Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Steun aan Oostenrijkse of Finse ondernemingen - Aan slotakte van toetredingsverdrag gehechte gemeenschappelijke verklaring nr. 31 betreffende verwerkende industrie in Oostenrijk en Finland - Draagwijdte
(Gemeenschappelijke verklaring nr. 31, gehecht aan slotakte van Verdrag betreffende toetreding van Republiek Oostenrijk, Republiek Finland en Koninkrijk Zweden)
Samenvatting
$$De aan de slotakte van het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie gehechte gemeenschappelijke verklaring nr. 31 betreffende de verwerkende industrie in Oostenrijk en Finland, die de Commissie verplicht tot een flexibele beoordeling van de nationale steunprogramma's van tijdelijke aard ter vergemakkelijking van de door de toetreding noodzakelijk geworden herstructurering van de industrie in deze landen, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de gemeenschapsregels betreffende staatssteun worden toegepast zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval.
Op grond van deze verplichting moet de Commissie nagaan of de steun de ontwikkeling van een bedrijfstak of een economische sector kan bevorderen zonder beïnvloeding van het handelsverkeer op een met het gemeenschappelijk belang strijdige wijze; zij is evenwel niet verplicht de voordelen voor de Gemeenschap van de toetreding van een van die lidstaten tot de Europese Unie zonder overgangsperiode af te wegen tegen de nadelen van de uitbetaling van de betrokken steun.
( cf. punten 28-32 )
Partijen
In zaak C-321/01 P,
Agrana Zucker und Stärke AG, gevestigd te Wenen (Oostenrijk), vertegenwoordigd door W. Barfuß en H. Wollmann, Rechtsanwälte, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer - uitgebreid) van 7 juni 2001, Agrana Zucker und Stärke/Commissie (T-187/99, Jurispr. blz. II-1587), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Erhart en D. Triantafyllou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 augustus 2001, heeft Agrana Zucker und Stärke AG krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 juni 2001, Agrana Zucker und Stärke/Commissie (T-187/99, Jurispr. blz II-1587, hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/342/EG van de Commissie van 30 september 1998 betreffende voorgenomen steun van Oostenrijk aan Agrana Stärke-GmbH voor de bouw en de omschakeling van zetmeelfabrieken (PB 1999, L 131, blz. 61; hierna: litigieuze beschikking") heeft verworpen.
Rechtskader
2 Artikel 16, lid 5, van verordening (EG) nr. 951/97 van de Raad van 20 mei 1997 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB L 142, blz. 22), dat in de plaats is gekomen van de gelijkluidende bepaling van verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB L 91, blz. 1), luidt als volgt:
Op het toepassingsgebied van deze verordening kunnen de lidstaten steunmaatregelen nemen waarbij de steunbedragen op andere voorwaarden of op een andere wijze worden toegekend dan in deze verordening is bepaald, of hoger zijn dan de in deze verordening voorgeschreven maxima, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming met de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag worden genomen."
3 Artikel 151, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: Toetredingsakte") luidt als volgt:
De in de lijst in bijlage XV van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe lidstaten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlage."
4 Bijlage XV, punt VII, D, 1, bij de Toetredingsakte verduidelijkt:
[...] Verordening (EEG) nr. 866/90 [...], laatstelijk gewijzigd bij [...] Verordening (EEG) nr. 3669/93 van de Raad van 22 december 1993 (PB nr. L 338 van 31.12.1993, blz. 26).
Voor de toepassing van artikel 16, lid 5:
- [...]
- zal de Commissie deze bepalingen met betrekking tot Oostenrijk en Finland toepassen overeenkomstig de in de Slotakte opgenomen verklaring nr. 31.
[...]"
5 Gemeenschappelijke verklaring nr. 31 betreffende de verwerkende industrie in Oostenrijk en Finland, die is gehecht aan de slotakte van het verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie (PB 1994, C 241, blz. 371; hierna: verklaring nr. 31"), bepaalt:
De Verdragsluitende Partijen komen het volgende overeen:
[...]
ii) flexibiliteit met betrekking tot nationale steunprogramma's van tijdelijke aard ter vergemakkelijking van de herstructurering."
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
6 De aan het beroep ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de punten 5 tot en met 18 van het bestreden arrest, kunnen voor de hogere voorziening worden samengevat als volgt:
7 Agrana Stärke-GmbH is een vennootschap naar Oostenrijks recht die zich naast andere activiteiten op landbouwgebied bezighoudt met de productie en verwerking van maiszetmeel in haar fabriek te Aschach (Oostenrijk) en van aardappelzetmeel in haar fabriek te Gmünd (Oostenrijk).
8 Op 19 mei 1995 heeft zij bij de Oostenrijkse autoriteiten voor haar vestigingen te Gmünd en Aschach een aanvraag om steun voor verschillende investeringen in de zetmeelsector ingediend. Deze investeringen zijn in september 1995 verricht zonder het besluit over de betrokken steun af te wachten.
9 Bij brief van 28 juni 1996 heeft de Oostenrijkse regering de steunmaatregelen ten behoeve van de investeringen van Agrana Stärke-GmbH in haar vestigingen te Aschach en Gmünd afzonderlijk ter kennis van de Commissie gebracht.
10 De steun voor de fabriek te Gmünd is door de Commissie goedgekeurd bij brief van 23 januari 1997. Wat de steun voor de fabriek te Aschach betreft, heeft de Commissie echter besloten de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) in te leiden.
11 Op 30 september 1998 heeft de Commissie de litigieuze beschikking gegeven. Daarin stelt zij vast dat het steunplan betreffende de fabriek te Aschach niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
Het bestreden arrest
12 Op 20 augustus 1999 heeft Agrana Zucker und Stärke AG, rechtsopvolgster van Agrana Stärke-GmbH (hierna: Agrana"), bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld en daarvoor vier middelen aangevoerd, te weten overschrijding van de onderzoekstermijn, schending van artikel 151, lid 1, van de Toetredingsakte in samenhang met verklaring nr. 31 en artikel 87, lid 3, sub c, EG, miskenning van het criterium van de noodzaak van de steun, en gebrekkige motivering.
13 Het Gerecht heeft het beroep in zijn geheel verworpen. Wat meer in het bijzonder het tweede middel betreft, het enige dat rekwirante in hogere voorziening nog aanvoert, luidt het bestreden arrest als volgt:
60 Verzoekster meent, dat de Commissie verklaring nr. 31 kennelijk onjuist heeft toegepast, omdat zij niet bij voorbaat mag stellen dat een steunmaatregel niet kan worden toegestaan wanneer de betrokken investering een uitbreiding van de productiecapaciteit betreft, en verder omdat zij de voordelen voor de Gemeenschap van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie zonder overgangsperiode, niet heeft afgewogen tegen de met betaling van de betrokken steun verbonden nadelen.
61 Dienaangaande moet aanstonds worden opgemerkt, dat verklaring nr. 31 geen uitdrukkelijke beperkingen in verband met de productiecapaciteit bevat [...]. Bijgevolg kan de Commissie niet alle gevallen waarin de investering van een mogelijke begunstigde van een steunmaatregel een uitbreiding van de productiecapaciteit betreft, bij voorbaat uitsluiten van de werkingssfeer van deze verklaring. De Commissie mag immers geen algemene beperking op de werkingssfeer van verklaring nr. 31 aanbrengen, die niet uit de tekst van deze bepaling voortvloeit.
62 De [litigieuze] beschikking, althans punt 53 daarvan, kan weliswaar de indruk geven, dat de Commissie overeenkomstig het in de kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun vastgelegde uitgangspunt in geen geval een steunmaatregel toestaat voor investeringen ter uitbreiding van de capaciteit, doch blijkt bij lezing van de [litigieuze] beschikking in haar geheel, dat de Commissie wel degelijk heeft onderzocht, of de aan de orde zijnde steunmaatregel op basis van verklaring nr. 31 kon worden goedgekeurd gegeven de omstandigheden van de onderhavige zaak.
[...]
65 De Commissie heeft vervolgens onderstreept, dat de onderhavige steunmaatregel ,tot een uitbreiding van de productiecapaciteit leidt in een sector waarvoor geen contingentenregeling geldt en die door een structurele overcapaciteit wordt gekenmerkt (punt 46 van de [litigieuze] beschikking). De capaciteitsuitbreiding van Agrana kan daarom de concurrentiepositie op de Oostenrijkse markt van zetmeelproducerende ondernemingen uit andere, naar Oostenrijk uitvoerende lidstaten aantasten of hen aan een verscherpte concurrentie op andere markten blootstellen (punt 52 van de [litigieuze] beschikking). Bijgevolg verandert de betrokken steunmaatregel volgens de Commissie ,de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt dusdanig, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, doordat hij op een markt met een beperkte vraag bijdraagt tot een verhoging van het aanbod en zo de mededinging aanzienlijk verstoort (punt 54 van de [litigieuze] beschikking).
66 De steunmaatregel kan derhalve volgens de Commissie, zelfs met inachtneming van de flexibiliteitsclausule van verklaring nr. 31, niet op grond van artikel 92, lid 3, sub c, EG-Verdrag [thans, na wijziging, artikel 87, lid 3, sub c, EG] als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd (punt 56 van de [litigieuze] beschikking).
67 Gezien de door de Commissie in de [litigieuze] beschikking aangevoerde redenen kan niet worden gesteld, dat zij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat de geplande steunmaatregel niet uitsluitend door verklaring nr. 31 kon worden gerechtvaardigd.
68 Haar standpunt, dat deze steunmaatregel het in de betrokken sector door haar gevoerde beleid ernstig zou doorkruisen, kan niet worden aangetast. Het feit dat zij zich daarvoor in grote mate op de structurele situatie van deze sector in een communautaire context heeft gebaseerd, betekent niet dat zij de onderhavige zaak niet individueel zou hebben beoordeeld.
69 Wat het argument betreft, dat de voordelen voor de Gemeenschap van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie zonder overgangsperiode niet zouden zijn afgewogen tegen de nadelen van de betrokken steun, moet worden vastgesteld dat de Commissie niet verplicht was om met dit aspect rekening te houden. Bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken steunmaatregel, waarbij zij ook verklaring nr. 31 in aanmerking moest nemen, diende de Commissie na te gaan - als vermeld in punt 49 van de [litigieuze] beschikking - of de steun de ontwikkeling van een bepaalde vorm van economische bedrijvigheid of van een bepaalde regionale economie kon bevorderen, zonder dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig werden veranderd, dat het gemeenschappelijk belang werd geschaad. De mogelijke voordelen voor de Gemeenschap van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie zijn evenwel niet relevant voor de concrete beoordeling van een steunmaatregel.
70 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en artikel 151, lid 1, van de Toetredingsakte in samenhang met verklaring nr. 31 en artikel 87, lid 3, sub c, EG niet heeft geschonden.
71 Het tweede middel moet dan ook worden verworpen."
De hogere voorziening
14 Agrana verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen en bij wege van uitspraak ten gronde de litigieuze beschikking nietig te verklaren.
15 Tot staving van de hogere voorziening voert rekwirante één enkel middel aan, namelijk schending van het recht door het Gerecht doordat het de onjuiste beoordeling van de Commissie met betrekking tot verklaring nr. 31 tot de zijne heeft gemaakt.
16 In het eerste onderdeel van dit middel betoogt Agrana dat het Gerecht zichzelf tegenspreekt wanneer het in de punten 67 en 68 van het bestreden arrest na zijn onderzoek van de litigieuze beschikking concludeert dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, nadat het in punt 62 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat de Commissie principieel geen enkele uitbreiding van de capaciteit van de zetmeelindustrie wilde toestaan.
17 Bovendien verplicht verklaring nr. 31 de Commissie, als orgaan dat belast is met de uitvoering van de gemeenschapsregels op het gebied van steun, een flexibel standpunt in te nemen ten aanzien van de maatregelen tot herstructurering van de Oostenrijkse verwerkingsindustrie die door de toetreding van de Republiek Oostenrijk noodzakelijk waren geworden. In punt 28 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie zich echter uitdrukkelijk gebaseerd op het beginsel van strikte uitlegging van artikel 87, lid 3, EG. Van dat standpunt is de gehele litigieuze beschikking doortrokken. Het Gerecht heeft deze fundamentele rechtsschending niet opgemerkt en is zelf daarin vervallen.
18 In het tweede onderdeel van het middel stelt Agrana dat verklaring nr. 31 is bedoeld als compromis tussen het belang van de Gemeenschap bij de onmiddellijke toetreding van de Republiek Oostenrijk en het belang van deze lidstaat bij de verlening van steun aan zijn verwerkingsindustrie. Teleologisch uitgelegd, verplicht verklaring nr. 31 de Commissie om in elk afzonderlijk geval een vergelijkend onderzoek te verrichten naar de respectieve voordelen en nadelen voor de Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk en bij haar beoordeling van de betrokken steun met deze studie rekening te houden.
19 Bijgevolg is haars inziens het standpunt van het Gerecht dat de voordelen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit de onmiddellijke toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie, geen element vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het betrokken steunplan, onjuist.
20 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening wegens niet-ontvankelijkheid en/of ongegrondheid en tot verwijzing van Agrana in de kosten.
Beoordeling door het Hof
21 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, deze op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Het eerste onderdeel van het middel
22 Wat de vermeende tegenspraak in de redenering van het Gerecht betreft, het heeft eerst in punt 62 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie wel degelijk heeft onderzocht, of de aan de orde zijnde steunmaatregel op basis van verklaring nr. 31 kon worden goedgekeurd", en vervolgens in punt 66 van het bestreden arrest vastgesteld dat [d]e steunmaatregel [...] derhalve volgens de Commissie, zelfs met inachtneming van de flexibiliteitsclausule van verklaring nr. 31, niet op grond van artikel 92, lid 3, sub c, EG-Verdrag als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt [kan] worden beschouwd".
23 Hieruit volgt dat de door het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest getrokken conclusie dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, niet in tegenspraak is met de motivering ervan.
24 Anders dan Agrana betoogt, heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest immers verklaard dat de mogelijkerwijze door de Commissie, althans in punt 53 van de litigieuze beschikking, gewekte indruk dat zij in geen geval een steunmaatregel toestaat voor investeringen ter uitbreiding van de capaciteit, niet door lezing van deze beschikking in haar geheel werd bevestigd. Volgens het Gerecht kon op grond van die lezing worden vastgesteld dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken steun met de gemeenschappelijke markt daadwerkelijk rekening met verklaring nr. 31 had gehouden.
25 Wat voorts het argument betreft dat het Gerecht zou hebben miskend dat de Commissie verklaring nr. 31 verkeerd heeft uitgelegd, het Gerecht heeft eerst in de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest de beoordeling door de Commissie van de gevolgen van de betrokken steun voor de markt onderzocht en erop gewezen dat de Commissie in het kader van die beoordeling rekening met verklaring nr. 31 had gehouden, en vervolgens in punt 68 van het bestreden arrest geoordeeld dat [het] standpunt [van de Commissie] dat deze steunmaatregel het in de betrokken sector door haar gevoerde beleid ernstig zou doorkruisen, [niet] [kan] worden aangetast" en dat [h]et feit dat zij zich daarvoor in grote mate op de structurele situatie van deze sector in een communautaire context heeft gebaseerd, [niet] [betekent] dat zij de onderhavige zaak niet individueel zou hebben beoordeeld".
26 Hieruit volgt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat de Commissie de gemeenschapsregels betreffende staatssteun had toegepast met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak.
27 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het enige middel van Agrana als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het tweede onderdeel van het middel
28 Wat de vermeende onjuiste uitlegging door de Commissie van verklaring nr. 31 betreft, die het Gerecht ten onrechte zou hebben aanvaard, moet eraan worden herinnerd dat deze verklaring de Commissie verplicht tot een flexibele beoordeling van de programma's van tijdelijke aard voor door de Oostenrijkse regering toegekende nationale steun.
29 Een dergelijke bepaling moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de gemeenschapsregels betreffende staatssteun op de door de Oostenrijkse autoriteiten ter kennis gebrachte nationale maatregelen worden toegepast zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval, dat hier wordt gekenmerkt door het feit dat het gaat om steun in het kader van een programma van tijdelijke aard dat strekt tot vergemakkelijking van de herstructurering van de verwerkingsindustrie in Oostenrijk.
30 Op grond van deze verplichting moest de Commissie, zoals zij in de punten 49 tot en met 52 van de litigieuze beschikking heeft gedaan, nagaan of de steun de ontwikkeling van een bedrijfstak of een economische sector kan bevorderen zonder beïnvloeding van het handelsverkeer op een met het gemeenschappelijk belang strijdige wijze.
31 Verklaring nr. 31 verplichtte de Commissie daarentegen geenszins tot een afweging van de voordelen die voor de Gemeenschap zouden voortvloeien uit de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Unie zonder overgangsperiode.
32 Hieruit volgt dat het Gerecht het recht niet heeft geschonden waar het in punt 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld: Wat het argument betreft, dat de voordelen voor de Gemeenschap van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie zonder overgangsperiode niet zouden zijn afgewogen tegen de nadelen van de betrokken steun, moet worden vastgesteld dat de Commissie niet verplicht was om met dit aspect rekening te houden.[...]"
33 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van dit middel als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
34 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening in haar geheel als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Agrana Zucker und Stärke AG wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy