Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Beroepstermijnen - Verval van recht - Toeval of overmacht - Begrip - Grenzen
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 42, tweede alinea)
2. Commissie - Bestuurlijke gedragscode die als bijlage aan Reglement van orde is gehecht - Bepaling die voorschrijft dat in vermelding in handelingen van Commissie wordt gewezen op mogelijkheid om gerechtelijke procedure te beginnen en/of klacht bij Europese ombudsman in te dienen - Dwingend karakter
(Art. 195 en 230 EG; Reglement van orde van Commissie, bijlage, punt 3, vierde en vijfde alinea)
Samenvatting
1. De begrippen overmacht" en toeval" omvatten naast een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de betrokkene betreffen, ook een subjectief element, dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de betrokkene het verloop van de procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de termijnen in acht te nemen. Zo zijn de begrippen overmacht en toeval niet van toepassing op een situatie waarin iemand die de nodige zorgvuldigheid betrachtte en omzichtig handelde, objectief gezien in staat zou zijn geweest het verstrijken van een beroepstermijn te voorkomen.
( cf. punt 17 )
2. Het feit dat de Commissie in een handeling niet heeft gewezen op de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 230 EG of artikel 195 EG een gerechtelijke procedure te beginnen en/of een klacht bij de Europese ombudsman in te dienen, vormt een schending van de verplichtingen die deze instelling zichzelf heeft opgelegd door de vaststelling van de bestuurlijke gedragscode voor het personeel van de Europese Commissie bij de contacten met het publiek, die als bijlage bij het Reglement van orde van de Commissie is gevoegd.
( cf. punt 25 )
3. Het begrip verschoonbare dwaling, dat zijn oorsprong rechtstreeks vindt in het streven de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel te verzekeren, kan slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een justitiabele met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. Dit zou echter wel het geval kunnen zijn wanneer de te late instelling van een beroep is veroorzaakt doordat de betrokken instelling onjuiste informatie heeft verstrekt die bij een dergelijke justitiabele tot een begrijpelijk misverstand kan leiden, of wanneer een dergelijk misverstand is ontstaan door de schending door de betrokken instelling van bepaalde interne regels, zoals bijvoorbeeld een gedragscode, doch niet wanneer de justitiabele er geen enkele twijfel over kan hebben dat de aan hem betekende handeling een beschikking is. In het laatste geval kan het ontbreken van informatie omtrent de mogelijkheid om beroep in te stellen, nimmer leiden tot een verschoonbare dwaling bij de justitiabele.
( cf. punt 30 )
Partijen
In zaak T-218/01,
Laboratoire Monique Rémy SAS, gevestigd te Grasse (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.-F. Pupel, avocat,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bordes als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2001) 1380 van de Commissie van 2 juli 2001 houdende intrekking van de eerder aan verzoekster
toegekende financiële steun van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie",
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, N. J. Forwood en H. Legal, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij beschikking C(2001) 1380 van 2 juli 2001 (hierna: bestreden handeling") heeft de Commissie de financiële steun van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie", ingetrokken die aan verzoekster was toegekend bij beschikking C(93) 3185 van de Commissie van 10 november 1993 inzake een proef- en demonstratieproject betreffende de toepassingsmogelijkheden van de Iris, een Middellandse-Zeeplant, voor de luxeparfumerie- en de smaakstoffenindustrie (Frankrijk, Spanje, Griekenland).
2 De bestreden handeling is bij brief van 2 juli 2001 door de Commissie aan verzoekster gezonden en op 6 juli daaraanvolgend door laatstgenoemde ontvangen.
3 Bij op 21 september 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, strekkend tot nietigverklaring van de bestreden handeling.
4 Bij op 26 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie op grond van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, gebaseerd op enerzijds te late instelling van het beroep en anderzijds schending van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering.
5 Op 3 december 2001 heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend over deze exceptie.
Conclusies van partijen
6 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren;
- de bestreden handeling nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
7 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
8 Volgens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht en is het van oordeel dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend.
9 Ingevolge artikel 230, vijfde alinea, EG moet het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden, te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker, of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Volgens artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient deze termijn bovendien te worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van 10 dagen. Volgens artikel 101, lid 2, van dit Reglement verstrijkt de termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, aan het einde van de daaropvolgende werkdag.
10 In casu werd de bestreden handeling op 6 juli 2001 aan verzoekster betekend.
11 Volgens de hierboven in punt 9 genoemde regels liep de termijn voor het instellen van beroep tot nietigverklaring af op maandag 17 september 2001 om middernacht.
12 Het onderhavige, op 21 september 2001 ingestelde beroep is derhalve tardief.
13 Verzoekster betoogt evenwel primair dat zij het verzoekschrift op 11 september 2001 ter post had aangeboden voor aangetekende verzending en dat de besteltermijn voor een aangetekende brief, naar haar was meegedeeld, vier dagen bedroeg. Zij had derhalve ervan mogen uitgaan dat dit verzoekschrift uiterlijk op 17 september 2001 bij de griffie zou aankomen. Dat deze brief pas op 21 september 2001 arriveerde, is louter toeval.
14 Het Gerecht constateert om te beginnen dat, anders dan verzoekster betoogt, de brief met het verzoekschrift bij de post is aangeboden op 13 september 2001, zoals het poststempel op de envelop aangeeft, dus hoogstens vijf dagen - waaronder een zaterdag en een zondag - voor het verstrijken van de beroepstermijn.
15 Voorts stelt het Gerecht vast dat verzoekster enkel heeft verklaard dat de Franse marktdeelnemer La Poste" zich ertoe verbindt om de post binnen vier dagen te bezorgen. Verzoekster draagt hiervoor evenwel geen bewijs aan en geeft evenmin aan of deze termijn moet worden berekend op basis van werk- of kalenderdagen. Het ontbreken van dit bewijs vormt op zich reeds een rechtvaardiging voor verwerping van het beroep.
16 Zelfs indien het bewijs van een dergelijke verbintenis van La Poste zou zijn geleverd, dan nog zou hiermee niet zijn aangetoond dat in casu sprake is van toeval. Toeval wordt immers, net als overmacht, vooral gekenmerkt door de onvoorzienbaarheid ervan (zie in die zin arrest Hof van 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C-97/95, Jurispr. blz. I-4209, punt 63). Een verbintenis van La Poste jegens de afzender om diens post binnen een bepaalde termijn te bezorgen, kan er op zichzelf nog niet toe leiden dat elke vertraging bij deze bezorging onvoorzienbaar wordt.
17 Bovendien omvatten de begrippen overmacht" en toeval" naast een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de betrokkene betreffen, ook een subjectief element, dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de betrokkene het verloop van de procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de termijnen in acht te nemen (arrest Hof van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619, punt 32). Zo zijn de begrippen overmacht en toeval niet van toepassing op een situatie waarin iemand die de nodige zorgvuldigheid betrachtte en omzichtig handelde, objectief gezien in staat zou zijn geweest het verstrijken van een beroepstermijn te voorkomen (zie in die zin arrest Hof van 12 juli 1984, Ferriera Valsabbia/Commissie, 209/83, Jurispr. blz. 3089, punt 22).
18 Verzoekster heeft de postzending met haar verzoekschrift hooguit vijf dagen - waaronder een zaterdag en een zondag - voor afloop van de beroepstermijn aangeboden, ofschoon het gevaar van een vertraging ten opzichte van de gestelde bezorgverplichting van La Poste niet kon worden uitgesloten en het duidelijk was dat een dergelijke vertraging tot verval van het recht van beroep kon leiden. Verzoekster heeft derhalve niet gehandeld met de zorgvuldigheid die wat de eerbiediging van de termijnen betreft mag worden verwacht van een normaal geïnformeerde verzoeker. Afgezien van een incidentele verwijzing naar de gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten en de daardoor ontstane storingen in de vervoerssector, voert verzoekster geen bijzondere omstandigheid of gebeurtenis aan die als toeval of overmacht zou kunnen worden aangemerkt en aldus, ondanks het gebleken gebrek aan zorgvuldigheid bij verzoekster, de vertraging bij de indiening van haar verzoekschrift zou kunnen rechtvaardigen. De in vage en algemene termen gestelde verwijzing naar deze gebeurtenissen en storingen vormt in casu evenwel geen bewijs voor het bestaan van toeval of overmacht.
19 De onderhavige omstandigheden kunnen dan ook niet worden vergeleken met die in de zaken die hebben geleid tot het arrest van het Hof van 2 maart 1967, Simet en Feram/Hoge Autoriteit (25/65 en 26/65, Jurispr. blz. 39), waarop verzoekster zich beroept. In de eerste plaats waren in deze zaken de verzoekschriften tien - en geen vijf - dagen voor afloop van de beroepstermijn per aangetekende pakketpost verzonden. In de tweede plaats was de voornaamste oorzaak van de vertraging, naar het Hof vaststelde en op grond waarvan het toeval bewezen achtte, de omstandigheid dat de verzoekschriften pas vier dagen na hun aankomst in Luxemburg in het bezit van het Hof waren gekomen.
20 De verantwoordelijkheid van verzoekster of haar raadsman voor de te late instelling van het beroep is des te evidenter doordat uit het briefhoofd van het voor het verzoekschrift gebruikte papier blijkt dat verzoeksters raadsman over een faxapparaat en een e-mailadres beschikte. Hij had dus, zoals bepaald in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering, de griffie van het Gerecht per faxbericht of e-mail een kopie van het ondertekende origineel van het verzoekschrift kunnen zenden. Een dergelijke verzending heeft gevolgen voor de eerbiediging van de procestermijnen, mits dit origineel, vergezeld van de bijlagen en afschriften, bedoeld in lid 1 van dit artikel, uiterlijk tien dagen later ter griffie van het Gerecht wordt neergelegd.
21 Verzoekster of haar advocaat hadden niet alleen gebruik kunnen maken van deze communicatiemiddelen, die een vrijwel onmiddellijke, doorgaans direct van een ontvangstbevestiging voorziene verzending garanderen en tegelijkertijd een termijn van tien dagen doen aanvangen voor de indiening van het origineel bij de griffie van het Gerecht, maar ook rechtstreeks bij deze griffie kunnen informeren of hun brief goed was aangekomen. Dit laatste was als minimale voorzorgsmaatregel juist in het onderhavige geval absoluut noodzakelijk, aangezien verzoekster en haar advocaat vanwege het korte tijdsbestek tussen de verzending - op 13 september 2001 - van het verzoekschrift per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging en het verstrijken van de beroepstermijn - op maandag 17 september 2001 om middernacht - in ieder geval niet konden verwachten dat zij het ontvangstbewijs voor afloop van die termijn zouden hebben terugontvangen.
22 Subsidiair beroept verzoekster zich in haar opmerkingen over de exceptie op de bestuurlijke gedragscode voor het personeel van de Europese Commissie bij de contacten met het publiek (hierna: gedragscode"), zoals opgenomen in de bijlage bij het Reglement van orde van de Commissie van 29 november 2000 (PB 2000 L 308, blz. 26).
23 De alinea's 4 en 5 van punt 3 van de gedragscode bevatten de volgende bepalingen:
Indien het gemeenschapsrecht beroepsmogelijkheden biedt, moet in de besluiten waarvan kennisgeving wordt gedaan duidelijk worden aangegeven dat beroep mogelijk is en hoe dat moet worden ingesteld (naam en kantooradres van de persoon bij wie of de dienst waarbij het beroep moet worden ingesteld en de termijn waarbinnen dat dient te gebeuren).
Indien van toepassing moet in de besluiten worden gewezen op de mogelijkheid om een gerechtelijke procedure te beginnen en/of een klacht bij de Europese ombudsman in te dienen overeenkomstig artikel 230 of artikel 195 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap."
24 Verzoekster betoogt dat de Commissie deze bepalingen heeft geschonden door in de bestreden handeling geen melding te maken van de mogelijkheid om beroep in te stellen. Daardoor was verzoekster zich er niet van bewust dat zij snel moest reageren, en wendde zij zich pas in de laatste dagen van de beroepstermijn" tot het Gerecht.
25 Het Gerecht is van oordeel dat het feit dat de Commissie in de bestreden handeling niet heeft gewezen op de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 230 EG of artikel 195 EG een gerechtelijke procedure te beginnen en/of een klacht bij de Europese ombudsman in te dienen, een schending vormt van de verplichtingen die deze instelling zichzelf heeft opgelegd door de vaststelling van de gedragscode.
26 Tussen deze schending en de te late indiening van het verzoekschrift bestaat echter geen verband, hetgeen verzoekster ook toegeeft in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
27 Verzoekster schakelde immers pas eind augustus 2001 haar raadsman in. Deze kon als jurist niet onkundig zijn van de kwestie van de beroepstermijnen en heeft overigens toegegeven dat hij wist op welke dag de beroepstermijn in casu afliep, aangezien hij in de opmerkingen van verzoekster over de exceptie van niet-ontvankelijkheid schrijft dat [hij] ervan uit meende te mogen gaan dat een op 11 september verzonden aangetekende brief met ontvangstbevestiging uiterlijk op 17 september bij de geadresseerde zou zijn bezorgd".
28 De late indiening van het verzoekschrift is dan ook enkel te wijten aan het niet in acht nemen door verzoekster of haar raadsman van de in het kader van de beroepstermijnen vereiste zorgvuldigheid en voorzichtigheid.
29 Maar ook al zou de hierboven in punt 25 vastgestelde schending van de gedragscode de oorzaak zijn geweest van de te late indiening van het verzoekschrift, dan nog zou het beroep niet in afwijking van de regels inzake de beroepstermijnen ontvankelijk zijn geweest.
30 Die schending kon namelijk bij verzoekster niet een verschoonbare dwaling teweegbrengen, die volgens de gemeenschapsrechter afwijking van de regels inzake de beroepstermijnen toelaat. Het begrip verschoonbare dwaling", dat zijn oorsprong rechtstreeks vindt in het streven de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel te verzekeren, kan volgens vaste rechtspraak slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een justitiabele met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid (zie met name arrest Gerecht van 29 mei 1991, Bayer/Commissie, T-12/90, Jurispr. blz. II-219, punten 28 en 29, bevestigd bij arrest Hof, Bayer/Commissie, hierboven aangehaald in punt 17; beschikking Gerecht van 9 juli 1997, Fichtner/Commissie, T-63/96, Jurambt. blz. I-A-189 en II-563, punt 25, bevestigd bij beschikking Hof van 25 juni 1998, Fichtner/Commissie, C-312/97 P, Jurispr. blz. I-4135, en beschikking Gerecht van 3 februari 1998, Polyvios/Commissie, T-68/96, Jurispr. blz. II-153, punt 43). Dit zou echter wel het geval kunnen zijn wanneer de te late instelling van een beroep is veroorzaakt doordat de betrokken instelling onjuiste informatie heeft verstrekt die bij een dergelijke justitiabele tot een begrijpelijk misverstand kan leiden, of wanneer een dergelijk misverstand is ontstaan door de schending door de betrokken instelling van bepaalde interne regels, zoals bijvoorbeeld een gedragscode, doch niet wanneer de justitiabele er geen enkele twijfel over kan hebben dat de aan hem betekende handeling een beschikking is. In het laatste geval kan het ontbreken van informatie omtrent de mogelijkheid om beroep in te stellen nimmer leiden tot een verschoonbare dwaling bij de justitiabele.
31 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden onderzocht of het verzoekschrift aan de vereisten van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering voldoet.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij conform verweersters vordering in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in haar eigen kosten en in de door verweerster gemaakte kosten.
Full & Egal Universal Law Academy