BESCHIKKING VAN HET HOF (Tweede kamer)
30 januari 2002 ( *1 )
In zaak C-151/01 P,
La Conqueste SCEA, gevestigd te Morlaas (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, F. Fabiani en F. Thiriez, avocats, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 30 januari 2001, La Conqueste/Commissie (T-215/00, Jurispr. blz. II-181), strekkende tot vernietiging van die beschikking,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud en X. Lewis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: N. Colneric, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur) en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaatgeneraal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 april 2001, heeft La Conqueste SCEA krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG beroep ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 januari 2001, La Conqueste/Commissie (T-215/00, Jurispr. blz. II-181; hierna: „bestreden beschikking”) waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard het door haar ingestelde beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1338/2000 van de Commissie van 26 juni 2000 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”, bedoeld in verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 154, blz. 5), voorzover daarbij de benaming „canard à foie gras du Sud-Ouest” als beschermde geografische aanduiding is ingeschreven.
Rechtskader
2
Bij verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 535/97 van de Raad van 17 maart 1997 (PB L 83, blz. 3, hierna: „verordening nr. 2081/92”) worden, zoals haar artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, aangeven, voorschriften vastgesteld voor de communautaire bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van bepaalde landbouwproducten en levensmiddelen.
3
Artikel 2, lid 2, sub b, van verordening nr. 2081/92 bepaalt:
„In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
b)
geografische aanduiding': de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
—
dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land
en
—
waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden.”
4
Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2081/92 bepaalt: „Om voor een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) of een beschermde geografische aanduiding (BGA) in aanmerking te komen, moet een product in overeenstemming zijn met een productdossier.” Artikel 4, lid 2, van deze verordening noemt de elementen op die het productdossier ten minste moet omvatten. Zo wordt onder c genoemd: de afbakening van het geografische gebied.
5
De twaalfde overweging van de considerans bij verordening nr. 2081/92 luidt: „Om in elke lidstaat te worden beschermd, [moeten] geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen op communautair niveau [...] worden geregistreerd.” Volgens de dertiende overweging van deze considerans „[moet] de registratieprocedure iedere individueel en rechtstreeks betrokken persoon de gelegenheid [...] bieden om met inschakeling van de lidstaat zijn rechten te doen gelden door bij de Commissie bezwaar aan te tekenen”.
6
In de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92 wordt de procedure vastgesteld voor de „normale” registratie van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen. De registratieaanvraag van een groep van producenten en/of verwerkers of, onder bepaalde voorwaarden, een natuurlijke of rechtspersoon (artikel 5, leden 1 en 2), dient het in artikel 4 van deze verordening bedoelde productdossier te bevatten (artikel 5, lid 3), en moet worden ingediend bij de lidstaat waarin het geografische gebied gelegen is (artikel 5, lid 4). De lidstaat gaat na of de aanvraag gerechtvaardigd is en zendt de aanvraag, samen met voornoemd productdossier en de andere documenten waarop zijn besluit gebaseerd is, naar de Commissie indien hij van mening is dat aan de eisen van deze verordening is voldaan (artikel 5, lid 5).
7
Artikel 6 van verordening nr. 2081/92 stelt de procedure vast volgens welke de Commissie de aanvraag van registratie van een benaming behandelt. Binnen een periode van zes maanden gaat de Commissie door middel van een formeel onderzoek na of de aanvraag alle in artikel 4 bedoelde gegevens bevat (artikel 6, lid 1). Indien de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de benaming voor bescherming in aanmerking komt, publiceert zij een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (artikel 6, lid 2). Indien bij de Commissie geen bezwaren overeenkomstig artikel 7 van deze verordening zijn ingediend, wordt de benaming ingeschreven in een door de Commissie bijgehouden „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” (artikel 6, lid 3). Vervolgens worden de in het register ingeschreven benamingen gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (artikel 6, lid 4). Indien de Commissie daarentegen, rekening houdend met het in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2081/92 bedoelde onderzoek, tot de conclusie is gekomen dat de benaming niet voor bescherming in aanmerking komt, besluit zij volgens de procedure van artikel 15 van deze verordening om niet over te gaan tot de in artikel 6, lid 2, ervan bedoelde bekendmaking (artikel 6, lid 5).
8
Artikel 7 van verordening nr. 2081/92, dat de procedure regelt voor het aantekenen van bezwaar tegen de inschrijving, bepaalt:
„1.
Binnen zes maanden na de datum van de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen kan elke lidstaat tegen de registratie bezwaar aantekenen.
2.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dragen er zorg voor dat alle personen die kunnen aantonen een wettig economisch belang te hebben, gemachtigd zijn om van de ingediende aanvraag kennis te nemen. Daarnaast en in overeenstemming met de bestaande situatie in de lidstaten kunnen zij andere partijen die een wettig belang hebben, inzage verlenen.
3.
Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.
4.
Om ontvankelijk te zijn moet in ieder bezwaarschrift:
—
ofwel worden aangetoond dat aan de in artikel 2 bedoelde voorwaarden niet is voldaan;
—
ofwel worden aangetoond dat met de registratie van de voorgestelde naam schade wordt toegebracht aan een bestaande, geheel of gedeeltelijk homonieme benaming, of aan een bestaand merk, dan wel aan bestaande producten die op het in artikel 6, lid 2, bedoelde tijdstip van bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen al minstens vijf jaar legaal op de markt zijn;
—
ofwel nadere gegevens worden aangedragen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de naam waarvoor registratie wordt aangevraagd, een soortnaam is.
5.
Indien een bezwaar ontvankelijk is in de zin van lid 4, verzoekt de Commissie de betrokken lidstaten om binnen een termijn van drie maanden overeenkomstig hun interne procedures met elkaar tot een akkoord te komen.
a)
Indien een akkoord wordt bereikt, brengen deze lidstaten alle onderdelen van dit akkoord, alsmede het standpunt van de aanvrager en van de opposant, ter kennis van de Commissie. Indien de uit hoofde van artikel 5 ontvangen gegevens niet zijn gewijzigd, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4. In het tegenovergestelde geval leidt zij opnieuw de procedure van artikel 7 in;
b)
Indien geen akkoord wordt bereikt, neemt de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 15 een besluit en houdt daarbij rekening met de loyale en traditionele gebruiken en met de werkelijke risico's van verwarring. Indien wordt besloten tot registratie, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4.”
Feiten van het geschil en procesverloop voor het Gerecht
9
De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden in de bestreden beschikking uiteengezet als volgt:
„7
Verzoekster is een onderneming in het zuidwesten van Frankrijk, die zich bezig houdt met de productie en het uitbroeden van eieren van eenden (canards mulards) en het opfokken en vetmesten van die eenden.
8
Op 5 mei 1999 zond de Franse regering krachtens artikel 5, lid 5, van verordening nr. 2081/92 de Commissie een verzoek tot registratie als beschermde geografische aanduiding van de benaming ‚canard à foie gras du Sud-Ouest’, ingediend door de Association pour la défense du palmipède à foie gras du Sud-Ouest.
9
Dat verzoek werd overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2081/92 op 28 september 1999 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 274, blz. 5).
10
Bij brief van 6 oktober 1999 tekende verzoekster op basis van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 bij de Franse minister van Landbouw en Visserij bezwaar aan tegen die registratie. Zij stelde, onder meer, dat in Frankrijk onvoldoende publiciteit was gegeven aan de procedure tot registratie als beschermde geografische aanduiding van de benaming ‚canard à foie gras du Sud-Ouest’, en dat het productdossier dat bij de registratieaanvraag van de Association pour la défense du palmipède à foie gras du Sud-Ouest was gevoegd, specificaties bevatte die ‚geen enkel verband hielden met de bescherming van de geografische oorsprong’. In het bijzonder betwistte verzoekster de relevantie van de vereisten met betrekking tot de maximumproductiecapaciteit van de inrichtingen voor het opfokken en vetmesten van eenden en betoogde zij, dat die vereisten door de monopoliepositie waarin de kleine ambachtelijke inrichtingen werden gebracht, zeer ernstige gevolgen zouden hebben voor de gezondheid, de hygiëne en de veiligheid van de productie.
11
Verzoekster zond dit bezwaarschrift op 6 oktober 1999 tevens aan de Commissie, die haar bij brief van 20 oktober 1999 meedeelde, dat zij zich overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 tot de bevoegde Franse instanties diende te richten. Bij brief van 2 november 1999 antwoordde verzoekster de Commissie, dat zij het bezwaarschrift zowel aan haar als aan de Franse autoriteiten had gezonden.
12
Op 8 maart 2000 deelde de Franse minister van Landbouw en Visserij verzoekster mee, dat haar bezwaar niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van verordening nr. 2081/92 voldeed en derhalve niet aan de Commissie zou worden gezonden. Met name verklaarde de minister, dat het betoog van verzoekster, dat de beperking van de omvang van de opfok- en vetmestinrichtingen zeer ernstige gevolgen voor de gezondheid, de hygiëne en de veiligheid van de productie zou hebben, niet als juist kon worden aanvaard, ‚omdat de hygiëne- en veiligheidsvoorschriften voor iedereen gelden, ongeacht de omvang van de inrichting’. Bij op 8 april 2000 ingeschreven verzoekschrift stelde verzoekster bij de Franse Conseil d'État een beroep tot nietigverklaring van die beschikking in.
13
Op 28 maart 2000 zond de permanente vertegenwoordiger van Frankrijk bij de Europese Unie de Commissie een nota met een uiteenzetting van de redenen waarom de bevoegde Franse autoriteiten hadden besloten het bezwaar van verzoekster niet aan de Commissie door te zenden.
14
Op 26 juni 2000 stelde de Commissie verordening [...] nr. 1338/2000 vast [...]. Volgens de derde overweging van deze verordening ‚[zijn] bij de Commissie [...] geen bezwaren als bedoeld in artikel 7 van verordening [nr. 2081/92] ingediend naar aanleiding van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming’. De Commissie was derhalve van oordeel, dat de benaming ‚canard à foie gras du Sud-Ouest’ in aanmerking kwam voor inschrijving in het ‚Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen’ en dus voor bescherming in de gehele Gemeenschap als beschermde geografische aanduiding.”
10
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 augustus 2000, heeft verzoekster krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1338/2000 ingesteld.
11
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 oktober 2000, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 21 november 2000 heeft verzoekster haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.
De bestreden beschikking
12
In de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
13
Na te hebben herinnerd aan de vaste rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van een door een particulier tegen een verordening ingesteld beroep tot nietigverklaring, heeft het Gerecht in punt 32 van de bestreden beschikking allereerst overwogen dat verordening nr. 1338/2000 niet tot bepaalde marktdeelnemers, zoals verzoekster, is gericht, maar alle ondernemingen wier producten aan de gestelde geografische en kwalitatieve vereisten voldoen, het recht verleent ze onder de benaming „canard à foie gras du Sud-Ouest” in de handel te brengen, en dat recht ontzegt aan alle ondernemingen wier producten niet aan die — voor alle producenten gelijke — voorwaarden voldoen. Het Gerecht heeft hieruit in punt 33 van de bestreden beschikking afgeleid, dat deze verordening zich aandient als een maatregel van algemene strekking, die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven personen, te weten alle ondernemingen die een product met objectief omschreven kenmerken vervaardigen.
14
Vervolgens heeft het Gerecht verzoeksters argumenten onderzocht, om uit te maken of verordening nr. 1338/2000, ondanks haar algemene strekking en normatief karakter, verzoekster individueel raakt doordat zij haar treft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten aanzien van iedere andere persoon karakteriseert en op overeenkomstige wijze als de adressaat van een beschikking individualiseert.
15
Verzoekster stelde dat, aangezien haar activiteit als een verticaal geïntegreerde productie is georganiseerd, die zich volledig in het betrokken geografische gebied voltrekt, zij niet kon voldoen aan de eisen van het bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier inzake het maximumaantal eenden dat jaarlijks per bedrijf of per exploitant mag worden opgefokt en vetgemest, en om die reden de betrokken benaming, waaronder zij haar producten al meer dan twintig jaar in de handel brengt, niet meer mocht gebruiken. In antwoord op dit argument heeft het Gerecht, in punt 36 van de bestreden beschikking, opgemerkt dat elke andere producent die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt als door verzoekster beschreven, op gelijke wijze als zijzelf door verordening nr. 1338/2000 wordt getroffen.
16
Het Gerecht voegt hier, eveneens in punt 36, aan toe, dat de bewering van verzoekster dat bovenbedoelde vereisten uitsluitend in het productdossier zijn opgenomen om haar van de markt van het betrokken product te verdringen, door geen enkel concreet bewijs wordt gestaafd. Bovendien achtte het Gerecht het, in punt 37 van de bestreden beschikking, irrelevant dat verordening nr. 1338/2000 ernstige economische gevolgen voor verzoeksters activiteit heeft. Het Gerecht overwoog dat de omstandigheid dat een normatieve handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben, hen niet ten opzichte van alle andere marktdeelnemers karakteriseert, omdat de toepassing van die handeling op grond van een objectief bepaalde situatie plaatsvindt.
17
Ten aanzien van het aan het arrest van het Hof van 18 mei 1994, Codorniu/Raad (C-309/89, Jurispr. blz. I-1853) ontleende argument dat een bepaling van normatieve aard een marktdeelnemer individueel kan raken, wanneer zij diens specifieke rechten aantast, stelt het Gerecht, in punt 40 van de bestreden beschikking, vast dat verzoekster gesteld noch bewezen heeft dat het gebruik van de geografische benaming waarop zij aanspraak maakt, berust op een specifiek recht, vergelijkbaar met dat in het arrest Cordorniu/Raad (reeds aangehaald), dat zij in Frankrijk of in de Gemeenschap vóór de vaststelling van verordening nr. 1338/2000 zou hebben verkregen en waarop door die verordening in de zin van dat arrest inbreuk zou zijn gemaakt.
18
Verzoekster voerde tevens aan dat zij rechtstreeks wordt geraakt door verordening nr. 1338/2000, doordat inbreuk is gemaakt op de procedurele waarborgen die haar krachtens artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 hadden moeten worden geboden, wilde haar niet de toegang tot de gemeenschapsrechter worden ontzegd. In dit verband herinnerde het Gerecht allereerst, in punt 42 van de bestreden beschikking, aan zijn rechtspraak volgens welke noch het proces van totstandkoming van normatieve handelingen, noch die normatieve handelingen zelf als maatregelen van algemene strekking, op grond van algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het recht te worden gehoord, verlangen dat de getroffen personen bij die totstandkoming worden betrokken, aangezien zij moeten worden geacht te zijn vertegenwoordigd door de politieke instanties die bevoegd zijn die handelingen vast te stellen, en volgens welke het derhalve bij ontbreken van uitdrukkelijk gewaarborgde procedurele rechten tegen de letter en de geest van artikel 230 EG zou indruisen om particulieren die bij de voorbereiding van een wetgevende handeling betrokken zijn geweest, vervolgens toe te staan beroep tegen die handeling in te stellen (beschikkingen Gerecht van 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, T-109/97, Jurispr. blz. II-3533, punten 60 en 68, en 9 november 1999, CSR Pampryl/Commissie, T-114/99, Jurispr. blz. II-3331, punt 50). Het Gerecht concludeerde hieruit, in punt 43 van de bestreden beschikking, dat de ontvankelijkheid van het bij hem ingestelde beroep enkel moet worden getoetst aan de procedurele waarborgen die verordening nr. 2081/92 specifiek aan particulieren biedt.
19
Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 44 tot en met 47 van de bestreden beschikking geconstateerd dat verordening nr. 2081/92 particulieren geen specifieke procedurele waarborgen op communautair niveau biedt, maar dat uitsluitend de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de procedurele waarborgen die in het kader van de in artikel 7 van die verordening bedoelde bezwaarregeling aan particulieren worden verleend, en de Commissie in dat verband over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt. Het Gerecht heeft er in punt 45 van de bestreden beschikking met name op gewezen dat artikel 7, lid 1, van deze verordening enkel de lidstaten het recht geeft bij de Commissie bezwaar tegen de registratie aan te tekenen, en dat artikel 7, lid 3, van deze verordening de betrokken lidstaat niet verplicht het hem door een natuurlijke of rechtspersoon met een wettig belang meegedeelde bezwaar aan de Commissie door te geven, maar enkel de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om dat bezwaar binnen de gestelde termijn „in overweging te nemen”.
20
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 48 van de bestreden beschikking geoordeeld dat ook al had de bevoegde Franse autoriteit bepaalde procedurele rechten van verzoekster geschonden door haar bij die autoriteit ingediend bezwaar niet aan de Commissie door te zenden, dat niet tot gevolg zou hebben dat het onderhavige beroep enkel om die reden ontvankelijk was. Het Gerecht motiveert deze conclusie als volgt:
„49
In een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG is de communautaire rechter [...] niet bevoegd uitspraak te doen over de wettigheid van een handeling van een nationale autoriteit, ook niet indien deze handeling onderdeel is van een proces van totstandkoming van een gemeenschapsregeling, wanneer uit de bevoegdheidsverdeling op het betrokken gebied tussen de nationale autoriteiten en de gemeenschapsinstellingen duidelijk blijkt, dat de handeling van de nationale autoriteit de communautaire regelgever bindt en derhalve bepalend is voor de inhoud van de vast te stellen gemeenschapsregeling (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 57).
50
Zo een geval doet zich voor, wanneer de bevoegde nationale autoriteit besluit een haar door een particulier toegezonden bezwaar als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92, niet aan de Commissie door te zenden (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 58). Zoals hiervoor uiteengezet (zie punt 45 supra), is dat besluit immers bindend voor de Commissie en kan deze geen rekening houden met een bezwaar dat haar door een ander dan een lidstaat ter kennis is gebracht.
51
Behoudens een eventueel beroep op het Hof krachtens artikel 226 EG, zijn dus enkel de nationale rechterlijke instanties, in voorkomend geval na een prejudiciële verwijzing naar het Hof, bevoegd uitspraak te doen over de wettigheid van de nationale handeling en over de eventuele aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat, indien zou worden gesteld dat door die handeling schade is toegebracht (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 59).
52
In dit verband kan worden opgemerkt, dat verzoekster bij de Franse Conseil d'État beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de bevoegde Franse autoriteit om haar bezwaar niet aan de Commissie door te zenden.”
De hogere voorziening
21
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.
22
In de eerste plaats stelt zij dat het Gerecht het recht heeft geschonden door niet te onderzoeken of verordening nr. 1338/2000 haar vanwege haar bijzondere situatie, en met name de structuur van haar productieketen, op bijzondere wijze raakte ten opzichte van alle andere producenten in het betrokken gebied. Dienaangaande voert zij aan, dat het Gerecht in punt 36 van de bestreden beschikking met betrekking tot „elke andere producent die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt”, geen abstracte redenering had mogen houden. Gezien het doel van verordening nr. 1338/2000, de benaming „Sud-Ouest” als aanduiding van producten afkomstig van eend te beschermen, had het Gerecht de situatie van rekwirante zoals die op het tijdstip van vaststelling van deze verordening bestond, concreet moeten vergelijken met die van andere ondernemingen in dat gebied.
23
Rekwirante betoogt dat het Gerecht daarbij heeft vastgesteld dat zij op dat tijdstip in het betrokken gebied de enige onderneming was met een verticaal geïntegreerde productiestructuur en dat, gezien het feit dat het bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier de beschermde geografische benaming voorbehield aan ambachtelijke ondernemingen met kleine productie-eenheden van minder dan 1000 vetmestplaatsen per jaar en per exploitant, verordening nr. 1338/2000 haar dwingt tot het opzetten van een productiestructuur die overeenkomt met die van de andere ondernemingen in het betrokken gebied, en elke andere onderneming belet om in de toekomst een productiestructuur op te zetten die overeenkomt met de hare.
24
In de tweede plaats verwijt rekwirante het Gerecht in de punten 38 tot en met 40 van de bestreden beschikking haar aan het arrest Codorniu/Raad (reeds aangehaald) ontleende middelen te hebben verdraaid. Zij stelt dat een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening volgens de uit de punten 18 tot en met 20 van dat arrest voortvloeiende beginselen ontvankelijk is, wanneer de toepassing van deze verordening afbreuk doet aan specifieke rechten die hij eventueel heeft verkregen en wanneer zijn feitelijke situatie hem ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert.
25
Rekwirante is van mening dat het Gerecht, door haar aan het arrest Codorniu/Raad (reeds aangehaald) ontleende argumenten te verwerpen op grond dat de herkomstaanduidingen die zij al 20 jaar op haar producten aanbrengt, niet door een intellectuele-eigendomsrecht worden beschermd, heeft miskend dat zij zich in een specifieke feitelijke situatie bevond.
26
In de derde plaats voert rekwirante aan dat de bestreden beschikking gebrekkig is gemotiveerd wat haar middel inzake schending van haar recht op effectieve rechtsingang betreft. Zij verwijt het Gerecht niet te hebben geantwoord op het argument dat het recht op effectieve rechtsingang, dat in de communautaire rechtsorde als algemeen rechtsbeginsel wordt erkend, eraan in de weg staat dat artikel 7 van verordening nr. 2081/92, nu deze bepaling niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor een persoon met een rechtmatig belang om in geval van verzuim van een lidstaat rechtstreeks bezwaar aan te tekenen bij de Commissie, aldus wordt uitgelegd dat het die mogelijkheid uitsluit.
27
In de vierde plaats betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 7 van verordening nr. 2081/92 onjuist heeft uitgelegd en voornoemd recht op effectieve rechtsingang heeft geschonden.
28
In dit verband stelt zij enerzijds dat, gelet op de algemene opzet van verordening nr. 2081/92, zoals deze met name tot uitdrukking komt in de dertiende overweging van de considerans ervan, artikel 7 ervan aldus had moeten worden uitgelegd dat, wanneer een lidstaat weigert om een verklaring van bezwaar die is ingediend door een in een rechtmatig belang getroffen natuurlijke of rechtspersoon die voor het overige voldoet aan de in lid 4 van dit artikel genoemde ontvankelijkheidsvereisten, aan de Commissie te zenden, deze persoon rechtstreeks bezwaar kan aantekenen bij de Commissie.
29
Anderzijds stelt rekwirante dat de uitlegging van het Gerecht volgens welke een dergelijk rechtstreeks bezwaar in geval van een verzuim van een lidstaat niet toegestaan is, hoe dan ook in strijd is met het algemene beginsel van gemeenschapsrecht dat het recht van particulieren op effectieve rechtsbescherming dooide gemeenschapsrechter waarborgt.
30
In repliek voegt zij hieraan toe dat het Hof, door in zijn beschikking van 26 oktober 2000, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie (C-447/98 P, Jurispr. blz. I-9097, punt 74), vast te stellen dat uit de bewoordingen en de opzet van artikel 7 van verordening nr. 2081/92 volgt dat het tegen een registratie aangetekend bezwaar niet kan uitgaan van de lidstaat die de aanvraag tot registratie heeft ingediend, een belangrijk, zo niet onoverkomelijk obstakel heeft opgeworpen voor de in hun rechtmatig belang getroffen personen om hun recht op effectieve rechtsbescherming door de gemeenschapsrechter tegen verordeningen van de Commissie betreffende de inschrijving van oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen uit te oefenen.
31
Rekwirante voert in dit verband aan dat de mogelijkheid van toetsing van de rechtmatigheid van een dergelijke verordening door middel van een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid, welk verzoek in ieder geval ter discretionaire beoordeling staat van de nationale rechter, in casu definitief niet meer voor haar openstaat, sinds de Franse Conseil d'État bij arrest van 8 juni 2001 heeft geweigerd de rechtmatigheid te beoordelen van een weigering van de Franse autoriteiten om rekening te houden met het bezwaar dat zij had aangetekend tegen de inschrijving — onder omstreden voorwaarden — van de benaming „canard à foie gras du Sud-Ouest”.
Beoordeling door het Hof
32
Volgens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen.
Het eerste middel
33
Ten aanzien van het eerste middel moet worden vastgesteld dat het Gerecht de rechtspraak van het Hof volgens welke een natuurlijke of rechtspersoon slechts kan stellen individueel te zijn geraakt door een bepaling die naar haar aard en strekking een normatief karakter heeft, indien deze bepaling hem treft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten aanzien van iedere andere persoon karakteriseert, correct heeft toegepast (zie met name arrest Codorniii/Raad, reeds aangehaald, punten 19 en 20, en beschikking van 5 juli 2001, CNPA e.a./Commissie, C-341/00 P, Jurispr. blz. I-5263, punten 25 en 26).
34
In casu treft verordening nr. 1338/200 rekwirante immers enkel uit hoofde van haar objectieve hoedanigheid van marktdeelnemer die in het betrokken gebied, dat is aangegeven in het bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier, canard à foie gras produceert en dit product in de handel brengt. Het gaat hier om een economische activiteit die op elk willekeurig moment door elke willekeurige onderneming kan worden uitgeoefend.
35
Het feit dat rekwirante zich op het tijdstip van vaststelling van verordening nr. 1338/2000 in een situatie bevond waarin zij zich genoodzaakt zag haar productiestructuur aan te passen teneinde aan genoemde voorwaarden te voldoen, volstaat niet om aan te nemen dat zij individueel wordt getroffen op soortgelijke wijze als de adressaat van een handeling.
36
Enerzijds zou rekwirante, zelfs indien wordt aangenomen dat de Commissie bij de vaststelling van verordening nr. 1338/2000 ingevolge een specifieke bepaling van verordening nr. 2081/92 rekening had moeten houden met de gevolgen van de beoogde handeling voor de situatie van bepaalde particulieren, waaronder rekwirante, geenszins zijn ontslagen van de verplichting om aan te tonen dat zij door die verordening wordt geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie in die zin met name arrest van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punten 59-62).
37
Anderzijds geldt, zoals rekwirante ook zelf heeft opgemerkt, de noodzaak van het opzetten van een productiestructuur die in overeenstemming is met de maximumaantallen eenden die volgens het bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier mogen worden geproduceerd, ook voor andere marktdeelnemers die met gebruikmaking van de beschermde geografische aanduiding „canard à foie gras du Sud-Ouest” van eend afkomstige producten in de handel willen brengen.
38
Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht in punt 36 van de bestreden beschikking terecht geoordeeld dat verordening nr. 1338/2000 rekwirante op gelijke wijze treft als elke andere producent die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt als zijzelf. Bijgevolg is het eerste middel kennelijk ongegrond.
Het tweede middel
39
Ten aanzien van het tweede middel kan worden volstaan met de vaststelling dat uit de punten 14 tot en met 16 van de onderhavige beschikking blijkt dat het Gerecht in de punten 36 en 37 van de bestreden beschikking de argumenten verwerpt die rekwirante ontleent aan de specifieke feitelijke situatie waarin zij zich zou bevinden ten opzichte van andere producenten van canard à foie gras in het betrokken gebied.
40
Onder deze omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten de middelen van rekwirante te hebben verdraaid toen het zich, in de punten 38 tot en met 40 van de bestreden beschikking, met betrekking tot de aan het arrest Codorniu/Raad ontleende argumenten beperkte tot het onderzoek van de vraag of rekwirante door verordening nr. 1338/2000 individueel werd geraakt wanneer deze afbreuk deed aan specifieke rechten in de zin van dit arrest, waarop zij zich zou kunnen beroepen.
41
Bijgevolg is ook het tweede middel kennelijk ongegrond.
Het derde en het vierde middel
42
Bij de beoordeling van de gegrondheid van het derde en het vierde middel, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, dient te worden opgemerkt dat uit de punten 42 tot en met 52 van de bestreden beschikking blijkt dat het Gerecht zijn verwerping van het middel waarin rekwirante stelt dat inbreuk wordt gemaakt op de procedurele waarborgen die haar moeten worden geboden door artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92, omdat zij anders elke effectieve rechtsbescherming door de communautaire rechter zou ontberen, baseert op de oordelen dat deze verordening particulieren geen specifieke procedurele waarborgen op communautair niveau biedt en dat, behoudens een eventueel beroep bij het Hof wegens nalaten krachtens artikel 226 EG, enkel de nationale rechter, in voorkomend geval na prejudiciële verwijzing naar het Hof krachtens artikel 234 EG, bevoegd is uitspraak te doen over de wettigheid van het besluit van de bevoegde nationale instantie om een door een particulier krachtens artikel 7, lid 3, aan haar gericht bezwaarschrift niet door te zenden naar de Commissie.
43
Dienaangaande heeft het Hof reeds in punt 72 van de beschikking Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, reeds aangehaald, beslist dat volgens artikel 7, leden 1 en 3, van verordening nr. 2081/92 bij de Commissie een verklaring van bezwaar tegen een registratieaanvraag alleen kan worden ingediend door een lidstaat tot wie zich vooraf een natuurlijke of rechtspersoon heeft gewend die kan aantonen een wettig economisch belang te hebben.
44
Zoals het Gerecht in punt 45 van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld, kan deze uitlegging niet worden ontkracht met een verwijzing naar de dertiende overweging van de considerans bij verordening nr. 2081/92. In deze overweging wordt immers uitdrukkelijk gezegd dat het aantekenen van bezwaar bij de Commissie door een persoon met een wettig belang moet gebeuren „met inschakeling van de lidstaat”.
45
In punt 74 van de beschikking Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, reeds aangehaald, heeft het Hof ook vastgesteld dat de bij artikel 7 van verordening nr. 2081/92 ingevoerde bezwaarprocedure niet bedoeld is om geschillen te beslechten tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de registratie van een benaming heeft aangevraagd, en een natuurlijke of rechtspersoon die in die lidstaat woont of is gevestigd (zie ook arrest van 6 december 2001, Kühne e.a., C-269/99, Jurispr. blz. I-9517, punt 55).
46
Anders dan rekwirante stelt, druist deze uitlegging van artikel 7 van verordening nr. 2081/92 niet in tegen het recht van eenieder op effectieve rechtsbescherming, zoals dit door het gemeenschapsrecht wordt gewaarborgd als een algemeen beginsel dat voortvloeit uit het constitutionele erfgoed dat alle lidstaten gemeen hebben en dat eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie met name arresten van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punten 18 en 19, en 15 oktober 1987, Heylens e.a., 222/86, Jurispr. blz. 4097, punt 14).
47
Conform dit algemene beginsel van gemeenschapsrecht staat het aan de nationale rechterlijke instanties om zich uit te spreken over de wettigheid van een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat bij de Commissie ingediende aanvraag tot registratie van een benaming, waarbij zij dezelfde toetsingsmaatstaven moeten hanteren als bij andere definitieve besluiten van dezelfde nationale autoriteit die afbreuk kunnen doen aan rechten die derden aan het gemeenschapsrecht ontlenen. Derhalve dienen zij het daartoe ingestelde beroep als ontvankelijk te beschouwen, zelfs indien het nationale procesrecht in een dergelijk geval hierin niet voorziet (arrest Kühne e.a., reeds aangehaald, punten 57 en 58).
48
Voorts moet worden vastgesteld dat de Franse Conseil d'État in zijn arrest van 8 juni 2001, dat rekwirante in bijlage bij repliek heeft overgelegd, het verzoek van rekwirante tot nietigverklaring van het besluit van de Franse regering om de registratieaanvraag naar de Commissie te zenden, uitdrukkelijk ongegrond heeft verklaard, met name omdat de bevoegde Franse autoriteiten, door de capaciteit van de vetmestinrichtingen op te nemen onder de criteria die de kwaliteit van de betrokken producten moeten waarborgen, geen blijk hebben gegeven van een kennelijke beoordelingsfout.
49
Aangezien rekwirante in casu beschikte over een recht om bij de nationale rechter beroep in te stellen, en dit recht ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend, behoeft niet te worden onderzocht of het recht op effectieve rechtsbescherming zoals dit door het gemeenschapsrecht als algemeen rechtsbeginsel wordt erkend, vereist — zoals rekwirante stelt — dat een beroep tot nietigverklaring, ingesteld door een natuurlijke of rechtspersoon die niet voldoet aan de vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG, ontvankelijk wordt verklaard.
50
Uit het voorgaande volgt, dat ook het derde en het vierde middel kennelijk ongegrond zijn.
51
Bijgevolg moet de hogere voorziening krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering als kennelijk ongegrond worden verklaard.
Kosten
52
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure van hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij, overeenkomstig de conclusies van de Commissie in die zin, te worden verwezen in de kosten van het geding.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
La Conqueste SCEA wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 30 januari 2002.
De griffier
R. Grass
De president van de Tweede kamer
N. Colneric
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy