Zaak C‑326/01 P
Telefon & Buch VerlagsgmbH
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen – Merken die uitsluitend bestaan uit beschrijvende tekens of aanduidingen – Woorden ‚Universaltelefonbuch’ en ‚Universalkommunikationsverzeichnis’”
Samenvatting van de beschikking
1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken uitsluitend bestaande uit tekens of aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van kenmerken van waar of dienst – Doel – Vrijhoudingsbehoefte
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub c)
2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken uitsluitend bestaande uit tekens of aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van kenmerken van waar of dienst – Begrip
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub c)
3. Hogere voorziening – Middelen – Toetsing door Hof van beoordeling van aan Gerecht voorgelegde feiten – Uitgesloten – Woorden aangevraagd als gemeenschapsmerk
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
1. Door de inschrijving als gemeenschapsmerk van tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waar of dienst waarvoor de inschrijving is gevraagd, te verbieden, streeft artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk deze tekens of aanduidingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve, dat die tekens of aanduidingen op grond van hun inschrijving als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden.
(cf. punten 26‑27)
2. Voor een weigering van inschrijving door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) op grond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk is het niet noodzakelijk dat de in dit artikel bedoelde tekens en aanduidingen waaruit het merk is samengesteld, op het moment van de inschrijvingsaanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van waren of diensten als die waarvoor de aanvraag is ingediend, of van de kenmerken van deze waren of deze diensten. Zoals uit de formulering van deze bepaling blijkt, is het voldoende dat deze tekens en aanduidingen hiertoe kunnen dienen. De inschrijving van een woord als merk moet dan ook op grond van deze bepaling worden geweigerd indien het in minstens één van de potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt.
(cf. punt 28)
3. De beoordeling van de feiten door het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) waarbij het Gerecht enerzijds vaststelt dat woorden waarvan de inschrijving is gevraagd, in een bepaalde taal concrete betekenissen hebben, correct, in overeenstemming met de grammaticaregels, zijn gevormd en bestaan uit gangbare termen van deze taal, en anderzijds dat deze woorden de soort van de waren en de bestemming van de diensten waarvoor de inschrijving is gevraagd, aanduiden, levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
(cf. punten 30, 35)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 februari 2004(1)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen – Merken die uitsluitend bestaan uit beschrijvende tekens of aanduidingen – Woorden ‚Universaltelefonbuch’ en ‚Universalkommunikationsverzeichnis’”
In zaak C-326/01 P,
Telefon & Buch VerlagsgmbH, vertegenwoordigd door H. G. Zeiner, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 14 juni 2001, Telefon & Buch/BHIM (Universaltelefonbuch en Universalkommunikationsverzeichnis) (T-357/99 en T-358/99, Jurispr. blz. II-1705), waarbij het Gerecht de beroepen tegen twee beslissingen van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 21 oktober 1999 houdende weigering van inschrijving van de woorden „Universaltelefonbuch” en „Universalkommunikationsverzeichnis” als gemeenschapsmerk (zaken R 351/1999-3 en R 352/1999-3), heeft verworpen, strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), vertegenwoordigd door E. Joly en S. Bonne als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg, geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur) en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
geeft
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 augustus 2001, heeft de vennootschap Telefon & Buch VerlagsgmbH (hierna: „Telefon & Buch”) krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juni 2001, Telefon & Buch/BHIM (Universaltelefonbuch en Universalkommunikationsverzeichnis) (T‑357/99 en T‑358/99, Jurispr. blz. II‑1705; hierna: „bestreden arrest”), strekkende tot vernietiging van dat arrest, waarbij het Gerecht de beroepen tegen twee beslissingen van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”) van 21 oktober 1999 houdende weigering van inschrijving van de woorden „Universaltelefonbuch” en „Universalkommunikationsverzeichnis” als gemeenschapsmerk, heeft verworpen (hierna: „litigieuze beslissingen”).
Rechtskader
2 Artikel 4 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) bepaalt:
„Gemeenschapsmerken kunnen worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, met name woorden, met inbegrip van namen van personen, tekeningen, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen.”
3 Artikel 7 van dezelfde verordening luidt als volgt:
„1. Geweigerd wordt inschrijving van:
a) tekens die niet in overeenstemming zijn met artikel 4;
b) merken die elk onderscheidend vermogen missen;
c) merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[...]
2. Lid 1 is ook van toepassing indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Gemeenschap bestaan.
3. Lid 1, sub b, c en d, is niet van toepassing indien het merk als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt onderscheidend vermogen heeft verkregen voor de waren of diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd.”
4 Artikel 12 van verordening nr. 40/94 bepaalt:
„Het aan het gemeenschapsmerk verbonden recht staat de houder niet toe een derde te verbieden om in het economisch verkeer gebruik te maken:
a) van diens naam of adres;
b) van aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
c) van het merk, wanneer dat nodig is om de bestemming van een waar of dienst, met name als accessoire of onderdeel, aan te geven,
voorzover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel.”
De feiten
5 Op 28 januari 1997 heeft Telefon & Buch bij het BHIM twee aanvragen ingediend voor de inschrijving als gemeenschapsmerk van de woorden „Universaltelefonbuch” en „Universalkommunikationsverzeichnis” voor waren en diensten die behoren tot de klassen 9 (bespeelde opslagmedia voor computers en gegevensverwerkende apparatuur, met name banden, schijven, cd‑roms), 16 (drukwerken, naslagwerken, handelsadresboeken), 41 (uitgeverij, met name de uitgave van teksten, boeken, week‑ of maandbladen, dagbladen) en 42 (redactiebureaus), in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.
6 Bij beslissingen van 23 april 1999 heeft de onderzoeker van het BHIM deze aanvragen afgewezen, waartegen Telefon & Buch beroep heeft ingesteld.
7 Bij de litigieuze beslissingen heeft de derde kamer van beroep van het BHIM de beroepen verworpen op grond dat de betrokken woorden in het Duitstalige deel van de Gemeenschap voor de betrokken waren en diensten beschrijvend waren in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 en elk onderscheidend vermogen misten in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van deze verordening.
Het bestreden arrest
8 Bij op 21 december 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften heeft rekwirante twee beroepen ingesteld strekkende tot vernietiging van de litigieuze beslissingen.
9 Om de beroepen te verwerpen herinnerde het Gerecht er om te beginnen in de punten 24 en 25 van het bestreden arrest aan dat het eventueel beschrijvend zijn van de woorden „Universaltelefonbuch” en „Universalkommunikationsverzeichnis” moest worden beoordeeld in verhouding tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is gevraagd.
10 Het Gerecht oordeelde vervolgens in de punten 27 tot en met 30 van het bestreden arrest dat deze woorden in het Duits respectievelijk universele telefoongids en universele communicatiegids betekenden en dat zij in overeenstemming met de grammaticaregels van deze taal waren gevormd en bestonden uit gangbare Duitse termen. Het was van oordeel dat deze woorden de soort van de waren en de bestemming van de betrokken diensten aanduidden. Het heeft, zakelijk weergegeven, opgemerkt dat de toevoeging van het bijvoeglijk naamwoord „universal” aan de woorden „Telefonbuch” en „Kommunikationsverzeichnis” het beschrijvende karakter van de woorden voor de in de inschrijvingsaanvraag bedoelde waren en diensten niet wijzigde.
11 In punt 31 van het bestreden arrest leidde het Gerecht uit deze vaststellingen af dat het in aanmerking komende publiek, in casu de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde Duitstalige consument, onmiddellijk en zonder verder nadenken een concreet en rechtstreeks verband kan leggen tussen deze woorden en de betrokken waren en diensten. Dat deze woorden neologismen zijn, doet hieraan niet af.
12 Ten slotte oordeelde het Gerecht in de punten 33 tot en met 35 van het bestreden arrest dat de litigieuze beslissingen terecht uitsluitend konden worden gebaseerd op de in artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 genoemde absolute weigeringsgrond dat de betrokken woorden louter beschrijvend waren, en dat derhalve het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 niet behoefde te worden onderzocht.
13 Het Gerecht heeft derhalve de twee beroepen verworpen.
De hogere voorziening
14 Telefon & Buch concludeert dat het het Hof behage het bestreden arrest te vernietigen, vast te stellen dat de woorden „Universaltelefonbuch” en „Universalkommunikationsverzeichnis” aan de voorwaarden van artikel 4 van verordening nr. 40/94 voldoen en niet louter beschrijvend zijn in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, van dezelfde verordening, de zaak naar het BHIM terug te verwijzen voor een uitspraak over de inschrijvingsaanvragen met betrekking tot deze woorden overeenkomstig het oordeel rechtens van het Hof, en het BHIM te verwijzen in de kosten.
15 Het BHIM concludeert dat het het Hof behage de hogere voorziening af te wijzen en Telefon & Buch te verwijzen in de kosten.
16 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen.
Argumenten van partijen
17 Telefon & Buch betoogt dat de woorden waarvoor de inschrijving is aangevraagd, onbetwistbare neologismen zijn en ongebruikelijke nevenschikkingen van termen vormen. Zij hebben geen eenduidige betekenis en bevatten voor de gemiddelde consument geen duidelijke voorstelling van de waren en diensten waarnaar zij verwijzen. Zij zijn derhalve niet louter beschrijvend en de inschrijving ervan kan niet op grond van de in artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 genoemde absolute weigeringsgrond worden geweigerd.
18 Deze bepaling staat alleen in de weg aan de inschrijving van tekens die rechtstreekse en onmiddellijke informatie verschaffen over de betrokken waren of diensten en niet aan de inschrijving van de tekens die deze informatie alleen indirect overbrengen. Termen die louter beschrijvend zijn, maar geen enkele aanduiding over de betrokken waren of diensten bevatten, kunnen derhalve als merken worden ingeschreven. Om te kunnen worden ingeschreven volstaat het zelfs dat een teken een zeer gering onderscheidend vermogen heeft.
19 Het feit dat de betrokken woorden nog nooit zijn gebruikt, heeft tot gevolg dat zij ontsnappen aan de vrijhoudingsbehoefte die aan de basis ligt van artikel 12 van verordening nr. 40/94. Dit artikel laat bovendien voor derden de mogelijkheid bestaan om dezelfde tekens als beschrijvende aanduidingen te gebruiken zonder dat de houder van het merk zich tegen dit gebruik kan verzetten.
20 Gelet op de criteria van het arrest van 20 september 2001, Procter & Gamble/BHIM (C‑383/99 P, Jurispr. blz. I‑6251), kunnen de in geding zijnde merken niet beschrijvend zijn, te meer daar de waren die zij geacht worden te beschrijven, niet op de markt zijn. Het feit dat het BHIM zich aan de hand van de litigieuze tekens geen duidelijk beeld van de betrokken waren heeft kunnen vormen, toont aan dat dergelijke tekens niet louter beschrijvend zijn.
21 Het BHIM betoogt dat volgens artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 inschrijving wordt geweigerd van tekens of aanduidingen in hun geheel genomen die de „Europese consument” onmiddellijk en zonder nadenken opvat als verwijzingen naar de in de aanvraag vermelde waren en diensten of naar kenmerken ervan. Wanneer deze perceptie niet onmiddellijk is, met name wanneer de woordcombinatie waaruit het merk bestaat, door haar ongebruikelijke structuur niet louter beschrijvend is, kan het teken of de aanduiding als onderscheidend worden aangemerkt en onder die voorwaarden als gemeenschapsmerk worden ingeschreven.
22 Om onderscheidend vermogen te hebben, volstaat het echter niet dat de aldus gevormde combinatie een neologisme is met een grammaticale structuur die licht verschilt van de gebruikelijke uitdrukkingen, en evenmin dat zij meerdere mogelijke betekenissen heeft. De manier waarop het teken onmiddellijk door het publiek wordt begrepen en waargenomen, is doorslaggevend.
23 De litigieuze woorden, die voor de Duitstalige consument onmiddellijk betrekking hebben op de in de aanvraag vermelde waren of diensten, zijn louter beschrijvend. Het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „universal” heeft geen enkel suggestief effect. Ook de veelheid van betekenissen van deze woorden, de lengte ervan en het feit dat zij neologismen zijn, verlenen daaraan geen onderscheidend vermogen.
Beoordeling door het Hof
24 Overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 40/94 kunnen gemeenschapsmerken worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen.
25 Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 bepaalt dat inschrijving wordt geweigerd van merken „die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten”.
26 Zo zijn tekens en aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waar of dienst waarvoor de inschrijving is gevraagd, volgens verordening nr. 40/94 reeds naar hun aard ongeschikt om de merkfunctie van aanduiding van herkomst te vervullen, onverminderd de in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 bepaalde mogelijkheid om onderscheidend vermogen te verkrijgen als gevolg van het gebruik.
27 Door de inschrijving als gemeenschapsmerk van dergelijke tekens of aanduidingen te verbieden, streeft artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk tekens of aanduidingen die de kenmerken beschrijven van de waren of diensten waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve, dat die tekens of aanduidingen op grond van hun inschrijving als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden [zie met name inzake de identieke bepalingen van artikel 3, lid 1, sub c, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1), arresten van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee, C‑108/97 en C‑109/97, Jurispr. blz. I‑2779, punt 25, en 8 april 2003, Linde e.a., C‑53/01–C‑55/01, Jurispr. blz. I‑3161, punt 73].
28 Voor een weigering van inschrijving door het BHIM op grond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 is het niet noodzakelijk dat de in dat artikel bedoelde tekens en aanduidingen waaruit het merk is samengesteld, op het moment van de inschrijvingsaanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van waren of diensten als die waarvoor de aanvraag is ingediend, of van de kenmerken van deze waren of deze diensten. Zoals uit de formulering van deze bepaling blijkt, is het voldoende dat deze tekens en aanduidingen hiertoe kunnen dienen. De inschrijving van een woord als merk moet dan ook op grond van deze bepaling worden geweigerd indien het in minstens één van de potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt (arrest Hof van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 32).
29 Om te beoordelen of de inschrijving van de twee litigieuze woorden kon worden geweigerd op grond van deze bepaling, heeft het Gerecht er in punt 24 van het bestreden arrest allereerst terecht aan herinnerd dat de in artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 genoemde absolute weigeringsgrond moest worden beoordeeld in verhouding tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is gevraagd.
30 Vervolgens oordeelde het Gerecht in punt 27 van het bestreden arrest dat deze woorden in het Duits respectievelijk universele telefoongids en universele communicatiegids betekenden en dat zij correct waren gevormd in overeenstemming met de grammaticaregels van deze taal en bestonden uit gangbare Duitse termen. In punt 28 van het bestreden arrest oordeelde het dat de woordcombinaties „Telefonbuch” en „Kommunikationsverzeichnis” de soort van de waren aanduidden en de bestemming van de in de punten 25 en 26 van het bestreden arrest beschreven diensten en dat zij derhalve konden worden aangemerkt als beschrijvend voor de betrokken waren en diensten. Met die motivering heeft het Gerecht de in punt 28 van de onderhavige beschikking vermelde uitlegging van de aangehaalde bepaling van verordening nr. 40/94 gevolgd.
31 Bovendien is het Gerecht, door in punt 29 van het bestreden arrest te oordelen dat het voor de weigering van de inschrijving van een teken op grond van deze bepaling volstond dat het beschrijvend teken door de betrokken kringen in verband werd gebracht met de betrokken waren of dat een dergelijk verband redelijkerwijs in de toekomst te verwachten was, en door vervolgens in punt 30 van het bestreden arrest te oordelen dat de omstandigheid dat thans geen telefoon‑ of communicatiegidsen met een universele opzet op de markt zijn, het beschrijvend karakter van de litigieuze woorden niet wijzigde, niet voorbijgegaan aan de uitlegging die blijkens punt 28 van de onderhavige beschikking aan deze bepaling moet worden gegeven.
32 In het bijzonder heeft het Gerecht, anders dan Telefon & Buch betoogt, in punt 29 van het bestreden arrest terecht verwezen naar het reeds aangehaalde arrest Windsurfing Chiemsee, waarin het Hof in verband met bepalingen die identiek zijn met die van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94, heeft geoordeeld dat met het verbod op inschrijving als gemeenschapsmerk van tekens of aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, een doel van algemeen belang wordt nagestreefd dat inhoudt dat de beschrijvende tekens of benamingen door eenieder vrij moeten kunnen worden gebruikt (zie in die zin arrest BHIM/Wrigley, reeds aangehaald, punt 31).
33 Onder die omstandigheden kon het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 31 van het bestreden arrest om al die redenen oordelen dat het in aanmerking komende publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken een concreet en rechtstreeks verband kon leggen tussen de betrokken woorden en de in de merkaanvragen genoemde waren en diensten, en in punt 33 van het bestreden arrest dat deze aanvragen terecht bij wege van de litigieuze beslissingen konden worden afgewezen op grond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94.
34 Het Gerecht heeft deze conclusie derhalve niet gegrond op het louter beschrijvend karakter van de betrokken woorden, maar op het feit dat deze laatste voor het in aanmerking komende publiek kenmerken van de in de inschrijvingsaanvragen bedoelde waren of diensten aanduidden of konden aanduiden. Anders dan Telefon & Buch betoogt, heeft het in ieder geval niet geoordeeld dat artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 alleen van toepassing was op tekens of aanduidingen zonder enig onderscheidend vermogen.
35 Door te stellen dat het Gerecht zich heeft vergist omtrent de draagwijdte van de litigieuze woorden, die het had moeten aanmerken als onbetwistbare neologismen met meerdere mogelijke betekenissen en die voor de gemiddelde consument geen duidelijke voorstelling bevatten van de waren en diensten waarnaar zij verwijzen, beperkt Telefon & Buch zich in feite ertoe de beoordeling van de feiten door het Gerecht te betwisten, zonder zich te beroepen op een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde stukken. Deze beoordeling levert echter geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening (arrest van 19 september 2002, DKV/BHIM, C‑104/00 P, Jurispr. blz. I‑7561, punt 22).
36 Ten slotte heeft het Gerecht, anders dan Telefon & Buch stelt, niet uitdrukkelijk vastgesteld dat de litigieuze woorden meerdere betekenissen konden hebben. Het middel als zou het arrest van het Gerecht een tegenstrijdige motivering bevatten doordat woorden waarvan werd aanvaard dat zij meerdere betekenissen konden hebben, als beschrijvend werden aangemerkt, moet dan ook worden afgewezen.
37 Gesteld dat het bestreden arrest aldus kan worden uitgelegd dat het Gerecht niet heeft uitgesloten dat de genoemde woorden meerdere betekenissen konden hebben, moet in ieder geval eraan worden herinnerd dat het, zoals uit punt 28 van de onderhavige beschikking blijkt, voor een weigering van inschrijving op grond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 volstaat dat een teken in minstens één van de potentiële betekenissen ervan een beschrijvend karakter heeft.
38 Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening van Telefon & Buch kennelijk ongegrond is en derhalve moet worden afgewezen.
Kosten
39 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Telefon & Buch in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het BHIM te worden verwezen in de kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Telefon & Buch VerlagsgmbH wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 5 februari 2004.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
J. N. Cunha Rodrigues
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy