun, aangezien zij ervoor had gekozen beroep in te stellen bij de nationale rechterlijke instanties."
De hogere voorziening
11 In hogere voorziening verzoekt Autosalone het Hof in wezen om de bestreden beschikking te vernietigen, vast te stellen en te verklaren dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie krachtens artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag aansprakelijk is wegens de in het beroep aangevoerde feiten en redenen, die zij in het verzoekschrift in hogere voorziening als overgenomen en ingelast aanmerkt, en deze Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 1 245 000 000 ITL, vermeerderd met compenserende interessen en rente tot aan het tijdstip van feitelijke voldoening, of ieder ander naar billijkheid vastgesteld bedrag.
12 Autosalone verzoekt het Hof, bij wijze van instructiemaatregel de door haar bij het Gerecht ingediende verzoeken om instructiemaatregelen toe te wijzen op de in haar beroep en in het bijzonder in het inleidend verzoekschrift uiteengezette gronden, die zij in het verzoekschrift in hogere voorziening als overgenomen en ingelast aanmerkt.
13 Autosalone baseert haar hogere voorziening enerzijds op schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en anderzijds op verschillende middelen betreffende schending van artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA.
14 De Commissie verzoekt het Hof primair de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond te verklaren, en subsidiair het in eerste aanleg door haar gevorderde toe te wijzen.
15 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het Hof krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering een hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij gemotiveerde beschikking kan afwijzen.
Het eerste middel: schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
Argumenten van Autosalone
16 Autosalone stelt schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht omdat het Gerecht in strijd met deze bepaling de advocaat-generaal niet heeft gehoord.
Beoordeling door het Hof
17 Artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziet weliswaar in het horen van de advocaat-generaal, maar deze bepaling kan krachtens artikel 2, lid 2, tweede alinea, van dit Reglement slechts toepassing vinden in het geval dat een rechter daadwerkelijk als advocaat-generaal is aangewezen.
18 In casu heeft het Gerecht geen advocaat-generaal aangewezen en was het daartoe evenmin gehouden. Uit artikel 18 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt namelijk dat het Gerecht door een advocaat-generaal kan worden bijgestaan, indien het meent dat de juridische moeilijkheid of de feitelijke ingewikkeldheid van de zaak dit vereist.
19 Het eerste middel moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het tweede middel: schending van de verjaringsregel van artikel 44, eerste zin, van 's Hofs Statuut-EGA
20 Autosalone voert verschillende grieven aan ter ondersteuning van haar stelling dat het Gerecht de verjaringstermijn voor vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid niet in acht heeft genomen. Haars inziens wordt ofwel de verjaring van die vorderingen geschorst zolang degene die de vordering kan instellen, niet bekend kan zijn met de aan zijn vergoedingsrecht ten grondslag liggende feiten en hij deze feiten niet afdoende kan vaststellen, ofwel kan de verjaringstermijn niet aanvangen in omstandigheden als die van de onderhavige zaak.
Schending van het vorderingsrecht
Argumenten van Autosalone
21 Autosalone maakt een onderscheid tussen de activiteiten en vragen die inherent zijn aan het vorderingsrecht, en die welke inherent zijn aan de ontvankelijkheid, en betoogt in het eerste onderdeel van haar tweede middel dat de gemeenschapsregeling inzake verjaring, zoals toegepast door het Gerecht, haar vorderingsrecht ongerechtvaardigd beperkt. Het Gerecht heeft haar vorderingsrecht geschonden door de verjaringstermijn te berekenen zonder er rekening mee te houden dat afdoende kennis moet kunnen worden genomen van de in de procedure aan te voeren feiten.
22 De kennis van de feiten houdt verband met het vorderingsrecht, dat veronderstelt dat de verzoeker met deze feiten vóór de instelling van het beroep nauwkeurig en in detail bekend is en ze op hun waarheidsgehalte kan beoordelen alvorens aan de rechter voor te leggen.
23 Volgens Autosalone zijn eventuele feitelijke belemmeringen voor volledige bekendheid met de feiten irrelevant ingeval degene die de vordering heeft, de verjaring geldig kan stuiten zonder daartoe noodzakelijkerwijs een rechtsvordering te hoeven instellen. In een dergelijk geval leiden feitelijke belemmeringen niet tot verjaring van de vordering of van het daaraan ten grondslag liggende recht.
24 Wanneer echter het vorderingsrecht zelf en het eraan ten grondslag liggende recht tenietgaan omdat geen rechtsvordering is ingesteld, spelen de belemmeringen wel een rol voor de loop van de verjaringstermijn, aangezien degene die de vordering heeft, voor de keuze komt te staan om hetzij een vordering in te stellen ofschoon hij de feiten niet kent en niet in staat is geweest ze te onderzoeken, erover te beschikken of ze afdoende na te trekken, hetzij inactief te blijven en dan wegens verjaring zowel de vordering als het eraan ten grondslag liggende recht verliest. Dat is een kennelijke schending van zijn recht om ter bescherming van zijn eigen rechten in rechte op te treden, hetwelk in alle rechtsordes als een fundamenteel recht is erkend.
25 Autosalone verwijt het Gerecht dit bezwaar te hebben genegeerd door in punt 24 van de bestreden beschikking te overwegen dat zij sinds de buitengerechtelijke aanmaning die haar vertegenwoordiger in juni 1992 aan het GCO had gezonden, bekend was geweest met de aan haar vordering ten grondslag liggende feiten. In dezelfde context verwijt Autosalone het Gerecht, het karakter van de buitengerechtelijke aanmaning te hebben miskend. Deze veronderstelt geenszins bekendheid met of natrekking van de betrokken feiten.
Beoordeling door het Hof
26 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat het recht om een vordering bij de gemeenschapsrechter in te stellen slechts kan worden uitgeoefend onder de voorwaarden waarin de bepalingen voor elk specifiek type beroep, in casu het beroep tot schadevergoeding, voorzien. Bijgevolg heeft het Gerecht het vorderingsrecht slechts miskend indien het met name de verjaringsregels voor dit beroep niet correct heeft toegepast.
27 Volgens de tekst van de eerste zin van artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA verjaren de vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.
28 Zoals de Commissie in haar memorie van antwoord terecht heeft gesteld, heeft de verjaring tot doel de bescherming van de rechten van de benadeelde en het rechtszekerheidsbeginsel met elkaar te verenigen. De duur van de verjaringstermijn is vastgesteld met inachtneming van met name de tijd die de mogelijk benadeelde nodig heeft om de voor een eventueel beroep nodige inlichtingen te verzamelen en de feiten na te trekken die hij aan dit beroep ten grondslag kan leggen.
29 Uit artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 288, tweede alinea, EG) en artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA, dat geheel gelijkluidend is aan artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG, volgt dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en het daaruit voortvloeiende recht op schadevergoeding moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten het bestaan van een onrechtmatige handeling van de communautaire instellingen, werkelijke schade en een causaal verband tussen beide (zie arresten Birra Wührer e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 9, en 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C-104/97 P, Jurispr. blz. I-6983, punt 65).
30 In het geval van de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid kan de verjaringstermijn dus niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd (zie arrest Birra Wührer e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 10).
31 Daarentegen is de stelling van Autosalone dat de verjaringstermijn pas ingaat vanaf het tijdstip waarop de benadeelde de betrokken feiten duidelijk en in detail kent, onjuist. Kennis van de feiten behoort niet tot de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de verjaringstermijn te doen ingaan.
32 Volgens punt 50 van het arrest van 7 november 1985, Adams/Commissie (145/83, Jurispr. blz. 3539) kan de verjaringstermijn weliswaar niet aan de gelaedeerde worden tegengeworpen wanneer deze niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de schade heeft doen ontstaan en daardoor niet over een redelijke termijn heeft kunnen beschikken om vóór het verstrijken van de verjaringstermijn een rechtsvordering in te stellen of zijn aanspraken geldend te maken. Dit arrest gaat evenwel niet in op de voorwaarden voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG en van artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA. Voormeld arrest Adams/Commissie betreft veeleer de afloop van de verjaringstermijn. Autosalone bevindt zich hoe dan ook niet in een situatie die vergelijkbaar is met die waarop dat arrest betrekking had, en zij heeft zulks overigens evenmin gesteld.
33 Eveneens irrelevant is dus het betoog van Autosalone dat het Gerecht in punt 24 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat zij sinds de buitengerechtelijke aanmaning kennis had van de aan haar vordering ten grondslag liggende feiten.
34 In punt 23 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA aldus uitgelegd dat het doorslaggevende criterium ter bepaling van de aanvang van de verjaringstermijn het schadeveroorzakende feit is. Blijkens punt 24 van de bestreden beschikking oordeelde het Gerecht evenwel, zij het subsidiair, dat overeenkomstig de in punt 29 van de onderhavige beschikking vermelde rechtspraak de verjaringstermijn is ingegaan op het tijdstip waarop de schade is ingetreden. Ofschoon het Gerecht de verjaringstermijn slechts subsidiair overeenkomstig de regel van de rechtspraak heeft berekend, bleef de door het Gerecht in punt 23 bij de vaststelling van de aanvang van de verjaringstermijn aldus begane vergissing dus zonder gevolgen.
35 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
De onmogelijkheid om vóór 10 mei 1995 beroep in te stellen
Argumenten van Autosalone
36 Volgens het tweede onderdeel van het tweede middel van Autosalone had zij vóór 10 mei 1995, de datum van de indiening van het deskundigenverslag van Speroni, wegens een aantal objectieve factoren gecombineerd met het onrechtmatige gedrag van de Gemeenschap geen beroep kunnen instellen.
37 Wat in de eerste plaats de objectieve oorzaken betreft, stelt Autosalone dat zij twijfels had of ten tijde van de feiten in de monding van het afvoerkanaal voor het afval- en regenwater een rooster was aangebracht, dat een obstakel vormde voor het met het water meegevoerde afval, dat zich ophoopte en het schadelijk feit veroorzaakte. Volgens mondelinge inlichtingen van derden toentertijd was er weliswaar een dergelijk rooster geweest, maar was het niet duidelijk of dit niet was weggehaald wegens de onmiddellijk dreiging van schade.
38 Daar dit niet ter plaatse kon worden nagegaan wegens de immuniteit en extraterritorialiteit van de Gemeenschap, en het GCO niet had willen bevestigen dat tot de dag van de schade het rooster aangebracht was geweest, waren volgens Autosalone de mondelinge inlichtingen waarover zij beschikte, onvoldoende om te goeder trouw beroep bij de gemeenschapsrechter te kunnen instellen. Pas na het door het Tribunale di Varese in het kader van een contradictoire procedure, waarbij de Commissie betrokken was, gelaste voorlopig deskundigenonderzoek kon Autosalone redelijkerwijze zekerheid hebben over het bestaan van het rooster en de potentiële mogelijkheid van schade ervan.
39 In de tweede plaats, aldus Autosalone, kon zij evenmin beroep instellen wegens een onjuist handelen van de Gemeenschap. De aan de schade ten grondslag liggende onrechtmatige niet-contractuele handeling waardoor de schade is veroorzaakt, is een handeling die de openbare veiligheid van personen en goederen in gevaar kan brengen, waarop in artikel 449 van het Italiaanse Wetboek van strafrecht gevangenisstraf van een tot vijf jaar is gesteld. Wegens de immuniteit van de ambtenaren van de Gemeenschap voor de Italiaanse strafwet heeft de Italiaanse justitie tegen de ambtenaren van het GCO geen strafrechtelijk onderzoek naar de feiten en de aansprakelijkheid ingesteld.
40 Volgens Autosalone had de Commissie als verantwoordelijke en eigenaar van de installaties van het GCO evenwel een dergelijk onderzoek moeten instellen. Het beginsel van soevereiniteit en extraterritorialiteit kan de Gemeenschap en de Commissie niet vrijstellen van de nakoming van de aan deze soevereiniteit verbonden plichten tot bescherming van het algemeen belang en van onpartijdigheid, waartoe ongetwijfeld de verplichting behoort om, overeenkomstig een door de Commissie aangegane verbintenis, de verantwoordelijkheid vast te stellen voor handelingen die de openbare veiligheid, de goederen en het leven van personen in gevaar brengen, en om het resultaat van dit onderzoek mee te delen aan belanghebbenden die zich tot haar hebben gericht om schadevergoeding te verkrijgen. Ondanks een dergelijke toezegging van de directeur van het GCO is evenwel niets gedaan om die verplichting na te komen.
41 Volgens Autosalone vormt dit gedrag een voortgezet en aanhoudend verzuim, dat naar Italiaans recht geldt als verzuim en/of als onrechtmatige vertraging van de ambtsuitoefening" (indebito ritardo di atti d'ufficio"), waarop in artikel 328 van het Italiaanse Wetboek van strafrecht gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar is gesteld. De Commissie is in ieder geval aansprakelijk wegens een voortgezet en aanhoudend onrechtmatig gedrag dat volgens artikel 2043 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek de niet-contractuele aansprakelijkheid meebrengt en volgens de Italiaanse rechtspraak ambtsmisbruik" oplevert.
42 Samengevat stelt Autosalone dat zij geen kennis had kunnen verkrijgen van de voor de uitoefening van haar recht nodige feiten en deze evenmin had kunnen natrekken, aangezien zij volkomen te goeder trouw wachtte - en nog steeds wacht - op de mededeling door de Commissie van het resultaat van haar onderzoek.
Beoordeling door het Hof
43 Het betoog dat Autosalone geen afdoende kennis van de feiten kon hebben, gaat uit van de in de punten 31 en 32 van de onderhavige beschikking als onjuist verworpen premisse dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het tijdstip waarop de benadeelde in het bezit is van alle gegevens die hij voor het instellen van een beroep nodig meent te hebben.
44 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
Bekorting van de verjaringstermijn
Argumenten van Autosalone
45 Met deze grief, die het derde onderdeel van het tweede middel vormt, komt Autosalone op tegen de overwegingen van het Gerecht in punt 27 van de bestreden beschikking. Haars inziens zijn haar rechten ernstig geschonden door het Gerecht, dat ervan is uitgegaan dat zij in februari 1996 bij de nationale rechter dezelfde vordering tegen de Commissie heeft ingesteld als die welke aanhangig is voor de gemeenschapsrechter, en daaruit heeft afgeleid dat zij haar vorderingsrecht vóór het verstrijken van de verjaringstermijn had kunnen uitoefenen.
46 Dienaangaande herhaalt Autosalone dat de verjaring de uitzondering op de regel is, welke uitzondering haar rechtvaardiging vindt in het stilzitten gedurende de gehele verjaringstermijn van degene die de vordering kon instellen. Deze termijn mag evenwel niet worden ingekort, met name niet na een onrechtmatige gedraging van de veroorzaker van de schade.
47 Voorts, aldus Autosalone, is het onbegrijpelijk dat een vordering kan verjaren voordat zij kon worden uitgeoefend. Derhalve heeft het Gerecht haars inziens, door de gemeenschapsregel inzake verjaring toe te passen, de verjaringstermijn van de vordering de facto ongeoorloofd bekort van vijf jaar tot iets meer dan twee jaar, of de Gemeenschap in staat gesteld deze termijn door haar onrechtmatig gedrag te bekorten.
Beoordeling door het Hof
48 De grief van Autosalone dat het Gerecht de verjaringstermijn heeft bekort tot iets meer dan twee jaar, berust eveneens op de in de punten 31 en 32 van de onderhavige beschikking verworpen onjuiste premisse betreffende de aanvang van de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA. Autosalone weerlegt namelijk geenszins de vaststelling van het Gerecht dat zij na 10 mei 1995, de datum van indiening van het deskundigenverslag van Speroni, binnen de termijn van dit artikel 44 een beroep tot schadevergoeding had kunnen instellen. In wezen verwijt zij het Gerecht de aanvang van de verjaringstermijn te hebben bepaald op een vroeger tijdstip dan het haars inziens juiste tijdstip.
49 Om de in punt 43 van de onderhavige beschikking uiteengezette redenen is het derde onderdeel van het tweede middel eveneens kennelijk ongegrond.
Het derde en het vierde middel: de gevolgen voor de verjaring van de voor de nationale rechter ingestelde beroepen
Argumenten van Autosalone
50 Na te hebben vastgesteld dat de Commissie voor het Tribunale di Varese geen exceptie van niet-ontvankelijkheid, wegens onbevoegdheid van de nationale rechter, heeft opgeworpen tegen de door Cigna Insurance Company of Europe SA aldaar uit voorzorg ingestelde vordering, stelt Autosalone in de eerste plaats dat deze procedure als een ontvankelijk en relevant onderdeel van het geding voor de gemeenschapsrechter kan en moet worden beschouwd. Die procedure vormt een volwaardig onderdeel van het onderhavige geding. De verjaringstermijn moet dus tijdens de gehele duur van de conservatoire fase of onderzoeksprocedure als geschorst worden beschouwd. De procedure van het voorlopige technische deskundigenonderzoek kan derhalve niet meetellen bij de berekening van de verjaringstermijn.
51 Volgens Autosalone is deze termijn, ook al wordt 2 juni 1992, de datum van de betrokken overstroming, als aanvangsdatum genomen, dus geschorst op 22 februari 1993, de datum van indiening van het verzoek om een voorlopig technisch deskundigenverslag, of uiterlijk op 27 maart 1993, de datum van de eerste terechtzitting voor de nationale rechter en de aanvang van de procedure op tegenspraak met de Commissie, en is eerst opnieuw ingegaan op 11 mei 1995, toen het voorlopige technische deskundigenonderzoek was afgesloten. Deze termijn liep dus af op 18 augustus 1999 of, indien deze eerst op 27 maart 1993 werd geschorst, op 15 juli 1999, dat wil zeggen hoe dan ook geruime tijd na de indiening van het inleidende verzoekschrift bij de gemeenschapsrechter.
52 In de tweede plaats beroept Autosalone zich op de vordering die zij in maart 1997, bij dagvaarding van 28 februari 1996, bij het Tribunale di Varese heeft ingesteld en waarvan de ontvankelijkheid door de Commissie is betwist wegens onbevoegdheid van de geadieerde nationale rechter. Als verweer in eerste aanleg stelde de Commissie dat het voorwerp van deze vordering voor de nationale rechter overeenkwam met dat van de vervolgens bij de gemeenschapsrechter ingestelde vordering, en dat toen reeds een vordering bij de gemeenschapsrechter had kunnen worden ingesteld om de verjaringstermijn op regelmatige wijze te stuiten. De gemeenschapsrechter heeft dit standpunt aanvaard door in punt 27 van de bestreden beschikking deze vordering ten gronde te onderzoeken.
53 De Commissie zou de vordering waartegen zij voor de nationale rechter een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens onbevoegdheid had opgeworpen, thans hebben aanvaard en haar als ontvankelijk en relevant beschouwen voor haar verweer in de procedure voor de gemeenschapsrechter. Bijgevolg, aldus Autosalone, kan zij zich voor haar eigen verdediging ook op deze principale vordering beroepen.
54 Nadere beschouwing daarvan zou uitwijzen dat deze bij de nationale rechter ingestelde vordering niet verjaard is en niet verjaard was toen het beroep bij de gemeenschapsrechter werd ingesteld en dat, nu het om dezelfde vordering gaat als die welke bij de gemeenschapsrechter is ingesteld, de exceptie van verjaring van de vordering in deze laatste procedure moet worden verworpen. Derhalve is het beroep van Autosalone bij de gemeenschapsrechter ontvankelijk, aangezien het juist strekt tot toewijzing van een niet-verjaarde vordering.
55 Bovendien wijst Autosalone op een gedraging van de Commissie in de procedure voor de nationale rechter die onverenigbaar is met haar wil zich op verjaring te beroepen.
Beoordeling door het Hof
56 Afgezien van de omstandigheid dat artikel 43 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 44 van 's Hofs Statuut-EGA alleen over stuiting van de verjaring spreken, blijkt uit de tekst van deze bepalingen dat in de twee daarin genoemde gevallen een beroep moet zijn ingesteld bij het Hof of het Gerecht, die deze bepalingen moeten toepassen krachtens artikel 46, eerste alinea, respectievelijk artikel 47, eerste alinea, van deze statuten. Daarentegen kan een soortgelijke vordering voor een nationale rechter, dit wil zeggen een schadevergoedingsactie, of een verzoek om instructiemaatregelen, zoals het verzoek een deskundige te benoemen, of een bij een nationale rechter ingediend verzoek om conservatoire maatregelen geen stuitende werking hebben.
57 Wat met name de instelling bij de gemeenschapsrechter van een soortgelijk beroep als bij het Tribunale di Varese betreft, is noch het gedrag van de Commissie voor de nationale rechter noch het feit dat het voorwerp van de vordering voor de laatstgenoemde overeenkomt met dat van het door de bestreden beschikking niet-ontvankelijk verklaard beroep, van belang voor de beslechting van het geschil.
58 Het Gerecht heeft derhalve niet het recht geschonden door de verjaringstermijn niet als gestuit te beschouwen ten gevolge van de conservatoire procedure en de bij het Tribunale di Varese ingestelde vordering. Bijgevolg moeten ook het derde en het vierde middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
59 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening in haar geheel kennelijk ongegrond moet worden verklaard zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de door Autosalone gevraagde instructiemaatregelen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft gevorderd, Autosalone in de kosten te verwijzen, en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi Snc wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy