Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Economische en sociale samenhang Structurele bijstandsverlening Communautaire financiering voor nationale acties Verplichting tot informatieverstrekking en loyaliteitsplicht van aanvragers en ontvangers van financiële bijstand van EOGFL
Samenvatting
De aanvragers en de ontvangers van communautaire financiële bijstand moeten er met name voor zorgen dat zij de Commissie betrouwbare, niet voor misverstand vatbare, informatie verstrekken, omdat anders het controle- en bewijsstelsel dat is ingevoerd om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de bijstand, niet correct kan werken. Zonder betrouwbare informatie zouden namelijk projecten voor financiële bijstand in aanmerking komen die niet aan de gestelde voorwaarden voldoen. Bijgevolg is de op aanvragers en ontvangers van bijstand rustende informatie- en loyaliteitsplicht inherent aan het bijstandsstelsel van de EOGFL en wezenlijk voor de goede werking ervan.
( cf. punt 42 )
Partijen
In zaak T-141/01 R,
Entorn, Societat Limitada Enginyeria i Serveis, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door C. Belard-Kopke Marques-Pinto, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Visaggio en S. Pardo Quintillán als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de uitvoering van beschikking C (1999) 534 van de Commissie van 4 maart 1999 houdende intrekking van communautaire financiële bijstand,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij beschikking C (93) 3394 van 26 november 1993, die is gegeven krachtens artikel 8 van verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie" (PB L 374, blz. 25), heeft de Commissie verzoekster, in de administratieve procedure voor de Commissie Entorn SL" genaamd, een financiële bijstand voor project nr. 93.ES.06.030 toegekend (hierna: toekenningsbeschikking"), dat de titel Project voor de demonstratie van de productie van sumak met nieuwe teelttechnieken" (hierna: project") draagt. Blijkens het dossier was J. Tasias Valls als gedelegeerd bestuurder de enige wettelijke vertegenwoordiger die verzoekster kon verbinden.
2 De totale kostprijs van het project bedroeg 1 381 132 ecu en de communautaire financiële bijstand was vastgesteld op een maximumbedrag van 1 035 849 ecu.
3 Bij brief van 30 november 1993 werd de Commissie meegedeeld dat het adres en de bankrekening van Entorn S.L." waren gewijzigd. De brief was ondertekend door ene A. López Gargallo".
4 Bij brief van 29 maart 1994, ondertekend door J. Tasias Valls, is de Commissie in kennis gesteld van een nieuw adres van Entorn S.L.", namelijk Sevilla (Spanje). In deze brief werden D. García Rodríguez en J. Tasias Valls voorgesteld als technisch leider respectievelijk projectleider.
5 Overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2 bij de toekenningsbeschikking zijn twee voorschotten van in totaal 725 094 ecu op het in de brief van 30 november 1993 vermelde rekeningnummer overgemaakt.
6 Bij brief van 10 juli 1997 deelde de Commissie Entorn S.L. te Sevilla mee dat haar diensten waren overgegaan tot een technische en boekhoudkundige controle van de financiële bijstand die door de Commissie reeds krachtens artikel 8 van verordening nr. 4256/88 was toegekend.
7 De controles werden op 24 en 25 juli 1997 in aanwezigheid van J. Tasias Valls en D. García Rodríguez uitgevoerd in Sevilla ter plaatse van de uitvoering van het project.
8 Na deze controles deelde de Commissie bij brief van 3 april 1998, geadresseerd aan Entorn (Sumac)" op het adres te Sevilla, laatstgenoemde haar bevindingen mee. De Commissie wees op feiten die onregelmatigheden konden opleveren, en deelde mee dat zij had besloten de procedure in te leiden, bedoeld in bijlage 2, punt 10, bij de toekenningsbeschikking en in artikel 24 van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1). Entorn (Sumac)" werd ook meegedeeld dat de tot dusver toegekende bedragen konden worden teruggevorderd. Ten slotte werd zij verzocht binnen zes weken aan te tonen dat de uit de toekenningsbeschikking voortvloeiende verplichtingen waren nagekomen.
9 De Commissie ontving een antwoord bij brief van 24 mei 1998, gezonden vanuit Sevilla en ondertekend door D. García Rodríguez, die op dat ogenblik de technische leider van het project was.
10 Op 4 maart 1999 gaf de Commissie een beschikking waarvan verzoekster op 10 april 2001 kennis is gegeven, en die ook aan het Koninkrijk Spanje is gericht (hierna: bestreden beschikking"). Bij deze beschikking gelast de Commissie de intrekking van de betrokken financiële bijstand en de terugbetaling van de reeds betaalde voorschotten door verzoekster en in voorkomend geval door degenen die juridisch aansprakelijk zijn voor haar schulden, binnen een termijn van 60 dagen na kennisgeving van de beschikking. De motivering van de bestreden beschikking luidt als volgt:
1) De bijstand is aangevraagd door ENTORN SL, gevestigd te Barcelona; aan deze vennootschap is de communautaire bijstand toegekend, terwijl een vennootschap, Entorn Trading Limited genaamd, in Dublin was opgericht en op verzoek van Biego een dochteronderneming van deze vennootschap onder de naam ENTORN SL te Sevilla werd geopend; alle betalingen voor dit project door de Commissie zijn aan deze laatste vennootschap gericht; een en ander is de Commissie als een gewone wisseling van de directie van de ontvanger van de bijstand voorgesteld, terwijl in werkelijkheid zonder toestemming van de Commissie de begunstigde van het project werd gewijzigd;
2) bij voormeld controlebezoek op de door de ontvanger van de bijstand meegedeelde zetel is vastgesteld dat deze toebehoort aan de vennootschap MB Consultores y Auditores; de inspecteurs konden geen enkel bewijsstuk, administratief of boekhoudkundig stuk betreffende het project inzien, hoewel de Commissie in de paragrafen 5 en 6 van bijlage 2 bij de [toekenningsbeschikking] bepaalt dat alle stukken betreffende het project in de zetel van de vennootschap ter inzage van de diensten van de Commissie moeten liggen; anderzijds hebben de inspecteurs tegelijkertijd vastgesteld dat de handtekeningen van de verschillende in het kader van het project aan de Commissie voorgelegde documenten vervalst waren en dat geen van de installaties, waarvan een foto in de technische bijlage bij het eindrapport voorkwam, in deze context was gebruikt;
3) ten slotte blijkt uit een kopie van de balans, die bij de belastingaangifte van ENTORN SL bij het Spaanse Ministerie van Financiën is ingediend, dat de kostprijs van het project ongeveer 23 miljoen [Spaanse peseta's (ESP)] bedroeg, terwijl als totale kostprijs 233 623 004 ESP was aangegeven.
overwegende dat in deze omstandigheden de bijstand moet worden ingetrokken en overeenkomstig artikel 24, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad de tot dusver voor het project toegekende bedragen moeten worden teruggevorderd;
overwegende dat overeenkomstig het op de vennootschappen toepasselijke nationale recht de vennoten van elke vennootschap aansprakelijk zijn voor haar schulden;
[...]"
11 Blijkens het dossier heeft Entorn Trading Limited D. García Rodríguez als gemachtigde aangewezen. In deze hoedanigheid heeft hij een akte van oprichting van een filiaal in Spanje, Entorn Sociedad Limitada-Sucursal en España (hierna: Entorn S.L. Sucursal") gepasseerd. Deze laatste had te Sevilla hetzelfde adres als bij brief van 30 november 1993 aan de Commissie was meegedeeld. In februari 1996 is de zetel van de dochteronderneming naar Tenerife overgeplaatst en vervolgens is zij verdwenen.
12 Blijkens het dossier heeft J. Tasias Valls voor zijn diensten als technisch leider van het project een aantal facturen bij Entorn S.L. Sucursal ingediend via Codema SA en heeft deze laatste de eerste betaling voor deze facturen op 18 januari 1994 ontvangen. Blijkens het dossier heeft Codema 99,98 % van verzoeksters aandelen in handen en J. Tasias Valls 0,02 %. Laatstgenoemde is de hoofdaandeelhouder en directeur van Codema en wordt thans in Spanje strafrechtelijk vervolgd.
13 Bij op 20 juni 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.
14 Bij op 25 juni 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft zij bij het Gerecht het onderhavige verzoek tot opschorting van de uitvoering van de bestreden beschikking ingediend.
15 Op 9 juli 2001 heeft de Commissie haar opmerkingen over het onderhavige verzoek ingediend.
16 Partijen zijn op 12 september 2001 in hun verklaringen gehoord. Ter terechtzitting heeft verzoekster een document met haar balans over 2000 alsook haar balans over de periode van 1 januari tot 30 juni 2001 neergelegd.
In rechte
17 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien naar zijn oordeel de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling bevelen of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
18 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat een verzoek in kort geding een duidelijke omschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, alsmede de middelen feitelijk en rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan. De kortgedingrechter weegt in voorkomend geval ook de belangen tegen elkaar af. (beschikkingen president Gerecht van 25 november 1999, Martínez en de Gaulle/Parlement, T-222/99 R, Jurispr. blz. II-3397, punt 22, en 2 mei 2000, Rothley e.a./Parlement, T-17/00 R, Jurispr. blz. II-2085, punt 37).
Argumenten van partijen
Fumus boni juris
19 Volgens verzoekster berust de bestreden beschikking in de eerste plaats op een onjuiste feitelijke beoordeling, mist zij in de tweede plaats een toereikende en consistente motivering, schendt zij in de derde plaats de wezenlijke vormvoorschriften voor haar vaststelling en doet zij kennelijk afbreuk aan het algemene beginsel van gemeenschapsrecht dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd in elke procedure tegen een persoon, die tot een voor laatstgenoemde nadelige handeling kan leiden.
20 Wat de onjuiste beoordeling van de feiten betreft, stelt zij dat de Commissie, door de wijziging van de identiteit van de ontvanger van de toegekende financiële bijstand te aanvaarden en de twee bij de toekenningsbeschikking toegekende voorschotten op de financiële bijstand aan Entorn S.L. Sucursal te betalen, zij het stilzwijgend, heeft erkend dat verzoekster niet meer de ontvanger van de financiële bijstand was en niet meer als verantwoordelijk voor de uitvoering van het project kon worden beschouwd. Bijgevolg kan zij geen adressaat van de bestreden beschikking zijn. Dienaangaande wijst verzoekster erop dat zij nooit haar zetel buiten Barcelona heeft verplaatst, hetgeen wordt bevestigd door het handelsregister.
21 Wat het gebrek aan toereikende en consistente motivering van de bestreden beschikking betreft, had de Commissie de redenen ter rechtvaardiging van de gelijkstelling van verzoekster met de echte adressaat van de toekenningsbeschikking en dus met de ontvanger van de financiële bijstand als verantwoordelijke voor de uitvoering van het project duidelijk en consistent moeten uiteenzetten.
22 Aangezien het bovendien een beschikking betreft die verzoekster ernstig benadeelt - 725 094 euro worden teruggevorderd -, moest de Commissie gefundeerde argumenten aanvoeren, waaruit duidelijk en onweerlegbaar blijkt dat verzoekster de betrokken bedragen inderdaad heeft ontvangen. Dergelijke argumenten worden in de bestreden beschikking niet aangevoerd.
23 Het feit dat er klaarblijkelijk een overeenstemming is tussen verzoeksters handelsnaam en die van Entorn S.L. Sucursal, volstaat namelijk nog niet om aan te tonen dat het om één enkele entiteit gaat.
24 Voorts ontbeert de bestreden beschikking een gefundeerde motivering ter rechtvaardiging dat overeenkomstig bijlage 2, punt 4, lid 2, eerste en tweede streepje, van de toekenningsbeschikking de betalingen aan een juridisch van verzoekster onderscheiden entiteit zijn verricht. Gelet op het beginsel van behoedzaam bestuur had de Commissie in deze situatie aan verzoekster de opgetreden wijziging moeten toelichten.
25 Ten slotte zijn bij de vaststelling van de bestreden beschikking wezenlijke vormvoorschriften en het fundamentele beginsel van de rechten van de verdediging geschonden. In het bijzonder zijn bij de vaststelling van deze beschikking de vormvoorschriften van bijlage 2, lid 10, bij de toekenningsbeschikking verzuimd, namelijk de mogelijkheid voor verzoekster om vóór de vaststelling van de bestreden beschikking het verweer te voeren dat zij het meest dienstig en geschikt achtte.
26 Na de betrokken controles door de ambtenaren van de Commissie is verzoekster namelijk nooit uitgenodigd schriftelijk haar opmerkingen in te dienen. Vaststaat dat verzoeksters gedelegeerde bestuurder die controles bijwoonde. Hij woonde die evenwel bij als technisch leider van het project. Volgens verzoekster moest de Commissie hem en J. Tasias Valls om nadere uitleg verzoeken om de twijfel over de identiteit van deze twee vennootschappen, namelijk verzoekster en Entorn S.L. Sucursal, op te heffen.
27 De Commissie betwist dat zij de wijziging van de ontvanger van de financiële bijstand voor het project stilzwijgend of uitdrukkelijk heeft goedgekeurd, al was het maar omdat die wijziging haar nooit is meegedeeld. De mededelingen die zij in november 1993 en maart 1994 over wijzigingen van de banknummers en van het adres van de maatschappelijke zetel heeft ontvangen, zijn wijzigingen van ondergeschikt belang.
28 In deze omstandigheden kan verzoekster niet stellen ontslagen te zijn van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het project. Bovendien vormt een niet meegedeelde wijziging van de begunstigde van het project een belangrijke wijziging in de zin van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 en rechtvaardigt zij dus de vermindering of de intrekking van de bijstand.
29 Wat het gestelde motiveringsgebrek betreft, de intrekking van de bijstand behoefde volgens de Commissie niet gedetailleerder te worden gemotiveerd dan was gedaan in de bestreden beschikking, waarin wordt verklaard dat verzoekster de ontvanger van de communautaire financiële bijstand, de verantwoordelijke voor de uitvoering van het project en de adressaat van de toekenningsbeschikking is. De Commissie heeft evenmin een wijziging van de ontvanger goedgekeurd en wist zelfs niet dat een nieuwe vennootschap in oprichting was. De Commissie is dus opzettelijk misleid om de toerekening van de verantwoordelijkheden voor de onregelmatigheden bij de uitvoering van het project ingewikkelder te maken.
30 Wat de gestelde schending van de bij de vaststelling van de bestreden beschikking in acht te nemen wezenlijke vormvoorschriften en van het fundamentele beginsel van de rechten van de verdediging betreft, merkt de Commissie op dat de brief van 3 april 1998 waarbij verzoekster in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken over de feiten die de intrekking van de communautaire financiële bijstand moesten rechtvaardigen, naar het adres in Sevilla is gezonden. Dit adres was de Commissie meegedeeld als het adres waarop het project zou worden beheerd, en dit was de plaats waar de controle werd verricht en de inspecteurs van de Commissie J. Tasias Valls hebben ontmoet. Gelet op de banden tussen verzoekster en Entorn S.L. Sucursal en hun vennoten, bestuurders of gemachtigden is de Commissie van mening dat haar niet kan worden verweten het verzoek om opmerkingen naar het adres te Sevilla te hebben gezonden. Sinds dit adres de Commissie is meegedeeld, heeft zij alle correspondentie voor de begunstigde aldaar geadresseerd.
De spoedeisendheid
31 Volgens verzoekster zijn de betrokken voorlopige maatregelen spoedeisend wegens de noodzaak de definitieve staking van de activiteiten van de onderneming, als gevolg van de onmiddellijke terugbetaling van de in de bestreden beschikking bedoelde 725 094 euro, te verhinderen.
32 Verzoekster is namelijk een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid van geringe omvang in de zin van de beschikking van de president van het Hof van 10 juni 1988, Sofrimport/Commissie (C-152/88 R, Jurispr. blz. 2931) die nog geen tien werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst heeft. Het vennootschappelijk kapitaal van de onderneming bedraagt 30 050 euro.
33 Onmiddellijk na haar oprichting op 4 juni 1993 gaf verzoeksters financiële situatie een gunstige ontwikkeling te zien. In het bijzonder bedroeg de omzet voor het boekjaar 1994 30 373 833 ESP (182 550,41 euro) en de winst 2 899 905 ESP (17 428,78 euro). Uit de vennootschapsbelasting die verzoekster voor het boekjaar 1999 is opgelegd, blijkt dat het totaalbedrag van de omzet van deze vennootschap 138 387 025 ESP, dat wil zeggen 831 722 euro, bedroeg. Voor het boekjaar 1999 bedroeg de winst 7 652 264 ESP, dat wil zeggen 45 991,03 euro. Blijkens de gegevens over de omzet en winst van de onderneming zal de uit de bestreden beschikking voortvloeiende verplichting onmiddellijk 725 094 euro terug te betalen, voor verzoekster ernstige en onherstelbare schade meebrengen.
34 Gelet op het feit dat deze 725 094 euro overeenkomen met nagenoeg de totale omzet van de onderneming en met ongeveer vijftien keer de winst in 1999, zou de uitvoering van de bestreden beschikking namelijk onmiddellijk tot een bedrijfsbeëindiging van de onderneming leiden, aangezien zij niet in staat is dit bedrag onmiddellijk te betalen zonder de overlevingskansen van de vennootschap tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak onherstelbaar in gevaar te brengen.
35 Bovendien wijst verzoekster erop dat uit artikel 104 van de Spaanse wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en het Spaanse wetboek van koophandel volgt dat zij ingeval van uitvoering van de bestreden beschikking haar bedrijf zal moeten beëindigen. In dat geval zou de onderneming dus worden ontbonden, omdat zij verlies zou lijden, waardoor haar vennootschappelijk kapitaal met meer dan de helft zou verminderen.
36 Inzake de eventuele mogelijkheid van een inbreng door verzoeksters vennoten, een mogelijkheid waarop de Commissie heeft gewezen, herinnert verzoekster eraan dat artikel 1 van de Spaanse wet op de vennootschappen de aansprakelijkheid van de vennoten duidelijk afbakent. Laatstgenoemden hoeven niet persoonlijk in te staan voor de schulden van de onderneming. Evenmin zou een financiële entiteit of een derde een waarborg voor het gevraagde bedrag kunnen stellen.
37 Gelet op de onevenredige gevolgen van de bestreden beschikking voor de vennootschap staat volgens verzoekster vast dat deze beschikking verzoekster zware en onherstelbare schade zou berokkenen, zodat de gevraagde voorlopige maatregel spoedeisend moet worden geacht.
38 Volgens de Commissie heeft verzoekster geen concrete aanwijzingen gegeven op grond waarvan precies kan worden beoordeeld wat de gevolgen kunnen zijn wanneer de uitvoering van de bestreden beschikking niet wordt geschorst. Verzoekster erkent dat zij sinds haar oprichting economisch gezond is. Blijkens haar omzet- en winstcijfer heeft zij sinds haar oprichting een gestage economische groei gekend.
39 Bovendien is het vaste rechtspraak dat in het kader van het onderzoek van de financiële levensvatbaarheid van een vennootschap haar materiële situatie kan worden beoordeeld met inachtneming van de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouders behoort. Verzoekster heeft evenwel geen enkele inlichting over de financiële draagkracht van haar aandeelhouders verstrekt.
40 Voorts, aldus de Commissie, is het risico van verzoeksters bedrijfsbeëindiging zuiver hypothetisch en kan deze beëindiging worden voorkomen, indien verzoekster bij de Commissie een behoorlijk gemotiveerd verzoek indient om uitstel van betaling of om gespreide betaling.
Beoordeling door de rechter in kort geding
41 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het in de communautaire regeling uitgewerkte subsidiestelsel er met name op berust, dat de ontvanger een serie verplichtingen uitvoert die recht geven op ontvangst van de in het vooruitzicht gestelde financiële bijstand. Wanneer de ontvanger niet aan alle verplichtingen voldoet, machtigt artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 de Commissie om de omvang van de door haar krachtens de toekenningsbeschikking op zich genomen verplichtingen te herzien (zie, naar analogie, arrest Gerecht van 24 april 1996, Industrias Pesqueras Campos e.a./Commissie, T-551/93 en T-231/94-T-234/94, Jurispr. blz. II-247, punt 161).
42 De aanvragers en de ontvangers van communautaire financiële bijstand moeten er met name voor zorgen dat zij de Commissie betrouwbare, niet voor misverstand vatbare, informatie verstrekken, omdat anders het controle- en bewijsstelsel dat is ingevoerd om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de bijstand, niet correct kan werken. Zonder betrouwbare informatie zouden namelijk projecten voor financiële bijstand in aanmerking komen, die niet aan de gestelde voorwaarden voldoen. Bijgevolg is de op aanvragers en ontvangers van bijstand rustende informatie- en loyaliteitsplicht inherent aan het bijstandsstelsel van de EOGFL en wezenlijk voor de goede werking ervan.
43 In casu heeft verzoekster als ontvanger van de financiële bijstand de Commissie evenwel niet op de hoogte gesteld van de overdracht van de uitvoering van het project, noch heeft zij zich ervan vergewist dat de Commissie daarvan door een derde was ingelicht. Zoals verzoekster in haar verzoek in kort geding heeft erkend, heeft J. Tasias Valls daarentegen niet alle maatregelen genomen, die noodzakelijk zijn om de Commissie duidelijk en definitief te bewijzen dat verzoekster van de uitvoering van het project had afgezien.
44 Derhalve dient te worden vastgesteld dat op het eerste gezicht nergens bevestiging is te vinden voor verzoeksters bewering dat de Commissie heeft erkend dat verzoekster niet langer de ontvanger van de financiële bijstand is, en dat de bestreden beschikking dus op een onjuiste beoordeling berustte.
45 Met betrekking tot het argument dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd, volstaat de opmerking dat de Commissie op het eerste gezicht niet alleen voldoende duidelijk de redenen heeft aangegeven waarom zij zich door verzoekster misleid heeft geacht omtrent wie de begunstigde van het project was, maar ook de reden waarom verzoekster, tot wie de toekenningsbeschikking was gericht, voor de in de bestreden beschikking vastgestelde onregelmatigheid verantwoordelijk kan worden geacht.
46 Aangaande de schending van verzoeksters rechten van de verdediging door de Commissie volstaat op het eerste gezicht de vaststelling dat de Commissie in haar brief van 3 april 1998 verzoekster juist heeft uitgenodigd het bewijs te leveren dat de uit de toekenningsbeschikking voortvloeiende verplichtingen waren nageleefd.
47 Ten slotte kan verzoekster de Commissie op het eerste gezicht niet verwijten, het verzoek om inlichtingen naar het adres te Sevilla te hebben gezonden. Verzoekster heeft de Commissie namelijk niet op de hoogte gebracht van de overdracht van de uitvoering van het project. Verzoeksters gedelegeerd bestuurder heeft met name door zijn aanwezigheid bij de controles door de Commissie deze versterkt in de door verzoekster gestelde vergissing dat het adres in Sevilla verzoeksters adres was.
48 Om deze redenen rechtvaardigen de door verzoekster aangevoerde argumenten op het eerste gezicht niet de gevraagde schorsing van de tenuitvoerlegging.
49 Zelfs indien verzoeksters argumenten de gevraagde schorsing van tenuitvoerlegging op het eerste gezicht wel zouden rechtvaardigen, dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat er geen omstandigheden zijn waaruit de spoedeisendheid blijkt.
50 Dienaangaande zij herinnerd aan de hiervoor in punt 12 vermelde inlichtingen over verzoeksters aandeelhouders. Daaruit blijkt dat verzoekster een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, waarvan Codema 99,98 % van de aandelen in handen heeft en J. Tasias Valls 0,02 %, terwijl laatstgenoemde de hoofdaandeelhouder en directeur van Codema is.
51 In het kader van het onderzoek of verzoekster financieel levensvatbaar is, kan bij de beoordeling van haar materiële situatie met name rekening worden gehouden met de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouders behoort [beschikking president Hof van 7 maart 1995, Transacciones Marítimas e.a./Commissie, C-12/95 P, Jurispr. blz. I-467, punt 12; beschikkingen president Gerecht van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie, T-18/96 R, Jurispr. blz. II-407, punt 35, en 30 juni 1999, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99 R, Jurispr. blz. II-1961, punt 155, bevestigd bij beschikking president Hof van 18 november 1999, Pfizer Animal Health/Raad, C-329/99 P (R), Jurispr. blz. I-8343, punt 67].
52 Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de objectieve belangen van de betrokken onderneming niet los staan van de belangen van de natuurlijke of rechtspersonen die haar controleren, en dat de ernst en het al dan niet onherstelbare karakter van de gestelde schade moet worden beoordeeld op het niveau van de groep die deze personen vormen. Deze samenloop van belangen rechtvaardigt in het bijzonder, dat het belang van de betrokken onderneming om te blijven bestaan, niet los wordt gezien van het belang dat de aandeelhouders bij haar voortbestaan hebben (zie beschikking president Gerecht van 15 januari 2001, Le Canne/Commissie, T-241/00 R, Jurispr. blz. II-37, punt 40).
53 De omstandigheid dat de persoon die als voornaamste eigenaar van het vennootschappelijk kapitaal van de betrokken onderneming de controle uitoefent, een natuurlijke persoon is die niet zelf een onderneming vormt, is niet relevant [zie beschikking president Hof van 14 december 1999, HFB e.a./Commissie, C-335/99 P(R), Jurispr. blz. I-8705, punt 64, en beschikking Le Canne/Commissie, reeds aangehaald, punt 42].
54 In casu dient te worden vastgesteld dat verzoekster, ook al is zij blijkens haar balans een vennootschap van geringe omvang met een zwakke financiële draagkracht, geen enkel gegeven heeft verstrekt over de financiële situatie van haar aandeelhouders, namelijk Codema en J. Tasias Valls, aan de hand waarvan concreet kan worden beoordeeld of zij voldoende middelen hebben om haar belangen te beschermen.
55 Ten slotte heeft verzoekster niet geprobeerd om met de Commissie tot een regeling te komen waarbij zij in ruil voor een door verzoekster te stellen bankgarantie het gevraagde bedrag ofwel niet vóór de beslissing in de hoofdzaak hoeft terug te betalen, ofwel uitstel van betaling of gespreide betaling verkrijgt. Gelet op het essentiële belang van de Gemeenschap bij het vervolgen en bestraffen van onrechtmatig gebruik van gemeenschapssubsidies, op welk punt blijkens het dossier ernstige verdenkingen bestaan, zou de rechter in kort geding hoe dan ook geen opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking kunnen toestaan zonder dat er een borgtocht of bankgarantie werd gesteld. (zie beschikking president Gerecht - Tweede kamer - van 16 juli 1999, Hortiplant/Commissie, T-143/99 R, Jurispr. blz. II-2451, punt 30).
56 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat haar zonder de gevraagde opschorting van de uitvoering ernstige en onherstelbare schade zou worden berokkend.
57 Derhalve moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy