Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Beschikking in vorm van richtlijn - Beroep ingesteld door vereniging - Voorwaarden - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
Samenvatting
$$De enkele omstandigheid dat artikel 230, vierde alinea, EG de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring van richtlijnen niet uitdrukkelijk behandelt, volstaat op zich niet om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Nagegaan dient te worden of de bestreden richtlijn niet toch een beschikking vormt die de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, ook al is deze beschikking genomen in de vorm van een richtlijn. De gemeenschapsinstellingen kunnen immers niet door de keuze van de vorm van de betrokken handeling aan particulieren de rechtsbescherming ontnemen die deze verdragsbepaling hun biedt.
Een ander dan de adressaat van een beschikking kan slechts stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG indien die beschikking hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.
Een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen kan niet worden geacht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft, en kan dus geen beroep tot nietigverklaring instellen wanneer de individuele leden dat ook niet kunnen. Bijzondere omstandigheden, zoals de rol die een vereniging heeft gespeeld in de procedure die tot vaststelling van een handeling in de zin van artikel 230 EG heeft geleid, kunnen echter de ontvankelijkheid meebrengen van een beroep dat is ingesteld door een vereniging wier leden niet rechtstreeks en individueel door die handeling worden geraakt.
( cf. punten 23-25 )
Partijen
In zaak T-84/01,
Association contre l'heure d'été, voorheen Association contre l'horaire d'été, gevestigd te Marly-le-Roy (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Lepage, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Pennera en M. Goméz-Leal als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lopes Sabino als gemachtigde,
verweerders,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd (PB L 31, blz. 21),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. M. Moura Ramos, kamerpresident, J. Pirrung en A. W. H. Meij, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader en procesverloop
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 april 2001, heeft verzoekster, een vereniging die in het leven is geroepen om het publiek bewust te maken van de schadelijke gevolgen van de tijdsverandering en om afschaffing van de zomertijd te bewerkstelligen, krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd (PB L 31, blz. 21).
2 Doel van deze richtlijn is de harmonisering van de data waarop de zomertijd in de lidstaten begint en eindigt. De tweede overweging van de considerans preciseert, dat daar de lidstaten de bepalingen met betrekking tot de zomertijd toepassen, het voor de goede werking van de interne markt van belang is, dat datum en uur van het begin en het einde van de zomertijd voor de gehele communautaire ruimte verder gemeenschappelijk worden vastgesteld.
3 De richtlijn bepaalt in artikel 7, dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 2001 aan deze richtlijn te voldoen".
4 Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 25 juni en 13 juli 2001, hebben het Parlement en de Raad elk een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
5 Op 26 september 2001 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht haar memorie van repliek neergelegd met daarin haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
Conclusies van partijen
6 Verzoekster concludeert tot:
- verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid;
- nietigverklaring van richtlijn 2000/84/EG;
- verwijzing van verweerders in de kosten.
7 Het Parlement concludeert tot
- niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, zonder op de zaak ten gronde in te gaan;
- verwijzing van verzoekster in de kosten.
8 De Raad concludeert tot
- niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
- subsidiair, verwerping van het beroep;
- veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding.
In rechte
9 Op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van een partij uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens artikel 114, lid 3, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek dan mondeling, tenzij het Gerecht anders bepaalt. In casu acht het Gerecht zich na bestudering van het dossier voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
Argumenten van partijen
10 Ter ondersteuning van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt het Parlement allereerst, dat verzoekster ten tijde van de instelling van dit beroep geen procesbevoegdheid of rechtspersoonlijkheid bezat, en dat er overigens ook geen aanwijzingen zijn dat verzoeksters situatie in de loop van de beroepstermijn is geregulariseerd. Volgens de rechtspraak brengt dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep mee (arrest Hof van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie, 50/84, Jurispr. blz. 3991, punt 8).
11 Het Parlement stelt vervolgens, dat verzoekster nog geen rechtspersoonlijkheid bezat toen richtlijn 84/2000 werd vastgesteld, nu haar statuten van 31 maart 2001 dateren. Daar verzoekster niet bestond op de dag waarop richtlijn 2000/84 werd vastgesteld, kan zij niet stellen dat zij een rechtspersoon is die rechtstreeks en individueel door de richtlijn wordt geraakt.
12 Voorts, aldus het Parlement, raakt richtlijn 2000/84 verzoekster hoe dan ook niet rechtstreeks. Want zelfs indien de lidstaten bij de vaststelling van nationale uitvoeringsmaatregelen geen enkele beleidsmarge hebben, brengt dat nog niet automatisch mee, dat verzoekster rechtstreeks door die bepalingen wordt geraakt. Daar de richtlijn enkel een gemeenschappelijke datum en een gemeenschappelijk uur vaststelt voor het begin en het einde van de zomertijd, heeft zij als zodanig geen gevolgen voor verzoeksters rechtspositie. Deze richtlijn legt verzoekster geen enkele bijzondere verplichting op en tast geen rechten aan die verzoekster vóór de vaststelling daarvan genoot.
13 Tenslotte stelt het Parlement dat verzoekster niet individueel wordt geraakt. Onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad (C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 41) en de beschikking van het Gerecht van 26 maart 1999, Biscuiterie-confiserie LOR en Confiserie du Tech/Commissie (T-114/96, Jurispr. blz. II-913, punt 30) stelt zij, dat een normatieve handeling verzoekster slechts individueel kan raken voorzover zij afbreuk doet aan specifieke rechten van verzoekster. Met betrekking tot de vaststelling van begin- en einddata voor de zomertijd kan verzoekster zich niet beroepen op het bestaan van een specifiek recht of van bijzondere omstandigheden die op een individueel belang wijzen dat verschilt van dat van ieder ander.
14 De Raad wijst in de eerste plaats op de aard van richtlijn 2000/84. Deze richtlijn is een tot alle lidstaten gerichte handeling van algemene strekking die alle natuurlijke en rechtspersonen binnen de gehele Gemeenschap op gelijke wijze raakt. Richtlijn 2000/84 vertoont dus alle kenmerken van een richtlijn en kan bijgevolg in beginsel niet door particulieren worden aangevochten.
15 Een particulier kan bovendien hoe dan ook enkel tegen een richtlijn opkomen indien aan de voorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG is voldaan, en volgens de Raad wordt verzoekster noch rechtstreeks, noch individueel door de bepalingen van richtlijn 2000/84 geraakt.
16 Voor zijn stelling dat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt, verwijst de Raad naar het arrest van het Gerecht van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad (T-172/98, T-175/98 tot en met T-177/98, Jurispr. blz. II-2487, punt 52) waaruit blijkt, dat aan de voorwaarde dat de particulier rechtstreeks door de bestreden communautaire maatregel wordt geraakt, enkel dan is voldaan wanneer die maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen beoordelingsbevoegdheid laat. Nu richtlijn 2000/84 verzoekster geen enkele verplichting oplegt, raakt zij haar niet rechtstreeks.
17 Verzoekster wordt volgens de Raad ook niet individueel geraakt. Richtlijn 2000/84 raakt verzoekster niet op een wijze die haar ten opzichte van alle anderen karakteriseert en haar individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een maatregel. De richtlijn heeft algemene en abstract geformuleerde rechtsgevolgen die verzoekster niet meer en niet minder raken dan elke andere natuurlijke of rechtspersoon. Het beweerdelijke bestaan of de dreiging van schade kan op zich niet volstaan om een verzoeker procesbevoegdheid te verlenen, wanneer een dergelijke schade in algemene en abstracte zin zeer vele, niet vooraf bepaalbare justitiabelen kan treffen op een wijze die hen niet op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking (beschikking Gerecht van 9 augustus 1995, Greenpeace e.a./Commissie, T-585/93, Jurispr. blz. II-2205, punt 51).
18 Verzoekster stelt dat zij, anders dan het Parlement verklaart, in 1983 is opgericht. De wijzigingsverklaring, die in het Journal officiel de la République française van 26 mei 2001 is gepubliceerd en waaruit onder meer blijkt dat verzoeksters naam is gewijzigd in Association contre l'heure d'été, had geen enkele invloed op verzoeksters rechtspersoonlijkheid of op haar procesbevoegdheid aangezien verzoekster sinds haar oprichting in 1983 over beide beschikte.
19 Verzoekster stelt, dat volgens vaste rechtspraak, zoals onder meer geformuleerd in de reeds aangehaalde beschikking Greenpeace e.a./Commissie, verenigingen procesbevoegdheid hebben voor het Gerecht.
20 Bovendien, aldus verzoekster, kan een richtlijn in het kader van een beroep tot nietigverklaring door een particulier worden ingeroepen wanneer de bestreden beschikking de verzoekende partij rechtstreeks en individueel raakt (arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, en 18 mei 1994, Codorniu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19; beschikking Gerecht van 11 januari 1995, Cassa nazionale di previdenza ed assistenza a favore degli avvocati e procuratori/Raad, T-116/94, Jurispr. blz. II-1, punt 26).
21 Ten betoge dat richtlijn 2000/84 haar rechtstreeks raakt, wijst verzoekster erop dat de lidstaten geen enkele beleidsvrijheid hebben bij de vaststelling van nationale uitvoeringsmaatregelen van de richtlijn. Wanneer voor de toepassing van een bestreden handeling in nationaal recht geen nationale uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, wordt die handeling geacht de particulieren rechtstreeks te raken (arresten Hof van 31 maart 1977, Exportation des sucres/Commissie, 88/76, Jurispr. blz. 709, en 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad, 138/79, Jurispr. blz. 3333).
22 Ten betoge dat zij individueel wordt geraakt, verklaart verzoekster in wezen, dat zij is opgericht met het doel de instelling van een zomertijdregeling te bestrijden en dat bij haar alle personen en beroepsverenigingen zijn aangesloten die zich tegen de omschakeling op zomertijd verzetten. Hierdoor alleen al heeft zij noodzakelijkerwijs een rechtstreeks en duidelijk belang om in rechte op te komen tegen richtlijn 2000/84, die de omschakeling op zomertijd beoogt uit te breiden.
Beoordeling door het Gerecht
23 Allereerst zij opgemerkt, dat de enkele omstandigheid dat artikel 230, vierde alinea, EG de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring van richtlijnen niet uitdrukkelijk behandelt, volgens de rechtspraak van het Hof op zich niet volstaat om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Zo heeft het Hof in de reeds genoemde beschikking Asocarne/Raad, na te hebben vastgesteld dat de bestreden handeling een richtlijn was, onderzocht of er niettemin sprake was van een in de vorm van een richtlijn gegoten beschikking die verzoekster rechtstreeks en individueel raakte in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. De gemeenschapsinstellingen kunnen immers niet, enkel door de keuze van de vorm van de betrokken handeling, aan particulieren de rechtsbescherming ontnemen die deze verdragsbepaling hun biedt (zie inzonderheid beschikking Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punt 50).
24 Volgens vaste rechtspraak kan een ander dan de adressaat van een beschikking slechts stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG indien die beschikking hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie inzonderheid arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 207, op blz. 232, en arrest Gerecht van 17 juni 1998, UEAPME/Raad, T-135/96, Jurispr. blz. II-2335, punt 69).
25 Voorts kan een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van een groep justitiabelen, volgens de rechtspraak niet worden geacht in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG individueel te worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van die groep treft, en kan zij dus geen beroep tot nietigverklaring instellen wanneer de individuele leden dat ook niet kunnen (zie inzonderheid de reeds aangehaalde beschikking Greenpeace e.a./Commissie, punt 59, en de daarin aangehaalde rechtspraak). De rechtspraak heeft hierbij echter aangetekend, dat bijzondere omstandigheden, zoals de rol die een vereniging heeft gespeeld in de procedure die tot vaststelling van een handeling in de zin van artikel 230 EG heeft geleid, de ontvankelijkheid kan meebrengen van een beroep dat is ingesteld door een vereniging wier leden niet rechtstreeks en individueel door die handeling worden geraakt (zie inzonderheid arrest Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./ Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punt 21 tot en met 24).
26 In casu bewijst of stelt verzoekster niet, dat richtlijn 2000/84 haar leden raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. Evenmin bewijst of stelt zij, dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die meebrengen dat haar beroep ook ontvankelijk is indien de richtlijn haar leden niet rechtstreeks en individueel raakt.
27 Onder die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het beroep niet ontvankelijk is, zonder dat op de andere argumenten van het Parlement en de Raad behoeft te worden ingegaan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Parlement en de Raad in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy