Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens nalaten - Natuurlijke of rechtspersonen - Nalaten dat vatbaar is voor beroep - Uitblijven van besluit over gevolg dat wordt gegeven aan klacht om te doen vaststellen dat staatssteun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt - Ontvankelijkheid van beroep ingesteld door belanghebbende in zin van artikel 88, lid 2, EG
(Art. 88, lid 2, EG, 230, vierde alinea, EG en 232, derde alinea, EG)
2. Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Erkenning van hoedanigheid van belanghebbende in zin van artikel 88, lid 2, EG - Voorwaarde - Bestaan van rechtmatig belang
(Art. 88, lid 2, EG en 230, vierde alinea, EG)
Samenvatting
$$1. Evenals artikel 230, vierde alinea, EG, op grond waarvan een particulier de nietigverklaring van een niet tot hem gerichte handeling van een instelling kan vorderen indien die handeling hem rechtstreeks en individueel raakt, moet artikel 232, derde alinea, EG aldus worden uitgelegd, dat een particulier beroep wegens nalaten kan instellen tegen een instelling die heeft nagelaten een handeling te stellen waardoor hij op dezelfde wijze zou worden geraakt.
Een particulier die bij de Commissie een klacht heeft ingediend wegens een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel, wordt individueel geraakt door het nalaten van de Commissie, in de zin van artikel 232, derde alinea, EG, over deze klacht te beslissen, wanneer hij als een belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG moet worden beschouwd, welk begrip niet alleen de begunstigde onderneming(en) omvat, maar ook de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de steunverlening in hun belangen worden geraakt, met name concurrerende ondernemingen en beroepsorganisaties.
( cf. punten 29, 31, 33-34 )
2. Een natuurlijk of rechtspersoon heeft slechts de hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG, indien hij aantoont dat hij een rechtmatig belang heeft bij de uitvoering of niet-uitvoering van de betrokken steunmaatregelen of bij de handhaving van reeds genomen steunmaatregelen. Aanvaarden dat eenieder die een louter algemeen of onrechtstreeks belang heeft bij de betrokken staatssteun, een belanghebbende is in de zin van artikel 88, lid 2, EG, zou immers impliceren dat het begrip individueel geraakte persoon" in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG in beroepen tot nietigverklaring van op basis van artikel 88, lid 3, EG gegeven beschikkingen elke juridische betekenis verliest.
Het feit alleen dat een natuurlijk of rechtspersoon een klacht bij de Commissie heeft ingediend, is op zich niet voldoende om hem de hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG te verlenen, wanneer hij niet aantoont dat hij er een rechtmatig belang bij heeft, de Commissie te verzoeken, na te gaan of de door hem gelaakte steunmaatregelen verenigbaar zijn met de communautaire regels inzake staatssteun. Een dergelijk belang kan met name niet worden aangetoond wanneer er geen rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de gelaakte maatregelen en het nadeel dat de klager stelt te hebben geleden als gevolg van de toepassing van dergelijke maatregelen.
( cf. punten 35-36, 39, 42, 44-45 )
Partijen
In zaak T-41/01,
Rafael Pérez Escolar, wonende te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door F. Moreno Pardo, advocaat,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en J. Flett als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep krachtens artikel 232 EG strekkende tot vaststelling dat de Commissie, door na te laten een beschikking te geven op de klacht die verzoeker tegen het Koninkrijk Spanje heeft ingediend wegens schending van artikel 87 EG, en door na te laten de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden met betrekking tot de door de Spaanse autoriteiten aan de bankinstellingen Banco Español de Crédito en Banco Santander verleende steun, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, J. Pirrung, P. Mengozzi, A. W. H. Meij en M. Vilaras, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Op 15 december 1994 publiceerde de Commissie een perscommuniqué met de titel De Commissie keurt de redding van Banesto goed", waarin zij aankondigde dat de door de Spaanse autoriteiten genomen financiële maatregelen ter uitvoering van het herstructureringsplan voor de Banco Español de Crédito SA (hierna: Banesto") niet binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG vielen. Volgens dat perscommuniqué behoorden tot de maatregelen van dat herstructureringsplan, onder meer, een kapitaalverhoging voor een bedrag van 180 miljard Spaanse peseta (ESP), de aankoop door het Depositogarantiefonds (hierna: DGF") van de tot hun nominale waarde ontwaarde activa en de onmiddellijke verkoop ervan aan Banesto met een verlies van 285 miljard ESP, alsmede een door het DGF toegekende gesubsidieerde lening over vier jaar voor een bedrag van 315 miljard ESP, die voor het DGF een rentederving van 41 miljard ESP betekende.
2 In de klacht die hij bij brief van 23 februari 1999 bij het voor mededingingszaken bevoegde lid van de Commissie heeft ingediend, stelde Pérez Escolar (hierna: verzoeker") dat de interventiemaatregelen van de Spaanse autoriteiten in het kader van bovengenoemd herstructureringsplan neerkwamen op steunverlening aan Banesto en Banco Santander. In zijn klacht vroeg verzoeker de Commissie de maatregelen te nemen die nodig zijn opdat Banesto de via het DGF ontvangen subsidie van 285 miljard ESP terugbetaalt en overeenkomstig de Spaanse belastingwetten vennootschapsbelasting betaalt over dat subsidiebedrag. De Commissie werd verder verzocht alle andere maatregelen te treffen die nodig waren wegens de door verzoeker uiteengezette feiten, voorzover deze feiten een schending van het communautaire mededingingsrecht inhielden.
3 Bij brief van 25 juni 1999 aan het voor mededingingszaken bevoegde lid van de Commissie herhaalde verzoeker zijn klacht en vulde hij die aan met andere overwegingen inzake de vermeende schending van artikel 101 EG door de Spaanse autoriteiten.
4 Bij brieven van 27 maart en 4 april 2000 aan R. Feltkamp, het toenmalige hoofd van de eenheid Overheidsbedrijven en diensten" van het directoraat Staatssteun II" van het directoraat-generaal Concurrentie herhaalde verzoeker zijn stellingen en droeg hij nieuwe bewijsstukken aan.
5 Verzoeker maakte gewag van een vergadering met Feltkamp in de kantoren van de Commissie te Brussel op 31 maart 2000.
6 Op 15 juni 2000 zond verzoeker een e-mailbericht aan Rodríguez Galindo, lid van het kabinet van het voor mededingingszaken bevoegde lid van de Commissie. In haar antwoord per e-mail van diezelfde dag verzocht deze laatste verzoeker om een kopie van de documenten waarnaar hij in zijn bericht had verwezen. Op 21 juni 2000 zond verzoeker een tweede e-mailbericht aan Rodríguez Galindo, waarin hij haar liet weten dat de gevraagde documenten waren verstuurd samen met een korte samenvatting van de belangrijkste feiten van de zaak.
7 Op 6 november 2000 stuurde verzoeker het voor mededingingszaken bevoegde lid van de Commissie een nieuwe brief, waarin hij zijn klacht van 23 februari 1999 herhaalde en de Commissie verzocht, op grond van de gestelde feiten een onderzoek te beginnen en Banesto te gelasten, de via het DGF ontvangen subsidie van 285 miljard ESP terug te betalen, de vennootschapsbelasting over dat subsidiebedrag te betalen, de rente over de door het DGF toegekende lening van 315 miljard ESP aan het DGF over te maken en de minderheidsaandeelhouders van Banesto te herstellen in de voorkeursrechten die hun zouden zijn ontnomen bij de kapitaalverhoging in het kader van de herstructurering van de bank.
De procedure en de conclusies van partijen
8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 februari 2001, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
9 Bij afzonderlijke akte van 16 mei 2001 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoeker heeft op 29 augustus 2001 zijn opmerkingen over deze exceptie ingediend.
10 In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
- vast te stellen dat de Commissie, door na te laten een beschikking te geven op zijn klacht van 23 februari 1999, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
11 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeker te verwijzen in de kosten.
12 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde wat zijn procesbevoegdheid betreft;
- subsidiair, de datum van de terechtzitting in de procedure over de exceptie van niet-ontvankelijkheid te bepalen;
- vast te stellen dat de Commissie, door na te laten een beschikking te geven op zijn klacht van 23 februari 1999, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
In rechte
13 Overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling tenzij het Gerecht anders beslist.
14 In casu oordeelt het Gerecht dat de bewijsstukken voldoende inlichtingen bevatten om overeenkomstig deze bepaling zonder verdere behandeling uitspraak te doen.
Argumenten van partijen
15 De Commissie voert drie middelen van niet-ontvankelijkheid tegen het onderhavige beroep aan.
16 Zij stelt in de eerste plaats dat zij niet binnen een redelijke termijn werd uitgenodigd tot handelen, aangezien meer dan vier jaar zijn verstreken sinds de publicatie op 15 december 1994 van het perscommuniqué waarin zij aankondigde dat de in het kader van het herstructureringsplan voor Banesto vastgestelde maatregelen geen staatssteun vormden, en verzoekers klacht van 23 februari 1999. Door dit lange stilzitten heeft verzoeker, om redenen van rechtszekerheid, het recht verwerkt om krachtens artikel 232 EG beroep in te stellen.
17 Aangaande verzoekers stelling dat in zijn klacht van 23 februari 1999 niet wordt verwezen naar de reeds in 1994 onderzochte financiële maatregelen, betoogt de Commissie dat dit onjuist is en in ieder geval niet relevant voor het onderzoek van de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep.
18 De Commissie voert in de tweede plaats aan dat het beroep buiten de in artikel 232 EG gestelde termijn is ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie bij brief van 23 februari 1999 uitgenodigd tot handelen in de zin van artikel 232 EG. De in deze bepaling gestelde beroepstermijn is bijgevolg op 6 juli 1999 verstreken, terwijl het verzoekschrift pas op 23 februari 2001 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven. De Commissie merkt op dat verzoeker de termijn die hij heeft laten verstrijken, niet met terugwerkende kracht opnieuw kan doen ingaan door de Commissie een kopie van zijn oorspronkelijke klacht te sturen of door een document met in wezen dezelfde inhoud in te dienen.
19 De Commissie betoogt in de derde plaats dat verzoeker geen beroep op grond van artikel 232 EG kan instellen, omdat hij niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de handeling die de Commissie heeft nagelaten te verrichten. In dat verband benadrukt de Commissie dat, inzake steunmaatregelen van de staten, de verzoeker slechts kan worden geacht rechtstreeks en individueel te zijn geraakt door de handeling die de Commissie heeft nagelaten te verrichten indien hij aantoont dat hij een belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG is. Daartoe moet hij aantonen dat hij een rechtstreekse concurrent is van de ontvangers van de gelaakte staatssteun. In casu verklaart verzoeker evenwel slechts dat zijn procesbevoegdheid voortvloeit uit het feit dat hij bij de Commissie een klacht heeft ingediend, hetgeen onvoldoende is voor de ontvankelijkheid van zijn beroep. Ten slotte beklemtoont de Commissie dat verzoeker evenmin procesbevoegdheid kan ontlenen aan de omstandigheid dat hij tot eind 1993 lid van de raad van bestuur van Banesto was, of dat hij minderheidsaandeelhouder van Banesto is.
20 Aangaande het middel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat werd ingesteld nu de Commissie niet binnen een redelijke termijn werd uitgenodigd tot handelen, stelt verzoeker in de eerste plaats dat uit de communautaire rechtspraak geenszins de algemene verplichting voortvloeit om een beroep wegens nalaten binnen een redelijke termijn in te stellen.
21 In de tweede plaats benadrukt verzoeker dat de Commissie van particulieren niet kan verlangen dat zij op de hoogte zijn van haar perscommuniqués, wanneer zij de beschikkingen waarin zij vaststelt dat er geen sprake is van staatssteun, niet in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendmaakt. In ieder geval was het voor verzoeker onmogelijk om alleen op basis van de tekst van het perscommuniqué van 15 december 1994 te weten te komen wat de precieze draagwijdte van de analyse van de Commissie was. Bovendien vermeldde dat perscommuniqué niet alle steunmaatregelen waartegen verzoeker in zijn klacht bezwaar heeft gemaakt. Het vermeldde met name niet de aan Banesto toegekende vrijstelling van vennootschapsbelasting over het via het DGF ontvangen bedrag van 285 miljard ESP, noch het aan Banco Santander toegekende uitstel van betaling voor de Banesto-aandelen, welk uitstel deze laatste een voordeel opleverde ten detrimente van het DGF.
22 In de derde plaats stelt verzoeker dat, inzake steunmaatregelen van de staten, artikel 15 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), bepaalt dat de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar. In deze omstandigheden is de stelling van de Commissie dat haar handelen in casu aan andere beperkingen in de tijd is onderworpen dan de inachtneming van de in deze bepaling gestelde lange verjaringstermijn, volstrekt ongegrond. Bovendien bepaalt artikel 10 van verordening nr. 659/1999 dat de Commissie, indien zij, uit welke bron ook, over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, zij die informatie onverwijld aan een onderzoek onderwerpt.
23 Aangaande het middel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de in artikel 232 EG gestelde beroepstermijn van twee maanden is verstreken, herinnert verzoeker eraan dat deze termijn overeenkomstig dat artikel wordt berekend vanaf de aan de betrokken instelling gerichte uitnodiging tot handelen. Een dergelijke uitnodiging ligt echter niet vervat in de klacht van 23 februari 1999, waarin verzoeker de Commissie alleen maar heeft gevraagd, de gelaakte steunmaatregelen te onderzoeken. Volgens verzoeker kan alleen de brief van 6 november 2000 worden beschouwd als een uitnodiging tot handelen die voldoet aan de voorwaarden van artikel 232 EG. Bijgevolg is het op 23 februari 2001 ingestelde beroep niet tardief.
24 Verder verklaart verzoeker dat, anders dan verweerster stelt, de brieven die hij na zijn klacht van 23 februari 1999 aan de Commissie heeft gestuurd, niet in wezen dezelfde inhoud hadden als zijn klacht, maar dat zij nieuwe argumenten bevatten en dat daarbij nieuwe bewijsstukken waren gevoegd.
25 Aangaande het middel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoeker geen procesbevoegdheid heeft, benadrukt deze laatste dat de door de artikelen 230 EG en 232 EG geboden rechtsmiddelen uiteenlopende belangen beogen te beschermen, aangezien eerstgenoemd artikel het recht verleent om nietigverklaring van een handeling van een gemeenschapsinstelling te vorderen, en laatstgenoemd artikel het recht verleent om een gemeenschapsinstelling aan te manen een standpunt te bepalen.
26 Verder stelt verzoeker dat het volstaat een klacht in te dienen om een beroep wegens nalaten bij het Gerecht te kunnen instellen. Bovendien betoogt hij dat hij als minderheidsaandeelhouder van Banesto rechtstreeks en individueel nadeel heeft geleden door de toepassing van de maatregelen van het herstructureringsplan voor Banesto. Een van deze maatregelen bestond immers in een verhoging van het kapitaal van Banesto met 180 miljard ESP, waaraan de voorwaarde was verbonden dat de aandeelhoudersvergadering de volledige uitsluiting van het voorkeursrecht aanvaardde en alleen aan het DGF het recht toekende om op de aandelen in te tekenen. Het feit dat hij verplicht werd afstand te doen van zijn voorkeursrecht, vormt een nadeel dat voldoende is om hem in het kader van het onderhavige beroep procesbevoegdheid te verlenen.
Beoordeling door het Gerecht
27 Allereerst dient het derde door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid, namelijk dat verzoeker geen procesbevoegdheid heeft, te worden onderzocht.
28 Volgens artikel 232, derde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon bij de gemeenschapsrechter zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een van de instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.
29 In zijn arrest van 26 november 1996, T. Port (C-68/95, Jurispr. blz. I-6065, punt 59) heeft het Hof verduidelijkt dat, aangezien een particulier op grond van artikel 230, vierde alinea, EG nietigverklaring van een niet tot hem gerichte handeling van een instelling kan vorderen indien die handeling hem rechtstreeks en individueel raakt, artikel 232, derde alinea, EG aldus moet worden uitgelegd dat het een particulier ook de mogelijkheid biedt een beroep wegens nalaten in te stellen tegen een instelling die heeft nagelaten een handeling te stellen waardoor hij op dezelfde wijze zou worden geraakt.
30 Bijgevolg dient te worden onderzocht in welke mate verzoeker in casu rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de handelingen die de Commissie volgens hem heeft nagelaten te verrichten.
31 Verzoeker verwijt de Commissie in wezen dat zij de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door na te laten een standpunt te bepalen over zijn klacht van 23 februari 1999 betreffende de steunmaatregelen die de Spaanse autoriteiten ten gunste van Banesto en Banco Santander zouden hebben genomen. Derhalve dient te worden onderzocht of verzoeker rechtstreeks en individueel zou zijn geraakt door de beschikking die de Commissie, zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden, na afloop van de inleidende onderzoeksfase jegens de betrokken lidstaat zou hebben kunnen geven, en die zou hebben ingehouden dat de betrokken maatregelen geen steunmaatregelen zijn, of dat het gaat om steunmaatregelen die verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt (zie in die zin arrest Gerecht van 15 september 1998, Gestevisión Telecinco/Commissie, T-95/96, Jurispr. blz. II-3407, punt 63).
32 Dat onderzoek staat los van de vraag of de Commissie de door verzoeker aan de kaak gestelde maatregelen in 1994 volledig heeft onderzocht, zoals door de Commissie wordt gesteld maar door verzoeker wordt weersproken. Inzonderheid hoeft niet vooraf te worden uitgemaakt of, gelet op de omstandigheden van de zaak, aan verzoeker kan worden verweten dat hij niet binnen de gestelde termijn een beroep tot nietigverklaring van de in 1994 door de Commissie gegeven beschikking heeft ingesteld, noch of zijn klacht van 23 februari 1999 en de latere bevestigingen ervan kunnen worden opgevat als een verzoek om herroeping van deze beschikking op grond van artikel 9 van verordening nr. 659/1999. Voorzover uit dat onderzoek zou blijken dat verzoeker niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de in zijn klacht gelaakte maatregelen, en dus door een beschikking van de Commissie betreffende deze maatregelen, volgt daaruit immers dat hij geen procesbevoegdheid heeft voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de door de Commissie in 1994 gegeven beschikking en evenmin - voor het geval dat zijn klacht kan worden opgevat als een verzoek om herroeping - voor het instellen van een beroep wegens nalaten tegen het verzuim van de Commissie een standpunt te bepalen over dat verzoek.
33 Het is vaste rechtspraak dat, wanneer de Commissie zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden, op basis van lid 3 van dat artikel vaststelt dat een overheidsmaatregel geen steunmaatregel is, of dat deze maatregel een met de gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel is, de belanghebbenden die de procedurele waarborgen van lid 2 van dit artikel genieten, de naleving ervan slechts kunnen verkrijgen, indien zij de mogelijkheid hebben deze beschikking van de Commissie voor de gemeenschapsrechter te betwisten (arresten Hof van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, Jurispr. blz. I-2487, punt 23; 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 17, en 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 47; arrest Gestevisión Telecinco/Commissie, reeds aangehaald, punt 64).
34 De belanghebbenden in de zin van artikel 88, lid 2, EG zijn, volgens de definitie van het Hof en van het Gerecht, niet alleen de door een steunmaatregel begunstigde onderneming of ondernemingen, maar evenzeer de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de steunverlening in hun belangen worden geraakt, met name concurrerende ondernemingen en beroepsorganisaties (zie, met name, arrest Hof van 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, Jurispr. blz. 3809, punt 16; arresten Matra/Commissie, reeds aangehaald, punt 18, en Gestevisión Telecinco/Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
35 Een natuurlijk of rechtspersoon heeft slechts de hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG, zoals gepreciseerd in de in de punten 33 en 34 hierboven aangehaalde rechtspraak, indien hij aantoont dat hij een rechtmatig belang heeft bij de uitvoering of niet-uitvoering van de betrokken steunmaatregelen of bij de handhaving van reeds genomen steunmaatregelen. Voor een onderneming kan een dergelijk rechtmatig belang onder meer bestaan in de bescherming van haar concurrentiepositie op de markt, voorzover deze positie door de steunmaatregelen in het gedrang komt (zie, in die zin, arresten Cook/Commissie, reeds aangehaald, punt 25; Matra/Commissie, reeds aangehaald, punt 19, en Gestevisión Telecinco/Commissie, reeds aangehaald, punt 66).
36 Aanvaarden dat eenieder die een louter algemeen of onrechtstreeks belang heeft bij de betrokken staatssteun, een belanghebbende is in de zin van artikel 88, lid 2, EG en de in de punten 33 en 34 hierboven aangehaalde rechtspraak, zou immers impliceren dat iedere belastingplichtige als belanghebbende in de zin van bovengenoemde bepaling kan worden aangemerkt met betrekking tot een steunmaatregel die uit de algemene middelen van een lidstaat wordt gefinancierd. Zoals het Gerecht al heeft opgemerkt in het arrest van 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij/Commissie (T-188/95, Jurispr. blz. II-3713), zou een dergelijke uitlegging duidelijk onverenigbaar zijn met de in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van artikel 88, lid 2, EG, en bovendien zou daarmee het begrip individueel geraakte persoon" in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG in beroepen tot nietigverklaring van op basis van artikel 88, lid 3, EG gegeven beschikkingen elke juridische betekenis verliezen (arrest Waterleiding Maatschappij/Commissie, reeds aangehaald, punt 68), doordat dit rechtsmiddel dan een soort actio popularis wordt.
37 Tegen de achtergrond van het voorgaande moet in casu worden nagegaan of verzoeker als een belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG kan worden beschouwd met betrekking tot de maatregelen waartegen hij in zijn klacht van 23 februari 1999 bezwaar heeft gemaakt.
38 Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij een belanghebbende in de zin van bovengenoemde bepaling is, beroept verzoeker zich op het feit dat hij een klacht heeft ingediend en dat hij als minderheidsaandeelhouder van Banesto nadeel heeft geleden door de door hem gelaakte maatregelen.
39 Allereerst is het feit alleen dat verzoeker een klacht bij de Commissie heeft ingediend, op zich niet voldoende om hem de hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG te verlenen, wanneer hij niet aantoont dat hij er een rechtmatig belang bij heeft, de Commissie te verzoeken, na te gaan of de omstreden steunmaatregelen verenigbaar zijn met de communautaire regels inzake staatssteun. Deze conclusie vloeit voort uit de rechtspraak volgens welke een onderneming die een klacht indient, een belanghebbende in de zin van artikel 88, lid 2, EG en van de in de punten 33 en 34 hierboven aangehaalde rechtspraak is, op voorwaarde dat zij doet blijken van een rechtmatig belang, dat onder meer kan bestaan in de bescherming van haar concurrentiepositie op de markt tegen de gevolgen van de gelaakte maatregelen (zie, in die zin, arrest Waterleiding Maatschappij/Commissie, reeds aangehaald, punt 62).
40 Hieruit volgt dat het feit alleen van een klacht te hebben ingediend, niet volstond om verzoeker procesbevoegdheid te verlenen voor het instellen van een beroep tegen de beschikking waarbij de Commissie, zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden, zou hebben vastgesteld dat de gelaakte maatregelen geen steunmaatregelen zijn, of steunmaatregelen die evenwel verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Bijgevolg volstaat dat feit alleen evenmin om verzoeker procesbevoegdheid te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep tegen het verzuim van de Commissie om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden met betrekking tot de maatregelen waartegen hij in casu bezwaar heeft gemaakt.
41 Wat vervolgens de vraag betreft, of verzoeker op goede gronden kan stellen dat hij als minderheidsaandeelhouder van Banesto in zijn belangen is geschaad door de maatregelen waartegen hij in zijn klacht van 23 februari 1999 bezwaar heeft gemaakt, zodat hij kan aantonen met betrekking tot deze maatregelen een belanghebbende te zijn en dus in het kader van het onderhavige beroep procesbevoegdheid te hebben, zij vastgesteld dat de verzoeker in wezen stelt dat hij in deze hoedanigheid schade heeft geleden doordat hij zijn voorkeursrecht niet heeft kunnen uitoefenen bij de verhoging van het kapitaal van Banesto die in 1994
is doorgevoerd met het oog op de inbreng, door het DGF, van 180 miljard ESP.
42 Met betrekking tot de maatregelen waartegen verzoeker in zijn klacht van 23 februari 1999 bezwaar heeft gemaakt, te weten een subsidie van 285 miljard ESP, een door het DGF aan Banesto toegekende gesubsidieerde lening van 315 miljard ESP, het aan Banco Santander verleende uitstel van betaling van de prijs van de Banesto-aandelen en de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor Banesto, staat vast dat het door verzoeker aangevoerde nadeel geenszins het gevolg is van de toepassing van deze maatregelen, aangezien deze volledig losstaan van de omstandigheid dat verzoeker bij de verhoging van het kapitaal van Banesto in 1994 zijn voorkeursrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Bovendien staat vast dat verzoeker met betrekking tot deze maatregelen geen enkel ander nadeel aanvoert dat verband houdt met de belangen die artikel 88 EG beoogt te beschermen. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de stelling die verzoeker in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft geponeerd, namelijk dat de verschillende maatregelen van het herstructureringsplan voor Banesto, waartegen hij in zijn klacht is opgekomen, een ondeelbaar geheel vormden.
43 Wat vervolgens de inbreng van 180 miljard ESP door het DGF bij de verhoging van het kapitaal van Banesto in 1994 betreft, dient te worden verwezen naar de feitelijke uiteenzetting in verzoekers klacht van 23 februari 1999 en in zijn bij het Gerecht ingediende memories. Verzoeker stelt, zakelijk weergegeven, dat de Spaanse autoriteiten met het herstructureringsplan voor Banesto vooral tot doel hadden, de samenstelling van de aandeelhouders van Banesto te wijzigen. Daartoe zou de informatie betreffende de financiële toestand van Banesto zijn vervalst om de indruk van een deficit te creëren, dat dan kon worden aangegrepen om de aandeelhouders te pressen, bij de kapitaalverhoging af te zien van hun voorkeursrechten ten voordele van het DGF. Bovendien zou het statuut van het DGF ad hoc zijn gewijzigd om de betrokken inbreng mogelijk te maken.
44 Uit deze uiteenzetting van de feiten blijkt dat het door verzoeker aangevoerde nadeel, zo het al bewezen is, het gevolg is van een aantal kunstgrepen van de verschillende organen en autoriteiten die bij de uitvoering van het herstructureringsplan voor Banesto een rol hebben gespeeld. Er kan echter geen enkel rechtstreeks causaal verband worden aangetoond tussen dat nadeel en de maatregel die in strijd zou kunnen zijn met de communautaire regels inzake staatssteun, namelijk de inbreng door het DGF in het kapitaal van Banesto. In deze context kan verzoeker geen aanspraak maken op herstel van dat nadeel in het stadium van de toetsing door de Commissie van de conformiteit van deze maatregel met de verdragsbepalingen inzake staatssteun. Daartoe moet hij in voorkomend geval gebruik maken van de rechtsmiddelen die het rechtsstelsel van de betrokken lidstaat hem bieden.
45 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet aantoont dat hij als minderheidsaandeelhouder van Banesto met betrekking tot de maatregelen waartegen hij in zijn klacht van 23 februari 1999 bezwaar heeft gemaakt, een rechtmatig belang heeft dat hem procesbevoegdheid verleent voor het instellen van een beroep tegen een beschikking waarbij de Commissie, zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden, zijn klacht zou hebben afgewezen en zou hebben verklaard dat deze maatregelen geen steunmaatregelen zijn of steunmaatregelen die evenwel verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Derhalve toont verzoeker evenmin aan dat hij als minderheidsaandeelhouder van Banesto procesbevoegdheid heeft voor het instellen van een beroep wegens nalaten van de Commissie om een dergelijke beschikking te geven, zoals het onderhavige beroep.
46 Aangezien verzoeker geen onderneming is waarvan de concurrentiepositie door de omstreden maatregelen in het gedrang komt, kan hij overigens ook in het kader van een dergelijk beroep geen persoonlijk belang aantonen op grond van de vermeende concurrentievervalsende gevolgen van deze maatregelen (zie arrest Gerecht van 18 december 1997, ATM/Commissie, T-178/94, Jurispr. blz. II-2529, punt 63).
47 Gelet op een en ander heeft verzoeker niet aangetoond dat hij procesbevoegdheid heeft voor het instellen van het onderhavige beroep, dat bijgevolg niet-ontvankelijk dient te worden verklaard zonder dat de overige door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid dienen te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Commissie.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy