CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 6 februari 2003 (1)
Zaak C-25/02
Katharina Rinke
tegen
Ärztekammer Hamburg
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Uitlegging van richtlijnen 76/207/EEG, 86/457/EEG en 93/16/EEG – Verplichting om een minimumduur van de opleiding in voltijd te volbrengen in het kader van een parttime opleiding voor het verkrijgen van de titel van huisarts”
I ─ Inleiding
1. Deze zaak betreft de vraag of het vereiste van een aantal voltijdse opleidingsperioden in een deeltijdopleiding tot huisarts, zoals dat is neergelegd in richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (2) vrouwen indirect discrimineert, hoe deze richtlijn zich verhoudt tot richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (3) en of het verbod van discriminatie op grond van geslacht tot de gemeenschapsrechtelijke ongeschreven grondrechten behoort, die voorrang hebben op een daarmee in strijd zijnde regel van het secundaire recht.
II ─ Juridisch kader
2. Richtlijn 76/207 beoogt volgens artikel 1 de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (4) en de sociale zekerheid.
3. Volgens artikel 2 van richtlijn 76/207 houdt het beginsel van gelijke behandeling in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.
4. De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling houdt ingevolge deze richtlijn in (5) dat er geen directe of indirecte discriminatie op grond van geslacht plaatsvindt ─ ongeacht de activiteit en tot op alle niveaus van de beroepshiërarchie ─ voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, beroepskeuzevoorlichting, beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding en omscholing. Hiertoe dienen de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om er voor te zorgen dat alle wettelijke of bestuurlijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden afgeschaft.
5. Bij richtlijn 86/457 van de Raad van 15 september 1986 inzake een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde (6) is een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde ingevoerd. Ingevolge artikel 2, lid 1, sub b, van deze richtlijn geldt dat deze opleiding bij volledig dagonderwijs ten minste twee jaar moet duren. Artikel 5 van deze richtlijn staat ook toe dat de opleiding in deeltijd wordt gevolgd, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De inhoud van richtlijn 86/457 is bij de totstandkoming van richtlijn 93/16 daarin overgenomen. Artikel 5 van richtlijn 86/457 correspondeert met het huidige artikel 34 van richtlijn 93/16.
6. Artikel 34 van richtlijn 93/16 luidt als volgt: 1. Onverminderd het beginsel van de volledige dagopleiding, vervat in artikel 31, lid 1, onder b, kunnen de lidstaten, naast een voltijdse opleiding, een deeltijdse specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde toestaan wanneer aan de onderstaande bijzondere voorwaarden is voldaan:
─ de totale duur van de opleiding mag niet worden verkort vanwege het feit dat het om een deeltijdse opleiding gaat;
─ het weekrooster van de deeltijdse opleiding mag niet minder zijn dan 60 % van het weekrooster van de voltijdse opleiding;
─ de deeltijdse opleiding dient een aantal voltijdse opleidingsperioden te omvatten, zowel voor het opleidingsonderdeel dat in een ziekenhuis wordt gegeven als voor het onderdeel in een erkende huisartsenpraktijk of in een erkend centrum waar artsen eerstelijnszorg verstrekken. Het aantal voltijdse opleidingsperioden en de duur ervan zijn zodanig, dat zij een passende voorbereiding op de daadwerkelijke uitoefening van de huisartsgeneeskunde vormen. 2. De deeltijdse opleiding dient van een niveau te zijn dat kwalitatief gelijkwaardig is aan dat van de voltijdse opleiding. Zij wordt afgesloten met het in artikel 30 bedoelde diploma of certificaat of een andere titel.
7. Artikel 25 van richtlijn 93/16 staat de lidstaten toe, indien een voltijdse opleiding tot specialist wegens gerechtvaardigde persoonlijke omstandigheden niet kan worden gevolgd, op voorwaarden waarmee de bevoegde nationale autoriteiten hebben ingestemd, een deeltijdse specialistenopleiding toe te staan. In tegenstelling tot artikel 34 vereist artikel 25 niet dat een bepaalde periode van de opleiding voltijds dient te zijn.
III ─ Feiten in het hoofdgeding en verloop van de procedure
A ─ Het hoofdgeding
8. Rinke, verzoekster in het hoofdgeding, is in het bezit van een officieel erkend artsendiploma. Zij wil het recht hebben om op grond van een deeltijdse opleiding in een huisartsenpraktijk in Hamburg de titel praktische Ärztin (huisarts) te mogen voeren.
9. Oorspronkelijk had Rinke haar opleiding tot (gespecialiseerd) huisarts gevolgd volgens de Weiterbildungsordnung (voorschriften met betrekking tot de opleiding) van de Ärztekammer, verweerder in het hoofdgeding. Van 1988 tot 1992 was zij voltijds werkzaam in de afdeling interne geneeskunde van een ziekenhuis. Daarvan erkende de Ärztekammer twee jaar als voltijdse opleiding.
10. Na de geboorte van twee kinderen koos Rinke voor de aanmerkelijk kortere specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde. Van 1 april 1994 tot en met 31 maart 1995 was zij deeltijds met meer dan 60 % van de normale arbeidsduur in een huisartsenpraktijk tewerkgesteld als assistent in opleiding.
11. Op 4 mei 1995 vroeg Rinke een getuigschrift aan over haar specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, dat het recht geeft om de titel huisarts te voeren. Bij beslissing van 5 mei 1995 wees verweerster de aanvraag af met als reden dat, volgens § 13 b, tweede alinea, eerste volzin, van het Hamburgische Ärztegesetz (Hamburgse artsenwet), de voorgeschreven opleiding in een huisartsenpraktijk minstens een periode van zes maanden in volledige dagopleiding moet omvatten. Anders dan de Weiterbildungsordnung für die Facharztausbildung voorziet de artsenwet hierop geen uitzondering.
12. Na afwijzing van haar bezwaar stelde verzoekster beroep in met als motivering dat de regeling van § 13 b, tweede alinea, eerste volzin, Hamburgische Ärztegesetz een schending inhield van het gemeenschapsrechtelijke discriminatieverbod van richtlijn 76/207. Het vereiste van artikel 5, lid 1, derde streepje, van richtlijn 86/457 inzake een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, dat in alle gevallen een deel van de opleiding in een huisartsenpraktijk op voltijdsbasis moet worden gevolgd, zou moeten wijken voor het fundamentele verbod van discriminatie.
13. De Ärztekammer heeft daartegen aangevoerd dat het wettelijk vereiste van een voltijdse opleiding objectief gerechtvaardigd is. Die regeling moet ervoor zorgen dat de toekomstige huisarts tijdens zijn tewerkstelling in een huisartsenpraktijk een algemeen overzicht over de daar voorkomende taken krijgt en het volledige spectrum van de te beheersen handelingen leert kennen. Bij een louter deeltijdse opleiding zou het kunnen dat de stagiair geen ervaring opdoet met huisbezoeken of steeds maar onderdelen van het ziekteverloop van de patiënten meemaakt.
14. Het Verwaltungsgericht heeft de vordering afgewezen. De daartegen ingestelde Revision werd door de behandelende kamer afgewezen bij arrest van 18 februari 1999. Het Bundesverwaltungsgericht oordeelde dat buiten kijf staat dat § 13 b, tweede alinea, eerste volzin, in vergelijking met § 13 a, derde alinea, derde volzin, van het Hamburgische Ärztegesetz minstens 6 maanden voltijdse tewerkstelling in een huisartsenpraktijk voorschrijft en dat verzoekster deze voorwaarde niet vervult. Volgens deze rechter kon in het midden worden gelaten, of de verplichting van een volledige dagopleiding in abstracto een indirecte discriminatie op grond van geslacht in de zin van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van de richtlijn gelijke behandeling 76/207 is. De door de Hamburgse wetgever vastgestelde regeling zou hoe dan ook gemeenschapsrechtelijk worden gerechtvaardigd door artikel 34, lid 1, van richtlijn 93/16. Het derde streepje van deze met artikel 5, lid 1, van richtlijn 86/457 overeenstemmende bepaling verbiedt een nationale regeling die een volledig deeltijdse opleiding in een huisartsenpraktijk zou toelaten. Volgens de algemene beginselen heeft deze regeling voorrang op de richtlijn inzake gelijke behandeling, aangezien beide regels dezelfde plaats bekleden binnen de hiërarchie der normen en in dat geval de bijzondere wet van latere datum voorrang heeft op de meer algemene wet van vroegere datum. Zij schendt noch het verbod van willekeur, noch het proportionaliteitsbeginsel. Het vereiste dat minstens een deel van de opleiding in een huisartsenpraktijk op voltijdse basis moet gebeuren, berust, gelet op het aan de richtlijn ten grondslag liggende beeld van de huisarts, op objectieve overwegingen.
15. Naar aanleiding van de grondwettelijke grieven van verzoekster, heeft het Bundesverfassungsgericht dat arrest vernietigd en de zaak bij beschikking van 9 januari 2001 terugverwezen naar het Bundesverwaltungsgericht. Het Bundesverfassungsgericht heeft geoordeeld dat het Bundesverwaltungsgericht het recht van verzoekster op toegang tot de wettelijk voorgeschreven rechter dat artikel 101, eerste alinea, tweede volzin, van het Grundgesetz haar toekent, heeft geschonden, aangezien het in strijd met artikel 234, tweede alinea, EG aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geen prejudiciële vraag heeft gesteld over de verhouding tussen artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16 en richtlijn 76/207 inzake gelijke behandeling. Volgens deze rechter is het niet duidelijk dat de in het arrest gebruikte uitleggingsregels van de lex specialis en de lex posterior zonder meer ook voor het gemeenschapsrecht gelden; bovendien is er nog de kwestie dat het discriminatieverbod in het gemeenschapsrecht inmiddels de rang van een grondrecht heeft verkregen en daardoor voorrang zou hebben op richtlijn 93/16.
16. Derhalve heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en een aantal prejudiciële vragen gesteld. Ter toelichting op deze vragen heeft de verwijzende rechter het volgende opgemerkt.
17. Om te beginnen lijkt onduidelijk of het vereiste van artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16 dat de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde een aantal voltijdse opleidingsperioden dient te omvatten, en wel in het bijzonder voor het onderdeel dat in een erkende huisartsenpraktijk plaatsvindt, een discriminatie op grond van geslacht oplevert in de zin van richtlijn 76/207. Weliswaar staat buiten kijf dat de onmogelijkheid de opleiding volledig op deeltijdse basis te volgen, vrouwen in sterkere mate treft dan mannen, aangezien zij volgens de algemene ervaring aanzienlijk meer een beroep doen op mogelijkheden van deeltijdtewerkstelling. Er is evenwel twijfel mogelijk of de richtlijn inzake gelijke behandeling hier relevant is, omdat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, voorzover kan worden vastgesteld, tot nog toe deze problematiek niet heeft behandeld. In de rechtspraak van het Hof ging het vaak over het benadelen van deeltijdwerknemers ten opzichte van voltijdwerknemers. In casu gaat het echter niet erom, dat aan bepaalde vormen van tewerkstelling nadelige rechtsgevolgen worden verbonden. De wetgever heeft veeleer een bepaalde vorm van tewerkstelling, de deeltijd, uitgesloten voor alle in aanmerking komende werknemers. Het Hof van Justitie heeft tot nog toe niet geoordeeld, of de richtlijn inzake gelijke behandeling ook op dergelijke regelingen ziet, en welke criteria in voorkomend geval in acht dienen te worden genomen.
18. Ook is het mogelijk dat het discriminatieverbod niet relevant is, omdat het vereiste van een volledige dagopleiding in de huisartsenpraktijk gerechtvaardigd kan zijn door factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. De in het vernietigde arrest van de kamer voorkomende overwegingen betreffende de rol van de huisarts wijzen in die richting. Anderzijds mag niet over het hoofd worden gezien dat artikel 25 van richtlijn 93/16 voor de opleiding tot specialist in de geneeskunde geen periode bepaalt gedurende welke een volledige dagopleiding moet worden voorgeschreven.
19. Indien het vereiste van een volledige dagopleiding een schending van het discriminatieverbod zou opleveren, rijst de vraag hoe het normenconflict tussen artikel 34, lid 1, van richtlijn 93/16 en de artikelen 2 en 3 van richtlijn 76/207 moet worden opgelost. Enerzijds komt de aanwending van de in de Europese rechtstraditie verankerde beginselen van lex specialis en lex posterior in aanmerking. Anderzijds lijkt het mogelijk dat het verbod van discriminatie op grond van geslacht de rang van een grondrecht heeft ingenomen, wat in voorkomend geval tot ongeldigheid van de in artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16 opgenomen regeling zou kunnen leiden.
B ─ De prejudiciële vragen
20. Naar aanleiding van het bovenstaande heeft het Bundesverwaltungsgericht, bij beschikking van 8 november 2001, binnengekomen bij de griffie van het Hof op 31 januari 2002, de volgende prejudiciële vragen aan dit Hof voorgelegd:
1) Levert het in de richtlijnen 86/457 en 93/16 neergelegde vereiste dat bepaalde delen van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde tot verwerving van de titel huisarts in het kader van een voltijdse tewerkstelling moeten worden gevolgd, een indirecte discriminatie op grond van geslacht in de zin van richtlijn 76/207 op?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
a) Hoe dient het normenconflict tussen richtlijn 76/207 enerzijds en de richtlijnen 86/457 en 93/16 anderzijds te worden opgelost?
b) Behoort het verbod van indirecte discriminatie op grond van geslacht tot de gemeenschapsrechtelijke ongeschreven grondrechten die voorrang hebben op een daarmee in strijd zijnde regel van het secundaire gemeenschapsrecht?
C ─ De procedure voor het Hof
21. In de procedure voor het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Rinke, de Zweedse regering, de Raad en de Commissie. Rinke, de Raad en de Commissie hebben hun standpunt nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling op 12 november 2002.
IV ─ Beoordeling
A ─ De eerste prejudiciële vraag
22. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het vereiste dat bepaalde delen van een deeltijdse opleiding tot huisarts voltijds dienen plaats te vinden een indirecte discriminatie oplevert.
23. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, rechtspraak die zowel betrekking heeft op de beloning of de sociale zekerheidsuitkeringen als de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden, is er sprake van een indirecte discriminatie wanneer een (nationale) bepaling of regeling, hoewel in neutrale bewoordingen gesteld, feitelijk veel meer vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij dit verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. (7) Deze rechtspraak is inmiddels in diverse richtlijnen gecodificeerd. (8) Hieronder zal ik eerst ingaan op de vraag of de litigieuze bepaling meer vrouwen dan mannen benadeelt. Vervolgens zal ik ingaan op de aangevoerde argumenten ter rechtvaardiging van deze bepaling.
24. Het Hof heeft bepaald, dat indien wordt geconstateerd dat een maatregel veel meer vrouwen treft dan mannen, of omgekeerd, er sprake is van een vermoeden van indirecte discriminatie en dat in dat geval het aan de werkgever of de auteur van die maatregel is het tegendeel aan te tonen. Voorts geldt dat de gegevens waarop de indirecte discriminatie wordt gestoeld valabel moeten zijn. Daaronder wordt verstaan dat die gegevens betrekking moeten hebben op een voldoende groot aantal personen en dat er geen zuivere of toevallige conjuncturele verschijnselen in tot uitdrukking komen en dat zij in het algemeen significant lijken. (9) Indirecte discriminatie: benadeling vrouwen?
25. Rinke en de Zweedse regering hebben betoogd dat dit vereiste wezenlijk meer vrouwen dan mannen treft en dat derhalve sprake is van indirecte discriminatie. Zij merken op dat uit ervaring blijkt dat meer vrouwen dan mannen gebruikmaken van de mogelijkheid tot een deeltijdopleiding. Zij wijzen op het feit dat de gemiddelde leeftijd na het beëindigen van de basisopleiding tot arts ongeveer 28 jaar is. Voor vrouwen valt dat samen met de leeftijd waarop zij serieus moeten nadenken over het krijgen van kinderen. Een voortgezette opleiding duurt drie tot vijf jaar. De meeste vrouwen hebben in die periode dan hun eerste kind(eren). Doordat de nodige praktijkervaring niet volledig in deeltijd kan worden opgedaan wordt in wezen voor deze groep de toegang tot het beroep uitgesloten. Immers, die gevolgde deeltijdse opleiding wordt niet erkend, zodat zij zich ook niet als huisarts kunnen vestigen.
26. De Raad stelt dat de richtlijn slechts een aantal modaliteiten vastlegt voor een deeltijdse huisartsenopleiding. Het feit dat een bepaalde periode daarvan voltijds moet plaatsvinden kan niet worden vergeleken met een totale uitsluiting van de mogelijkheid tot een deeltijdse opleiding. Dat laatste zou volgens de Raad inderdaad nadelig uitwerken voor vrouwen. Volgens de Raad worden artsen in opleiding op deeltijdbasis echter niet benadeeld ten opzichte van artsen in opleiding op voltijdse basis. Voor beide categorieën zijn de voorwaarden tot de toegang van het beroep gelijk en is zowel een praktische opleiding alsook een voltijdse opleidingsperiode voorgeschreven. De Raad vindt het ook niet aannemelijk dat door dit voorschrift meer vrouwen dan mannen zouden worden getroffen, zelfs al zouden, zoals door de verwijzende rechter is vastgesteld, vooral vrouwen een deeltijdse opleiding volgen.
27. De Commissie merkt op dat alleen aan de hand van harde gegevens kan worden nagegaan of de regeling feitelijk nadelig uitwerkt voor vrouwen.Volgens de Commissie heeft de verwijzende rechter in de onderhavige zaak dergelijke gegevens niet beoordeeld. Hij heeft in zijn verwijzingsbeschikking enkel opgemerkt dat het buiten kijf staat dat de onmogelijkheid de opleiding volledig op deeltijdse basis te volgen, vrouwen in sterkere mate treft dan mannen, aangezien zij volgens de algemene ervaring aanzienlijk meer een beroep doen op mogelijkheden van deeltijdtewerkstelling. Deze algemene vaststelling is volgens de Commissie niet voldoende om te kunnen vaststellen dat er sprake is van indirecte discriminatie. In aanmerking nemende de ontwikkelingen in de rol van de man en vrouw op de arbeidsmarkt en in de familiesituatie kan volgens de Commissie niet zonder verder onderzoek ervan worden uitgegaan dat vrouwen wezenlijk meer gebruik maken van de mogelijkheid een opleiding in deeltijd te volgen.
28. Volgens de Commissie zou de rechter a quo dus moeten nagaan of de concrete regeling daadwerkelijk meer vrouwen dan mannen treft. Dit zou kunnen aan de hand van statistieken die informatie geven over het aantal mannen en vrouwen die ten minste een deel van hun opleiding tot huisarts in deeltijd doen. Slechts wanneer blijkt dat het hierbij om een wezenlijk groter aantal vrouwen handelt kan worden gesteld dat het uitsluiten van een volledige deeltijdse opleiding negatief uitpakt voor vrouwen.
29. Rinke wijst er echter op dat dergelijke statistieken niet voorhanden zijn, juist omdat een volledig deeltijdse opleiding niet wordt erkend en dus een dergelijke groep niet bestaat. Volgens haar zouden alle vrouwen en mannen in de groep huisartsen moeten worden vergeleken. Hierbij zou een nader onderscheid gemaakt moeten worden tussen mannelijke huisartsen die hun titel hebben verworven op basis van een specialistische opleiding en huisartsen die hun bevoegdheid hebben verkregen op basis van enkel praktijkervaring voordat in 1995 de bijzondere opleiding tot huisarts werd ingevoerd. Een dergelijk onderscheid wordt niet gemaakt in de statistieken; derhalve is het niet mogelijk daarop gebaseerde cijfers te overleggen.
30. Rinke wijst echter op de ondervertegenwoordiging van vrouwen in dit beroep. Volgens de statistieken bedroeg het percentage vrouwelijke houders van een artsendiploma in Duitsland in de periode 1993-1999 35 %. In 2000 was dat 37 %. In de overige Europese landen ligt dit percentage gemiddeld ongeveer gelijk. Dat er vervolgens problemen zijn bij een vervolgopleiding is eveneens uit de statistieken af te leiden. Van die 37 % heeft slechts 62 % een status als specialist waaronder die van gespecialiseerd huisarts, terwijl dat bij mannen 76 % bedraagt. Zij wijst er bovendien op dat voor andere specialisaties dan die van huisarts wel volledig deeltijdse opleidingen mogelijk zijn. Voorts is het algemeen bekend dat er meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken. Dat gaat zeker op voor de groep vrouwen tussen de 28 en 35 jaar. Rinke meent dat zij voldoende feiten heeft aangevoerd die doen vermoeden dat er sprake is van indirecte discriminatie.
Beoordeling indirecte discriminatie
31. De eerste vraag die hier beantwoord dient te worden is of er sprake is van indirecte discriminatie. Ik merk hieromtrent op dat deze problematiek, waarbij de vraag een rol speelt of en in hoeverre belemmeringen voor en de consequenties van deeltijdarbeid een indirecte discriminatie kunnen opleveren, het Hof niet onbekend is. Voorts heeft het Hof in zijn jurisprudentie meerdere malen impliciet of expliciet blijk gegeven zich bewust te zijn van de moeilijkheden die vrouwen kunnen ondervinden bij een voltijdse betrekking en de nadelige uitwerking daarvan op het gebied van bijvoorbeeld de beloning, de arbeidsvoorwaarden of sociale zekerheid. (10)
32. Voorts moet worden opgemerkt dat het hier om een opleiding gaat, die als zodanig de toegang tot een beroep betreft en dus onder richtlijn 76/207 valt, hetgeen veronderstelt dat ook een opleiding indirect discriminerend kan zijn. In casu betreft het een specifieke opleiding tot huisarts, die gevolgd kan worden nadat men de universitaire basisopleiding tot arts met goed gevolg heeft afgelegd. (11)
33. Tevens staat vast dat artikel 34, lid 1, derde gedachtestreep, van richtlijn 93/16 eist dat een deel van die opleiding voltijds moet worden gegeven. Ik wijs er overigens op dat deze richtlijn inmiddels is gewijzigd door richtlijn 2000/19. (12) De litigieuze bepaling omtrent de voltijdse periodes in een deeltijdopleiding tot huisarts is echter gehandhaafd. (13)
34. De vraag rijst nu of dit vereiste van voltijds werken gedurende een bepaald deel van de opleiding voor vrouwen een groter obstakel is dan voor mannen.
35. De cijfers die Rinke heeft aangevoerd om dit aannemelijk te maken en die vooral betrekking hebben op het totaal aantal vrouwen in het Duitse huisartsenbestand kunnen in dit opzicht niet echt overtuigend zijn, omdat zij geen oorzakelijk verband vermogen te leggen tussen de beweerde drempel en het resultaat. Er kunnen namelijk andere historische oorzaken zijn waarom de participatie in dit beroep waarvoor een postacademische opleiding nodig is naar verhouding laag kan zijn.
36. Overtuigend zijn wel gegevens waaruit blijkt dat de beroepsuitoefening in deeltijd in het algemeen voor vrouwen aantrekkelijker is dan voor mannen. Statistische gegevens wijzen erop dat vrouwen bij beroepen die in deeltijd worden uitgeoefend over het algemeen oververtegenwoordigd zijn. Dit lijkt ook te gelden voor beroepen waarvoor een academische of postacademische studie noodzakelijk is. (14) Het in deeltijd kunnen werken blijkt onomstotelijk de mogelijkheid van arbeidsparticipatie voor een grote groep vrouwen te vergroten. Dat geldt voor de beroepsuitoefening als zodanig.
37. Uit gegevens van Eurostat (15) blijkt dat deeltijdwerk hoofdzakelijk door vrouwen wordt verricht. Uit de statistieken uit 2001 blijkt dat eenderde van de werkende vrouwen dit op basis van deeltijd doen, terwijl maar 6 % (16) van de populatie werkende mannen op basis van deeltijd arbeid verricht. Tevens blijkt dat in landen waar het percentage in deeltijd werkende vrouwen laag is dit een belemmering van de toegang tot de arbeidsmarkt weerspiegelt.De gemiddelde leeftijd in de EU waarop vrouwen kinderen krijgen is 28 jaar. Voorts geldt dat in alle lidstaten van de EU vrouwen aanmerkelijk meer tijd besteden aan zorgtaken in verband met kinderen dan mannen. Voor vrouwen tussen de 20 en 49 jaar bedraagt dat gemiddeld 45 uur of meer per week, voor mannen blijft dit ruim onder de 30 uur per week (het EU-gemiddelde bedraagt 22 uur). Niet alleen besteden vrouwen meer tijd aan zorgtaken, maar deze zijn ook van invloed op het al dan niet buitenshuis werken en of er voltijds dan wel in deeltijd wordt gewerkt. De combinatie zorg en werk betekent voor vrouwen veelal dat gewerkt wordt in deeltijd, terwijl mannen hooguit een paar uur minder werken in een voltijdse betrekking. Circa 37 % van de vrouwen tussen de 20 en 49 jaar met zorgtaken en werk in deeltijd werkt minder dan 30 uur per week. Dat is twee maal zo veel als vrouwen in dezelfde leeftijdscategorie die geen kinderen, althans geen zorgtaken hebben.
38. Indien het gaat om een opleidingsvereiste waaraan niet in deeltijd kan worden voldaan, mag daaruit worden geconcludeerd dat de voor veel vrouwen aantrekkelijke drempelverlaging die deeltijd biedt voor de toetreding tot dat beroep niet bestaat. Met andere woorden deeltijd werkt drempelverlagend, juist voor vrouwen.
39. Hier wordt de eis van voltijds volgen van een postacademische opleiding gesteld. Ergo, hier valt dat typische voor vrouwen drempelverlagend effect weg. Daardoor treft deze eis naar verhouding vrouwen zwaarder dan mannen.
40. Dat het hier om een opleidingseis gaat maakt de effecten van de indirecte discriminatie voor de benadeelde groep nog ernstiger dan wanneer het zou gaan om de eis dat een functie of beroep voltijds dient te worden uitgeoefend. Immers de opleidingseis heeft tot gevolg dat er een barrière voor de toegang tot het betrokken beroep kan ontstaan. Daardoor wordt de benadeelde groep niet slechts in het verloop van een gekozen loopbaan getroffen, maar in de mogelijkheden om een bepaalde loopbaan te beginnen.
41. De Raad, noch de Commissie zijn erin geslaagd aan te tonen dat een dergelijk, indirect discriminerend effect zich niet voordoet.
42. Het argument van de Commissie, namelijk dat de veranderende ontwikkelingen in de rol van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt niet zonder meer de conclusie toelaten dat vrouwen wezenlijk meer gebruik zouden maken van de mogelijkheid een opleiding in deeltijd te volgen, acht ik in het licht van de eenduidige statistische gegevens over de participatieverhoudingen tussen mannen en vrouwen in deeltijdse functies, onhoudbaar.
43. Mogelijk zullen de ontwikkelingen waarop de Commissie doelt in de toekomst significante veranderingen in die participatieverhoudingen kunnen veroorzaken, maar aan de validiteit van de huidige gegevens doen zij niet af.
44. Overigens zijn de Raad en de Commissie weinig consistent in hun argumenten, waar deze instellingen ter rechtvaardiging van het vereiste van een gedeeltelijk voltijdse opleiding tot huisarts stellen dat het slechts om een beperkte periode zou gaan. Daarmee beogen zij kennelijk het drempelverhogend effect te bagatelliseren. Evenwel, het aanvoeren alleen al van een dergelijk argument duidt erop dat de Raad en de Commissie zich van een zodanig effect bewust zijn.
45. Met de redenering van de Raad en de Commissie dat verzoekster in het hoofdgeding ten overstaan van de nationale rechter aannemelijk zou moeten maken dat de desbetreffende nationale uitvoeringsregeling indirect discriminerende effecten heeft, hetgeen op zijn beurt weer door de nationale autoriteiten zou moeten worden weerlegd, kan niet worden ingestemd. Waar de nationale uitvoeringsregeling terzake van het hier omstreden voltijdse opleidingsvereiste onmiskenbaar is en rechtstreeks stoelt op artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16, dient in deze zaak de mogelijke indirecte discriminerende werking van die bepaling te worden onderzocht.
46. Immers in een vaste en omvangrijke jurisprudentie heeft het Hof uitgemaakt dat in gevallen waar het vermoeden van indirecte discriminatie aannemelijk is, het aan de werkgever, c.q. de nationale autoriteiten is om het vermoeden te weerleggen. (17) De gemeenschapswetgever heeft deze jurisprudentie gecodificeerd in richtlijn 97/80. (18) Weliswaar richten de rechtspraak en genoemde richtlijn zich tot de lidstaten en particulieren, maar het daarin neergelegde beginsel is mijns inziens in volle omvang van toepassing in gevallen als het onderhavige waar secundair gemeenschapsrecht moet worden getoetst aan het fundamentele beginsel van gelijke behandeling.
47. Welnu, zowel de Raad als de Commissie bieden in hun hierboven weergegeven schriftelijke en mondelinge argumenten geen begin van een op ondubbelzinnige kwalitatieve gegevens berustende weerlegging van het wel statistisch geadstrueerde vermoeden dat het hier omstreden voorschrift indirect discriminerend is ten aanzien van vrouwen die een postacademische opleiding tot huisarts willen volgen.
Objectieve rechtvaardigingsgronden
48. Ook al treft een bepaalde maatregel mogelijk vrouwen meer dan mannen, of omgekeerd, dan nog is er geen sprake van indirecte discriminatie in het geval de maatregel een legitiem doel nastreeft, mits de middelen daartoe noodzakelijk en evenredig zijn.
Opmerkingen partijen
49. Rinke wijst erop dat er geen objectieve rechtvaardiging voor het vereiste van voltijdse periodes in een deeltijdse opleiding tot huisarts aanwezig is. De Zweedse regering deelt deze opvatting. Zij meent dat, hoewel met dit vereiste ongetwijfeld een objectief doel wordt nagestreefd, dit doel ook op een andere manier dan die welke is voorgeschreven in de richtlijn kan worden bereikt, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat een volledig deeltijdse opleiding qua opleidingstijd gelijk is aan die van een geheel voltijdse opleiding. In dat verband wordt opgemerkt dat voor andere specialisaties de opleiding wel volledig op deeltijdbasis kan plaatsvinden, waaronder de praktijkervaring. Dit toont aan dat het mogelijk is de opleiding op een andere, niet-discriminerende wijze te organiseren.
50. De Raad en de Commissie menen, dat ook al zou de regeling meer vrouwen dan mannen treffen, de regeling in elk geval objectief gerechtvaardigd is. Zij merken op dat het doel van de richtlijn is het faciliteren van het vrije verkeer van artsen en daarbij tegelijkertijd het verzekeren van een hoog opleidingsniveau. De lidstaten zijn ingevolge de richtlijn verplicht de diploma's, certificaten en andere titels van artsen te erkennen. Daarvoor is harmonisatie van het minimumvereiste van de duur en de inhoud van hun opleiding vereist. Wat betreft de opleiding tot huisarts merken zij op dat het specifieke doel van artikel 34 van richtlijn 93/16 is ervoor te zorgen dat de deeltijdopleiding tot huisarts kwalitatief gelijkwaardig is aan een voltijdse opleiding. Bovendien wijzen zij erop dat het eveneens noodzakelijk is een hoog niveau van gezondheidszorg voor patiënten te waarborgen. Zij wijzen erop dat (1) de richtlijn een deeltijdse opleiding in principe toestaat (2) mits aan de algemene voorwaarde vermeld in artikel 34, lid 2, van de richtlijn wordt voldaan (3) die nader wordt ingevuld in artikel 34, lid 1, waarvan het derde gedachtestreepje betrekking heeft op het vereiste dat de deeltijdse opleiding een aantal voltijdse perioden moet omvatten. Tot slot wijzen zij erop (4) dat de gemeenschapswetgever ervoor heeft te zorgen dat dit vereiste niet verder gaat dan strikt noodzakelijk.
51. Wat dat laatste punt betreft wijzen de Raad en de Commissie erop dat de duur en het aantal voltijdse periodes niet door de gemeenschapswetgever zijn vastgelegd, maar zijn overgelaten aan de nationale wetgever. Er is slechts vastgelegd dat de in het kader van een deeltijdse opleiding te volbrengen voltijdse periode een passende voorbereiding op de daadwerkelijke uitoefening van de huisartsgeneeskunde vormen.
52. Zij stellen voorts dat, hoewel de nationale maatregel niet in het geding is, ook de lidstaten gebonden zijn aan de beginselen van het gemeenschapsrecht. Zij dienen dus rekening te houden met het non-discriminatiebeginsel en met de evenredigheid. Zij dienen dus in het kader van een deeltijdse huisartsenopleiding de lengte van de voltijdse perioden zo kort mogelijk te houden, maar lang genoeg om het met de richtlijn beoogde doel te bereiken.
53. De Raad wijst erop dat het vereiste van een aantal voltijdse opleidingsperioden in een deeltijdopleiding niet verder gaat dan nodig. Op deze wijze wordt de behoefte aan een deeltijdopleiding verzoend met de kwaliteitseisen aan de opleiding tot huisarts. De Commissie en de Raad wijzen op de centrale rol van de huisarts in het systeem van de gezondheidszorg en de specifieke eisen die daaraan worden gesteld. Hij is in toenemende mate het eerste aanspreekpunt van patiënten en hij neemt een centrale positie in de diagnostiek en de uiteindelijke behandeling. Op die taak dient een huisarts in opleiding te worden voorbereid.
54. De Commissie betwijfelt of een volledige deeltijdopleiding hieraan kan voldoen, omdat een deeltijdactiviteit in dit kader niet gelijkgesteld kan worden met een voltijdse. Ook de Raad wijst op problemen die zich zouden voordoen bij een volledige opleiding in deeltijd. Zij wijzen met name op het feit dat in deeltijd het ziekteverloop van de patiënt niet volledig gevolgd kan worden, maar ook op het feit dat het opdoen van ervaring met bepaalde situaties zoals noodsituaties of stervensbegeleiding of begeleiding van chronisch zieke patiënten in een opleiding in deeltijd niet hetzelfde zou zijn, evenals de werklast en de beschikbaarheid. Ter illustratie wijzen zij op een huisarts in opleiding die in de ochtend wel beschikbaar is, maar niet in de middag. Zou dan een patiënt die 's ochtends op consult is geweest, 's middags een verkeerde reactie op een voorgeschreven medicijn krijgen, dan zou hij niet bij zijn behandelende arts terecht kunnen.
55. Zij stellen dat een kwalitatief goede opleiding een volledige deelname aan alle medische activiteiten in alle mogelijke situaties veronderstelt teneinde zo het ziekteverloop te volgen en een totaalvisie op de gezondheidstoestand van patiënten te verkrijgen. De problemen die zich bij een volledige deeltijdse opleiding tot huisarts voordoen kunnen echter worden ondervangen door een aantal voltijdse periodes, zelfs indien van korte duur, in een deeltijdopleiding te eisen. Op deze wijze kan een huisarts in opleiding toch kennis en ervaring opdoen die hij nodig heeft als praktiserend arts.
56. De Raad merkt nog op dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen een deeltijdactiviteit en een deeltijdse opleiding. De laatste is slechts van beperkte duur, waarin de nodige ervaring moet worden opgedaan. Ook de Commissie meent, gezien de doelstelling, dat het redelijk is te verplichten dat een zekere, beperkte tijd van de opleiding voltijds moet zijn. Voor een dergelijke beperkte periode is er ook gemakkelijker een oplossing te vinden voor bijvoorbeeld zorgtaken in verband met kinderen, dan bij een volledige voltijdse opleiding het geval zou zijn. De Commissie merkt bovendien op dat de rechtspraak van het Hof de lidstaten een zekere beoordelingsruimte laat bij de noodzaak voor het bereiken van sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen, zelfs al zouden deze maatregelen meer vrouwen dan mannen raken. (19) De criteria die van toepassing zijn op de communautaire wetgever kunnen dus niet strenger zijn. De Raad was dus bevoegd binnen zijn beoordelingsruimte de vereisten voor de opleiding tot huisarts vast te stellen. Volgens haar kan een schending van het beginsel van gelijke behandeling alleen worden aangenomen als de regeling van de richtlijn duidelijk ongerechtvaardigd is.
57. Het feit dat de richtlijn de deeltijdse opleiding voor specialisten op een andere wijze regelt, met name door niet voor te schrijven dat een deel daarvan voltijds moet zijn, rechtvaardigt volgens hen nog niet de conclusie dat dit ook kan gelden voor de huisartsenopleiding. Zij wijzen op het verschil in hun rol en op de duur van de opleiding. Zij menen dat een specialist niet dezelfde centrale rol heeft als een huisarts. In het kader van zijn specialisatie heeft hij niet dezelfde omvattende en continue zorg als die van een huisarts. De eisen aan de opleiding zijn dus verschillend. De opleiding van een huisarts is overwegend praktisch van aard, terwijl die van een specialist zowel theoretisch als praktisch is. Bovendien is de opleiding tot specialist drie tot vijf jaar, al naargelang de specialisatie. Deze opleiding is dus aanmerkelijk langer waardoor ook de mogelijkheid daar wordt gerechtvaardigd om de opleiding geheel in deeltijd te volgen.
Beoordeling: objectieve rechtvaardiging
58. Zoals in punt 23 al is opgemerkt is er volgens 's Hofs jurisprudentie geen sprake van indirecte discriminatie, indien daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat, dat wil zeggen indien de maatregel een legitiem doel beoogt en de middelen daartoe noodzakelijk en evenredig zijn.
59. Bij de beoordeling van de vraag of er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor de eis van artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16 dat een deel van de huisartsenopleiding voltijds moet worden gevolgd past een drietal prealabele opmerkingen.
60. In de eerste plaats zijn in het licht van de steeds belangrijker wordende functie die de zogenaamde eerstelijns medische zorg vervult in de medische keten, een kwalitatief hoog opleidingsniveau en een goede voorbereiding op het toekomstige beroep voor de hand liggende en gerechtvaardigde eisen. Deze liggen ten grondslag aan de richtlijnen 86/457 en 93/16, waarin ook voor huisartsen in een aparte postacademische specialistische opleiding wordt voorzien, die, voltijds gevolgd, thans drie jaar duurt.
61. In de tweede plaats past een verwijzing naar mijn hierboven (punt 40) gemaakte opmerking, dat de in casu in het geding zijnde gedeeltelijk voltijdse opleidingseis tot gevolg kan hebben dat zij voor bepaalde groepen die toegang tot het beroep kan bemoeilijken, dan wel onmogelijk kan maken. Een dergelijk effect werkt structureel door in de verdere kansen op de arbeidsmarkt van degenen die erdoor worden getroffen. Dat stelt hoge eisen aan de objectieve rechtvaardigingsgronden uit een oogpunt van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
62. In de derde plaats moet worden opgemerkt dat noch in de considerans, noch in het dispositief van de richtlijn een motivering is te vinden voor de eis dat een deel van de opleiding voltijds moet plaatsvinden. Wel wordt in de considerans een algemene adstructie gegeven van de wenselijkheid van een specifieke aanvullende opleiding tot huisarts. Die adstructie spoort met de eerste prealabele opmerking hierboven (punt 60).
63. Uit de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn blijkt dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voorzag in de mogelijkheid van een volledig deeltijdse opleiding, indien een voltijdse opleiding om persoonlijke, steekhoudende redenen niet mogelijk was. Dit voorstel kwam overeen met de regeling zoals die geldt voor medische vakspecialisten. Dit voorstel is echter door de Raad niet aanvaard. Sommige lidstaten vonden die laatste eis overbodig, terwijl andere lidstaten juist een voltijdse opleiding noodzakelijk vonden. Vandaar dat in richtlijn 86/457 en later in richtlijn 93/16 is bepaald dat een deeltijdopleiding mogelijk is, mits een deel daarvan voltijds is. In de thans door richtlijn 2001/19 gewijzigde richtlijn 93/16 is het vereiste gehandhaafd, terwijl in de considerans wordt opgemerkt dat de Commissie in haar verslag over de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde, zoals bedoeld in titel IV van richtlijn 93/16 [heeft] aanbevolen om de bepalingen inzake de deeltijdse opleiding in de huisartsgeneeskunde in overeenstemming te brengen met die voor alle andere medische specialismen. Tot een volledige gelijkstelling is het niet gekomen. Dit terwijl toch deskundigen uit de sector zelf, en dat is door de Raad en de Commissie bij de hoorzitting niet betwist, geen bezwaren zien in een volledig deeltijdse opleiding tot huisarts.
64. Uit deze voorgeschiedenis valt op te maken dat de noodzaak tot het opnemen van een voltijds deel in de deeltijdse opleiding voor huisarts, niet algemeen wordt gedeeld. Een expliciete motivering voor die noodzaak ontbreekt in de considerans van richtlijn 93/16, terwijl in de considerans van richtlijn 2001/19 een overweging voorkomt die eerder op het niet-bestaan van een dergelijke noodzaak wijst. Voor een oordeel over de proportionaliteit van een dergelijke eis is al helemaal geen aanknopingspunt in beide richtlijnen te vinden. Het is voorts in het licht van de gegevens die over de wetgevingsgeschiedenis van het omstreden voorschrift zijn te achterhalen, sterk de vraag of men zich ervan bewust is geweest dat een dergelijk voorschrift een indirect discriminerend effect zou kunnen hebben.
65. Tegen deze achtergrond dienen de zakelijke argumenten te worden benaderd die door de Raad en de Commissie in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen ter staving van de objectieve rechtvaardigheid van het voorschrift thans hebben aangevoerd. Die argumenten behelzen, kort samengevat, drieërlei:
─ het verkrijgen van de nodige ervaring met het volgen van ziektebeelden bij patiënten, zoals deze zich in de tijd kunnen ontwikkelen;
─ het opdoen van voldoende ervaring met de verschillende situaties die zich in het bijzonder in een huisartsenpraktijk kunnen voordoen;
─ en de verschillen tussen het beroep van huisarts en dat van andere medische vakspecialisten en de daaraan verbonden andere opleidingseisen.
66. Het eerste argument is inhoudelijk niet onjuist, maar de noodzaak dat artsen ervaring opdoen met de ontwikkeling van het ziektebeeld bij hun patiënten en de zich daarin mogelijk voordoende complicaties geldt niet minder voor verschillende medische vakspecialisten, zoals de interne geneeskunde, cardiologie en de psychiatrie. Ook daar kunnen ziektebeelden snel veranderen en tot aanpassing van de aanvankelijke diagnose en behandelwijze nopen.
67. Voor het tweede argument geldt eigenlijk hetzelfde. Het is een vast gegeven in de praktijkuitoefening van iedere medicus dat daarbij de nodige continuïteit van de zorg voor de patiënt moet worden verzekerd. Daartoe zal, ook bij een voltijdse opleiding en praktijkbeoefening, de nodige zorgvuldigheid moeten worden aangeleerd en betracht bij de overdracht van de dienst en de waarneming van de praktijk.
68. Voor beide argumenten valt derhalve moeilijk in te zien waarom zij ten aanzien van huisartsen een gedeeltelijk voltijdse opleiding vergen, terwijl dat voor vakspecialisten uitdrukkelijk niet het geval is. Terzijde zij opgemerkt dat voor het verkrijgen van de noodzakelijke ervaring ook andere minder beperkende eisen zouden hebben kunnen volstaan dan de ongenuanceerde voltijdse eis, zoals het voorschrift dat bij het volgen van een deeltijdse opleiding de roostering zodanig moet zijn dat voldoende ervaring wordt opgedaan met het beoordelen en volgen van patiënten over een langere periode. Kortom, zo beide argumenten al een zekere noodzaak aannemelijk beogen te maken, schieten zij tekort in het staven van de evenredigheid van de voltijdseis.
69. Het derde argument is inhoudelijk onjuist, waar het wordt aangevoerd om voor huisartsen alleen de noodzaak voor een gedeeltelijk voltijdse opleiding te staven. Nu in de gewijzigde richtlijn de ─ voltijdse ─ opleidingsduur voor huisartsen wordt verlengd tot drie jaar, en zo gelijk wordt gemaakt met die voor een aantal vakspecialismen, kan aan de beweerdelijke ─ kortere ─ duur geen reden meer worden ontleend om alleen voor de huisartsenopleiding een gedeeltelijk voltijdse eis te handhaven.
70. Het Hof heeft in een aantal arresten, waarin verschillende aspecten van deeltijdarbeid aan de orde waren, geen genoegen genomen met generaliserende uitspraken zoals de veronderstelde geringere betrokkenheid van in deeltijd werkende werknemers of het mindere vermogen van dergelijke werknemers om vaardigheden en ervaring te verwerven. (20) Ik merk op dat de hierboven behandelende argumenten van de Raad en de Commissie niet wegkomen uit de sfeer van de generalisaties. Zij tonen niet de noodzaak, laat staan de evenredigheid van het voorschrift van artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16 met enige pertinentie en precisie aan.
71. De Commissie heeft nog gesteld dat de rechtspraak van het Hof de lidstaten een zekere beoordelingsruimte laat ten aanzien van de noodzaak om sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen na te streven. Per analogie zou de gemeenschapswetgever eenzelfde beoordelingsruimte toekomen. Dit argument treft in casu geen doel, nu, naar hierboven in punt 62 is toegelicht, de considerans, noch het dispositief van richtlijn 93/16 enige motivering geeft omtrent de noodzaak en evenredigheid van de voltijdse eis in de deeltijdopleiding voor huisartsen. Het hebben van een beoordelingsruimte brengt, naar volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof, de verplichting mee tot motivering van het gebruik van die ruimte. (21)
72. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de Raad en de Commissie er niet in slagen een overtuigende objectieve rechtvaardigingsgrond aan te voeren voor het voorschrift van artikel 34, lid 1, derde streepje, van richtlijn 93/16. Derhalve moet dit voorschrift worden aangemerkt als indirect discriminerend voor vrouwen bij hun toegang tot de arbeidsmarkt.
73. Ten overvloede ga ik nog in op het argument van de Raad en de Commissie dat het litigieuze voorschrift flexibel zou zijn, omdat het niet de duur en het aantal voltijdse perioden bepaalt, en dat de lidstaten bij de uitwerking die zij aan dit voorschrift geven zelf rekening dienen te houden met het grondbeginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel.
74. Dit argument snijdt geen hout, nu wij hierboven hebben vastgesteld dat het communautaire voorschrift zelf als zodanig strijdig is met het fundamentele beginsel van gelijke behandeling. De beoordelingsruimte die het aan de lidstaten laat om daaraan een engere dan wel ruimere toepassing te geven, doet daaraan niet af. Integendeel, waar in casu de gemeenschapswetgever tot een nauwkeurige afweging verplicht is tussen de doelstellingen van de richtlijn en de beperking die daaruit eventueel voor de werking van het fundamentele gelijkheidsbeginsel voortvloeit, gaat het niet aan daaromtrent de lidstaten een eigen oordeel te laten. Juist indien de gemeenschapswetgever een minimum aan voltijdse praktijkervaring van zo een essentieel belang had geacht dat daardoor een beperking op de werking van het gelijkheidsbeginsel gerechtvaardigd was, had hij dat goed gemotiveerd en nauwkeurig in de richtlijn moeten neerleggen.
B ─ De tweede prejudiciële vraag
75. De tweede vraag bestaat uit twee deelvragen, namelijk de oplossingsrichting van het normenconflict tussen enerzijds richtlijn 76/207 en anderzijds richtlijn 93/16 en de vraag of het verbod van indirecte discriminatie tot de gemeenschappelijke ongeschreven grondrechten behoort, die voorrang hebben op een daarmee in strijd zijnde regel van secundair gemeenschapsrecht.
Opmerkingen partijen
76. Alle partijen wijzen erop dat het recht op gelijke behandeling deel uitmaakt van de fundamentele rechten van de mens en dat deze fundamentele rechten deel uitmaken van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht welke geëerbiedigd moeten worden. Bovendien heeft dit beginsel door het Verdrag van Amsterdam ook een verdragsrechtelijke basis gekregen, in het bijzonder in de artikelen 2 en 3, lid 2, EG en voorts verschaft artikel 141, lid 3, EG een expliciete basis voor het treffen van communautaire maatregelen. De Commissie en de Raad wijzen ook op het op 7 december 2000 in Nice aangenomen Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. (22)
77. Volgens Rinke is de eis van een voltijdse opleidingsperiode in strijd met primair recht en om die reden gedeeltelijk nietig. Het vraagstuk van een normenconflict tussen richtlijn 93/16 en 76/207 doet zich derhalve niet voor. Zo deze zich al voor zou doen, dient het conflict te worden opgelost in functie van het te beschermen belang van beide richtlijnen. Daarbij geldt dat in richtlijn 93/16 de richtlijn 76/207 niet wordt uitgesloten en dat het in strijd zou zijn met het doel van laatstgenoemde richtlijn om het door die richtlijn te beschermen belang opzij te zetten enkel vanwege het feit dat de bepaling valt onder richtlijn 93/16.
78. De Zweedse regering merkt op dat de bepalingen van richtlijn 76/207 een uitdrukking zijn van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen en dat de litigieuze bepaling in strijd is met dit beginsel.
79. De Commissie erkent dat richtlijn 76/207, als afgeleid recht, gezien kan worden als een uitdrukking, van het grondbeginsel van het verbod van discriminatie op grond van geslacht. De Commissie meent echter dat de richtlijn gericht is tot de lidstaten en niet tot de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun wetgevende activiteit. Derhalve moet worden nagegaan of het om bepalingen gaat die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht.
Beoordeling
80. Het in artikel 141 EG en daarop gebaseerde secundaire regelgeving, waaronder richtlijn 76/207 (23) , neergelegde en uitgewerkte beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, zijn een verbijzondering van het fundamentele gelijkheidsbeginsel van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Aan dit beginsel heeft het Hof in een bestendige rechtspraak een grondrechtelijke betekenis toegekend. (24) Hieruit vloeit voort dat ook de gemeenschapswetgever bij de vormgeving en de uitwerking van zijn secundaire regelgeving te allen tijde moet nagaan of die regelgeving in overeenstemming is met dit fundamentele rechtsbeginsel.
81. In het licht van deze zorgvuldigheidseis moet ook artikel 34, lid 1, derde gedachtestreep, van richtlijn 93/16 worden beoordeeld. Zoals hierboven bij de beantwoording van de eerste vraag is aangegeven heeft deze bepaling, en dientengevolge ook in de wijze waarop zij in de nationale rechtssystemen wordt geïmplementeerd, indirecte discriminatie voor vrouwen bij de toegang tot de arbeidsmarkt tot gevolg. Een indirecte discriminatie waarvan de noodzaak niet klemmend is aangetoond en die in ieder geval disproportioneel is.
82. Voorts heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld dat een fundamenteel rechtsbeginsel een hogere rang heeft dan secundair recht en dat in het geval een bepaling van secundair recht in strijd blijkt te zijn met een hogere rechtsregel, deze buiten toepassing moet blijven.
83. Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat artikel 34, lid 1, derde gedachtestreepje, van richtlijn 93/16 ongeldig is. Nationale regelingen die ter uitvoering van deze bepaling een voltijdse periode in de opleiding tot huisarts voorschrijven, dienen derhalve buiten toepassing te blijven.
V ─ Conclusie
84. Op grond van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht als volgt te beantwoorden:
1) Het in artikel 34, lid 1, derde gedachtestreep, van richtlijn 93/16 van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels neergelegde vereiste dat de deeltijdse specifieke opleiding in de huisartsengeneeskunde een aantal voltijdse opleidingsperioden dient te omvatten levert een indirecte discriminatie op grond van geslacht in de zin van richtlijn 76/207/EEG op.
2) Artikel 34, lid 1, derde gedachtestreepje, van richtlijn 93/16 is ongeldig. De ter uitvoering daarvan gegeven nationale wettelijke voorschriften dienen buiten toepassing te blijven, voorzover zij een voltijdse periode in de specialistische opleiding tot huisarts voorschrijven.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 165, blz. 1.
3 – PB L 39, blz. 40.
4 – Volgens richtlijn 2002/73/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 269, blz. 15), is sprake van directe discriminatie wanneer iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld en van indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijke neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
5 – Artikelen 3 en 4 van richtlijn 76/207, respectievelijk artikel 3 van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73.
6 – PB L 267, blz. 26.
7 – Bijvoorbeeld de arresten van 31 maart 1981, Jenkins (96/80, Jurispr. blz. 911); 13 mei 1986, Bilka (170/84, Jurispr. blz. 1607); 13 juli 1989, Rinner-Kühn (171/88, Jurispr. blz. 2743); 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez (C-167/97, Jurispr. blz. I-623); 9 september 1999, Krüger (C-281/97, Jurispr. blz. I-5127), en van 6 april 2000, Jorgensen (C-226/98, Jurispr. blz. I-2447).
8 – Richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van geslacht (PB 1998, L 14, blz. 6), richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16), en laatstelijk bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 269, blz. 15).
9 – Zie arrest van 27 oktober 1993, Enderby (C-127/92, Jurispr. blz. I-5535), en arrest van 6 april 2000, Jorgensen (C-226/98, Jurispr. blz. I-2447).
10 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 31 maart 1981, Jenkins, aangehaald in voetnoot 7; arrest van 28 maart 2000, Badeck (C-158/97, Jurispr. blz. I-1875), en beschikking van 23 maart 1988, Terza (76/88 R, Jurispr. blz. 1741).
11 – De ontstaansgeschiedenis van deze bepaling gaat terug tot richtlijn 75/362 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 167, blz. 1) en richtlijn 75/363 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB L 167, blz. 14). Deze richtlijnen bevatten geen bepalingen betreffende de wederzijdse erkenning van de diploma's waarmee een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde werd afgesloten, noch criteria waaraan deze opleiding zou moeten voldoen. Wel voorzag laatstgenoemde richtlijn in een bepaling dat een universitaire opleiding in de geneeskunde ten minste zes studiejaren of 5500 uren moest omvatten en in bepalingen omtrent het minimumvereiste van een specialistenopleiding. Gezien de ontwikkeling van de rol van de huisarts in de meeste lidstaten werd de behoefte aan een specifieke opleiding hiertoe steeds groter. Men was van mening dat de belangrijkste aspecten van de huisartsgeneeskunde niet meer op bevredigende wijze konden worden onderwezen in het kader van de in de lidstaten bestaande medische basisopleiding. Bij richtlijn 86/457 werd een specifieke opleiding tot huisarts geïntroduceerd. Volgens deze richtlijn kon de opleiding tot huisarts in deeltijd geschieden mits een aantal minimumvoorwaarden in acht werden genomen. Anders dan voor andere specialisaties geldt voor de specialisatie tot huisarts echter dat deze deeltijdse opleiding een aantal voltijdse perioden dient te omvatten. De hierboven genoemde richtlijnen zijn een aantal malen gewijzigd. Derhalve zijn zij in een nieuwe richtlijn gecodificeerd, waarin ook richtlijn 86/457 is opgenomen.
12 – Richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 tot wijziging van de richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG van de Raad betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties en de richtlijnen 77/452/EEG, 77/453/EEG, 78/686/EEG, 78/687/EEG, 78/1026/EEG, 78/1027/EEG, 80/154/EEG, 80/155/EEG, 85/384/EEG, 85/432/EEG, 85/433/EEG en 93/16/EEG van de Raad betreffende de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (verpleegkundige), beoefenaar der tandheelkunde, dierenarts, verloskundige, architect, apotheker en arts (Voor de EER relevante tekst. ─ Verklaringen, PB. L 206 , blz. 1).
13 – De wijzigingen hebben betrekking op het terugbrengen van het weekrooster van de deeltijdse opleiding. Mocht ingevolge artikel 34, lid 1, tweede gedachtestreep, van richtlijn 93/16 het weekrooster van de deeltijdse opleiding niet minder zijn dan 60 % van het weekrooster van de voltijdse opleiding, door richtlijn 2001/19 is dat percentage gewijzigd in 50 %. Een tweede wijziging heeft betrekking op de minimumduur van de opleiding tot huisarts, deze is gewijzigd van twee naar drie jaar bij een voltijdse opleiding.
14 – Gegevens van Eurostat, zie vermeld in voetnoot 15.
15 – Onder andere Labour Force Survey 1998, 1999, 2000, data base New Cronos, de publicatie van Eurostat, The life of Women and Men in Europe ─ a Statistical Portrait en uit Employment in Europe 2002 en Employment in Europe 2001 , uitgave van de Europese Commissie, Directoraat-Generaal Werkgelegenheid en Sociale Zaken.
16 – Voor mannen in de leeftijdscategorie 25-49 jaar bedraagt dit slechts 3,8%.
17 – Zie bijvoorbeeld arresten van 17 oktober 1989, Danfoss (109/88, Jurispr. blz. 3199), en van 27 oktober 1993, Enderby, aangehaald in voetnoot 9.
18 – Richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van geslacht (PB 1998, L 14, blz. 6).
19 – De Commissie verwijst hierbij naar het arrest van 14 december 1995, Megner (C-444/93, Jurispr. blz. I-4741). Tevens wijst zij op de rechtspraak van het Hof waarin de Raad op bepaalde terreinen een ruime beoordelingsruimte wordt gelaten, hetgeen van invloed is op de omvang van de rechterlijke toetsing. Zij verwijst hierbij naar de arresten van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973), en van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-84/94, Jurispr. blz. I-5755).
20 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 13 juli 1989, Rinner-Kühn (171/88, Jurispr. blz. 2743), en de arresten van 7 februari 1991, Nimz (C-184/89, Jurispr. blz. I-297), van 2 oktober 1997, Gerster (C-1/95, Jurispr. blz. I-5253), en van 17 juni 1998, Hill en Stapleton (C-243/95, Jurispr. blz. I-3739).
21 – Zie bijvoorbeeld van recente datum het arrest van 8 november 2001, Silos (C-228/99, Jurispr. blz. I-8401).
22 – PB C 364, blz. 1. Zie de artikelen 20, 21, lid 1, en 23, lid 3, van het Handvest.
23 – Richtlijn 76/207 is destijds gebaseerd op artikel 235 EG-Verdrag (thans artikel 308 EG). Thans biedt artikel 141, lid 3, EG hiervoor een rechtsbasis.
24 – Zie de arresten van 15 juni 1978, Defrenne III (149/77, Jurispr. blz. 1365), en van 20 maart 1984, Razzouk en Beydoun (75/82 en 117/82, Jurispr. blz. 1509).
Full & Egal Universal Law Academy