Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Prejudiciële vragen - Antwoord dat duidelijk valt af te leiden uit rechtspraak - Toepassing van artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 104, lid 3)
2. Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Rechtstreekse werking - Grenzen - Mogelijkheid om richtlijn in te roepen tegenover particulier - Uitgesloten - Uitvoering door lidstaten - Verplichtingen van nationale rechter
(Art. 249, derde alinea, EG)
Partijen
In zaak C-233/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Giudice di Pace di Palermo (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Riunione Adriatica di Securtà SpA (RAS)
en
Dario Lo Bue,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 6, 29 en 39 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB L 228, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
na de in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 4 mei 2001, ingekomen bij het Hof op 18 juni daaraanvolgend, heeft de Giudice di pace di Palermo krachtens artikel 234 EG vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 6, 29 en 39 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB L 228, blz. 1; hierna: richtlijn")
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de verzekeringsonderneming Riunione Adriatica di Securtà SpA (hierna: RAS) en de heer Lo Bue over de hoogte van de door laatstgenoemde verschuldigde premie in het kader van een overeenkomst inzake de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
3 In titel II, Toegang tot het verzekeringsbedrijf", bepaalt artikel 6 van de richtlijn:
Artikel 8 van richtlijn 73/239/EEG wordt vervangen door:
,Artikel 8
[...]
3. Deze richtlijn belet niet dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen handhaven of invoeren die voorzien in de goedkeuring van de statuten en in het mededelen van elk document dat voor de normale uitoefening van het toezicht vereist is.
De lidstaten stellen echter geen bepalingen vast waarin de voorafgaande goedkeuring of de systematische mededeling wordt geëist van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringspolissen, de tarieven, en de formulieren en andere documenten waarvan de onderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers.
De lidstaten kunnen de voorafgaande kennisgeving of de goedkeuring van voorgestelde tariefverhogingen alleen als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem handhaven of invoeren.
[...]"
4 In titel III, Harmonisatie van de uitoefeningsvoorwaarden", bepaalt artikel 29 van de richtlijn:
De lidstaten stellen geen bepalingen vast waarin de voorafgaande goedkeuring of de systematische mededeling wordt geëist van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringspolissen, de tarieven, en de formulieren en andere documenten waarvan een verzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers. Voor het toezicht op de naleving van de nationale bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomsten kunnen zij alleen een niet-systematische mededeling van deze voorwaarden en andere documenten eisen, zonder dat dit vereiste voor de verzekeringsonderneming een voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden mag vormen.
De lidstaten kunnen de voorafgaande kennisgeving of de goedkeuring van voorgestelde tariefverhogingen alleen als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem handhaven of invoeren."
5 In titel IV, Bepalingen betreffende de vrije vestiging en het vrij verrichten van diensten", bepaalt artikel 39, leden 2 en 3, van de richtlijn:
2. De lidstaat van het bijkantoor of de lidstaat van dienstverrichting stelt geen bepalingen vast waarin de voorafgaande goedkeuring of de systematische mededeling wordt geëist van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringspolissen, de tarieven, en de formulieren en andere documenten waarvan een verzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers. Voor het toezicht op de naleving van zijn nationale bepalingen betreffende verzekeringsovereenkomsten kan hij van een verzekeringsonderneming die op zijn grondgebied in het kader van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten het verzekeringsbedrijf wenst uit te oefenen, slechts een niet-systematische mededeling eisen van deze voorwaarden of andere documenten waarvan zij gebruik wenst te maken, zonder dat dit vereiste voor de verzekeringsonderneming een voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden mag vormen.
3. De lidstaat van het bijkantoor of de lidstaat van dienstverrichting kan de voorafgaande kennisgeving of de goedkeuring van voorgestelde tariefverhogingen alleen als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem handhaven of invoeren."
Nationaal recht
6 Artikel 2, leden 2 tot en met 5, van decreto legge nr. 70 van 28 maart 2000 houdende spoedmaatregelen tot bestrijding van de inflatie (GURI nr. 73 van 28 maart 2000), zoals gewijzigd bij wet nr. 137 van 26 mei 2000 tot omzetting en wijziging van genoemd decreto legge (GURI nr. 122 van 27 mei 2000, hierna: decreto legge"), luidt:
2. Voor overeenkomsten inzake de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen en vaartuigen die binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit decreet worden verlengd en die voorzien in tariefformules met premie-aanpassingen naargelang zich al dan geen schadegevallen voordoen, mogen de verzekeringsondernemingen geen tariefverhogingen toepassen op verzekeringnemers aan wie tijdens de laatste referentieperiode geen door de bestuurder veroorzaakte schade kan worden toegekend.
Voor binnen een jaar na voormelde datum gesloten overeenkomsten die voorzien in tariefformules met premie-aanpassingen naargelang zich al dan geen schadegevallen voordoen, worden de op die datum geldende tarieven toegepast.
2-bis. Het bovenstaande lid 2 is vanaf de inwerkingtredingsdatum van het onderhavige decreet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten voor auto's, bromfietsen en motorfietsen waarin de tariefformules bedoeld in artikel 12 van wet nr. 990 van 24 december 1969 worden toegepast, alsmede op telefonisch en elektronisch aangeboden overeenkomsten en op overeenkomsten die geen clausule voor stilzwijgende verlenging bevatten of op door de onderneming opgezegde overeenkomsten, indien deze opnieuw aan dezelfde verzekeraar worden aangeboden.
3. De verzekeringsondernemingen brengen gedurende een periode van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet geen wijzigingen aan in het aantal premieklassen, de coëfficiënten voor de van de premieberekening of de clausules van de tariefformules inzake premie-aanpassing naargelang het intreden van schadegevallen.
4. Het volgende lid wordt toegevoegd aan artikel 12 van wet nr. 990 van 12 december 1969: ,2 bis. De ondernemingen die actief zijn in de branche van de verplichte verzekering bedoeld in artikel 2, lid 2, van decreto legge nr. 70 van 28 maart 2000, zoals gewijzigd bij de omzettingswet, zijn verplicht op verzoek van de verzekeringnemer overeenkomsten te sluiten volgens de tariefformule bonus-malus, met een niet tegenover derden inroepbare franchise ten bedrage van niet minder dan 500 000 ITL en niet meer dan een miljoen ITL. De keuze van de tariefformule bonus-malus met franchise, alsmede de keuze van het bedrag van de franchise, ligt uitsluitend bij de verzekeringnemer.
5. Wanneer de bepalingen van de leden 2 en 3 hun werking verliezen, kan de verzekeringnemer bij een tariefverhoging, uitgezonderd verhogingen die het gevolg zijn van de aanpassingsclausules van de verschillende tariefformules, indien deze het geplande inflatiepercentage overschrijdt, de overeenkomst opzeggen per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of per fax aan de hoofdzetel van de onderneming of het agentschap waar de overeenkomst is gesloten. In dat geval heeft de verzekerde geen aanspraak op de in artikel 1901, lid 2, van het burgerlijk wetboek voorgeschreven termijn."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
7 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat RAS de heer Lo Bue heeft gedagvaard voor de geadieerde Giudice di pace di Palermo en heeft gevorderd:
primair:
- te verklaren dat het bepaalde in artikel 2, leden 2, 3 en 4, van decreto legge nr. 70/2000, zoals gewijzigd bij wet nr. 137/00, in strijd is met de artikelen 6, 29 en 39 van richtlijn 92/49/EEG en bijgevolg voormelde nationale bepalingen wegens strijd met het gemeenschapsrecht buiten toepassing te verklaren;
- Lo Bue bijgevolg te veroordelen tot betaling van de premie, zonder de beperkingen die uit decreto legge nr. 70/2000, zoals gewijzigd bij wet nr. 137/00, voortvloeien, tot een bedrag waarover bij apart vonnis zal worden beslist,
subsidiair:
- indien het bepaalde in artikel 2, leden 2, 3 en 4, van decreto legge nr. 70/2000, zoals gewijzigd bij wet nr. 137/00, niet kennelijk in strijd mocht worden geacht met de artikelen 6, 29 en 39 van richtlijn 92/49/EEG, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 234 EG te verzoeken om een prejudiciële beslissing."
8 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt ook dat Lo Bue de vorderingen van RAS heeft betwist en heeft verklaard dat hij de verzekeringspremie heeft betaald die door laatstgenoemde was gevorderd. Hij is van mening dat het door hem betaalde bedrag in overeenstemming is of zou moeten zijn met de wettelijk bepaalde maximumbedragen, en hij heeft meegedeeld dat hij niet van plan is een hogere premie te betalen.
9 Uit genoemde beschikking blijkt verder dat RAS een vordering heeft ingesteld tot betaling van het bedrag dat haar verschuldigd zou zijn indien het bedrag van de premie voor de door verweerder gesloten wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen niet beperkt was door de decreto legge ter bestrijding van de inflatie.
10 De nationale rechter merkt in dit verband op dat de decreto legge gedurende een jaar verhogingen van de premies wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verbood bij de verlenging van overeenkomsten met verzekeringsnemers die binnen de referentieperiode geen schade hadden veroorzaakt (artikel 2, lid 2, eerste alinea), en dat bij nieuwe polissen elke wijziging van de op de dag van inwerkingtreding van genoemde decreto legge geldende premies was verboden (artikel 2, lid 2, tweede alinea).
11 Volgens de verwijzende rechter lijken de in het vorige punt aangehaalde bepalingen van de decreto legge in strijd te zijn met de artikelen 6, 29 en 39 van de richtlijn, op grond waarvan een lidstaat slechts de bevoegdheid heeft om tariefverhogingen" afhankelijk te stellen van voorafgaande goedkeuring, wanneer de voor de verzekeringssector geldende maatregel onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem" is.
12 De verwijzende rechter stelt verder dat de bevoegdheid van de lidstaten volgens de artikelen 6, 29 en 39 van de richtlijn slechts de goedkeuring van tariefverhogingen" betreft en niet mede de andere contractuele bepalingen. Daarom lijkt het verbod van de decreto legge tot wijziging van de andere voorwaarden van de overeenkomst (artikel 2, lid 3) eveneens in strijd met de genoemde artikelen 6, 29 en 39. Dit geldt ook voor de bepaling die verzekeringsondernemingen verplicht, op verzoek van de verzekeringnemers polissen af te sluiten volgens de tariefformule bonus-malus met een franchise waarvan het minimum- en het maximumbedrag wettelijk zijn vastgelegd (artikel 2, lid 4).
13 Bovendien lijkt de decreto-legge volgens de nationale rechter inbreuk te maken op de bovengenoemde richtlijnbepalingen doordat de verzekeringnemer na het einde van de tariefstop de overeenkomst kan opzeggen indien de verzekeraar bij de jaarlijkse verlenging van de polis een niet uit de bijzondere polisvoorwaarden voortvloeiende premieverhoging vraagt die hoger ligt dan het door de regering geplande inflatiepercentage (artikel 2, lid 5).
14 Gezien het bovenstaande overwegingen heeft de Giudice di pace di Palermo besloten de procedure te schorsen en het Hof te verzoeken om te beslissen over de uitlegging van de artikelen 6, lid 3, 29 en 39 van richtlijn 92/49, en in het bijzonder over de volgende vragen:
1. Moet artikel 8, lid 3, derde alinea, van richtlijn 73/239/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 6 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling ter bestrijding van de inflatie, die enkel van toepassing is op de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen, brom- en motorfietsen en die niet ingrijpt in de prijzen van goederen en andere diensten dan de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die de vorming van het indexcijfer van de consumptieprijzen beïnvloeden?
2. Moet artikel 8, lid 3, derde alinea, van richtlijn 73/239/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 6 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling ter bestrijding van de inflatie, die niet alleen tariefwijzigingen verbiedt maar ook wijziging van het aantal bonusklassen, de coëfficiënten voor de premieberekening en de clausules van de tariefformules inzake premie-aanpassing varieert naargelang het intreden van schadegevallen?
3. Moet artikel 8, lid 3, derde alinea, van richtlijn 73/239/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 6 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling ter bestrijding van de inflatie, die bovendien de verzekeringsondernemingen verplicht op verzoek van de verzekeringnemer polissen af te sluiten volgens de tariefformule bonus-malus met een franchise waarvan het minimum- en het maximumbedrag wettelijk zijn vastgelegd?
4. Moet artikel 8, lid 3, derde alinea, van richtlijn 73/239/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 6 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling ter bestrijding van de inflatie, die de verzekeringnemer na het einde van de tariefstop het recht geeft de overeenkomst op te zeggen indien de verzekeraar bij de jaarlijkse verlenging van de polis een premieverhoging vraagt die niet voortvloeit uit het systeem van individualisering van de polis en hoger ligt dan het door de regering geplande inflatiepercentage?"
De prejudiciële vragen
15 Met zijn vragen wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of de artikelen 6, 29 en 39 van de richtlijn zich verzetten tegen een regeling zoals die in artikel 2, leden 2 tot en met 5, van de decreto legge.
16 Het Hof is van oordeel dat het antwoord duidelijk uit de rechtspraak is af te leiden. Het heeft daarom overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter in kennis gesteld van zijn voornemen te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en de belanghebbende als bedoeld in artikel 20 van Statuut-EG van het Hof van Justitie verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
17 RAS en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn van mening dat het Hof niet overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering moet beslissen bij met redenen omklede beschikking. Anders dan de Italiaanse regering is huns inziens het aan de nationale rechter te geven antwoord niet duidelijk af te leiden uit de rechtspraak van het Hof waarop het zich wil baseren.
18 Volgens hen is de richtlijn bij decreto legge nr. 175 van 17 maart 1995 (GURI nr. 114 van 18 mei 1995) op juiste wijze in nationaal recht omgezet. De prejudiciële vraag heeft geen betrekking op de eventuele rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn, maar op de verenigbaarheid van de decreto legge met de richtlijn, om eventueel in plaats hiervan de reeds genoemde decreto legge nr. 175 toe te passen.
19 Voor de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet erop worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak weliswaar de nationale rechter bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of van latere datum dan de richtlijn zijn, deze zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen, maar dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en bijgevolg als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen (zie onder meer arrest van 14 september 2000, Collino en Chiappero, C-343/98, Jurispr. blz. I-6659, punten 20 en 21).
20 In het onderhavige geval blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de bij het Hof ingediende opmerkingen dat het hoofdgeding betrekking heeft op een verzoek aan de nationale rechter om in plaats van de decreto legge een oudere nationale regeling toe te passen omdat de decreto legge onverenigbaar met de richtlijn zou zijn, ter verkrijging van een beslissing tegen Lo Bue tot betaling van een hogere verzekeringspremie dan uit de toepassing van genoemde decreto legge volgt.
21 Volgens de in punt 19 van onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak kan de uitlegging van de bepalingen van de richtlijn, waar de nationale rechter om heeft verzocht, in ieder geval niet leiden tot veroordeling van Lo Bue tot betaling van een aanvullend premiebedrag dat niet is gebaseerd op het in het hoofdgeding toepasselijke recht, namelijk de decreto legge.
22 De vragen van de nationale rechter moeten dan ook aldus worden beantwoord, dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan een particulier kan opleggen en bijgevolg als zodanig niet tegenover hem kan worden ingeroepen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Giudice di Pace di Palermo (Italië) bij beschikking van 4 mei 2001 gestelde vragen, beschikt:
Een richtlijn kan uit zichzelf geen verplichtingen aan een particulier opleggen en bijgevolg als zodanig niet tegenover hem worden ingeroepen.
Full & Egal Universal Law Academy